CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Spuitzone onderzoek Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 209 (21.24)

Raadsvergadering 26 april 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Vaststellen bp Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (22.24)12.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019” Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden

Gemeente Rheden

Projectnummer: Status: Datum: Auteur:

wil/R202199/2201b definitief 16-2-2022 J. Wildschut

Geaccordeerd:

Y. Hidskes

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Inhoudsopgave 1. 2.

Inleiding ........................................................................................................................................... 3 Uitgangspunten onderzoek ............................................................................................................. 4 Werkwijze ................................................................................................................................ 4 Modellering ............................................................................................................................. 4 Ruimtelijk acceptabele afstanden ........................................................................................... 5 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen ................................................................................... 6 Representatieve invulling van maximale planologische mogelijkheden................................. 6 Opzet rapportage .................................................................................................................... 6

3.

Bestaande situatie ........................................................................................................................... 8 Projectlocatie en omgeving ..................................................................................................... 8 Basisregistratie gewaspercelen ............................................................................................... 8 Lentsesteeg 2........................................................................................................................... 9 Watergangen ........................................................................................................................... 9

4.

Representatieve invulling maximale planologische situatie ......................................................... 10 Algemeen............................................................................................................................... 10 Bestemmingsregeling ............................................................................................................ 10 Overig .................................................................................................................................... 12 Activiteitenbesluit milieubeheer ........................................................................................... 12 Conclusie representatieve invulling maximale planologische situatie.................................. 14

5.

Spuitzones ..................................................................................................................................... 15 EFSA-model ........................................................................................................................... 15 Invoergegevens boomteelt ................................................................................................... 18 Resultaten EFSA ..................................................................................................................... 22 Beoordeling overige factoren ................................................................................................ 23 Voorzorg ................................................................................................................................ 24 Verschil in uitkomsten PRI - EFSA .......................................................................................... 25

6.

Conclusie en aanbevelingen .......................................................................................................... 26 Algemeen............................................................................................................................... 26 Voorzorg ................................................................................................................................ 26 Tijdelijke maatregelen ........................................................................................................... 30 Samenvattend ....................................................................................................................... 30

Bijlagen .................................................................................................................................................. 31

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 2 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

1.

Inleiding

Onderhavig onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Rheden naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 3 november 2021 inzake het bestemmingsplan “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de transformatie van een bedrijf naar wonen. De aanwezige bedrijfswoning Lentsesteeg 13 zal worden bestemd voor woondoeleinden, terwijl de overige bedrijfsbebouwing op het adres Lentsesteeg 15 plaats zal maken voor twee nieuwe aaneengebouwde woningen. Aan de overzijde van de weg, aan de Lentsesteeg 2, bevinden zich gronden met een agrarische bestemming die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluit. Gelet hierop is voor het bestemmingsplan een locatiespecifiek onderzoek (‘spuitzone-onderzoek’) uitgevoerd door SPA WNP ingenieurs1. In de uitspraak overweegt de Afdeling dat het locatiespecifiek onderzoek is gebaseerd op onderzoek van Plant Research International (PRI 2012 en PRI 2015) ten aanzien waarvan inmiddels in andere uitspraken2 is beslist dat deze geen deugdelijke basis voor een locatiespecifiek onderzoek bieden. De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen een zogenaamde bestuurlijke lus het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zo mogelijk te herstellen.

Daarbij heeft de Afdeling als volgt uitgesproken over het spuitzone-aspect: “De raad moet daarvoor een nieuw locatiespecifiek onderzoek laten doen. Hierbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de verplichting om een techniek met een driftreductie van tenminste 75% toe te passen, welke op grond van artikel 3.80a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit met ingang van 1 januari 2021 ook geldt voor boomkwekerijgewassen. Ook moet hierbij aandacht worden besteed aan de vereiste minimale optische dichtheid die de groensingel moet hebben en hoe die optische dichtheid kan en moet worden bereikt.” Onderhavige rapportage vormt de weerslag van het door de Afdeling gevraagde nieuwe locatiespecifieke onderzoek.

1

SPA WNP, Gemeente Rheden in De Steeg, locatiespecifiek onderzoek spuitzone Lentsesteeg, 15 september 2016, kenmerk: 21620202.R01 en SPA WNP, Actualisatie spuitzone onderzoek Lentsesteeg in Rheden, 13 november 2018, 21800493.B01, bijlage 8 en bijlage 9 bij de toelichting van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019” 2 ARRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3018, in lijn met een eerdere uitspraak over PRI 2012: ARRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1741

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 3 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

2.

Uitgangspunten onderzoek

Werkwijze Er heeft afstemming plaatsgevonden met de gemeente over de uitvoering van de werkzaamheden, hoofdzakelijk in relatie tot de procedurele aspecten en de planning van het beoogde herstelbesluit. Op 21 januari 2022 is een bezoek gebracht aan de locatie, waarbij niet met betrokkenen is gesproken. Modellering In onderhavig rapport is gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel van de European Food Safety Authority (EFSA-model). Dit EFSA-model kan worden beschouwd als het Europese standaard verspreidingsmodel. Het EFSA-model is gebaseerd op diverse publicaties van wetenschappelijk onderzoek naar drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen via de lucht bij toepassing daarvan) voor passanten en omwonenden alsook op publicaties over de blootstellingsrisico’s voor personen werkzaam op het gewasperceel zelf (al dan niet bij toepassing van die gewasbeschermingsmiddelen of bij andere voorkomende werkzaamheden, zoals oogsten). Het PRI-onderzoek bevat onder meer een overzicht van hanteerbare afstanden waarin de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen zodanig beperkt blijft, dat een veilig woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. In dit overzicht is de benodigde afstand voor diverse spuittechnieken, de aanof afwezigheid van een windhaag en twee hoogteverdelingen bepaald.

Tussen de modellen van EFSA en PRI is sprake van een verschil in uitgangspunten dat ook leidt tot een verschil in uitkomsten. De uitgangspunten van het EFSA-verspreidingsmodel (langdurige blootstelling aan drift) leiden in principe tot kortere veiligheidsafstanden dan bij het verspreidingsmodel van Plant Research International waar een kortstondige te hoge blootstelling al tot een overschrijding leidt. Doordat het EFSA-model is gebaseerd op consensus omtrent de laatste wetenschappelijke inzichten, zal het model uit de aard der zaak onderhavig zijn aan wijzigingen indien nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding voor geven. Het EFSA model beschouwt zowel de directe blootstelling aan drift via inademing (inhalatie) en opname via de huid (dermaal) alsook indirecte blootstelling in de vorm van opname via de mond van aan drift blootgestelde objecten. Met het model kunnen de effecten op volwassenen alsook op kinderen tussen de één dan drie jaar in beeld gebracht worden. Verwezen wordt naar 4.1. 2.2.1. Kinderen jonger dan één jaar Het model biedt geen inzicht in de blootstellingsrisico’s voor kinderen jonger dan één jaar. Het model biedt wel aanknopingspunten om beperkte conclusies omtrent blootstelling te trekken voor deze groep.

