Ruimtelijke Onderbouwing Bockhorstweg 8 te Spankeren (21.52)
Tekst van het document
De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief wordt met het afsluiten anterieure overeenkomst aangetoond. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is.
42
Bockhorstweg 8 te Spankeren
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor afwijken van het geldende bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg verzonden naar de diverse overleginstanties. In het kader van het vooroverleg heeft de brandweer een reactie op het voornemen ingediend. In deze reactie wordt ingegaan op de bereikbaarheid, de opkomsttijd, de bluswatervoorziening en de aanwezigheid van risico’s met betrekking tot Externe Veiligheid. De brandweer komt tot de conclusie dat de bereikbaarheid voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid. De opkomsttijd van de brandweer minder dan 8 minuten is, waardoor deze binnen de norm valt. De primaire bluswatervoorziening voldoet aan de voorwaarden en dat ten aanzien de externe veiligheid geen nadere voorwaarden van toepassing zijn. De reactie van de brandweer is als Bijlage 8 aan deze onderbouwing toegevoegd. In een vroeg stadium heeft initiatiefnemers de buren op de hoogte gesteld van het voornemen. Er is gesproken met de buren op de volgende adressen: Bockhorstweg 6, Bockhorstweg 7, Bockhorstweg 8a, Bockhorstweg 9, Bockhorstweg 10, Dorpsweg 73 en Landweg 1. Alle omwonenden hebben in de gesprekken aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de dierenbegraafplaats.
De bewoners van Bockhorstweg 7 hebben aandacht gevraagd voor het ontrekken aan het zicht van de geparkeerde auto's. Door de aanplant van een haag wordt aan deze wens tegemoet gekomen. Het ontwerp van de omgevingsvergunning wordt zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de procedure zal blijken of er zienswijzen worden ingediend op het plan.
Toelichting
43
Bijlagen
44
Bockhorstweg 8 te Spankeren
Bijlage 1
Bestaande situatie
Bijlagen
45
Renvooi bestaande bebouwing kuilvoer- en mestplaten nieuw te bouwen 00
: 1. lak
ha
bouwvlak
Bockhorstweg
wv
d
hui
ou ig b
272
a 88a8a
88
8
273
gesloopte varkensstal
1501
opdrachtgever dhr. T.G. Burgers, Bockhorstweg 8 te Spankeren onderdeel tekening huidige situatie bladnummer
HT-05 Jufferenwal 30, Zwolle Postbus 432 8000 AK Zwolle
intake 3310479006 schaal 1:1000 papierformaat A3 datum 12-02-2019
t 08 8236 8236 e info@rombou.nl i www.rombou.nl
Bijlage 2
Locatie dierenbegraafplaats
Bijlagen
47
Bockhorstweg
Renvooi bestaande bebouwing kuilvoer- en mestplaten toekomstige dieren begraafplaats bouwvlak
Bockhorstweg
272
a 88a8a
88
8
273
gesloopte varkensstal
toekomstige dieren begraafplaats
1501
opdrachtgever dhr. T.G. Burgers, Bockhorstweg 8 te Spankeren onderdeel tekening huidige situatie bladnummer
HT-05 Jufferenwal 30, Zwolle Postbus 432 8000 AK Zwolle
intake 3310479006 schaal 1:1000 papierformaat A3 datum 25-11-2019
t 08 8236 8236 e info@rombou.nl i www.rombou.nl
Bijlage 3
Gewenste situatie
Bijlagen
49
Bockhorstweg Bockhorstweg
Renvooi bestaande bebouwing kuilvoer- en mestplaten zone voor begraafplaats bouwvlak
Bockhorstweg
272
a 88a8a 00
25
0
80 00
40
0
80 02
80
8
00
40
273
0 50
88
0
80
ontvangstruimte 0
35
42
8 parkeerplaatsen
0
80 00
30
0
95
begraafplaats
12810
keuken
ontvangstruimte
wc wc
spreekkamer 7500
opslag + prive Jongvee
11800
41
opdrachtgever dhr. T.G. Burgers, Bockhorstweg 8 te Spankeren onderdeel tekening beoogde situatie bladnummer
SO-05 Jufferenwal 30, Zwolle Postbus 432 8000 AK Zwolle
intake 3310479006 schaal 1:1000 papierformaat A3 datum 12-02-2019
t 08 8236 8236 e info@rombou.nl i www.rombou.nl
Bijlage 4
Landschappelijke inpassing
Bijlagen
51
Erfinpassingsplan
Bokhorstweg 8 te Spankeren
Colofon Erfinpassingsplan Bokhorstweg 42 Spankeren
Uitgevoerd door:
Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Rombou dhr. G.J. Festen Postbus 432 8000 AK Zwolle
Projectnummer en versie: 1750A, versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Ligging projectgebied: Bokhorstweg 8 – Spankeren
Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 9-9-2020
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: T:
info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700
1
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding ...................................................................................................................................... 3
Hoofstuk 2
Het plangebied ........................................................................................................................... 3
