CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Ruimtelijke Onderbouwing (22.35)

Raadsvergadering 31 mei 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Hofstetterlaan (22.35)8.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rapport Projectnummer: 359761 Referentienummer: Datum: 17-02-2022

Ruimtelijke onderbouwing Ter onderbouwing van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het aanpassen van de spoorwegovergang Hofstetterlaan

Status: D4

Opdrachtgever: ProRail Moreelsepark 3 3511 EP Utrecht

Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Verantwoording Titel

Ruimtelijke onderbouwing

Subtitel

Ter onderbouwing van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het aanpassen van de spoorwegovergang Hofstetterlaan

Projectnummer

359761

Referentienummer Revisie

D4

Datum

17-02-2022

Auteur

Pim Verhoef

E-mailadres

Pim.verhoef@sweco.nl

Gecontroleerd door

Ingmar de Baat

Goedgekeurd door

Lourens Hogenbirk

2

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 5 Aanleiding en doel ................................................................................................... 5 Ligging projectlocatie ............................................................................................... 5 Leeswijzer ................................................................................................................ 5

2

Projectbeschrijving ............................................................................................... 7 Inleiding ................................................................................................................... 7 Bestaande situatie ................................................................................................... 7 Beoogde situatie ...................................................................................................... 8 Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................... 9 Afwijken van het bestemmingsplan ....................................................................... 11

3

Beleidskader ........................................................................................................ 12 Algemeen ............................................................................................................... 12 Rijksbeleid en Europese richtlijnen........................................................................ 12

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie...................................................................................................12

3.2.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ...............................................................................12

3.2.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ......................................................................13

3.2.4

Besluit ruimtelijke ordening .................................................................................................13

Provinciaal beleid................................................................................................... 14 3.3.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland .......................................................................................14

3.3.2

Omgevingsverordening Gelderland ....................................................................................15

Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 16 3.4.1

Omgevingsvisie Buitengebied .............................................................................................16

4

Milieu- en omgevingsaspecten .......................................................................... 18 Inleiding ................................................................................................................. 18 Besluit mer ............................................................................................................. 18 Ecologie ................................................................................................................ 18 Stikstofdepositie..................................................................................................... 21 Bodem ................................................................................................................... 22 Geluid .................................................................................................................... 23 Archeologie ........................................................................................................... 23 Externe veiligheid .................................................................................................. 24 Luchtkwaliteit ........................................................................................................ 24 Verkeer ..................................................................................................................

25 Water ..................................................................................................................... 25 Niet gesprongen conventionele explosieven ......................................................... 26

3

Conclusie milieu- en omgevingsaspecten ............................................................. 27 5

Economische uitvoerbaarheid ........................................................................... 28

6

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 29

7

Conclusie .............................................................................................................. 29

Bijlage 1 – Verkennend natuuronderzoek ProRail Rheden................................................... 30 Bijlage 2 – Aanvullend onderzoek beschermde soorten Hofstetterlaan ............................... 30 Bijlage 3 – Voortoets Hofstetterlaan ...................................................................................... 30 Bijlage 4 – Nee-tenzij toets Hofstetterlaan ............................................................................ 30 Bijlage 5 – Notitie stikstofdepositie Hofstetterlaan ................................................................ 30 Bijlage 6 – Overzichtstekening overweg Hofstetterlaan ........................................................ 30

4

1

Inleiding

Aanleiding en doel ProRail heeft het voornemen om op negen locaties spoorwegovergangen en omliggende infrastructuur aan te passen tussen Velp en Dieren (locatie Geocode 034, van km 2.975 tot km 14.226). De spoorwegovergang aan de Hofstetterlaan, gelegen in in Ellecom, Gelderland, is op dit moment een onbewaakte spoorwegovergang. In het zogenoemde NaNOVprogramma is onder meer besloten tot het treffen van aanvullende overwegmaatregelen ter vermindering van hinder en het vergroten van de veiligheid als gevolg van het groeiende goederenvervoer per spoor. Door de overweg aan te passen wordt de kans op ongevallen sterk verminderd. De spoorwegovergang dient te worden beveiligd door middel van een zogenaamde mini-AHOB, wat staat voor Automatische Halve Overwegbomen. De mini variant betreft een installatie welke geschikt is voor smalle wegen. Daarnaast wordt de omliggende weginfrastructuur aangepast. De spoorwegovergang aan de Lange Juffer wordt na aanpassing van de spoorwegovergang aan de Hofstetterlaan opgeheven. Omdat het verharden van het pad aan de Zuidlaan niet passend is binnen het bestemmingsplan, dient te worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. Hiertoe wordt een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.12 lid 1, sub a onder 3o Wabo) aangevraagd.

Ligging projectlocatie Het plangebied bevindt zich aan het spoor tussen Ellecom en Dieren aan de bocht in de Arnhemstraatsweg. Het plangebied wordt ontsloten door de Lange Juffer aan de zuidoostkant en de noordoostkant, door de Zuidlaan aan de noordwestkant en door de Hofstetterlaan aan de zuidwestkant. Het perceel met daarop het pompstation is eigendom van Vitens en de omliggende gronden zijn eigendom van Twickel. Figuur 1 geeft een indicatie van de ligging van het plangebied weer (rood omkaderd).

Figuur 1: Ligging van de projectlocatie (rood omlijnd) (Foto: Google Maps).

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk twee een beschrijving van de huidige situatie, de toekomstige situatie, het vigerend bestemmingsplan en de strijdigheid met het vigerende

5

bestemmingsplan. Vervolgens wordt in hoofdstuk drie kort ingegaan op het relevante ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk vier staat vervolgens stil bij de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk vijf gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de afweging ten aanzien van het initiatief en de uiteindelijke conclusie.