Voor de kinderen jonger dan 1 jaar kan er van worden uitgegaan dat blootstelling primair plaatsvindt door inhalatie en in beperkte mate via directe blootstelling van de huid / mond. Dit omdat kinderen jonger dan drie jaar beperkt zelfstandig mobiel zijn en buiten in principe worden vervoerd in kinderwagen of vergelijkbaar. Blootstelling via hand-mondbewegingen (speelgoed, vegetatie en andere objecten welke aan drift hebben blootgestaan en die worden aangeraakt met hand en eventueel aansluitend mond) kan in principe meer worden uitgesloten dan bij oudere kinderen die zelfstandig mobiel zijn. Kinderen jonger dan 1 jaar hebben daarbij een kleinere longinhoud, waardoor blootstelling via inhalatie ook lager zal zijn. Tegelijkertijd is wel sprake van hogere kwetsbaarheid vanwege het lagere gemiddelde lichaamsgewicht.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 4 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Voor wat betreft ongeboren kinderen geldt dat het lichaam van de moeder in eerste instantie bescherming biedt tegen blootstelling. De maximale blootstelling overschrijdt daarbij hoe dan ook niet de AOEL omdat de blootstelling van de foetus kan worden beschouwd als een klein percentage van de blootstelling die de moeder ondervindt. Uitgaande van een woonsituatie zullen kinderen jonger dan 1 jaar die ter plaatse worden geboren maximaal 1 jaar en 9 maanden blootgesteld staan aan drift, waarna v.w.b. langdurige blootstelling wordt voldaan aan de uitkomsten van het EFSA-model. 2.2.2. Gecombineerde werking Het model biedt evenwel geen inzicht in cumulatieve effecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen noch houdt het model rekening met eventuele gecombineerde werking (zoals synergisme of antagonisme) tussen gewasbeschermingsmiddelen onderling. Het model is immers een verspreidingsmodel, waarvoor de (cumulatieve) schadelijkheid van stoffen een gegeven vormt. Het EFSA-model hanteert de maximale blootstellingsgrenswaarden die zijn vastgesteld voor afzonderlijke werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen als uitgangspunt en berekent de driftblootstelling op basis van de fysische eigenschappen van een middel. Verwezen wordt naar 5.4.1. 2.2.3.

Afstand en afscherming Het model biedt de mogelijkheid om de driftblootstelling in beeld te brengen vanaf een afstand van 2 tot 5 meter (afhankelijk van de teelt) tot op een afstand van 10 meter uit een gewasperceel. Op basis van het model kunnen indirect uitspraken worden gedaan over de driftblootstelling op grotere afstand. Met het EFSA-model is het tot slot niet mogelijk om afscherming van drift middels een haag of een scherm te modelleren. 2.2.4. Representativiteit Met het rekenmodel zijn meerdere gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld welke als representatief kunnen worden beschouwd voor de invulling van de maximale planologische situatie. Ruimtelijk acceptabele afstanden In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Aangezien de afstand welke (minimaal) aangehouden moet worden niet in een concrete regeling is voorgeschreven, dient deze op grond van de Wet ruimtelijke ordening te worden bepaald in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een zone aan te houden in verband met het risico op drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht).

In een dergelijke zone dient daarbij gekozen te worden voor bestemmingen welke reguliere / langdurige menselijke aanwezigheid uitsluiten. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt3, in het algemeen niet onredelijk vindt. Deze afstand is dan in ieder geval voldoende om te spreken van een ruimtelijk aanvaardbaar woon- en leefklimaat waarbij er in principe niet behoeft te worden gevreesd voor

3

De betrokken afstand van 50 meter is in uitspraken aangehouden voor fruitboomgaarden.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 5 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

(toekomstige) beperkingen4 voor de gevestigde agrarische bedrijven. De betrokken afstand dient in principe te worden aangehouden tussen het perceel waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en locaties van de gevoelige functie waar reguliere menselijke aanwezigheid niet is uitgesloten (zoals een tuin bij een woning). Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand tot percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast ook aanvaardbaar zijn, mits blijkens een locatiespecifiek onderzoek is onderbouwd dat ondanks deze kortere afstand sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de betreffende gevoelige functies. Hierin beoogt onderhavige onderzoeksrapportage te voorzien. Gebruik gewasbeschermingsmiddelen Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dient plaats te vinden in overeenstemming met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Blijkens artikel 47 en 20 van deze wet jo. de Verordening 528/2012/EU, mogen middelen alleen worden gebruikt op grond van een (vereenvoudigde) toelating, welke onder voorschriften / beperkingen kan worden verleend door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt volgens internationale afspraken en in de wetgeving verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of het middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, toepassing voorafgaand aan oogst etc.), maar hierin is ook gelimiteerd voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet. Representatieve invulling van maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. De invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende of anderszins niet voor de hand liggende omschakeling in de bedrijfsactiviteiten.

De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige bestemmingen. Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij gedurende de planperiode van in principe 10 jaar geen beperkingen worden veroorzaakt voor omliggende bedrijvigheid en/of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn). Opzet rapportage In hoofdstuk 3 wordt globaal ingegaan op het projectperceel en de omgeving daarvan, waarbij de aandacht uitgaat naar omliggende gronden waar bedrijfsmatig (professioneel gebruik) gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. 4

Dit kunnen beperkingen zijn van planologische aard (zoals het verbieden van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen nabij gevoelige bestemmingen), van milieujuridische aard (zoals nieuwe milieuvoorschriften ten aanzien van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen) en van privaatrechtelijke aard (al dan niet naar aanleiding van door nieuwe bewoners geïnitieerde (civiel)rechtelijke uitspraak).

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 6 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de in deze context relevante regelgeving in relatie tot de vraag wat dient te worden beschouwd als de representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Dat wordt uit de aard der zaak bepaald aan de hand het geldende planologische regime. Echter, ook de relevante milieuregelgeving en daarmee samenhangend regelgeving ten aanzien van oppervlaktewater is in die context relevant. De wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb komen aan de orde in hoofdstuk 5, bij de behandeling van de individuele gewasbeschermingsmiddelen welke als representatief worden beschouwd voor de bepaling van de zogenaamde spuitzone. In hoofdstuk 5 komen ook de uitkomsten van de modelberekeningen aan de orde. Hoofdstuk 6 bevat de conclusies ten aanzien van de aan te houden acceptabele afstanden. Bovendien zal hier een koppeling gemaakt worden met de conclusies uit het rapport van SPA WNP.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 7 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

3.