2.1 Situering ..................................................................................................................................................... 3 2.2 Beschrijving van het plangebied................................................................................................................. 3 2.3 Landschap................................................................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten.......................................................................................................... 5
Hoofdstuk 4
ruimtelijke analyse ..................................................................................................................... 6
4.1 Ruimtelijke kwaliteit................................................................................................................................... 6 4.2 Kansen voor landschappelijke inpassing .................................................................................................... 6 Hoofdstuk 5
Inrichting en beheer ................................................................................................................... 7
5.1 Inrichting .................................................................................................................................................... 7 5.2 Beheer ........................................................................................................................................................ 8
2
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
Er zijn concrete plannen het oprichten van een dierenbegraafplaats met ontvangstruimte op een agrarisch erf aan de Bockhorstweg 8 te Spankeren, gemeente Rheden. De gemeente stelt als voorwaarde voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, dat het nieuwe erf landschappelijk ingepast wordt. In voorliggend rapport wordt een voorstel voor landschappelijke inpassing gepresenteerd. Het plan voor landschappelijke inpassing van het erf is tot stand gekomen aan de hand van een ruimtelijke analyse van het landschap waarin het plangebied zich bevindt en de aanwezige beplanting op en rond het erf. Het voorstel voor inpassing van het nieuwe erf wordt op een kaart verbeeld. Uitgangspunten daarbij zijn streekeigen beplantingsvormen en inheems plantmateriaal.
HOOFSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Bockhorstweg 8 te Spankeren. Het ligt in het buitengebied, circa 350 meter ten oosten van de woonkern Dieren en wordt aan alle zijden omgeven door landelijk gebied. Op onderstaande topografische kaart wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de zwarte cirkel aangeduid (bron kaart: Provincie Gelderland).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een deel van een bestaand agrarisch erf waarop melkveebedrijf is. Het erf ligt ten oosten van de Bockhorstweg. Het betreft een oude bouwplaats waarbij de boerderlij met de achterzijde naar de weg is gekeerd en de bedrijfsgebouwen voor de boerderij zijn gesitueerd. Aan de voorzijde van de boerderij ligt een eenvoudige siertuin met bomen, struiken en sierplanten. Achter de weg staan enkele Amerikaanse eiken en een plataan. Langs de Bockhorstweg staan zomereiken laanbomen. De boerderij en de bedrijfsgebouwen liggen vrij open in het landschap en zijn duidelijk zichtbaar vanaf de Bockhorstweg.
3
Verbeelding van het plangebied op de luchtfoto (bron: luchtfoto: PDOK.nl)
impressie van het erf
4
2.3 Landschap Het plangebied ligt in het kampenlandschap. Dit is een oud agrarisch cultuurlandschap, dat soms al eeuwenlang in agrarisch gebruik is. Het kampenlandschap gaat aan de oostzijde over in het rivierenlandschap van de IJssel en ligt op de overgang naar het heide-ontginningslandschap te noorden van het erf. Op onderstaande historische topografische kaart wordt de ligging van het erf op de historische topografische kaart anno 1920 weergegeven. Het kampenlandschap kenmerkt zich door de verspreid liggende boerderijen, veelal op enige afstand van de doorgaande weg, bochtige wegen, ongelijke percelen en een afwisseling van akkers (de kampen), hooilanden en woeste gronden. Deze drie-eenheid vormde de basis van het zogenaamde potstalsysteem dat vanaf de middeleeuwen toegepast werd en er voor gezorgd heeft dat de essen zich konden ontwikkelen tot ‘bolle akkers’ zoals we die vandaag de dag ervaren in het landschap. Kenmerkende beplantingsvormen waren kavelgrensbeplanting rondom kampen (om vee te weren van de akker) en houthoutsingels langs de hooilanden. Vermoedelijk had iedere boerderij een eigen bongerd met hoogstamfruitbomen. Laanbomen zijn vermoedelijk pas vanaf het begin van de 20e eeuw aangeplant, veelal in combinatie met verbetering van de wegen. Door één of meerdere ruilverkavelingen, zijn veel karakteristieke elementen van het traditionele kampenlandschap verdwenen.