6

2

Projectbeschrijving

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling omgeschreven. Hierbij wordt allereerst ingegaan op de huidige fysieke en huidige planlogische situatie in het plangebied. Vervolgens wordt de beoogde ontwikkeling en de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan nader toegelicht. Bestaande situatie Op het moment bestaat het plangebied grotendeels uit bos met de daaromheen onsluitende wegen de Hofstetterlaan, Zuidlaan en de Lange Juffer. In de noordoosthoek van het terrein bevindt zich Vitens productiebedrijf Ellecom dat drinkwater wint in het gebied. Vitens is een waterleidingbedrijf dat klanten voorziet van drinkwater. Het plangebied is dan ook aangeduid als waterwingebied in het bestemmingsplan (paragraaf 3.4 gaat hier verder op in). Aan de zuidwestkant van het gebied bevinden zich het spoor met de twee spoorwegovergangen. De spoorwegovergang die volgt uit de Lange Juffer is op dit moment een beveiligde overgang. De andere overgang, die in de Hofstetterlaan (de stippellijn in figuur 2), is onbeveiligd.

Figuur 2: Impressie van de bestaande situatie (Foto: Google Maps, 2021).

7

De Hofstetterlaan is op dit moment een door uitspoeling van Hemelwater onstane ”holle weg”. De weg bestaat uit halfverharding. Het nadeel van halfverharding is dat wegspoelbaar is door het afvloeiende hemelwater. Hieronder is de huidige situatie te zien.

Figuur 3: Impressie huidige situatie Hofstetterlaan

Beoogde situatie In de toekomstige situatie wordt er allereerst een mini-AHOB, te zien in figuur 3, geplaatst bij de spoorwegovergang aan de Hofstetterlaan. Deze mini-AHOB is afkomstig van de spoorwegovergang aan de Lange Juffer aangezien deze overgang verdwijnt.

Figuur 3: Mini-AHOB aan de Lange Juffer (Bron: Google Maps, 2021)

8

De weg de Lange Juffer bestaat uit betonplaten en betonverharding. Omdat de spoorwegovergang en het betonverharde pad aan de Lange Juffer verdwijnt, moet het terrein van Vitens opnieuw worden ontsloten. Daarom wordt er een ontsluitingsweg van verhard beton aangelegd aan de Zuidlaan tot het terrein van Vitens. Daarnaast wordt er aan de verlengde Hofstetterlaan, vanaf de overgang, betonverharding aangebracht. Deze betonverharding moet ervoor zorgen dat het pad begaanbaar blijft, ook na hevige regenval. In figuur 4 is een overzichtstekening van de beoogde situatie te zien. In bijlage 6 is een duidelijk leesbare versie van de betreffende tekening bijgevoegd.

Figuur 4: Situatietekening beoogde situatie

Vigerend bestemmingsplan Voor de gronden binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1995’. Dit bestemmingsplan is door de gemeente Rheden vastgesteld op 10 juli 1996. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied.

9

Figuur 5: Uitsnede Bestemmingsplan ‘Buitengebied 1995’

Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingen:  Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden  Multifunctioneel bos met de dubbelbestemming Waterwingebied 1  Waterwingebied 2 Waterwingebied: Waterwingebied wordt in het bestemmingsplan onderscheiden in de subbestemming Wwg.1 en Wwg.2. De gronden die naast gebruik voor agrarische en bosbouw doeleiden worden aangewend voor de onttrekking van water hebben een dubbelbestemming gekregen, Wwg.1. Waar tevens de opslag en zuivering plaatsvindt is aan de gronden een Wwg.2 bestemming gegeven. Binnen het bouwvlak mag gebouwd worden, waarmee de daarvoor noodzakelijke bouwwerken worden veiliggesteld. Op de voor Wwg.2 bestemde gronden is het mogelijk verharding aan te leggen als het verband houdt met de subbestemming Wwg.2. De nieuwe ontsluitingsweg valt onder deze categorie, omdat het een onsluitingsweg betreft voor het terrein van Vitens en is dus niet in strijd met het bestemmingsplan. Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden: De Hofstetterlaan bevindt zich binnen de bestemming Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden (Aln). Voor Aln geldt dat het verharden of aanleggen van wegen en andere verhardingen, buiten de bouwpercelen, vanwege de invloed ervan op de opbouw van het Aln aanlegvergunningplichtig.

Er is daarom voor dit project een aanlegvergunning (thans omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk/werkzaamheden) aangevraagd. Multifunctioneel bos: De voorgenomen ontwikkeling om het pad aan de Zuidlaan te verharden is strijdig met de bestemming ’Multifunctioneel bos (Bm)’. De gronden voor Bm zijn uitsluitend toegestaan met de bestemming en het toegelaten gebruik verband houdene, noodzakelijke geachte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bestaande paden en wegen, waterlopen en partijen. Het verharden van paden binnen de bestemming mutlifunctioneel bos is niet toegestaan. Het verharden van het pad aan de Zuidlaan is daarom op basis van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Om de ontwikkelingen toch te kunnen realiseren wordt ’buitenplans’ afgeweken van het bestemmingsplan.

10

Afwijken van het bestemmingsplan Om de beoogde herontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, wordt gebruik gemaakt van een buitenplanse afwijkingsprocedure op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Hiervoor wordt de uitgebreide procedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorlopen. Voorliggende rapportage vormt de ruimtelijke onderbouwing voor deze procedure. Deze onderbouwing toont aan of het initiatief tot de aanleg van de onsluiting en de verharding aan de Hofstetterlaan binnen geldend rijks, provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk beleid past en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.