Bestaande situatie

Projectlocatie en omgeving Het plangebied van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”omvat het grootste deel van het kadastrale perceel Velp, sectie B, nummer 746. Ten noorden van het projectgebied is sprake van een paardenwei en de woning Lentsesteeg 13a. Ten westen is sprake van (tuinen van) diverse woningen aan de Lentsesteeg en Arnhemseweg. Ten zuiden grenst het perceel aan de Lentsesteeg met daarachter de spoorverbinding Arnhem-Zutphen. Ter plaatse is een onbewaakte spoorwegovergang aanwezig voor voetgangers. Aan de overzijde van het spoor is sprake van grasland met meer aan de westzijde enkele woningen. Ten oosten grenst het perceel eveneens aan de Lentsesteeg met aan de overzijde het agrarisch bestemde perceel behorende bij de Lentsesteeg 2. In lijn met de conclusie van SPA is enkel het perceel Lentsesteeg 2 relevant voor wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Basisregistratie gewaspercelen Uit de basisregistratie gewaspercelen (figuur 1) is sprake van grasland en de teelt van mais in de omgeving. Het perceel Lentsesteeg 2 is niet geregistreerd voor een bepaalde teelt.

Figuur 1: Uitsnede Basisregistratie Gewaspercelen, projectlocatie indicatief rood omlijnd (bron: PDOK 2021- bewerkt)

De informatie van de Basisregistratie is overigens enkel indicatief ten aanzien van het recente agrarische grondgebruik.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 8 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Lentsesteeg 2 Het agrarische bedrijf aan de Lentsesteeg 2 beschikt ter plaatse over een areaal van circa 1,7 ha, waarvan circa 2.100 m2 in gebruik is ten behoeve van het agrarische bouwvlak. Het bouwvlak kan nog worden vergroot. Op grond van het geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg” is een agrarisch bouwvlak geprojecteerd van circa 3.200 m2. Binnen het bouwvlak is een woning aanwezig alsook een loods met een oppervlak van circa 200 m2 en enkele schuren met een gezamenlijk oppervlak van circa 135 m2. Uit het locatiebezoek is gebleken dat ter plaatse sprake is van de teelt van in ieder geval fruitbomen, pompoenen en kerstbomen. Zoals ook in de rapportage SPA is aangegeven, worden de fruitbomen uitsluitend in de zuidwestelijke hoek van het terrein gekweekt, dus tegenover het plangebied. Deze bomenteelt vindt plaats op een beperkt deel van het totale areaal plaats, namelijk op circa 500 m². Tijdens het locatiebezoek was geen sprake van teeltmateriaal met een hoogte van meer dan 4 meter. Watergangen Tussen het bestemmingsplan en de aangrenzende agrarische percelen zijn geen watergangen aanwezig. Blijkens de Legger wateren van het Waterschap Rivierenland, liggen de relevante watergangen elders (figuur 2).

Figuur 2: Uitsnede Legger oppervlaktewateren (bron: Waterschap Rijn en IJssel)

In aanvulling op de Legger wateren van het Waterschap Rivierenland, bevindt zich tegen de Spoordijk, aan de noordzijde van het spoor, een (opgedroogde) sloot. Daar dit een (voornamelijk) opgedroogde sloot betreft, en deze zich niet bevindt tussen het plangebied en het aangrenzende agrarische perceel aan de Lentsesteeg 2, wordt deze watergang als niet relevant beschouwd.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 9 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

4.

Representatieve invulling maximale planologische situatie

Algemeen Zoals aangegeven dient bij de bepaling van (het risico op) milieuhinder te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Hiervoor is in deze context uiteraard primair het bestemmingsplan relevant dat geldt voor de betrokken agrarische gronden. Echter ook bij de invulling van de (toekomstige) hindergevoelige functies dient te worden uitgegaan van de representatieve maximale planologische situatie, in de gegeven omstandigheden de aanwezigheid van de twee nieuwe woningen met tuinen. Ter verdere bepaling van de maximale representatieve invulling dient ook te worden ingegaan op de regelgeving welke relevant is bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Dit betreft de milieuregelgeving welke is opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Tot slot zijn de al genoemde wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb relevant. Deze gebruiksvoorschriften komen aan de orde in hoofdstuk 5, waar nader wordt ingegaan op het (representatieve) gebruik van concrete gewasbeschermingsmiddelen. Bestemmingsregeling 4.2.1. Beoogde ontwikkeling - bestemmingsplan “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019” Het bestreden bestemmingsplan “Landelijk gebied, locatie Lentsesteeg Zuid 2019” biedt de grondslag voor de transformatie van het bestaande bedrijf naar wonen.

Het bestemmingsplan omvat de bestaande bedrijfswoning als woonbestemming alsook de nieuwbouw van twee aaneengebouwde woningen aan de oostzijde van het perceel.

Figuur 3: Plangebied “Landelijk gebied, locatie Lentsesteeg Zuid 2019” (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De afstand tussen de nieuwe woonbestemming en het gewasperceel aan de Lentsesteeg 2 bedraagt minimaal 25 meter.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 10 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Het tussengelegen gebied kent een agrarische bestemming op basis van de aanduiding ‘agrarisch met waarden – natuur en landschap‘. Op deze gronden is fruitteelt en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten. Op een deel van deze gronden is sprake van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – groensingel’. Op grond van deze aanduiding is ter plaatse een groensingel toegelaten. In de woonbestemming is vastgelegd dat de twee nieuw op te richten woningen niet in gebruik worden genomen voordat deze groensingel is gerealiseerd. De hoogte van de groensingel dient minimaal 7 meter te bedragen en de breedte minimaal 5 meter. De groensingel dient in stand te worden gehouden zolang de beide woningen worden bewoond. Verder is vastgelegd dat de groensingel een driftreductie dient te bieden van 75% en dat gebruik dient te worden gemaakt van specifieke inheemse beplanting voor de aanleg van de groensingel. Overig Voor de gronden geldt een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische verwachtingswaarden welke in deze context buiten beschouwing blijft. Het is tot slot de bedoeling om de bestaande onbewaakte spoorwegovergang voor voetgangers te verbeteren. Met de hiervoor benodigde ruimte is al rekening gehouden in de begrenzing van het onderhavige plan. 4.2.2.