Tot kenmerkend soorten van het kampenlandschap behoren mispel, zomereik, ruwe berk, ‘linde’, zoete kers, ruwe iep, gladde iep, zwarte els, boswilg en vogelkers.
Ligging van het plangebied op de historische topografische kaart anno 2020.
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
Het concrete voornemen bestaat om een dierenbegraafplaats te ontwikkelen op een graslandperceel. Een bestaande schuur zal intern verbouwd worden tot ontvangstruimte. Naast de woning worden acht parkeerplaatsen aangelegd t.b.v. de dierenbegraafplaats. Op de dierenbegraafplaats wordt een verhard pad aangelegd. Het nieuwe erf wordt landschappelijk ingepast door middel van erfbeplanting. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld van het plangebied weergegeven.
5
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld (bron: Rombou).
HOOFDSTUK 4
RUIMTELIJKE ANALYSE
4.1 Ruimtelijke kwaliteit De beoogde dierenbegraafplaats vindt plaats aan de zuidzijde van het erf en is zichtbaar vanaf de Bockhorstweg, in het bijzonder wanneer men in noordelijke richting rijdt. Er is geen bestaande erfbeplanting die enige visuele afscherming biedt. De ontvangstruimte wordt ingericht in een bestaande schuur. Dit betreft een karakteristiek bijgebouw. Het vinden van een nieuwe functie voor dit karakteristieke gebouw draagt bij aan duurzaam behoud van dit gebouw. De boerderij, de aangebouwde schuur en de vierroedige hooiberg erachter, geeft het plangebied een karaktervolle uitstraling van een oud agrarisch cultuurlandschap. 4.2 Kansen voor landschappelijke inpassing De schuur, welke gebruikt zal gaan worden als ontvangstruimte heeft een bepaalde ruimtelijke kwaliteit die zichtbaar mag blijven. Direct zicht op geparkeerde auto’s en de dierenbegraafplaats is niet wenselijk. Door de aanplant van een scheerhaag en een struweelhaag, wordt het zicht ontnomen op de auto’s en de dierenbegraafplaats, maar blijft het ensemble van boerderij met aangebouwde schuur en vierroedige hooiberg zichtbaar. Het directe zicht op de gebouwen kan gebroken worden door enkele solitaire bomen langs de oprit te planten. Samengevat worden de volgende maatregelen voorgesteld voor versterking van de landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling aan de oostzijde van het erf:
Aanplanten scheerhaag om parkeerplaats; Aanplant meidoorn struweelhaag dierenbegraafplaats; Aanplant laanbomen langs oprit;
In het volgende hoofdstuk wordt meer in detail ingegaan op de te nemen maatregelen.
6
HOOFDSTUK 5
INRICHTING EN BEHEER
5.1 Inrichting De volgende inrichtingsmaatregelen dienen genomen te worden om tot het wenselijke eindbeeld te komen. Aanplant scheerhaag om parkeerplaats Om de parkeerplaats wordt een meidoornscheerhaag geplant. Er wordt gebruik gemaakt van plantsoen met een minimale hoogte van 80-120 cm. De haag bestaat uit 4 stuks plantsoen per strekkende meter haag. Dit betreft een lage haag die actief in vorm wordt gehouden door deze te knippen/scheren. Aanplant meidoorn struweelhaag Rondom de dierenbegraafplaats wordt een meidoorn struweelhaag geplant. Er wordt gebruik gemaakt van plantsoen met een minimale hoogte van 80-120 cm. De haag bestaat uit 2 stuks plantsoen per strekkende meter haag. Deze haag mag op natuurlijke wijze uitgroeien. Laanbomen Langs de oprit worden vier, als laanboom gekweekte bomen geplant. Er worden bomen geplant met een minimale stamomtrek van 14-16 cm op 1,5 meter hoogte. Als boomsoort wordt gekozen uit zomereik, linde (spec.) of iep. De bomen worden voorzien van twee boompalen met boomband.
Voorbeeld van een boom met boompalen.
Aanleg parkeerplaats De parkeerplaatsen krijgen een half-verharding. Aanleg paden op begraafplaats Op de begraafplaats worden drie verharde paden aangelegd. Deze paden worden verhard met klinkers.
7
Op onderstaande afbeelding wordt het erfinpassingsplan weergegeven.
Erfinpassingsplan.