11

3

Beleidskader

Algemeen Voor een goede ruimtelijke ordening is het belangrijk om het eerder vastgestelde ruimtelijke beleid van overheden na te gaan. In dit hoofdstuk wordt getoetst of de ontwikkelingen in het plangebied passen binnen het ruimtelijk beleid van de verschillende overheidslagen. Voor de bouw is een groot aantal beleidsstukken vanuit verschillende overheden van belang. De relevante beleidsstukken betreffen:  Nationale Omgevingsvisie  Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte  Besluit algemene regels ruimtelijke ordening  Besluit ruimtelijke ordening  Omgevingsvisie Gaaf Gelderland  Omgevingsverordening Gelderland  Omgevingsvisie Buitengebied Rijksbeleid en Europese richtlijnen 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van onze leefomgeving. Hiermee wil het Rijk inspelen op de grote uitdagingen zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI geeft weer wat bij deze grote uitdagingen de nationale belangen zijn, welke keuzes het Rijk maakt en welke richting het Rijk meegeeft aan decentrale keuzes. Deze keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen.

De NOVI komt voort uit de Omgevingswet (die naar verwachting in 2022 in werking treedt). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang met elkaar. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt worden. Prioriteiten De NOVI schetst een toekomstperspectief naar 2050 waarin vier prioriteiten worden vastgesteld: 

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Duurzaam economisch groeipotentieel

Sterke en gezonde steden en regio’s

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Betekenis voor het plan: Het veiliger maken van de spoorwegovergang aan de Hofstetterlaan is niet in strijd met de doelstellingen uit de NOVI. 3.2.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) die op 13 maart 2012 is vastgesteld, geeft het Rijk haar ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid weer voor Nederland tot 2040. De SVIR betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Hierbij is het de hoofdgedachte dat er in de ruimtelijke

12

ordening meer over wordt gelaten aan gemeenten en provincies; het Rijk richt zich vooral op decentralisatie. Daarnaast wil het Rijk dat de belangrijkste economische regio’s, woongebieden en werkgebieden goed bereikbaar en leefbaar zijn. Om dit te bereiken zijn er in de SVIR nationale belangen geformuleerd. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie hoofddoelen uitgewerkt:  Vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  Verbeteren van de bereikbaarheid;  Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.  Om deze rijksdoelen te halen, zijn dertien onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van deze hoofddoelen. Deze belangen zijn in de SVIR gebiedsgericht uitgewerkt in concrete opgaven voor de verschillende regio’s. Het betreft onder meer het waarborgen van het mobiliteitssysteem (wegen, spoorwegen en vaarwegen), het verbeteren van de milieukwaliteit, waterveiligheid en klimaat bestendige stedelijke ontwikkeling. Betekenis voor het project: In de hoofddoelen van de SVIR wordt beschreven dat het Rijk wil zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Het veiliger maken van de spoorwegovergang aan de Hofstetterlaan door een de aanleg van een miniAHOB en aansluitende weginfrastructuur is daarom in overeenstemming met de doelen uit de SVIR. 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) legt het beleid van de dertien vastgestelde doelen uit de SVIR vast in de regelgeving. In het Barro zijn nationale belangen vastgelegd waar provincies en gemeenten rekening mee moeten houden als zij inpassingsplannen en bestemmingsplannen opstellen. Betekenis voor het project Het veiliger maken van de spoorwegovergang door middel van de aanleg van een mini-AHOB is in overeenstemming met de nationale belangen uit de SVIR. Nationaal belang 5 heeft namelijk als doel een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen in stand te houden en verder te ontwikkelen. Hier valt verkeersveiligheid onder. 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Het Besluit ruimtelijke ordening is op 1 juli 2017 gewijzigd.

Met de wijziging van het Bro is ook een nieuwe laddersystematiek geïntroduceerd, waarbij de ladder geen treden meer bevat. Hierbij moet ten eerste de behoefte aan de ontwikkeling worden beschreven en ten tweede moet bij buiten stedelijke ontwikkelingen worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk plaats kunnen vinden. Indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dan moet er getoetst worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien een project ziet op de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Bij de beoordeling of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt

13

gekeken of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als een nieuw ruimtelijk besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of volgens het voorheen geldende planologische regime kon worden gerealiseerd. Indien de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is moet worden beschreven in hoeverre de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Betekenis voor het project In dit plan is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals beschreven in het Bro. Daarin wordt beschreven dat infrastructuur niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt beschouwd. De ladder hoeft daarom niet te worden doorlopen. Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 12 december 2018 is de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Gelderland voor de komende periode. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Gelderland benadrukken dat zij – historisch en landschappelijk gezien – heel mooi en ongeschonden is, maar ook nieuw en vernieuwend. Oftewel, de provincie is ‘gaaf’.

Om Gelderland ‘gaaf’ te houden en om te kunnen gaan met verschillende uitdagingen zoals het energievraagstuk en klimaatverandering, moet daar nu wat voor gedaan worden. De Omgevingsvisie wordt gezien als een gedeelde ambitie, die dient als leidraad voor het handelen van alle betrokkenen om met deze uitdagingen om te gaan. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal:  Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.  Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werken ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Daarnaast legt de provincie de focus op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland waarin zij willen investeren.