Aangrenzende agrarisch bestemde gronden – bestemmingsplan “Buitengebied” Voor het agrarische bedrijf Lentsesteeg 2 geldt het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg”, vastgesteld op 27 januari 2015. Dit bestemmingsplan had ook betrekking op de beoogde woningontwikkeling, maar het onderdeel dat betrekking had op de nieuwe woonbestemming is bij uitspraak van 9 november 2019 vernietigd. De betrokken gronden kennen een agrarische bestemming op grond van de aanduiding ‘Agrarisch met waarden – natuur en landschap’. Daarnaast is middels een daartoe strekkende aanduiding een boomkwekerij toegelaten. Op de gronden is zoals vermeld een bouwvlak geprojecteerd met een oppervlak van circa 3.100 m 2. Voor de gronden geldt daarnaast een archeologische dubbelbestemming. Vanaf grondroeringen dieper dan 90 centimeter -MV en over een oppervlak van meer dan 2.500 m2 is sprake van een waboaanlegvergunningplicht.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 11 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Figuur 4: bestemmingsplan “Bestemmingsplan Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg” met aanduiding vernietigde onderdeel (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerkt)

Overig Aan de Lentsesteeg zelf is een verkeersbestemming toegekend in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg”. Daarnaast geldt het bestemmingsplan “Parapluplan huisvesting arbeidsmigranten en bijzondere woonvormen” van 28 september 2021, welke in deze context niet relevant is. Activiteitenbesluit milieubeheer Als een bedrijf geen bestrijdingsmiddelen zou toepassen (biologische productie), dan hoeft uit de aard der zaak ook geen spuitzone te worden aangehouden. Echter in het kader van dit onderzoek dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. In deze context is overigens van belang dat het Ctgb ook gebruiksvoorschriften vaststelt voor zogenaamde biologische gewasbeschermingsmiddelen. Bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. 4.4.1. Driftreductie In artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%, bepaald volgens ‘Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken’, versie van 1 juli 2017 (artikel 3.78a, lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer - Barim jo. artikel 3.81 Activiteitenregeling milieubeheerRarim)5.

Driftreductie kan ook worden bereikt door het toepassen van schermen (artikel 3.79, lid 7 onder b ten 2e Barim) of door toepassing van een vanggewas (vegetatiescherm - artikel 3.80a, lid 2 onder a Barim).

5

Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen drukregistratievoorziening (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer).

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 12 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Het percentage driftreductie wordt bepaald in de vorm van een reductie ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek. Of de vereiste driftreductie wordt behaald wordt in Nederland beoordeeld op basis van onderzoek dat wordt uitgevoerd door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, een commissie die onafhankelijk is van fabrikanten en leveranciers van spuitapparatuur. Beoordeling vindt plaats volgens een voorgeschreven methode op basis van meetprotocollen. 4.4.2. Teeltvrije zone Er is zoals aangegeven geen sprake van een jaarrond watervoerende watergang langs/tussen de relevante zijden van de in onderhavige rapportage beschouwde percelen, zodat geen teeltvrije zone behoeft te worden aangehouden. Los hiervan geldt dat een eerste bomenrij zich op enige afstand uit de perceelgrens bevindt, ten einde ook deze bomenrij toegankelijk te houden voor gewasbescherming, snoeien en dergelijke. 4.4.3. Vanggewas en scherm Een vanggewas is in het Activiteitenbesluit milieubeheer gedefinieerd als zijnde “een barrière van bomen, struiken of andere gewassen, die het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam beperkt”.

Een emissiescherm wordt in het Activiteitenbesluit gedefinieerd als: “scherm ter beperking van het verwaaien van spuitvloeistof bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen”. Uit artikel 3.82, lid 1a jo. artikel 3.79 lid 5 en 3.80, lid 2 van de Activiteitenregeling milieubeheer dient een scherm of vanggewas minimaal 50 centimeter hoger te zijn dan de gewashoogte. In het kader van onderhavige rapportage wordt ervan uitgegaan dat driftreductie volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer plaatsvindt, maar geen scherm of vanggewas wordt toegepast. Als onderdeel van deze ontwikkeling zal wel een vanggewas/groensingel worden aangelegd op eigen terrein. 4.4.4. Hoogte gewassen Blijkens de rapportage van SPA vinden bespuitingen plaats met een veldspuit, een rugvernevelaar en een axiaalspuit. Als het bedrijf laanbomen gaat kweken, wordt niet uitgesloten dat een mastspuit zal worden ingezet. Het EFSA-model biedt de mogelijkheid om uit te gaan van een gewashoogte tot 4 meter, door te kiezen voor een modellering van toepassing in boomgaarden. Het PRI model is gebaseerd op een gewashoogte van 2 tot 2,5 meter. In lijn met de rapportage SPA kan bij een verdubbeling van de spuithoogte worden uitgegaan van 50%-65% meer driftverspreiding, waarbij om onderschatting te voorkomen zou kunnen worden uitgegaan van een verdubbeling van de driftverspreiding.

Bij erkenning van spuitapparatuur wordt in principe rekening gehouden met een lagere spuitdophoogte6. Om de benodigde erkenning te verkrijgen dient de betrokken apparatuur de vereiste driftreductie te behalen ongeacht de gewashoogte7 (en aanpassingen aan de apparatuur, zoals het 6

De Munckhof Dwarsstroomspuit welke als referentie wordt gebruikt bij de bepaling van driftreductie, heeft standaard een hoogste spuitdophoogte van 286 cm. Zie: H. Stallinga e.a., Driftreductie Munckhof MAS 3 rijen boomgaardspuit, tabel 2.1 pagina 13, https://edepot.wur.nl/420149 7 Zie artikel 7, lid 5b van het Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken, ministerie IenM, 1 juni 2017: https://www.helpdeskwater.nl/publish/pages/188496/meetprotocol_vaststellen_driftreductie_spuittechnieken_ versie_1_juli_2017_1.pdf. Zie verder paragraaf 1.1 van: TCT, Beoordelingssystematiek emissiereducerende maatregelen open teelt, 15 december 2017:

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 13 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

hoger plaatsen van de spuitdoppen of het aanpassen van de druk of de spuithoeken o.i.d., zouden de erkenning tenietdoen). Blijkens de 'Lijst met indeling van spuittechnieken in DriftReducerende Techniek-klassen’ (DRT-lijst) van 6 december 2021 is een mastspuit erkend met 95% driftreductie. Conclusie representatieve invulling maximale planologische situatie Gelet op het voorgaande wordt in de context van deze rapportage uitgegaan van de volgende representatieve invulling van de maximale planologische situatie: − De aanwezigheid van 2 nieuwe woningen met tuinen op een afstand van minimaal 25 meter tot de agrarisch bestemde gronden Lentsesteeg 2; − Het gebruik van de agrarisch bestemde gronden Lentsesteeg 2 als boomkwekerij met dito professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (boomkwekerij voor hoogstam fruitbomen als de voor drift bepalende teelt); − Toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij boomteelt met 75% driftreductie; − Een tussengelegen groensingel; − Geen professioneel gebruik van relevante gewasbeschermingsmiddelen op de agrarische gronden in het plangebied zelf. In volgend hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het licht van de door het Ctgb vastgestelde wettelijke gebruiksvoorschriften.

https://www.helpdeskwater.nl/publish/pages/138138/beoordelingssystematiek_emissiereducerende_maatregel en_open_teelt_20171215.pdf. Hier wordt de spuitdophoogte uitdrukkelijk als factor beschreven die beschouwd wordt bij de beoordeling welke driftreductie een bepaalde spuitinstallatie kan behalen.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 14 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

5.