5.2 Beheer Solitaire bomen De laanbomen hoeven niet beheerd te worden om ze te laten ontwikkelen tot volwassen boom. Indien laaghangende takken schade of hinder veroorzaken, mag de boom opgekroond worden. Dit dient met terughoudendheid te gebeuren (niet te hoog opsnoeien)
Scheerhaag De scheerhaag wordt jaarlijks 2-3 maal geschoren, afhankelijk van de bijgroei, om de vorm van de haag te behouden. De haag wordt 1-1,5 meter hoog en circa 0,3-0,5 meter breed. Struweelhaag De struweelhaag wordt beheerd als hakhout. Dat wil zeggen dat de haag periodiek, eens in de 12-15 jaar afgezet mag worden, waarna de haag weer zal uitlopen. Indien de haag te breed wordt en schade en/of hinder veroorzaakt, mag de binnenzijde geschoren worden (zie foto onder). De buitenzijde wordt niet geknipt of geschoren. Door het knippen/scheren van de haag wordt de geschoren zijde dicht. Ook kan er gekozen worden voor het ontwikkelen van een vlechtheg.
8
Voorbeeld van een aan één zijde geschoren meidoornhaag (Aladnaweg Aalten, 2018).
Meidoorn vlechtheg. Deze zal hierna weer uitgroeien.
Bijlage(n) Bijlage 1. Inrichtingstekening van het erf Bijlage 2. Erfinpassingsplan
9
Bijlage 1 inrichtingstekening
Bijlage 2 erfinpassingsplan
1
Bijlage 5
64
Noodzaak en behoefte
Bockhorstweg 8 te Spankeren
Toets ruimtelijk Het bedrijf heeft in het bestemmingsplan Landelijk gebied een agrarische bestemming. Op het bedrijf worden in hoofdzaak melkkoeien en jongvee gehouden. Deze activiteit past binnen de bestemmingsomschrijving van het plan. Voor het houden van vee beschikt het bedrijf over een grond areaal van circa 25 hectare en circa 1.590 m2 aan bedrijfsgebouwen excl. ruwvoeropslag en mestsilo in gebruik. Ten behoeve van de nevenfunctie wordt een bestaand gebouw ter grootte van (12,8 bij 11,8 m=) 151 m2 gebruikt. Het benodigde grondoppervlak voor de nevenfunctie ‘begraafplaats’ bedraagt 1.250 m2. Op basis van het ruimtebeslag van de beide activiteiten is de nevenfunctie zowel qua bebouwd als grondoppervlak van ondergeschikt belang is. bedrijfseconomisch Op het melkveebedrijf worden circa 80 melkkoeien incl. jongvee gehouden. De omzet van het bedrijf bedraagt circa (80 * 9500 kg melk* 0,34€/kg=) 258.400.- euro uit melk. Omzet uit verkoop vee bedraagt normaliter 260 € /melkkoe. Omzet en aanwas uit vee bedraagt dan (80 * 260 €) € 21.333,--. Totale omzet van het veebedrijf bedraagt (€ 258.400-- + € 21.333,--=) € 279.733,--. De dierenbegraafplaats zal uiteindelijk plaats bieden aan circa 500 begraafplaatsen. De omzet zal voornamelijk bestaan uit het begraven en verhuur van de grafplaatsen.
Ervan uitgaande dat er wekelijks 2 dieren worden aangeboden zal het begraven resulteren in een omzet op jaarbasis van (100 * 75 €=) € 7.500,--. Voor het beheer en verhuur van de graven zal gemiddeld € 35,-- per plaats worden ontvangen (500 * 80% bezetting * 35,-=) € 14.000,--. De verwachting van de totale omzet van de nevenactiviteit “dierenbegraafplaats” bedraagt (7.500,-+ 14.000,- =) € 21.500,--. De op termijn verwachte omzet van de dierenbegraafplaats bedraagt 21.500/258.400+21.500 * 100%= 7,6% van het totale bedrijf. De omzet bedraagt minder dan 25% van de totale omzet van het bedrijf. Bedrijfseconomisch gezien is de nevenactiviteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit. De investering en afschrijving van activa is voor de bovenstaande nevenactiviteit is relatief laag, dit in tegenstelling tot investeringen in het rundveebedrijf. Bovendien is de activiteit is na beëindiging van de huurovereenkomsten vrij eenvoudig omkeerbaar waardoor de agrarische bestemming van het terrein behouden blijft. Behoefte voorziening De begraafplaats ligt in de regio Arnhem, Apeldoorn, Zutphen en Doetinchem. Deze steden liggen binnen een straal van 30 autominuten. Maatschappelijk is er een trend gaande waarbij mensen steeds humaner omgaan met hun huisdier en bereid zijn hierin te investeren. De begraafplaats speelt in op deze trend en voorziet in deze groeiende behoefte.