Om dit te bereiken zijn zeven met elkaar samenhangende ambities opgesteld waar de provincie het verschil wil kunnen maken voor een schoon, gezond, veilig en welvarend Gelderland. De ambities zijn: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. In de vijfde ambitie, bereikbaarheid, wordt besproken hoe bereikbaarheid een kritische succesfactor is voor een verbonden samenleving. Er is behoefte aan flexibele en efficiënte netwerken die voor iedereen open staan en beschikbaar zijn. De verwachting is dat vervoersstromen richting de provincie Gelderland in 2040 met 40% zijn toegenomen. Het is daarom belangrijk dat mensen nog steeds snel en veilig op hun werk kunnen komen. Om dit te bereiken wordt er ingezet op het stimuleren van duurzame mobiliteit en het slimmer verbinden van vervoersnetwerken.

14

Betekenis voor het project Een veilige leefomgeving is één van de hoofddoelen van de Omgevingsvisie en aandacht hebben voor verkeersveiligheid valt onder deze omschrijving. Daarnaast wordt in de vijfde ambitie gesproken over bereikbaarheid. Onderdeel van deze bereikbaarheid is dat reizen veilig moet gebeuren. Onderhavig plan om de spoorovergang veiliger te maken door middel van een mini-AHOB en aansluitende weginfrastructuur is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie van de provincie Gelderland. 3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland De provincie heeft een aantal instrumenten waarmee ze haar visie kan realiseren. De Omgevingsverordening wordt gebruikt voor de onderwerpen uit de Omgevingsvisie waarvoor de provincie het belangrijk vindt dat ze juridisch gewaarborgd zijn. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland.

Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. Voor het plangebied zijn er verschillende artikelen uit de Omgevingsverordening relevant: Artikel 2.37 - Allereerst valt het plangebied in een Grondwaterbeschermingsgebied. Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een Grondwaterbeschermingsgebied geen bestemming mogelijk die een groter risico kan vormen voor de kwaliteit van het grondwater dan de vigerende bestemming, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat een groter risico niet kan worden voorkomen en compensatie van het mogelijk grotere risico wordt verankerd in hetzelfde of een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Artikel 2.39 - Daarnaast ligt het plangebied in het Gelders natuurnetwerk. Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen het Gelders natuurnetwerk een andere bestemming dan natuur alleen mogelijk als er sprake is van een groot openbaar belang en er voor de realisering daarvan geen reële alternatieven zijn en als de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en oppervlakte van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

Artikel 2.52 - Voor de Groene ontwikkelzone (GO) dient er getoetst te worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Op grond van artikel 2.52 van de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland kan in een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone een nieuwe kleinschalige ontwikkeling mogelijk maken, als: a) in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; b) deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemming

15

Betekenis voor het project De aanleg van de mini-Ahob en de aansluitende weginfrastructuur zijn niet strijdig met het beleid uit de Omgevingsverordening. De verharding van de aansluitende weginfrastructuur geen bedreiging voor het grondwater. Bij de verharding wordt er namelijk gecompenseerd door de weginfrastructuur in het midden hoger te maken dan aan de zijkanten van de weg. Hierdoor ontstaat een bolle weg die beter weerbaar is tegen spoeling. Water kan zo makkelijker worden afgevoerd. Paragraaf 5.2 gaat verder in op het beleid uit de Omgevingsverordening met betrekking tot het Geldersnatuurnetwerk en de GO. Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Buitengebied De Omgevingsvisie Buitengebied is vastgesteld op 29 oktober 2019. Hierin wordt de toekomstvisie van de gemeente Rheden op het buitengebied geschetst. De visie heeft drie werkdoelen. Ten eerste gebruikt de gemeente de visie om initiatieven te beoordelen en te begeleiden. Daarnaast wordt het gebruikt om het gemeentelijk beleid te coördineren. Ten slotte is de visie bedoeld als inspiratie voor belanghebbenden. De hoofdlijn van de Omgevingsvisie is om meer samenhang in het buitengebied te creëren op verschillende vlakken. Dit zijn onder meer: • Een sterke maatschappelijke samenhang tussen het gebied en de mensen die er leven wonen, recreëren en werken. • Een beleefbare samenhang tussen hoog en laag.

Op de gradiënt liggen de belangrijkste verbeteringsmogelijkheden voor kwaliteiten en voor gebruik. • Een duurzame samenhang tussen gebruik, fysieke kenmerken en de kwaliteiten van het gebied. Voorbeelden hiervan zijn duurzaam vervoer en het benutten van natuurlijke grondwaterstromen. • Een samenhang in de tijd tussen verleden, heden en toekomst. Dit betekent dat er soms voor moet worden gekozen om het verleden zichtbaar te maken en andere keren er ruimte moet worden gegeven aan moderniteit. • Een functionele samenhang. Het buitengebied van de Gemeente Rheden wordt intensief gebruikt. Daardoor zijn er veel mogelijkheden voor functionele verbanden zoals bijvoorbeeld landbouwproductie met lokale afzet. • Een wederkerige samenhang. De gemeente Rheden is een geliefd bezoekersdoel en wil dat ook blijven. Hierbij is de samenhang met de ’buitenwereld’ belangrijk. • Een informatie samenhang tussen de fysieke omgeving en de virtuele omgeving van data en informatie over het grondgebied. Met meer samenhang in het buitengebied kunnen er meer kansen benut worden en vraagstukken worden aangepakt. Het is daarvoor wel belangrijk dat de samenhang gelaagd, sterk en zichtbaar is. Om deze samenhang te bereiken zijn zeven thema’s uitgewerkt waar aan gewerkt gaat worden: • Doorbouwen aan de omgeving: meer initiatieven vanuit de samenleving en flexibelere plannen.

• Samenhang tussen hoog en laag: de mogelijkheden van de ‘gradiënt’ voor natuur, landschap, water, recreatie, cultuurhistorie, landbouw en beweging worden meer ontwikkeld. • Beleving van kwaliteiten: De gemeente Rheden gaat inzetten op de belevingseconomie en op belevingsversterking. Hier kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de toegankelijkheid van het gebied verbeteren.

