CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Plan van Aanpak Bijlage 1 -Haalbaarheidsonderzoekpport februari 2021.pdf

Raadsvergadering 26 september 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: Intentieovereenkomst Warmtenet Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren18.081 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De gebieden hebben allen een opeenvolgend nummer, behalve gebied #201. De reden hiervan is dat dit gebied gelegen is op een bedrijventerrein en daarmee afwijkt van de andere gebieden.

Figuur 13: Volloopschema voor beoogd warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. Elke regio heeft een uniek referentienummer.

In sectie 0 is toegelicht dat 90% van de huurwoningen van Veluwonen, 20% van de overige woningen en 10% van de utiliteitsgebouwen per gebied worden aangesloten op het warmtenet. In Tabel 10 is het aantal woningen en utiliteitsgebouwen weergegeven dat per gebied in het volloopschema wordt aangesloten. Het gaat hierbij dus enkel om het aantal aansluitingen per gebied en niet om de exacte adressen van de woningen en gebouwen die worden aangesloten.

27 (53)

Tabel 10: Overzicht van het aantal huurwoningen van Veluwonen, overige woningen en utiliteitsgebouwen dat volgens het concept volloopschema wordt aangesloten op het beoogde warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren.

ID 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 201

Participatiegraad Woningen Overige UtiliteitsVeluwonen woningen gebouwen 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10% 90% 20% 10%

Aantal aansluitingen Woningen Overige UtiliteitsVeluwonen woningen gebouwen 237 60 0 165 40 6 121 27 3 228 12 10 215 56 3 42 28 1 115 53 8 147 52 2 117 39 1 60 26 3 125 81 0 0 2 0

Totaal 297 205 148 240 271 70 168 199 156 86 206 2

Van elk gebied in het volloopschema is de gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming en tapwater bepaald. Hierbij is tevens onderscheid gemaakt tussen de huurwoningen van Veluwonen, overige woningen en utiliteitsgebouwen. De warmtevraag aan het warmtenet is daardoor eenvoudig te berekenen met behulp van het aantal aansluiting in Tabel 10. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 11. Het is belangrijk om te vermelden dat het hierbij gaat om de warmtevraag voordat de schilmaatregelen uit sectie 3.2.4, 3.3.4 en 3.4.3 zijn doorgevoerd. Door de gemiddelde warmtevraag per gebied te gebruiken, is de totale warmtevraag relatief nauwkeurig zonder dat je bijvoorbeeld binnen een gebied exact de locatie moet aangeven van de 20% overige woningen die worden aangesloten. Wanneer alle aansluitingen op het warmtenet zijn gerealiseerd, is de totale huidige warmtevraag 76.700 GJ per jaar. Wanneer de verwachte schilmaatregelen worden doorgevoerd, is de totale warmtevraag 72.700 GJ per jaar, dus een afname van ca. 5%. Tabel 11: Overzicht van de huidige warmtevraag in GJ per jaar van de huurwoningen van Veluwonen, overige woningen en utiliteitsgebouwen dat volgens het concept volloopschema wordt aangesloten op het beoogde warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren.

ID 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 201

Gemiddelde warmtevraag Woningen Overige UtiliteitsVeluwonen woningen gebouwen 30 46 0 31 46 11 25 52 117 39 50 9 37 46 8 39 54 4 40 51 14 38 53 38 31 44 112 36 45 22 28 42 0 0 66 0

Totale warmtevraag Woningen Overige UtiliteitsVeluwonen woningen gebouwen 7.110 2.765 0 5.110 1.826 66 3.002 1.393 351 8.860 604 88 8.032 2.598 24 1.651 1.510 4 4.621 2.700 116 5.540 2.748 75 3.669 1.698 112 2.178 1.158 67 3.516 3.374 0 0 133 0

Totaal 9.875 7.002 4.746 9.552 10.655 3.165 7.437 8.363 5.479 3.403 6.890 133

28 (53)