De initiatiefnemer heeft zijn plan gebaseerd op grond van informatie van deskundigen in de streek: Vanuit zijn veehouderij heeft de heer Burgers contact met diverse dierenartsen. Gebleken is dat dierenartsen veel eerstelijns vragen krijgen van huisdierbezitters over de mogelijkheden omtrent begraven. In de omgeving van het bedrijf zijn geen andere soortgelijke begraafplaatsen aanwezig. Verwacht wordt dat dierenartsen in de omgeving zullen doorverwijzen naar de dierenbegraafplaats van de heer Burgers.
Ook heeft de initiatiefnemer het voornemen besproken met zijn accountant. Uit zijn expertise is naar voren gekomen dat verondersteld mag worden dat in de regio belangstelling is voor het begraven van huisdieren. Zeker voor een kleinschalig initiatief is er voldoende marktpotentieel. In de directe omgeving zijn geen andere dierenbegraafplaatsen gevestigd. Zeker gelet op de reisafstand zal de locatie in een groeiende behoefte kunnen voorzien. Conclusie Het voorliggende initiatief past binnen de geest van het bestemmingsplan en de gestelde criteria vormen geen belemmering voor de realisatie van de dierenbegraafplaats.
Bijlage 6
Quickscan Flora & fauna
Bijlagen
67
Quickscan natuurwaardenonderzoek Bockhorstweg 8 te Spankeren In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Bockhorstweg 8 te Spankeren
In het kader van de Wet natuurbescherming
Uitgevoerd door:
Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Rombou dhr. G.J. Festen Postbus 432 8000 AK Zwolle
Projectnummer en versie: 1750, versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Ligging projectgebied: Bockhorsweg 8 te Spankeren
Veldmedewerker(s): P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 26-8-2020
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:
info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700 1
Inhoudsopgave Samenvatting.............................................................................................................................................. 3 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 2 Het plangebied ........................................................................................................................................ 6 2.1 Situering............................................................................................................................................ 6 2.2 Beschrijving van het plangebied ....................................................................................................... 6 3 Voorgenomen activiteiten ....................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen .......................................................................................................................................... 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten ............ 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer........................................................................................................
8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied............................................................................................. 8 4 Gebiedsbescherming ............................................................................................................................... 9 4.1 Algemeen .......................................................................................................................................... 9 4.2 Gelders Natuurnetwerk .................................................................................................................... 9 4.3 Natura2000 ..................................................................................................................................... 10 4.4 Slotconclusie ................................................................................................................................... 12 5 Soortenbescherming; het onderzoek .................................................................................................... 13 5.1 Verwachting en bureauonderzoek ................................................................................................. 13 5.2 Methode .........................................................................................................................................
13 5.3 Resultaten ....................................................................................................................................... 15 5.4 Toetsingskader ............................................................................................................................... 18 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ....................................................................... 19 5.6 Historische gegevens en overige bronnen .................................................................................... 23 5.7 Volledigheid van het onderzoek ..................................................................................................... 23 6 Conclusies .............................................................................................................................................. 23 Bijlage ....................................................................................................................................................... 24
2
Samenvatting Er zijn concrete plannen het oprichten van een dierenbegraafplaats met ontvangstruimte op een agrarisch erf aan de Bockhorstweg 8 te Spankeren, gemeente Rheden. Om de wettelijke consequenties in het kader van natuurwetgeving in beeld te brengen is Natuurbank Overijssel gevraagd om een natuurwaardenonderzoek uit te voeren in het plangebied en de uitkomsten van het onderzoek toetsen aan de Wet natuurbescherming en wet- en regelgeving m.b.t. de bescherming van gebieden, planten en dieren. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 11 oktober 2018 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone.
Omdat de bescherming van deze gebieden geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging nabij een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, kunnen de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de bescherming van Natura 2000-gebied Rijntakken of een ander Natura 2000-gebied, niet bepaald worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren met behulp van het computerprogramma Aerius Calculator Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of verblijfplaats. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties.
Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Indien de in het plangebied voorkomende beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën (opzettelijk) gedood worden als gevolg van de voorgenomen activiteiten, dient een ontheffing aangevraagd te worden, of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Voor het beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingslocaties, van de in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een vrijstelling. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
3
Samenvattende conclusies: Het plangebied vormt een deel van een bestaand agrarisch erf en bestaat uit bebouwing, verruigd grasland en erfverharding. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in agrarisch cultuurland, wordt het plangebied als een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd. Het plangebied vormt functioneel leefgebied van sommige amfibieën- vogel-, vleermuisen grondgebonden zoogdiersoorten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonde zoogdier en amfibie verstoord, beschadigd en vernield. Mits geen beschermde dieren (opzettelijk) verwond of gedood worden en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Het onbedoeld doden van beschermde grondgebonden zoogdieren is toegestaan, mits gewerkt wordt conform een toepasbare Gedragscode (bijvoorbeeld de Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling en Inrichting, Stadswerk 2011). Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden.
Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van gebiedsbescherming vast te kunnen stellen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren m.b.v. Aerius Calculator, omdat de uitkomst van dat rekenprogramma houdbaar is in een juridisch procedure.
4
1 Inleiding Er zijn concrete plannen voor het oprichten van een dierenbegraafplaats met ontvangstruimte op een agrarisch erf aan de Bockhorstweg 8 te Spankeren, gemeente Rheden. Om de wettelijke consequenties in het kader van natuurwetgeving in beeld te brengen is Natuurbank Overijssel gevraagd om een natuurwaardenonderzoek uit te voeren in het plangebied en de uitkomsten van het onderzoek toetsen aan de Wet natuurbescherming en wet- en regelgeving m.b.t. de bescherming van gebieden, planten en dieren. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (januari 2018) (Gelders Natuurnetwerk).
5
2 Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Bockhorstweg 8 te Spankeren. Het ligt in het buitengebied, circa 350 meter ten oosten van de woonkern Dieren en wordt aan alle zijden omgeven door landelijk gebied. Op onderstaande topografische kaart wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de zwarte cirkel aangeduid (bron kaart: Provincie Gelderland).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een deel van een bestaand agrarisch erf waarop melkveebedrijf is gevestigd en bestaat uit bebouwing, erfverharding en verruigd grasland. In het graslandperceel staan enkele landbouwmachines tijdelijk gestald. Het grasland bestaat uit een soortenarme vegetatie (monocultuur) van raaigras en wordt intensief beheerd. De bebouwing in het plangebied bestaat uit een deel van een bestaande bakstenen schuur, welke gedekt is met gebakken dakpannen. De schuur beschikt niet over een spouw, beschoten kap of dakisolatie. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied in detail weergegeven, evenals de begrenzing. Voor een verbeelding van het plangebied wordt naar de fotobijlage verwezen.
Begrenzing van het plangebied. De begrenzing wordt met de gele lijn weergegeven (bron: luchtfoto: PDOK.nl)
6
3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het concrete voornemen bestaat om een dierenbegraafplaats te ontwikkelen op een graslandperceel. Een bestaande schuur zal intern verbouwd worden tot ontvangstruimte. Naast de woning worden acht parkeerplaatsen aangelegd t.b.v. de dierenbegraafplaats. Het nieuwe erf wordt landschappelijk ingepast door middel van erfbeplanting. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld van het plangebied weergegeven.
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld (bron: Rombou).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: Interne verbouwing van een gedeelte van een bestaande schuur; Aanleggen dierenbegraafplaats; Bouwrijp maken bouwplaatsen; Aanleggen parkeerplaatsen; Aanleggen erfbeplanting; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
7
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals het intern verbouwen van de schuur, het aanleggen van parkeerplaatsen en het aanleggen van de dierenbegraafplaats. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingslocaties buiten het plangebied. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
8
4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur van 7.300 hectare, voor 5.300 hectare nog te realiseren nieuwe natuur. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk.
De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en de ruimtelijke kwaliteit in de Groene Ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten en omgevingscondities. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte. De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provinciedekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt buiten Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Wel grenst de dierenbegraafplaats aan de zuidzijde aan gronden die tot de Groene Ontwikkelingszone behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.
9
Ligging van Gelders Natuurnetwerk in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid. Gronden die tot het Groene Ontwikkelingszone behoren, worden met de groene kleur aangeduid (bron: Ruimtelijke plannen).
Beschermingsregime In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kan uitbreiding van bestaande functies met ten hoogste 30% mogelijk worden gemaakt, indien: uit de toelichting blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan. Effectbeoordeling De bescherming van de Groene Ontwikkelingszone kent geen externe werking in Gelderland. Omdat het plangebied volledig buiten de Groene ontwikkelingszone ligt, hoeft voorliggend initiatief niet getoetst te worden aan beleid t.a.v. de Groene Ontwikkelingszone (of Gelders Natuurnetwerk).
4.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming);
10
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Als gevolg van het opschorten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura 2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Per 1-1-2020 is de Spoedwet stikstof van kracht. Het doel van deze tijdelijke wet is om projecten op het gebied van woningbouw, infrastructuur en landbouw door te laten gaan. Projecten worden daartoe van 'dringend openbaar belang' verklaard. Wanneer de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur ven kracht is, kan er gewerkt worden met de Spoedwet. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 325 meter afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken (bron: Aerius Calculator). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
325 meter afstand tussen plangebied en Natura2000-gebied
Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De globale ligging van het plangebied wordt met de ovaal aangeduid (bron Aerius).