16

•

• • •

Duurzaam toegankelijk: De gemeente Rheden wordt een steeds populairder bezoekersdoel en we willen dat op een goede manier mogelijk maken. Daarom wil de gemeente de recreanten meer spreiden over de gemeente en geleiden via aantrekkelijke toegangspoorten. Klimaatadaptatie: Door het veranderende klimaat moet de gemeente Rheden de omgeving aanpassen. De gemeente wil in de komende jaren inzetten op waterafstromingen en bosbranden tegengaan. Energietransitie: De gemeente heeft de doelstelling om in 2040 CO2 neutraal te zijn. Er moet daarom worden ingezet op wind- en zonneenergie. Omgaan met kwaliteiten: De gemeente zet in op verschillende strategieën om haar kwaliteiten duurzaam in stand te houden. Dit moet gebeuren door een meer ontwerpende (hoe kan het wél) en minder toetsende houding te kiezen (wat kan er niet). Daarnaast wordt vanuit veiligheid ingezet om het buitengebied meer in beeld te krijgen. Dit gaat gebeuren middels een project ‘zicht op de buitenruimte’, waarbij gezamenlijk met ondernemers, politie, brandweer en gemeente wordt gekeken naar hoe het gebied veiliger te maken is.

Betekenis voor het project De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met het beleid uit de Omgevingsvisie Buitengebied. In de Omgevingsvisie wordt onder de zeven thema’s gesproken over hoe verschillende actoren kijken naar het buitengebied en beslissen wat veiliger moet. De aanleg van de mini-AHOB en de aansluitende weginfrastructuur hebben als doel de spooroverweg veiliger te maken en is hier dus in overeenstemming mee.

17

4

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding De gevolgen voor milieu- en omgevingsaspecten vormen een belangrijke afweging bij het al dan niet toelaten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die (deels) in strijd met het bestemmingsplan zijn. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling beschreven aan de hand van diverse milieu- en omgevingsaspecten. Besluit mer Op basis van bijlage B uit het besluit mer is een mer-beoordeling nodig bij wijziging van het spoorweg tracé waarbij, over 500 meter of meer op een afstand van 25 meter van de bestaande bestemming, nieuw spoor wordt aangelegd. De aanpassingen te opzichte van het bestemmingsplan hebben hier geen betrekking op. Ecologie Ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde natuurwaarden. Dit betreft potentiële effecten op vogel- en vleermuissoorten, maar ook effecten op beschermde natuurgebieden zijn mogelijk. De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd tussen de spoorlijn tussen Velp en Dieren. Het onderzoek is bijgevoegd in bijlage 1. Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de de bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten vastgelegd. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet.

De wet natuurbescherming bevat verschillende verboden, zoals het doden van specifiek aangewezen vogel- en vleermuissoorten. Betekenis voor het project: In het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat er in het plangebied mogelijk vleermuisverblijven aanwezig zijn. Er worden echter geen bomen gekapt om het plan tot uitvoering te brengen. Daarom is het niet van belang dat er eerst vleermuisonderzoek uitgevoerd wordt. Daarnaast kan het plaatsen van verlichting verstorend werken. Dit is zowel het geval bij werkverlichting als voor verlichting voor de gebruiksfase van het verharde pad. Het is niet toegestaan verblijfplaatsen van de vleermuizen en de functionaliteit daarvan aan te tasten op grond van de Wet natuurbescherming. In dit plan is het uitgangspunt dat er geen aanvullende verlichting wordt geplaatst zowel in de uitvoeringsfase als in de gebruikersfase. Voor het plangebied geldt ook de verharding van het bospad en de onsluiting naar het terrein van Vitens mogelijk een verstorend effect heeft op de das en de boom- en steenmarter. In 2019 zijn holen rondom het plangebied aangetroffen dat als verblijfplaats van de das kan dienen. Deze holen zijn onderzocht in een aanvullend natuuronderzoek (bijlage 2) en zijn niet meer in gebruik. Wel maakt het plangebied onderdeel uit van het leefgebied van de das. Echter is in de omgeving voldoende gelijkwaardig leefgebied aanwezig.

Het onderzoeksgebied is daarom geen onderdeel van essentieel leefgebied. Voor de boom- of steenmarter geldt dat de bomen rondom geschikt kunnen zijn als verblijf/nestplaats. Tijdens een veldbezoek is er een boom aangetroffen met sporen van een boom- of steenmarter. Het bleek dat deze boom onderdeel is van een netwerk aan vaste rusten verblijfplaatsen. Het weghalen van een deel van het fietspad aan de zuidkant van het spoor zal de recreatiedruk op het looppad langs deze boom vergroten. Recreanten zijn echter overdag aanwezig, terwijl de boom- en steenmarter pas vanaf de schemer actief worden. Het gebruik blijft extensief, waardoor de functionaliteit van de verblijfplaats niet in het geding komt.

18

Wel dient bij de aanleg van de weg rekening gehouden te worden met de kwetsbare perioden van de boom- en steenmarter. In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Wel kunnen er spechten en andere categorie 5 soorten broeden. Echter zijn er voldoende andere mogelijkheden voor deze bosvogels aanwezig, waardoor geen sprake is van jaarrond bescherming van hun nestlocaties. Wel is aan te raden dat de werkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen. Alleen als het zeker is dat er geen broedende vogels in het plangebied aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Voor reptielen is het plangebied een geschikt leefgebied. In het plangebied zelf is het voorplanten en rusten van reptielen uitgesloten, maar de ontsluitingsweg richting het terrein van Vitens is geschikt als leefgebied voor reptielen als levendbarende hagedis en hazelworm. Met de aanleg van de ontsluitingsweg worden mogelijk verbodsbepalingen vanuit de Wet natuurbescherming overtreden. Om effecten hiervan te kunnen bepalen is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van levendbarende hagedis en hazelworm. Uit het aanvullend onderzoek naar beschermde soorten is gebleken dat de hazelworm en de levendbarende hagedis zich niet bevinden in het gebied. Het plangebied is daarom geen onderdeel van essentieel leefgebied.

