S22 293 Bijlage Actualiteitenrapportage 2021-2024 def na raad.pdf
Tekst van het document
Bij de financiële doorrekening is gerekend dat bij betaald ophalen het aantal aanmeldingen voor ophalen van grof vuil zal afnemen tot 4.000 de inzamelkosten worden gedekt door de opbrengsten. Bij de invoering van 1 keer per jaar gratis grof vuil ophalen zal het aantal aanmeldingen minder dalen dan aangenomen. Ingeschat wordt dat het aantal (unieke) aanmeldingen per jaar naar de oude situatie zal terugkeren. Daarnaast is er nog het risico dat mensen die normaal gesproken grof vuil zelf wegbrengen (dit kost nu geld) vanuit kostenoverweging kiezen voor het laten gratis ophalen van grof vuil. Als voorzichtige schatting is aangenomen dat circa 10% van de bezoekers van het Recycleplein hier voor kiest waardoor 2.500 extra meldingen ontstaan. Het totaal aantal aanmeldingen voor gratis grof vuil ophalen komt hiermee op 9.500. Door het gratis grof vuil inzamelen vervalt de financiële dekking van de meldingen. In plaats van een kostenneutrale inzameling door de tarifering komen de inzamelkosten ten laste van de begroting. Deze kostentoename zal € 118.750 bedragen.
Aantal unieke meldingen Ophaalkosten Suez Opbrengsten uit tarief (12,50 excl. BTW) Eindtotaal
Betaald ophalen grof vuil
1 x per jaar gratis
4.000 Kosten € 50.000
Opbrengsten
9.500 Kosten € 118.750
Opbrengsten
€ 50.000
-
-
€0
€ 118.750
3. Minder bezoekers bij het recycleplein De mensen die gebruik maken van het gratis ophalen komen niet naar het Recycleplein Doesburg. Er zullen dus 5.500 minder bezoekers naar het Recycleplein komen. Toelichting De meeste mensen die het recycleplein bezoeken doen dit slechts 1 x per jaar. Door 1 x gratis ophalen in te voeren wordt voor deze mensen een betaald bezoek aan het recycleplein nadelig ten opzichte van het gratis laten ophalen. Het bezoekersaantal aan het recycleplein zal dus afnemen. Ingeschat is dat bij betaald ophalen er circa 25.000 bezoekers zullen zijn; dit zal afnemen naar 19.500 bezoekers. Omdat de gemeente Rheden een bedrag per bezoeker aan de gemeente Doesburg betaalt betekent dit een kostenafname van € 55.000.
22
4. Meer verwerkingskosten. De verwachting is dat er veel gebruik zal worden gemaakt van het ophalen van grof vuil als men hier niet voor hoeft te betalen. Dit betekent een toename van het grof vuil dat naar de verbrandingsoven wordt afgevoerd en dus een toename van de verwerkingskosten. Toelichting In de situatie met het gratis ophalen van grof vuil werd jaarlijks circa 700 ton grof vuil aan huis opgehaald en naar de verbrandingsoven afgevoerd. Dit was in een zelfde orde van grootte als de hoeveelheid grof vuil die (ná uitsplitsing in alle deelstromen) vanuit het Afvalbrengstation ArnhemNoord naar de verbrandingsoven ging. In de huidige situatie met betaald ophalen is uitgegaan dat meer mensen het grof vuil gaan wegbrengen. Er is uitgegaan van een reductie van 50% van de hoeveelheid opgehaald grof vuil. Dit zorgt dus voor lagere verwerkingskosten omdat het weggebrachte grof vuil wordt uitgesplitst in deelstromen en maar voor een deel naar de verbrandingsoven wordt afgevoerd. Door de invoering van 1 x gratis grof vuil ophalen zal de geraamde reductie van de hoeveelheid opgehaald grof vuil niet worden gerealiseerd. De verwachting is dat er meer grof vuil (t.o.v. de huidige situatie) moet worden opgehaald. De inschatting is dat dit circa 600 ton is.
Omdat de verwerkingskosten van gescheiden afvalstromen (veel) lager liggen dan het verbrandingstarief worden door de uitsplitsing de verwerkingskosten van het grof vuil gereduceerd. Voor deze memo wordt voor het verschil in verbrandingstarief (€ 145 per ton) en het (gemiddelde) tarief voor de verwerking van uitgesorteerde stromen een bedrag gehanteerd van € 75. Hierdoor ontstaat een extra kostenpost voor de verwerking van grof vuil van € 45.000. 5. Overig Aanpassing van website nodig Naast de structurele kosten is er ook een éénmalige kostenpost voor de aanpassing van digitale aanmeldportaal (www.afvaldesk.nl). De kosten hiervoor worden ingeschat op € 20.000 . Bijplaatsingen en dumpingen Landelijke ervaringen met het invoeren van betaald grof vuil laat zien dat er in het begin een toename is van het aantal bijplaatsingen bij verzamelcontainers en dumpingen. Na verloop van tijd neemt dit verschijnsel weer af als gewenning optreedt. Rheden is ten aanzien van de toename in de beginfase geen uitzondering: ook hier is sprake van meer bijplaatsingen. Dit wordt gemonitord. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken ten aanzien van het ontwijkgedrag van inwoners. Er zijn afspraken gemaakt met de inzamelaar om overlast van bijplaatsingen voor de inwoners te beperken. Bijplaatsingen worden bij de reguliere leging van de wijkcontainers weggehaald. Hierdoor ontstaan er geen extra kosten.