4.4.1 Belastingduurkromme De belastingduurkromme is vergelijkbaar met een grafiek van de warmtevraag gedurende een jaar. Het verschil is dat de warmtevraag in een belastingduurkromme is geordend in een aflopende warmtevraag in plaatst van op chronologische volgorde. De grafiek geeft daarmee inzicht in hoeveel uur per jaar een bepaalde warmtevraag wordt overschreden. Dit is van belang voor het bepalen van het optimale ontwerp van een warmtenet. Aan de hand van de belastingduurkromme kan de basislast en pieklast worden bepaald. Bij een warmtenet is meestal 80% van de gemiddelde jaarlijkse warmtevraag basislast en de overige 20% is pieklast11. Pieklast is relatief duur, aangezien de installatie alleen in productie is wanneer de warmtevraag hoger dan de basislast is. Er bestaan verschillende technieken om de benodigde warmte op te wekken. Idealiter worden de beschikbare duurzame warmtebronnen gebruikt voor de basislast en eventueel fossiele warmtebronnen voor de pieklast. In het warmtenet van Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren zal de restwarmte voorzien in de basislast en de gasgestookte stoomketels bij DS Smith voor de pieklast. Het bepalen van de belastingduurkromme is een ingewikkeld proces en vereist complexe simulaties van het warmtenet en de aangesloten gebouwen. In plaats daarvan is gekozen om meetdata van een vergelijkbaar bestaand warmtenet te gebruiken.

Op dit warmtenet zijn circa 600 woningen aangesloten. Het warmtenet heeft een invoertemperatuur van 70°C en een retourtemperatuur van 40°C. De data komt uit 2019. Om de belastingduurkromme van Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren te bepalen is de belastingduurkromme van de meetdata geschaald aan de hand van de verhouding tussen de totale warmtevraag. Op deze manier is op een eenvoudige, maar toch betrouwbare manier de belastingduurkromme bepaald en is weergegeven in Figuur 14. De maximale warmtevraag bedraagt circa 8,5 MW. De vorm van deze kromme is gebruikelijk. De oppervlakte onder de grafiek is de totale warmtevraag en bedraagt 21.300 kWh per jaar, oftewel 76.700 GJ per jaar.

Figuur 14: Belastingduurkromme van het beoogde warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. Uitgangspunt is dat 90% van de huurwoningen van Veluwonen worden aangesloten, 20% van de overige woningen en 10% van de utiliteit.

4.4.2 Verdeling warmtevraag De warmtevraag gedurende een jaar is in Nederland verre van constant. Ons gedrag zorgt met name voor dag- en nachtfluctuaties, terwijl een veranderende buitentemperatuur vooral leidt tot seizoenfluctuaties in de warmtevraag.

11

Bron: CE Delft. (2019). Hybride warmtenetten: Kansen voor Den Haag.

29 (53)

4.4.2.1 Verdeling over werkdag en weekenddag In Figuur 15 is de verdeling van de gemiddelde warmtevraag gedurende de werkdagen (maandag tot en met vrijdag) en weekenddagen (zaterdag en zondag) weergegeven. Uit de grafiek zijn diverse conclusies te trekken. De ochtendpiek wordt veroorzaakt doordat onze huizen worden opgewarmd net voordat wij opstaan en wij vervolgens massaal gaan douchen. Vervolgens is de zon op en stijgt de buitentemperatuur, waardoor de warmtevraag afneemt. Eind van de middag neemt de warmtevraag weer toe. Enerzijds door de lagere buitentemperatuur en anderzijds om het huis weer te verwarmen voordat wij thuiskomen van werk. De grafiek laat tevens het verschil zien tussen werk- en weekenddagen. In het weekend staan wij later op en is de warmtevraag constanter.

Figuur 15: Gemiddelde dag- en nachtflucuaties van de warmtevraag voor alle dagen in een week. Werkdagen zijn weergegeven met een gouden lijnen en weekenddagen in donkergrijs.

De totale warmtevraag, de oppervlakte onder bovenstaande krommen, verschilt echter weinig tussen werkdagen en weekenddagen. Dit is duidelijk zichtbaar in Figuur 16.

Figuur 16: Verdeling warmtevraag over de dagen van de week.