Gebiedsbescherming Natura 2000 gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000gebieden, waaronder het IJsselmeer en de Waddenzee. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Daarbij dient ook een eventuele externe werking van een initiatief op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden bepaald. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn bieden een juridisch kader dat verzekert dat menselijke activiteiten worden ondernomen op een wijze die de integriteit van Natura 2000gebieden niet negatief beïnvloeden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland.

Wanneer (kleine) natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet kunnen overleven en het natuurgebied zijn waarde verliest. Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit (veelheid van soorten). Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten. De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het 'nee, tenzij'-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als deze het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd.

19

Groene Ontwikkelingszone Daarnaast onderscheidt provincie Gelderland in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening, de Groene Ontwikkelingszone (GO). Deze bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die niet in het GNN gelegen zijn maar wel ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Ook weidevogelgebieden en rustgebieden voor winterganzen (voorheen ganzenfoerageergebied) maken deel uit van de Groene Ontwikkelingszone. De Groene Ontwikkelingszone heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. Randvoorwaarde is alleen dat de kernkwaliteiten per saldo niet worden aangetast. De kernkwaliteiten, de wezenlijke kenmerken en waarden, bestaan uit de samenhang met aangrenzende natuurgebieden, de aanwezige natuurwaarden, landschappelijke en cultuurhistorische, geomorfologische en archeologische waarden, abiotische kwaliteiten, stilte, donkerte, openheid en rust.

Grootschalige projecten of ontwikkelingen die naar aard en schaal het karakter van het betreffende gebied wezenlijk aantasten, kunnen uitsluitend doorgang vinden als er geen reële alternatieven zijn, sprake is van groot openbaar belang, de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt en de resteffecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang wordt gecompenseerd. Betekenis voor het project Landschap en cultuurhistorie Vanuit het oogpunt van landschappelijke inpassing is er door de commissie cultuurhistorie de wens geuit om het fietspad uit te voeren in straatsteen. In het ontwerp is hiermee rekening gehouden door het deel Hofstetterlaan te bestraten met gebakken dikformaat in keperverband. Deze nieuw aangelegde weg zal worden opgesloten door toepassing van bermbeton in verband met wroetende zwijnen. Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich tussen de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe. Waar het plangebied zich recht tegen de Veluwe bevindt is de afstand tot Rijntakken 1,1 kilometer. De ontwikkelingen, met name het verharden van de weg, kan effect hebben op de ecologische relatie tussen het plangebied en de kwalificerende habitat- en/of vogelrichtlijnsoorten aan de Veluwe.

Daarnaast hebben de werkzaamheden in het plangebied kans op effecten zoals verdroging, vernatting, optische-, licht-, en geluidsverstoring veroorzaken. Het is om deze redenen nodig om tot een nadere beschouwing te komen in de vorm van een voortoets. Uit de voortoets (bijlage 3) is gebleken dat significante gevolgen door licht-, geluid en optische verstoring of effecten op voorhand zijn uitgesloten.

20

Gelders Natuurnetwerk Er moet ook worden gekeken naar het plangebied in relatie tot het NNN. Voor het plangebied geldt dat een groot deel van het plangebied ligt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Omdat er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot het wijzigen van de bestemming, is een uitwerking van het Nee-tenzij principe noodzakelijk. Ingrepen met een negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn.

Figuur 6: Het ”nee, tenzij”-principe

De Nee, tenzij-toets is voor onderhavig plan doorlopen en opgenomen in de bijlage. Groene ontwikkelingszone Voor de Groene ontwikkelingszone (GO) dient er getoetst te worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Op grond van artikel 2.52 van de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Gelderland kan in een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone een nieuwe kleinschalige ontwikkeling mogelijk maken, als: a) in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; b) deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemming In de Nee, tenzij-toets (bijlage 4) is voor onderhavig plan ook aandacht besteed aan de groene ontwikkelingszone. Uit de Nee, tenzij-toets blijkt dat er binnen het project voldoende mogelijkheden om het verlies aan GNN en toename van verharding in het GO te compenseren. De weg ten oosten van het spoor waar de verharding weggehaald wordt, zal worden omgevormd tot natuur en kan daarmee fungeren als compensatiegebied. Dit vormt een compensatiegebied van 491 m2. Dit compensatiegebied ligt echter wel in het GO. Formele compensatie van GNN kan vormgegeven worden door het GO in de nieuwe situatie te herbegrenzen (en bestemmen) tot GNN.

Stikstofdepositie Met de Wet natuurbescherming (Hierna: Wnb) worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van de depositie van stikstof (in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak) een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en leefgebieden. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen hierdoor negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen.