23
Bijlage 2 , toelichting ‘lopende versus constante prijzen’ Lopende prijzen Tot nu toe (dit geldt ook voor de primitieve begroting 2021-2024) wordt de begroting in zogenaamde ‘lopende prijzen’ opgesteld. Dit houdt dat aan de inkomstenkant van de meerjarenbegroting, voor alle jaren, rekening wordt gehouden met een compensatie voor inflatie via de algemene uitkering en op de lokale heffingen. Aan de uitgavenkant van de begroting wordt dan ook voor alle jaren op een zogenaamde stelposten een reservering voor de kostenstijging a.g.v. inflatie aangehouden. Bij de uitgangspunten is opgenomen dat hiervoor de inflatiecijfers uit de circulaire van het Rijk worden aangehouden. Omdat deze per circulaire fluctueren is het zaak die continue te monitoren en eventueel bij te stellen aan de lastenkant, de inkomstenkant wordt als het ware vanzelf gecorrigeerd door een aanpassing van de algemene uitkering die door het Rijk gegeven is. Cijfermatig ziet dit er als volgt uit: 2021
2022
2023
2024
Baten
119.354
119.242
120.340
121.350
Lasten
121.234
121.096
122.075
123.392
Begrotingssaldo Tabel 1
-1.880
-1.854
-1.735
-2.042
Constante prijzen De andere methode, die het merendeel van de gemeenten hanteert, is meer praktisch. Bij het opstellen van de begroting (feitelijk al bij de kadernota daaraan voorafgaand) wordt dan voor het eerste jaar, in dit geval 2021, bij de berekening van de algemene uitkering rekening gehouden met de compensatie voor inflatie evenals de index op de lokale heffingen en worden deze ramingen voor de jaren erna (afgezien van daadwerkelijke fluctuaties) constant gehouden. Hetzelfde geldt voor de lastenkant: bij het ramen van bijvoorbeeld de salarissen en de gemeenschappelijke regelingen wordt voor 2021 rekening gehouden met cao-ontwikkelingen en andere prijsstijgingen op aangeven van budgethouders en voor de jaren erna zijn de budgetten constant, ook hier weer uitgezonderd feitelijke fluctuaties als gevolg van beleidsmatige aanpassingen. Cijfermatig ziet dit er als volgt uit: 2021
2022
2023
2024
Baten
119.354
117.986
117.872
117.746
Lasten
121.234
119.113
118.334
117.930
Begrotingssaldo Tabel 2
-1.880
-1.127
-462
-184
Keuzevrijheid in systematiek Uit pragmatische overwegingen was al het voornemen te wijzigen van systematiek, van lopende naar constante prijzen. Per saldo zouden beide methoden budgettair niet veel van elkaar mogen verschillen. De inflatiecijfers van de circulaire die bij de algemene uitkering horen, worden immers ook gebruikt voor de bepaling van de stelposten aan de uitgavenkant van de begroting. Echter de inkomstenkant gaat automatisch terwijl de uitgavenkant handmatig moet worden berekend. Een afwijking van een 0,5% is hierbij echter al snel € 700.000 en dat cumuleert dan in de systematiek. De meer pragmatische methode levert in dit geval dus een budgettair voordeel op van € 0,7 miljoen in 2022 naar € 1,8 miljoen in 2024. Voor de goede orde: er is geen sprake van een boekhoudkundige truc. Het is een gevolg van de meer pragmatische methode. Hier staat tegenover dat de andere methode (op basis van de aangehouden cijfers) als meer behoedzaam kan worden beschouwd. Immers was daarbij aan de lastenkant rekening gehouden met een hogere inschatting van de inflatie dan er aan de inkomstenkant (algemene uitkering en index op lokale heffingen) tegenover stond. In die zin zit er ruimte in de bestaande meerjarenbegroting om een eventueel verschil in de toekomstige feitelijk inflatie en de compensatie daarvoor via de algemene uitkering (en index op lokale heffingen op te vangen).
De methode van constante prijzen gaat ervan uit dat de inflatiestijging in het eerstvolgende begrotingsjaar kan worden opgevangen via de verhoging van de algemene uitkering en indexatie van de lokale heffingen.
24
Samengevat Hieronder is in grafieken nogmaals het verschil tussen beide methoden in beeld gebracht. Voor zowel de baten als de lasten geldt dat het blauwe deel overeenkomt met tabel 2: ramingen zonder inflatiecomponent. Het blauwe en oranje deel samen bevat, voor zowel de lasten als de baten, de ramingen inclusief een inflatiecomponent, conform tabel 1.
Baten 122.000 121.000 120.000 119.000 118.000 117.000 116.000 115.000 2021
2022
baten constante prijzen
2023
2024
compensatie inflatie
Lasten 124.000 122.000 120.000 118.000 116.000 114.000 2021
2022 lasten constante prijzen
2023
2024
inflatie
Conclusie 2021
2022
2023
2024
Begrotingssaldo 'lopende prijzen'
-1.880
-1.854
-1.735
-2.042
Begrotingssaldo 'constante prijzen'
-1.880
-1.127
-462
-184
0
727
1.273
1.858
verschil
Bij de methode ‘lopende prijzen’ is de verwachting voor inflatie waarmee is gerekend, oplopend in 2024, ruim € 1,8 miljoen hoger dan de compensatie die hiervoor is opgenomen. Het voorstel in deze actualiteitenrapportage is, ook pragmatische overwegingen, te kiezen voor de methode ‘constante prijzen’ en dat heeft eveneens, eenmalig, een positief financieel effect op het begrotingssaldo.
25