Stikstofgevoelige Habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Rijntakken bestaat voor een deel uit stikstofgevoelige habitattypen.
11
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Rijntakken is een negatief effect uitgesloten. Beoordeling Stikstof Als gevolg van de voorgenomen activiteiten zal emissie van NOx plaats vinden. Deze emissie vindt plaats door de inzet van materieel met een verbrandingsmotor tijdens de ontwikkelfase en een toename van verkeer tijdens de ontwikkelfase als gevolg van transport van bouwmateriaal, materieel en personeel.
Gelet op de ligging van het plangebied, op minimaal 325 meter afstand van een Natura2000-gebied en de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, kan een negatief effect, als gevolg van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Om een eventueel negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van stikstofemissie, vast te kunnen stellen, wordt geadviseerd een stikstofberekening uit te voeren. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren met behulp van Aerius Calculator, omdat de uitkomst van een stikstofberekening van Aerius Calculator, bruikbaar is in een juridische procedure. 4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone. Omdat de bescherming van deze gebieden geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging nabij een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, kunnen de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de bescherming van Natura 2000-gebied Rijntakken of een ander Natura 2000-gebied, niet bepaald worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren met behulp van het computerprogramma Aerius Calculator
12
5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied vormt een deel van een bestaand agrarisch erf en bestaat uit bebouwing, verruigd grasland en erfverharding. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in agrarisch cultuurland, wordt het plangebied als een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd, maar is het niet uitgesloten dat de volgende soortgroepen in het plangebied voorkomen: vogels; vleermuizen; grondgebonden zoogdieren; amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten (kleine vlotvaren), haften (oeveraas) en kreeftachtigen (Europese rivierkreeft) omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van soorten ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en reptielen. 5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 11 oktober 2018 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht.
Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x60), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: veldbezoek door ervaren ecoloog;1 aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; Atlas van de zoogdieren van Nederland; Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, droog, temperatuur 21⁰C, wind 3 Bft.
1
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEMVT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 13
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat vogels in deze tijd van het jaar doorgaans geen bezet nest hebben. Sommige standvogels bevinden zich soms nog in de omgeving van de broedplaats, maar de meeste trekvogels hebben de broedplaats al verlaten en zijn vertrokken naar de overwinteringsgebieden. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar deze dieren, maar ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties omdat grondgebonden zoogdieren geen zogende jongen hennen in deze tijd van het jaar.
Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat de meeste vleermuizen de zomerverblijfplaats verruild hebben voor de winterverblijfplaats, mogelijk op enige afstand van de zomerverblijfplaats (afhankelijk van de soort kan deze afstand tot meer dan honderd kilometer bedragen). Gewone dwergvleermuizen benutten de zomerverblijfplaats soms ook gedurende de wintermaanden (vermoedelijk totdat er strenger winterweer komt waarna ze alsnog verkassen naar een regionale winterverblijfplaats). Deze vleermuizen zitten dan diep weggekropen in hun verblijfplaats en zijn niet gemakkelijk waar te nemen. Dergelijke, goed weggekropen vleermuizen laten ook nauwelijks sporen (zoals uitwerpselen) na, omdat de dieren in lethargie raken en geen uitwerpselen produceren. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen. Daarbij is gezocht naar aanwijzingen die op de aanwezigheid van een rustof verblijfplaats duiden, zoals uitwerpselen en prooiresten.