30 (53)

Het gaat hierbij om de totale warmtevraag van bijvoorbeeld alle maandagen in een jaar. Om de gemiddelde warmtevraag van een maandag te bepalen, moet de totale warmtevraag worden gedeeld door de 52 of 53 maandagen per jaar. 4.4.2.2 Verdeling over weken, maanden en seizoenen De verdeling van de warmtevraag over weken, maanden en seizoenen komt duidelijk tot uitdrukking in Figuur 17 tot en met Figuur 19. De warmtevraag in de winter is tot wel vijf keer hoger dan in de zomer. Dit heeft direct verband met de gemiddelde zoninstraling en buitentemperatuur. De trend in de warmtevraag speelt een belangrijke rol in het selecteren van de warmtebronnen. Een zonthermie project produceert bijvoorbeeld vooral warmte in de zomer. Deze warmte zal dus (deels) moeten worden opgeslagen voor de winter.

Figuur 17: Verdeling warmtevraag over de weken van het jaar.

Figuur 18: Verdeling warmtevraag over de maanden van het jaar.

31 (53)

Figuur 19: Verdeling warmtevraag over de seizoenen van het jaar.

4.5 Toekomstige warmtevraag Schilmaatregelen zorgen voor een afname van de warmtevraag. In sectie 3.2.4, 3.3.4 en 3.4.3 is toegelicht wat de verwachte impact van deze schilmaatregelen zal zijn op de warmtevraag van de huurwoningen van Veluwonen, overige woningen en utiliteit. De totale warmtevraag zal met ca. 5% dalen. Dit betekent echter niet dat alle bovenstaande grafieken lineair kunnen worden geschaald. De oorzaak daarvan is dat schilmaatregelen met name impact hebben op de warmtevraag voor ruimteverwarming en niet voor tapwater. De vraag naar tapwater is redelijk contant over het jaar, terwijl de vraag naar ruimteverwarming vele malen hoger is in de winter. Door de schilmaatregelen zal daardoor de basislast aanzienlijk minder veranderen dan de seizoenfluctuatie. Desalniettemin geeft de 5% afname wel een goede indicatie. 4.6 CO2-besparing De aanleg van een warmtenet kan leiden tot een aanzienlijk CO2-besparing in de gebouwde omgeving, mits de warmte op een duurzame geleverd wordt. De woningen en utiliteit in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren wordt momenteel hoofdzakelijk verwarmd door de verbranding van aardgas. De CO2-uitstoot van aardgas is 1,79 kg per m3, oftewel 56,8 kg per GJ. De basislast (ca. 80% van de warmtevraag) van het warmtenet wordt geleverd met restwarmte. Bij dit proces komt vrijwel geen extra CO2 vrij.

De pieklast wordt geleverd door gasgestookte stoomketels bij DS Smith. De totale CO2-besparing is ruim 3.450 ton per jaar voor het beoogd warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. Bijna 70% van deze besparing komt terecht bij Veluwonen.

32 (53)

5

Concept ontwerp warmteleidingen

5.1 Ontwerpvarianten Warmtenetten brengen via ondergrondse, geïsoleerde buizen warmte uit centrale warmtebronnen naar meerdere warmteverbruikers. Het warmtenet functioneert als een grote centrale verwarming op de schaal van een wijk, stad of zelfs regio. Koudenetten zijn een vergelijkbare oplossing voor de collectieve levering van koeling, via een leidingnet aan grote afnemers. De warmteklanten kunnen heel divers zijn: bedrijven, tertiaire sector, woningen, publieke gebouwen. De warmte wordt via water onder druk in een gesloten netwerk getransporteerd, met aparte leidingen voor de aanvoer en de retour van warmte. Het water dat naar de afnemers stroomt is warmer dan het water dat in de retourleiding stroomt. Het water wordt namelijk afgekoeld door een warmtewisselaar bij de verbruikers. Die warmtewisselaar levert de warmte aan de binneninstallatie, voor ruimteverwarming en sanitair warm water. Op dit moment zijn in Nederlandse warmtenetten verschillende soorten warmtebronnen in gebruik: van geothermie tot restwarmte van bijvoorbeeld afvalverwerkers, datacenters, elektriciteitscentrales en industrie. De bronnen variëren in de temperatuur warmte die beschikbaar komt. Zo komt warmte uit een afvalverbrander of diepe geothermiebron vrij op hoge temperaturen van 100°C of meer.