21

Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de aanlegfase en/of gebruiksfase van de ontwikkeling. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan de stikstofdepositie (in mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de planontwikkeling worden berekend. Betekenis voor het project Ten behoeve van dit project, is een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 5). Uit de berekeningen blijkt dat gedurende de aanlegfase een toename van de stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar in de Veluwe is berekend. Omdat dit een tijdelijke toename van de depositie van maximaal 1 jaar in de aanlegfase is en de toename beneden de 0,1 mol N/ha/jaar blijft, zijn negatieve effecten op voorhand uitgesloten en is het voorgenomen plan uitvoerbaar. Tevens geldt sinds 1 juli 2021 een vrijstelling voor tijdelijke stikstofdepositie tijdens de aanlegfase. In de gebruiksfase zal er geen significant effect optreden op beschermde Natura 2000gebieden. Circa éénmaal per maand maakt een vrachtwagen van Vitens gebruik van de route voor de bevoorrading van hun drinkwater pompstation en daarnaast is er vooral sprake van gebruik door fietsers en voetgangers. Daarnaast zal Twickel ten behoeve van onderhoud aan het bos incidenteel voertuigen van de wegen gebruik laten maken.

Met een dergelijk klein aantal vervoersbewegingen is er geen sprake van verschuivingen in de stikstofdepositie. Een vergunning Wet natuurbescherming vanwege toegenomen stikstofdepositie in beschermde Natura 2000-gebieden is niet nodig. Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het doel. Bij afwijken van het bestemmingsplan is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Betekenis voor het project De ontwikkeling van het verharde bospad vindt plaats op grond van de Gemeente Rheden. De gemeente heeft in het bestemmingsplan Buitengebied 1995 vastgelegd dat het gebied de functie waterwingebied 2 heeft. Gronden die naast gebruik voor agrarische en bosbouw doeleinden worden aangewend voor de onttrekking van water hebben een dubbelbestemming gekregen, waterwingebied 1.

Waar tevens de opslag en zuivering plaatsvindt is aan de gronden een waterwingebied 2 bestemming gegeven. Binnen het bouwvlak mag gebouwd worden, waarmee de daarvoor noodzakelijke bouwwerken worden veiliggesteld. Omdat het een waterwingebied betreft is het van belang dat de bodem niet wordt aangetast door nieuwe ontwikkelingen. De aanleg van een verhard bospad is echter geen ontwikkeling die de milieukundige bodemkwaliteit naar beneden brengt. Er wordt geen gevoelige functie mogelijk gemaakt en dus vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen.

22

Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeurswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige functies niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige functies in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige functies aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeurswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Betekenis voor het project In de directe nabijheid van het te verharden pad aan de Zuidlaan bevinden zich geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen. Het op een woning lijkende bouwwerk aan de Zutphensestraatweg 51, nabij de overweg betreft namelijk geen woning en is niet voorzien van een woonbestemming.

Het verharden van het bestaande pad aan de Zuidlaan heeft daarnaast geen noemenswaardige verkeersaantrekkende werking, waardoor een geluidstoename als gevolg van wegverkeer ten opzichte van de huidige situatie uit te sluiten is. Wel moet er uiteraard rekening worden gehouden met enige geluidshinder tijdens de aanleg als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden. Archeologie Gemeenten hebben de taak om bij de verlening van omgevingsvergunningen in de afweging rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden. In Nederland zijn archeologische waarden veelal onzichtbaar. Ze liggen grotendeels verborgen in de bodem, waardoor ze niet eenvoudig te karteren zijn. Slechts een deel van de archeologische rijkdom is zichtbaar aan het oppervlak. Om op de nog onbekende informatie greep te krijgen, is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de "Indicatieve kaart van archeologische waarden” (IKAW) uitgegeven. Deze kaart geeft een globaal inzicht in de mate waarin archeologische resten in een gebied aangetroffen kunnen worden. Op de kaart zijn drie soorten gebieden te onderscheiden:  gebieden met een hoge verwachtingswaarde;  gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde;  gebieden met een lage verwachtingswaarde. Uitgangspunt voor het beleid is om het archeologische erfgoed op de vindplaats zelf te behouden.

In gebieden met een hoge en een middelhoge verwachtingswaarde moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd, zodat duidelijk wordt of en waar zich in de bodem archeologische waarden bevinden. In eerste instantie kan worden volstaan met een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI). Op basis van de resultaten van dit onderzoek moet worden bepaald of er een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) noodzakelijk is. De gemeente Rheden heeft daarnaast een archeologische verwachtingsen beleidsadvieskaart opgesteld. Op deze kaart staan de archeologische waarden en de

23

archeologische verwachtingen weergegeven. Ook staan er op deze beleidskaart gebieden, welke zijn gemarkeerd als 'aandachtsgebied'. Dit betreft gebieden met een vastgestelde archeologische waarde, een hoge archeologische verwachtingswaarde, Ook zijn er gebieden gemarkeerd als 'onderzoeksgebied. Dit betreft gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Tot slot zijn er gebieden gemarkeerd als 'archeologisch gebied met lage verwachting'. Afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van een gebied zijn bodemingrepen tot een bepaald oppervlakte vrijgesteld van de onderzoeksplicht voor archeologie. Betekenis voor het project Volgens de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Rheden ligt het plangebied in het zogenaamde onderzoeksgebied, waarbij planologisch gezien de dubbelbestemming Waarde – archeologie 2 hoort. Echter valt het plangebied niet onder het Parapluplan Archeologie Rheden 2013 en recreatief medegebruik Buitenplaatsen, waarin de regels omtrent archeologische waarden worden beschreven. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 1995 is ter plaatse niets geregeld met betrekking tot archeologie. Als het bodemarchief door toekomstige graafwerkzaamheden dieper dan 30 centimeter verstoord zal worden, is archeologisch onderzoek volgens de Wet op de archeologische monumentenzorg echter verplicht.