Spuitzones

EFSA-model Voor de beoordeling van de onderhavige situatie is gebruik gemaakt van het zogenaamde EFSArekenmodel. Op 17 oktober 2014 heeft de European Food Safety Authority (EFSA) een handreiking vastgesteld voor de beoordeling van blootstelling aan pesticiden. Op 24 april 2015 is een herziening hiervan gepubliceerd. Bij de handreiking is door de EFSA een rekenmodel openbaar gemaakt dat kan worden gebruikt voor een beoordeling van de driftblootstelling bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen (bespuiten van gewassen). Het EFSA-rekenmodel biedt de mogelijkheid om de maximale blootstelling te bepalen van zowel medewerkers, als omwonenden, passanten en personen die recreatief verblijven op en in de nabijheid van terreinen waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast. De handreiking en het rekenmodel zijn tot stand gekomen op basis van bijdragen van experts uit alle Europese landen op basis van tal van onderzoeksgegevens en studies. Het rekenmodel is gebaseerd op meerdere modellen en databases. Voor de omwonenden is gebruik gemaakt van BREAM8 in het geval van landbouwgronden en van Lloyd et al. (1987)9 in het geval van boomgaarden. Lloyd et al. (1987) wordt in EUROPOEM10 gebruikt vanwege de representatieve omstandigheden. EUROPOEM werd ontwikkeld om de blootstelling te beoordelen van bestrijdingsmiddelen op de toepassers ervan en is ook als basis gebruikt voor het EFSA-model.

In het EFSA-model kan een boomgaard of een ander opgaand gewas zoals bomen worden gemodelleerd als een vorm van ‘upward spraying’11, tot een gewashoogte van 4 meter. Lagere gewassen, zoals diverse akkerbouwgewassen, heesters, groenten, knol- en bolgewassen, sierteeltgewassen en bloemen kunnen worden gemodelleerd als ‘downward spraying’. In het model kan verder rekening gehouden worden met toepassing van driftreducerende technieken, welke in de onderhavige situatie ook verplicht zijn vanwege gebruiksvoorschriften en/of het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het EFSA-model hanteert een lagere driftreductie van 50% in tegenstelling tot de 75% of 90% vanuit het Activiteitenbesluit, hetgeen van belang is bij de

8

Gebaseerd op meerdere studies: Butler Ellis MC, Lane AG, O’Sullivan CM, Miller PCH and Glass CR, 2010a. Bystander exposure to pesticide spray drift: new data for model development and validation Biosystems Engineering, 107, 162–168. Butler Ellis MC and Miller PCH, 2010. The Silsoe Spray Drift Model: a model of spray drift for the assessment of non-target exposures to pesticides. Biosystems Engineering, 107, 169–177. Glass CR, Mathers JJ, Harrington P, Miller PCH, Butler Ellis C and Lane A, 2010. Generation of field data for bystander exposure and spray drift with arable sprayers. Aspects of Applied Biology, 99, 271–276. Glass CR, Mathers JJ, Hetmanski MT, Sehnalova M and Fussell RJ, 2012. Development of techniques to measures vapour concentrations of pesticides to determine potential bystander & resident exposure. Aspects of Applied Biology, 114, 79–86. Kennedy MC, Butler Ellis MC and Miller PCH, 2012. Probabilistic risk assessment of bystander and resident exposure to spray drift from an agricultural boom sprayer. Aspects of Applied Biology, 114, 87–90. 9 Lloyd GA, Bell GJ, Samuels SW, Cross JV and Berry AM, 1987. Orchard sprayers: comparative operator exposure and spray drift study. Agricultural Science Service, Agricultural Development and Advisory Service, Ministry of Agriculture Fisheries and Food, UK. 10 Van Hemmen JJ, 2008.

Addendum to the TNO Report V7333: effective personal protective equipment (PPE). Default setting of PPE for registration purposes of agrochemical and biocidal pesticides. Covering the literature published in the period 2005 to early 2008. TNO Quality of Life, TNO Chemistry, Food & Chemical Risk Analysis, Chemical Exposure assessment, Zeist, The Netherlands. 11 Dit kan ook als representatief worden beschouwd voor zijwaarts spuiten van bomenrijen in een boomgaard.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 15 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

beoordeling van de berekeningsresultaten van dit model12. Immers gelet op de driftreductie die het Activiteitenbesluit verplicht stelt, zal het EFSA-model leiden tot een overschatting van de driftblootstelling. Hierbij wordt opgemerkt dat dit uitgangspunt van 50% driftreductie niet aanpasbaar is bij het gebruik van het EFSA-model. Verder wordt in het model rekening gehouden met de factor wind, hetgeen is gebaseerd op de ‘Code of practice for using plan protection products’13 van het Britse Department for Environment, Food and Rural Affairs. In voornoemd document wordt onderscheid gemaakt in verschillende ‘spraying conditions’, te weten acceptabel, ideaal, risicovol etc. BREAM en gevolglijk het EFSA-model maken gebruik van een windsnelheid van 2,7 m/s, wat in de Code of practice als bovengrens geldt voor acceptabele spuitcondities. In artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit is sprake van een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s. Hieruit volgt dat er situaties kunnen voorkomen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gespoten bij een hogere windsnelheid dan in het EFSA-rekenmodel wordt beschouwd (tussen 2,7 en 5 m/s). In Nederland ligt de jaargemiddelde windsnelheid tussen de 2,2 m/s landinwaarts tot 5,6 m/s aan de kust14.

Een windsnelheid van 2,7 m/s, zoals in het EFSA-model wordt gehanteerd, kan als representatief worden gehanteerd voor een scenario waarin langdurige blootstelling voor in principe 10 jaar15 dient te worden beschouwd, mede in aanmerking nemend dat bij hogere windsnelheden de blootstelling lager zal zijn. Immers bij een windsnelheid van 5 m/s volgens het Activiteitenbesluit wordt drift enerzijds verspreid over een groter oppervlak en anderzijds sneller ingemengd met schone achtergrondlucht, waardoor de belasting op een individuele locatie afneemt16. In het model kan de toepassing van een scherm of afschermende beplanting niet worden gemodelleerd. De driftblootstelling kan worden berekend op afstanden van 2 tot 10 meter uit de rand van het behandelde gewas. De drift als gevolg van opwaarts spuiten kan niet worden bepaald bij afstanden korter dan 5 meter. Echter komen afstanden van 2-3 meter in de praktijk zelden voor bij boomgaarden (vanwege de benodigde ruimte op het eigen gewasperceel aan weerszijden van een bomenrij). In onderhavig onderzoek wordt dan ook gerekend met afstanden van 5 meter en 10 meter.