Restwarmte uit datacenters komt gemiddeld op slechts 25°C beschikbaar en warmte uit oppervlaktewater (ook wel aquathermie genoemd) meestal op nog lagere temperaturen. Restwarmte die op 25 tot 30°C beschikbaar komt, kan in de woning met een warmtepomp opgewarmd worden om gebruikt te kunnen worden voor ruimteverwarming en warm tapwater. Een andere optie is om de warmte met lage temperatuur centraal op te werken naar 40°C. Dat is voor nieuwbouw warm genoeg voor ruimteverwarming. In de woning is dan alleen nog een apparaat nodig dat het tapwater verder verwarmd naar 60°C om legionella te voorkomen. Een derde mogelijkheid is om de warmte centraal op te werken tot 65°C en op deze temperatuur aan woningen te leveren. Dit is voldoende voor zowel ruimteverwarming als tapwater: in de woning hoeven dan geen extra maatregelen getroffen te worden. 5.2 Ontwerpkeuze Om de kosten per aansluiting zo laag mogelijk te houden, is voor het warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren gekozen voor een warmtenet met een aanvoertemperatuur van 65°C. Daarmee kan in iedere woning direct warm tapwater gemaakt worden, zonder dat bijverwarming met behulp van bijvoorbeeld een warmtepomp nodig is. 5.3 Leidingen Om de warmte van de warmtebronnen naar de warmteafnemers te transporteren is een grootschalig warmtenet nodig.

Bij het warmtenet kan onderscheid worden gemaakt tussen het transportnet (backbone) en het distributienet. Het transportnet wordt gebruikt om grote hoeveelheden warmte te verplaatsen naar centrale locaties om vervolgens via een fijnmazig distributienet te worden geleverd aan woningen en utiliteitsgebouwen. Voor het transportnet worden leidingen gebruikt van staal. De leidingen zijn omringd met een PUR isolatielaag en een kunststof buitenmantel. De leidingen van het distributienet zijn gemaakt van een buigbare kunststof (crosslinked polyethyleen) en zijn tevens omringd met een PUR isolatielaag en een kunststof buitenmantel. De isolatielaag heeft tot doel om de warmteverliezen in het warmtenet te minimaliseren. Een stalen leiding heeft als voordeel dat het een grote druk en hogere temperatuur kan weerstaan. Het nadeel is dat deze leidingen relatief duur zijn in materiaal en aanleg. Om de twaalf meter moeten leidingen aan elkaar worden gelast. Dit vereist expertise en veel tijd.

33 (53)

Op de lasnaden moet vervolgens extra isolatie worden aangebracht om te voorkomen dat dit leidt tot extra warmteverliezen. Het voordeel van de buigbare kunststof leiding is dat het gemakkelijker en goedkoper kan worden aangelegd. Er hoeft een smallere sleuf te worden gegraven wat enorm bespaard in de civieltechnische werkzaamheden. Daarnaast bestaan er standaard koppelstukken, waardoor warmteverliezen beperkt blijven. Het nadeel is dat dit type leiding niet in grote diameters (groter dan DN 100) beschikbaar is. Daarnaast kan deze leiding een maximale druk aan van ca. 5 bar en een maximale temperatuur van ca. 80°C. De lengte, diameter en temperatuurverliezen in het transportnet zijn berekend met behulp van Hysopt. Hysopt is een krachtige ontwerpsoftware voor warmtenetten en is in staat het ontwerp van warmtenetten te optimaliseren. De warmtevraag van elk van de gebieden in het volloopschema uit sectie 4.4 is ingeladen in Hysopt. De simulatie in Hysopt is uitgevoerd voor 1) een warmtenet in alleen Eerbeek, 2) een warmtenet in Eerbeek en Loenen, 3) een warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren en 4) een warmtenet in Eerbeek en LaagSoeren. De diameters van de leidingen van het transportnet voor het warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren is weergegeven in Figuur 20.