De graafwerkzaamheden die plaatsvinden voor het verharden van het bestaande pad aan de Zuidlaan zijn beperkt tot minder dan 30 centimeter, waardoor geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Externe veiligheid In een plan dat kwetsbare objecten mogelijk maakt, moet aandacht worden besteed aan externe veiligheid. Nieuwe kwetsbare objecten mogen namelijk niet binnen de risicocontour (invloedsgebied van een risicobron) van bestaande risicobronnen liggen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld inrichtingen waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen. Ook transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water en door buisleidingen vormt een risico. Tevens moet aandacht worden besteed aan risico’s die het gevolg zijn van de oprichting van een risicovolle inrichting, het transport van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Het beleid voor externe veiligheid is geregeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In de genoemde besluiten zijn de diverse risicocontouren met betrekking tot externe veiligheid vastgelegd. Betekenis voor het project Met de verharding van het pad aan de Hofstetterlaan wordt geen kwetsbaar object toegevoegd, noch betreft het een risicobron. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor het plan.

Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierin is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waarin in de toekomst moet worden voldaan. De twee stoffen waar het meest rekening mee moet worden gehouden zijn stikstofdioxide en fijnstof. Aan andere stoffen, zoals in het Wm beschreven, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Kern van het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Projecten die 'niet in

24

betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)". In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Betekenis voor het project De aanleg van het verharde bospad en het beveiligen van de spoorwegovergang aan de Hofstetterlaan maken geen onderdeel uit van de gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het project zorgt niet voor een significante toename van stikstofdioxide en fijnstof. Daarnaast is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking, waarmee verkeer geen rol speelt in relatie tot de luchtkwaliteit.

Het aspect luchtkwaliteit is dus geen barrière voor het veiliger maken van de spoorwegovergang. Verkeer Vanwege het opheffen van het fietspad De Lange Juffer vanaf de zuidzijde van het spoor tot aan de kruising met de Zuidlaan/Schapenbergweg is een alternatieve verbinding nodig voor vrachtverkeer Vitens en langzaam verkeer, daartoe wordt de verharding van de Schapenbergweg doorgetrokken over de Zuidlaan en buigt de verharding af via de Hofstetterlaan tot aan de zuidzijde van het spoor. Het gebruik blijft in de nieuwe situatie gelijk aan de huidige situatie. Circa éénmaal per maand maakt een vrachtwagen van Vitens gebruik van de route voor de bevoorrading van hun drinkwater pompstation en daarnaast vooral fietsers en voetgangers. De wegen zijn niet openbaar, na zonsondergang is het gebruik niet toegestaan. Daarnaast zal Twickel ten behoeve van onderhoud aan het bos incidenteel voertuigen van de wegen gebruik laten maken, maar ook daarvan is in de bestaande situatie ook al sprake. Betekenis voor het project Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het project. De afwijking van het bestemmingsplan betreft daarnaast enkel het verharden van een bestaand pad. Dit verharden van een bestaand pad zorgt niet voor de toename van verkeer en extra druk op het wegennet in de directe omgeving. Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening.

Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en waterlast voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het noodzakelijk dat gebiedseigen water zo lang mogelijk in het gebied zelf blijft. Dit gebeurt door middel van het afkoppelen van het schone hemelwater (regen) wat op verhardingen valt zoals bijvoorbeeld wegen en daken. Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Ook in deze wet is afstemming van ruimtelijke ontwikkelingen en water voor ruimtelijke plannen opgenomen. In het kader van dit project heeft afstemming plaatsgevonden met het Waterschap Rijn en Ijssel. De digitale watertoets is ingevoerd en er is telefonisch contact geweest met het waterschap. Door het verharden van het bestaande pad aan de Zuidlaan neemt de verharding toe met circa 1.100 m2.

25

Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Het uitgangspunt van het waterschap is dat het plan minimaal hydrologisch neutraal is, of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. In dit geval is er geen sprake van een zwaardere belasting van het watersysteem. Hemelwater wordt afgevoerd naar de (bos)bermen naast het te veharden pad. Er zijn meldingen dat bij zware regenval water van de helling via de Hofstetterlaan over de spoorbaan stroomt en vervolgens óver de Zutphensestraatweg het dorp Ellecom in. Dit is onwenselijk, mede gezien de klimaatontwikkeling en toename van dit soort zware buien. Natuurbeheerder Twickel neemt als beheerder maatregelen zodat er geen overlast van afstromend hemelwater ontstaat. Bij voorkeur worden natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale waterbergingsgebieden en overstromingsvlaktes niet bebouwd. In waterbergingsgebieden zijn ontwikkelingen enkel toegestaan, als ze het functioneren van het waterbergingsgebied niet belemmeren. Het verharden van het bestaande pad, met afvoer van hemelwater richting de (bos)bermen heeft geen negatieve effecten op het functioneren van het waterbergingsgebied.

De materialen voor de fundering en verharding van het nieuwe pad zullen geen uitlogende stoffen bevatten die het grondwater kunnen verontreinigen. Er is tevens sprake van een waterwingebied. Het verharden van het pad heeft geen negatieve effecten op het functioneren van het waterwingebied. Met het verhaden van het pad wordt toegankelijkheid van het Vitens productiebedrijf in het waterwingebied gewaarborgd. Uit de afstemming met het waterschap blijkt dat een watervergunning niet nodig is voor het verharden van het bestaande pad aan de Zuidlaan. Niet gesprongen conventionele explosieven In de omgeving van de projectlocatie kunnen niet gesprongen conventionele explosieven aanwezig zijn. In onderstaande figuur zijn in oranje de gebieden opgenomen waar zich infanteriemunitie en geschutmunitie kan bevinden, op een diepte van -0.3 tot - 1.5 meter onder maaiveld. Het te verharden pad aan de Zuidlaan bevindt zich volledig in het oranje gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=aefd75b8-80c0-4c90-916d-c78bcf9e2700