12

EFSA, Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment for plant protection products, EFSA Journal 2014;12(10):3874, 25 13 https://www.hse.gov.uk/pesticides/using-pesticides/codes-of-practice/code-of-practice-for-using-plantprotection-products.htm, paragraaf 4.7.3 14 https://nl.wikipedia.org/wiki/Wind_(meteorologie); KNMI, Klimaatviewer 1991-2020, https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/meteorologische-stations/stations-maand/stationsmaand_1991-2020, voor Rheden kan worden uitgegaan van gemiddelde windsnelheden van 3,2 tot 4,6 m/s, op basis van meetgegevens van het dichtstbij gelegen weerstation Deelen https://www.knmi.nl/klimaatviewer/grafieken-tabellen/klimaattabellen-per-station/deelen/klimaattabel_deelen_1991-2020 15 Dit is de ‘planhorizon’ in de context van de ruimtelijke ordening. 16 Ook bij hogere windsnelheden dient te worden voldaan aan de vereiste driftreductie, zodat bij hogere windsnelheden geen grotere drift mag ontstaan dan bij lagere windsnelheden, terwijl de maximale dosis per toepassing/teeltseizoen ook is gemaximeerd in de gebruiksvoorschriften.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 16 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

De blootstelling aan dampen wordt berekend aan de hand van Britse17 en Duitse methoden18. De hand-mondblootstelling voor kinderen is gebaseerd op de Modified Californian Method19,20 en data van de Environmental Protection Agency (EPA) van de Verenigde Staten (2001)21. Het EFSA-model biedt inzicht hoe gewasbeschermingsmiddelen via blootstelling aan drift via verschillende routes door het menselijk organisme kunnen worden opgenomen: - Respiratoir, dus door inademing van aerosolen en dampen; - Oraal, bijvoorbeeld doordat dingen in de mond worden gestoken welke zijn blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen (met name relevant voor kinderen die meer handmondbewegingen maken en eerder geneigd zijn dingen in de mond te stoppen); - Dermaal, dus via de huid. In het EFSA-model is voor onderhavige onderzoek de maximale blootstelling per jaar van kinderen van 1 tot 3 jaar in een woonsituatie bepalend, omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan gevaarlijke stoffen22. Voor kinderen jonger dan één jaar is door de EFSA verondersteld dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen lager is, aangezien diverse blootstellingsroutes uit het rekenmodel, zoals hand-mond contact, voor deze groep niet plausibel worden geacht. Dit punt komt nog nader, in 5.4.2, aan de orde.

Op basis van het EFSA-rekenmodel heeft het Ctgb alle in Nederland toegelaten bestrijdingsmiddelen aan een herbeoordeling onderworpen. De conclusie van het Ctgb was dat zich bij geen van de toegelaten bestrijdingsmiddelen een risico voordoet voor omwonenden23. Vanaf 1 januari 2016 worden de EUROPOEM-modellen niet meer gebruikt voor de beoordeling van bestrijdingsmiddelen, maar is het Ctgb overgeschakeld op het EFSA-model. Hierbij is er steeds van uitgegaan dat de teeltpercelen (gronden waarop bestrijdingsmiddelen worden toegepast) niet door de toekomstige bewoners zal worden betreden24, maar dat enkel de blootstelling aan drift in het plangebied zelf relevant is. De uitkomsten van de modelberekening zijn bij deze rapportage gevoegd25.

17

CRD (The Chemical Regulation Directorate, UK), 2008. Bystander Exposure Guidance. Martin S, Westphal D, Erdtmann-Vourliotis M, Dechet F, Schulze-Rosario C, Stauber F, Wicke H and Chester G, 2008. Guidance for exposure and risk evaluation for bystanders and residents exposed to plant protection products during and after application Journal für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit, 3, 272–281. 19 Fuller R, Klonne D, Rosenheck L, Eberhart D, Worgan J and Ross J, 2001. Modified California Roller for measuring transferable residues on treated turfgrass. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 787–794. 20 Rosenheck L, Cowell J, Mueth M, Eberhart D, Klonne D, Norman C and Ross J, 2001. Determination of a standardized sampling technique for pesticide transferable turf residues. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 780–786. 21 US EPA (US Environmental Protection Agency), 2001. Science Advisory Council for Exposure, policy number 12, recommended revisions to the standard operating procedures (SOPs) for residential exposure assessments. Office of Pesticide Programs, Health Effects Division, Washington, DC, USA. 22 Met name verblijf / spelen in de tuin. 23 Ctgb, brief d.d. 21 oktober 2015 aan de Staatssecretaris van het ministerie IenM, nummer 20L5LO21Ot49, de achterliggende berekeningen zijn opgevraagd, maar niet verkregen.

24 ‘Entry into treated crops’ – hierbij behoort het ook niet specifiek/noodzakelijkerwijs tot de woonsituatie ter plaatse als de gewaspercelen conform de groenbestemming en/of de bestemming voor cultuur en ontspanning zouden worden betreden. 25 Een overzicht van de uitkomsten is in de bijlage toegevoegd als .pdf, maar de desbetreffende Excel-bestanden van de berekeningen met het EFSA-model behoren uitdrukkelijk ook tot onderhavige rapportage. 18

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 17 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Invoergegevens boomteelt Zoals ook blijkt uit de rapportage van SPA kan de teelt van (fruit)bomen als representatief worden beschouwd. Op basis van het toelatingenregister van het Ctgb is duidelijk dat bij de betrokken teelt(en) tal van gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. Op dit vlak is daarom een selectie gemaakt van diverse middelen die als representatief kunnen worden beschouwd voor de betrokken situatie. Tot de rapportage van SPA behoort een overzicht van veel gebruikte gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt, welke ook kan worden beschouwd als representatief voor de teelt van fruitbomen. Mede gelet op de eigenschappen van de werkzame stoffen, kunnen de volgende middelen als relevant worden beschouwd ten aanzien van eventuele drift: -