Het transportnet is gedimensioneerd op de warmtevraag van 90% van de huurwoningen van Veluwonen, 20% van de overige woningen en 10% van de utiliteit. Daarbij zijn de diameters naar boven afgerond in verband met ruimte in het transportnet voor mogelijk extra aansluitingen in de toekomst. Wanneer het aantal aansluitingen in de toekomst echter sterk toeneemt, zal mogelijk een deel van het transportnet vervangen moeten worden.

Figuur 20: Tracé van het beoogde warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. Per leiding van het transportnet is de diameter aangegeven.

Wanneer niet alle dorpen worden aangesloten op het warmtenet, is de totale warmtevraag vanzelfsprekend lager. Er hoeft dan ook minder warmte getransporteerd te worden. Dit betekent bijvoorbeeld dat de diameters van leidingen voor het warmtenet in alleen Eerbeek kleiner zullen uitvallen. De lengte van de leidingen per diameter en variant zijn weergegeven in Tabel 12. Er is ook een indicatie gegeven van de totale investeringskosten voor het transportnet. Uit het overzicht volgt dat de totale lengte van het warmtenetracé en de

34 (53)

daarmee samenhangende kosten sterk afhangen van de omvang van het warmtenet. De investering in het transportnet draagt aanzienlijk bij aan de totale investeringskosten. Bij de kosteninschatting is rekening gehouden met de omgeving. Zo is een leiding leggen in stedelijk gebied aanzienlijk duurder dan in het buitengebied. De relatieve investeringskosten voor de varianten met een tracé richting Loenen en/of Laag-Soeren zijn daarom lager, dan wanneer enkel een warmtenet in Eerbeek wordt gerealiseerd. In de praktijk kan het voorkomen dat in eerste instantie gekozen wordt voor een warmtenet in Eerbeek en in een later stadium toch wordt gekozen voor een uitbreiding richting Loenen en/of Laag-Soeren. Om de extra kosten en de impact op de omgeving te beperken bij een uitbreiding, is het interessant om toch het transportnet in Eerbeek te dimensioneren op de variant waarbij alle dorpen worden aangesloten. De extra investering is tussen de € 0,3 mln en € 0,5 mln. Het risico is echter dat de uitbreiding nooit zal plaatsvinden. Tabel 12: Overzicht van de benodigde warmtenettracés per diameter en per variant van het beoogde warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren.

Diameter leiding DN 100 DN 125 DN 150 DN 200 DN 250 DN 300 Totaal Kosten

Warmtenet Eerbeek 500 m 1.725 m 2.600 m 2.140 m 565 m 0m 7.530 m € 4,0 mln

Lengte warmtenettracé per diameter per variant Warmtenet Eerbeek, Warmtenet Warmtenet Eerbeek Loenen en LaagEerbeek en en Loenen Soeren Laag-Soeren 500 m 500 m 500 m 1.725 m 1.725 m 1.725 m 1.625 m 4.325 m 3.950 m 7.250 m 7.250 m 2.140 m 980 m 980 m 565 m 565 m 565 m 0m 12.645 m 15.345 m 8.880 m € 6,8 mln € 8,0 mln € 4,5 mln

5.4 Warmteoverdrachtstations (WOS) Een warmteoverdrachtstation (WOS) is het koppelpunt tussen het transportnet en het distributienet. Een WOS bestaat uit een warmtewisselaar en een pomp. De functie van een WOS in een wijk is schematisch weergegeven in Figuur 21. De aanvoertemperatuur van het warmtenet is 65°C en de retourtemperatuur is 35°C.

Figuur 21: Schematische weergave van een warmteoverdrachtstation in een wijk.

Een WOS kan worden geplaatst in een kelderbox, garagebox of in een speciaal daarvoor gebouwd gebouw. Dergelijk gebouw lijkt erg op een transformatorhuisje. In Figuur 22 is een aantal afbeeldingen weergegeven van een WOS.

35 (53)

a)

c)

b)

Figuur 22: Afbeeldingen van a) de technische installatie in een WOS, b) de binnenkant van een WOS en c) de buitenkant van een WOS.