Bij de beoordeling van de potentiële geschiktheid van de bebouwing als verblijfplaats wordt onder andere gekeken naar bouwstijl, gebruikte materialen, staat van onderhoud en potentiële invliegopeningen zoals open stootvoegen. Ook is er gezocht naar potentiële verblijfplaatsen aan de buitenzijde van gebouwen, zoals windveren, vensterluiken en gevelbetimmeringen. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. In deze tijd van het jaar bezetten amfibieën normaal gesproken de winterverblijfplaats. Amfibieën kunnen een winterverblijfplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder de strooisellaag, groenafval, takkenbossen en opgeslagen afval en goederen en zijn dan lastig waar te nemen. Soorten als bruine kikker en gewone pad bezetten soms ook een winterrustplaats in toegankelijke gebouwen. Een deel 14
van de amfibieënpopulatie overwintert in de sliblaag van natte landschapselementen, zoals vijvers, poelen, vaarten en sloten. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor vogels. Vogels benutten de buitenruimte van het plangebied vermoedelijk als foerageergebied, maar er zijn geen oude nesten of potentiële nestplaatsen van vogels in het plangebied waargenomen. Er nestelen geen vogels in het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek mussen vastgesteld op het naastgelegen erf, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er mussen in de te verbouwen schuur nestelen. De schuur vormt een ongeschikte nestplaats voor huismussen. Ook zijn er geen aanwijzingen gevonden dat de schuur als rust- of nestplaats van de steen- of kerkuil wordt benut of dat het erf tot het foerageergebied van de steenuil behoort. Door het uitvoeren van de voorgenomen plannen wordt geen vogel gedood en wordt geen vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield. Door het inrichten van een deel van het plangebied als dierenbegraafplaats neemt het areaal foerageergebied van vogels iets af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Bebouwen en verharden deel van het plangebied; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als mol, bruine rat, huismuis, veldmuis, huisspitsmuis, bosmuis, egel, haas, vos en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar het is niet uitgesloten dat soorten als mol, huismuis, huisspitsmuis, bosmuis en bruine rat een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten. Voorgenoemde soorten kunnen een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in gaten en holen in de grond, onder groen(afval), bladeren en opgeslagen goederen en in de schuur. Er zijn in de schuur geen aanwijzingen gevonden dat de steenmarter er een rust- of voortplantingslocatie bezet. Geschikte verblijfplaatsen, zoals een rustige zolder, ontbreken in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en verblijfplaatsen beschadigd en vernield.
De functie van het plangebied als functioneel leefgebied gaat door uitvoering van de voorgenomen activiteiten deels verloren.
15
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Intern verbouwen schuur; - Bouwrijp maken bouwplaats; - Ontwikkelen dierenbegraafplaats en bebouwen deel van het erf;
Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen, zoals uitwerpselen, gevonden die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen duiden. De schuur wordt als een ongeschikte verblijfplaats voor vleermuizen beschouwd. Potentiële verblijfplaatsen, zoals holle ruimte achter vensterluiken, windveren, gevelbetimmeringen en loodslabben ontbreken. Ook beschikt de schuur niet over een spouw of een tochtvrije zolder. In de schuur zijn geen prooiresten aangetroffen zodat het niet aannemelijk is dat de schuur benut wordt als rustplaats tijdens de nacht (zoals gewone grootoorvleermuizen doen). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verstoord, verwond of gedood en worden geen verblijfplaatsen beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren. Op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer in het plangebied, kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als foerageergebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
Mogelijk foerageert een enkele gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis of laatvlieger, welke een verblijfplaats bezet in de omgeving, incidenteel in het plangebied en vliegen vleermuizen over het plangebied terwijl ze foerageren rond de gebouwen en randen en kronen van bomen en hagen die net buiten het plangebied staan. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte van het plangebied, is de betekenis van het plangebied als foerageergebied zeer beperkt. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. 16
Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Amfibieën Het veldbezoek is uitgevoerd in de periode van het jaar waarop amfibieën de winterrustplaats bezetten en moeilijk te vinden zijn. Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene- en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bastaardkikker, kleine watersalamander en bruine kikker. Het plangebied wordt niet tot het functionele leefgebied van de rugstreeppad beschouwd. Voorgenoemde soorten benutten de buitenruimte vermoedelijk als foerageergebied tijdens de donkere uren van de nacht en bezetten er vermoedelijk een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder groen, afval en opgeslagen goederen Gelet op de karakteristieken van het plangebied en de ligging van het plangebied in agrarisch cultuurland, is de betekenis van het plangebied als functioneel leefgebied gering.
Mogelijk duiken er op jaarbasis enkele dieren op in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
17
5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Gelderland van kracht. In afwijking met de meeste provincies in Nederland, mogen in Gelderland beschermde soorten niet gedood worden als gevolg van activiteiten die uitgevoerd worden in verband met een ruimtelijke ontwikkeling. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode.
Bijvoorbeeld de Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling en Inrichting, Stadswerk 2011. Foerageergebied Foerageergebied voor beschermde soorten is niet expliciet beschermd in de Wet natuurbescherming, tenzij het expliciet onderdeel uitmaakt van jaarrond beschermde rust- en nestplaatsen en het essentieel foerageergebied betreft en het vernietigen/aantasten van het foerageergebied de gunstige staat van instandhouding van de soort negatief beïnvloed. Bij de beoordeling van het effect zal daarom aangegeven worden of het foerageergebied, essentieel foerageergebied betreft; van belang voor de gunstige instandhouding van de soort. Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2.