-

-

-

-

-

-

-

Exact Plus, werkzame stof triadimenol; o Toegelaten tot 24 januari 2014; o Vanwege toelatingsdatum niet meegenomen in onderhavig onderzoek; Captan WG / Merpan, werkzame stof captan; Switch, werkzame stoffen cyprodinil en fludioxonil; Weedazol, werkzame stof amitrol; o Toegelaten tot 22 juli 2016; o Vanwege toelatingsdatum niet meegenomen in onderhavig onderzoek; Calypso, werkzame stof thiacloprid; o Toegelaten tot 3 augustus 2020; o Vanwege toelatingsdatum niet meegenomen in onderhavig onderzoek; Insegar werkzame stof fenoxycarb; o Toegelaten tot 29 december 2017; o Vanwege toelatingsdatum niet meegenomen in onderhavig onderzoek; Pirimor, werkzame stof pirimicarb; o Niet toegestaan bij (fruit)bomenteelt; o Op basis van dezelfde werkzame stof, is Pediment meegenomen in onderhavig onderzoek; Vertimec Gold, werkzame stof abamectine; o Niet (meer) toegestaan voor onbedekte (fruit)bomenteelt en daardoor niet meegenomen in onderhavig onderzoek; Steward, werkzame stof indoxacarb; o De Europese Commissie hernieuwt niet de goedkeuring van indoxacarb en lidstaten zullen autorisaties voor gewasbeschermingsmiddelen met indoxacarb uiterlijk 19-032022 intrekken (Official Journal of the European Union, L 428/29, d.d. 29-11-2021). o Steward is vooralsnog, met oog op de opgebruiktermijn, wel meegenomen in onderhavig onderzoek.

Roundup, werkzame stof glyfosaat; o Geen onderdeel van het overzicht van veelgebruikte middelen van SPA; o In onderhavig onderzoek opgenomen ten einde ook een herbicide in de beschouwing te betrekken.

5.2.1. VSM Captan 80 WG Voor het spuiten van VSM Captan 80 WG26 (toelatingsnummer: 15585) als in water dispergeerbaar granulaat geldt een wettelijk gebruiksvoorschrift dat gebruik toelaat voor de onbedekte teelt van diverse gewassen, waaronder fruitteelt (appel, peer) en teelt van bomen en boomkwekerijgewassen. Daarmee is dit middel representatief voor de aanwezige boomteelt. De werkzame stof is captan. Deze 26

Ctgb, gebruiksvoorschrift VSM Captan 80 WG 15585 N, 2 maart 2018

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 18 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

stof werkt als fungicide en wordt ook door SPA als representatief beschouwd v.w.b. potentiële gezondheidseffecten en vatbaarheid voor drift. Daarbij is relevant dat het middel ook buiten de volbladperiode wordt toegepast, waardoor drift groter kan zijn. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: captan 80% (CAS-nummer 133-06-2) - Opwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: kaal (worstcase met oog op drift) - Watervolumeschaal: minimaal 500 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 5,7 dagen27 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,25 mg/kg bw/day27. - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 0,9 mg/kg bw/day27 - Dermale opname actieve stof: 0,8% concentraat en 12% verdunning27 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) - Dampdruk: 4,2x10-6 Pa (20˚C)27 De maximale dosering verschilt hierbij per gewas, maar representatief voor boomteelt is een maximale toepassing van 1,5 kg/ha in 5 toepassingen per jaar met een interval van 10 dagen. De maximale middeltoepassing bedraagt 7,5 kg/ha/jaar. Het percentage aan werkzame stof bedraagt 80% en is daarmee 1,2 kg/ha per middeldosis24. 5.2.2.

Switch Switch (toelatingsnummer: 12819) is een in water dispergeerbaar granulaat en wordt als fungicide gebruikt voor een breed scala aan gewassen, waaronder boomteelt en fruitteelt. Gebruik van het middel is niet toegelaten in grondwaterbeschermingsgebieden. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stoffen: fludioxonil 25% (CAS nummer 131341-86-1) en cyprodinil 37,5% (CASnummer 121552-61-2) - Opwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: kaal - Watervolumeschaal: minimaal 200 l/ha - Halfwaardetijd (DT50) o fludioxonil: 148 dagen28 o cyprodinil: 43 dagen29 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL) o fludioxonil: 0,03 mg/kg bw/day28 o cyprodinil: 0,59 mg/kg bw/day29 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 27

European Food Safety Authority (EFSA) (2020). Peer review of the pesticide risk assessment of the active substance captan, EFSA Journal;18(9):6230 28 European Food Safety Authority (EFSA) (2007). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance fludioxonil. EFSA Journal; 110, 1-85 29 European Food Safety Authority (EFSA) (2005). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance cyprodinil. EFSA Journal; 51, 1-7

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 19 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

-

-

o fludioxonil: geen28, o cyprodinil: 58,5 mg/kg bw/day29 Dermale opname actieve stof o fludioxonil: 0,5% concentraat en 6% verdunning28 o cyprodinil: 0,3% concentraat en 1,7% verdund29 Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case – standaardwaarde) Dampdruk o fludioxonil: 4,7-5,1 x 10-4 Pa (25˚C)28 o cyprodinil: 3,9 x 10-7 (25˚C)29

Voor boomteelt bedraagt de maximale middeldosis per behandeling 0,8 kg/ha, wat neerkomt op 0,2 kg/ha fludioxonil en 0,3 kg/ha cyprodonil. Er zijn maximaal 3 behandelingen per 12 maanden toegelaten en een tussenliggende interval van 10 dagen30, maar aangezien de maximaal toegelaten middeldosis eveneens 0,8 kg/ha/jaar bedraagt, zal er bij meerdere toepassingen per jaar een lagere middeldosis per toepassing moeten worden gekozen om de jaarlimiet niet te overschrijden. Het middel wordt in de regel toegepast in volbladsituaties, maar worst case is rekening gehouden met toepassing in bijvoorbeeld de lente op een moment dat de bladeren nog in de groei zijn. Er is rekening gehouden met opwaarts spuiten als worst case benadering. 5.2.3. Pirimor -> Pediment Voor het spuiten van Pirimor (toelatingsnummer 5794)31 geldt een wettelijk gebruiksvoorschrift dat gebruik toelaat als luizenbestrijdingsmiddel, zij het niet bij de teelt van bomen. De werkzame stof van Pirimor is pirimicarb. Het middel Pediment, dat dezelfde werkzame stof bevat, is wel toegelaten bij de teelt van boomkwekerijgewassen32 en zal dus hier worden beschouwd.

Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: pirimicarb (CAS-nummer 23103-98-2) - Opwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: volbladsituatie - Watervolumeschaal: 150 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 335 dagen33 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 3,5 mg/kg bw/day33. - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute Reference Dose’ (ARfD): 3,5 mg/kg bw/day33; - Dermale opname actieve stof: 0,1% concentraat en 25% verdunning33 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case – standaardwaarde) - Dampdruk: 3,01 x 10-7 Pa (20˚C)33 De maximale dosering bedraagt voor boomkwekerijgewassen maximaal 0,5 kg/ha per toepassing. Maximaal zijn 2 toepassingen per 12 maanden toegelaten met een interval van 7 dagen. De maximale jaartoepassing is dus 1 kg/ha. Het percentage aan werkzame stof bedraagt 50% en is daarmee 0,25 kg/ha per toepassing.

30

Ctgb, gebruiksvoorschrift Switch 12819 N, 21 september 2018 Ctgb, gebruiksvoorschrift Pirimor, 57794 N, 5 november 2021 32 Ctgb, gebruiksvoorschrift Pediment, 15584 N, 22 februari 2018 33 European Food Safety Authority (EFSA 31 augustus 2005, Conclusion regarding the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance Pirimicarb, EFSA Journal (2005) 43, 1-7 31

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 20 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

5.2.4. Steward Steward (toelatingsnummer: 12371) betreft een insecticide voor met name rupsen bij de teelt van onder meer fruit. In de boomteelt is het middel niet toegelaten, maar gelet op de omstandigheid dat dit middel is beschouwd door SPA en aangezien ook sprake is van fruitbomenteelt zal dit middel desalniettemin ter indicatie in de beschouwing worden betrokken. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens: - Werkzame stof: indoxacarb (CAS-nummer 173584-44-6) - Opwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: volbladsituatie - Watervolumeschaal: 1.176 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 65,3 tot maximaal 321 dagen34 - ‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,003 mg/kg bw/day34 - ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute reference dose’ (ARfD): 0,005 mg/kg bw34 - Dermale opname actieve stof: 1% voor concentraat en 18% voor verdunning34 - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 60% oraal34 en 100% inhalatoir (worst case) - Dampdruk: 1,31x10-5 Pa (25°C) 34 Voor de toepassing van Steward binnen de teelt van fruit in boomgaarden geldt het wettelijk gebruiksvoorschrift35 op grond waarvan deze maximaal 200 gr/ha mag worden toegepast per behandeling.

Bij een gehalte werkzame stof van 30% bedraagt de maximale werkzame stof daarmee 0,06 kg/ha per toepassing. Daarnaast geldt de maximale dosering van 17 gram middel per 100 liter water. Dit betekent dat er een minimaal watervolumeschaal van 1.176 liter per hectare geldt. De maximaal aantal toepassingen per teeltcyclus bedraagt 4 maal per 12 maanden. Er geldt een interval van 10 dagen tussen de eerste en tweede toepassing en een interval van tenminste 30 dagen tussen de tweede en derde toepassing. 5.2.5. Glyfosaat (Roundup) Roundup (toelatingsnummer: 6483) is een met water mengbaar concentraat en veel toegepast herbicide. Het middel wordt zowel pleksgewijs toegepast als voor het integraal doodspuiten. In onderhavige rapportage is worstcase uitgegaan van integrale behandeling voorafgaand aan het seizoen en niet van spotsgewijze toepassing. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens bij onbedekte teelt: - Werkzame stof: glyfosaat 360 G/L ofwel 36% (CAS-nummer 1071-83-6) - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT 50 - Bladsituatie: niet relevant - Watervolumeschaal: 200-400 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 500 dagen36 34

European Food Safety Authority (EFSA), et al. "Peer review of the pesticide risk assessment of the active substance indoxacarb." EFSA Journal 16.1 (2018): e05140. 35 Ctgb, Gebruiksvoorschrift Steward, 12371 N, 1 juni 2018 36 European Food Safety Authority (EFSA). (2015). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance glyphosate. EFSA Journal 2015; 13 (11):4302, 107 pp. doi:10.2903/j.EFSA.2015.4302

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 21 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

-

‘Reference value non acutely toxic active substance’ (RVNAS) is de ‘Acceptable Operator Exposure Level’ (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day36 ‘Reference value acutely toxic active substance’ (RVAAS) is de ‘Acute reference dose’ (ARfD): 0,5 mg/kg bw36 Dermale opname actieve stof: 1% voor concentraat en 1% voor verdunning36 Orale en inhalatoire opname actieve stof: 20%36 Dampdruk: 1,31x10-5 Pa (25°C)36

Voor de toepassing van Roundup voor doodspuiten geldt het wettelijk gebruiksvoorschrift37 op grond waarvan deze maximaal 8 l/ha mag worden toegepast per behandeling (worst case: integraal doodspuiten). Bij een gehalte werkzame stof van 360 gram per liter bedraagt de maximale werkzame stof daarmee 2,88 kg/ha per toepassing. De maximaal aantal toepassingen per teeltcyclus bedraagt 1x per 12 maanden. Resultaten EFSA De effecten van drift van de hiervoor genoemde gewasbeschermingsmiddelen zijn via het EFSA-model in beeld gebracht. Tabellen hierna tonen de resultaten van het EFSA-model voor omwonenden van spuitzones, gebruikmakende van de invoergegevens uit paragraaf 5.2. De Acceptable Operator Exposure Level (AOEL), in het EFSA-model gedefinieerd als ‘Reference value non acutely toxic active substances’, is in eerste instantie bedoeld voor de toepasser van gewasbeschermingsmiddelen, maar is ook gangbaar voor omwonenden, wat in het kader van dit onderzoek wordt gebruikt. Bij percentages onder de 100% wordt het blootstellingsniveau als acceptabel beschouwd. Het EFSA-model geeft resultaten voor zowel kinderen als volwassenen, maar omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan giftige stoffen (lager lichaamsgewicht, hogere opnamekans via hand / objecten / mond), worden de AOEL-waarden voor kinderen als bepalend geacht voor een woonsituatie.

In de onderstaande tabel wordt het percentage weergegeven van de AOEL die ontstaat bij blootstelling aan drift. De uitkomsten hebben betrekking op kinderen jonger dan 3 jaar en ouder dan 1 jaar. Zoals aangegeven is dit de bepalende categorie en liggen de blootstellingswaarden voor kinderen ouder dan 3 jaar en voor volwassenen lager. Zoals beschreven in paragraaf 4.4.4 zijn de blootstellingspercentages uit het EFSA-model verdubbeld ten einde blootstelling vanwege een hogere spuithoogte dan 4 meter te prognosticeren. Enkel Roundup is tevens beschouwd op een afstand van 2-3 meter, aangezien dit middel neerwaarts wordt gespoten (onkruid). In lijn daarmee is dit middel evenmin beschouwd voor wat betreft drift vanwege hogere spuithoogten. Zoals aangegeven zal het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op basis van Indoxacarb binnen afzienbare termijn worden beëindigd. Rekening houdend met de tijd die nodig is voor vergunningverlening, bouwrijp maken en bouw van de nieuwe woningen, is de kans dus klein dat toekomstige bewoners nog enige tijd blootgesteld kunnen zijn aan drift afkomstig van het middel Steward. Dit middel is dan ook verder buiten beschouwing gelaten. 37 Ctgb, Gebruiksvoorschrift Roundup, W.17 11 november 2016

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=36e223a7-c8d2-4468-badc-6798ab02b58d