In het volloopschema in sectie 0 is aangegeven welke gebieden worden aangesloten op het warmtenet. In totaal zijn er twaalf gebieden aangewezen, terwijl er maar zeven stations zijn. In Tabel 13 is daarom voor elk WOS aangegeven welke gebieden daarop worden aangesloten en om hoeveel woningen dit gaat. Daarnaast is een grove inschatting gemaakt van het benodigde piekvermogen. Tabel 13: Overzicht van het aantal woningen dat wordt aangesloten per warmteoverdrachtstation.

WOS Eerbeek Noordoost Eerbeek Noordwest Eerbeek Oost Eerbeek West Eerbeek Zuid Loenen Laag-Soeren

ID Volloopschema 101 111 103 102 en 104 105, 107, 110 en 201 108 en 109 106

Aantal woningen 297 206 148 445 527 355 70

Piekvermogen 1.350 kW 950 kW 650 kW 2.000 kW 2.350 kW 1.600 kW 300 kW

De investeringskosten van een WOS bestaan uit de technische installatie, behuizing en de aansluiting op het transportnet en het distributienet. De kosten van een WOS variëren van 70.000 tot 120.000 euro. Dit bedrag is afhankelijk van het aantal aangesloten woningen en utiliteitsgebouwen op een WOS. 5.5 Afleversets Om de warmte uit het warmtenet in een woning of utiliteitsgebouw te krijgen, is een afleverset nodig. De afleverset meet het warmteverbruik en verdeelt de warmte voor ruimteverwarming en tapwater. De afleverset bevat een warmtewisselaar om het tapwater te verwarmen. Wanneer woningen of utiliteitsgebouwen worden aangesloten op een warmtenet, vervangt de afleverset de CV ketel. Het voordeel van een afleverset is dat er minder onderhoud nodig is vergeleken met een CV ketel of warmtepomp. Daarnaast is het ruimtebeslag van een afleverset kleiner en is er geen afvoerpijp nodig. De afleverset hangt meestal in de meterkast. In Figuur 23 is de functie van een afleverset weergegeven. De afleverset kan in eigendom zijn van de warmteleverancier of in eigendom zijn van de verbruiker. De eerste variant komt het meest voor. Het voordeel is dat de warmteleverancier verantwoordelijk is voor onderhoud, reparatie, vervanging en het voorkomen van lekkages. Een nadeel is bijvoorbeeld dat de bewoner geen keuzevrijheid heeft in het merk en type van de afleverset.

36 (53)

a)

b)

Figuur 23: Afbeeldingen van a) de functie van een afleverset en b) een afleverset in een meterkast.

Het distributienet wordt in veel gevallen geplaatst onder het trottoir. Vanaf het distributienet worden aftakkingen gemaakt naar individuele woningen en utiliteitsgebouwen. De baan van de leidingen worden onder meer bepaald door de positie van de meterkast of huidige CV ketel in een pand. In veel woningen wordt de afleverset daarom geplaatst op de begane grond. Dit is relatief eenvoudig te realiseren. In andere gevallen, zoals bijvoorbeeld bij huurwoningen van Veluwonen aan de Huygenslaan of Händelstraat in Eerbeek, moet de afleverset op zolder worden geplaatst. In dit geval zijn er twee opties. De leidingen kunnen door de gevel worden gevoerd en vervolgens verticaal omhoog gaan. Als alternatief kunnen de leidingen naar de afleverset ook buitenhuis langs de gevel. Deze manier wordt meestal toegepast wanneer in de woning geen ruimte is voor een leiding naar boven, zoals in Figuur 24 is weergegeven voor een huis in Purmerend. Aangezien de leiding zichtbaar is vanaf de straat, dient rekening gehouden te worden met de welstandseisen. De warmteleiding zal dus fatsoenlijk weggewerkt moeten worden in bijvoorbeeld een regenpijp. De kosten van de graafwerkzaamheden en het in de oorspronkelijke staat herstellen van de tuin zijn voor rekening van het warmtebedrijf. a)

b)

Figuur 24: Afbeeldingen van een leiding naar de afleverset a) binnenhuis en b) buitenhuis.

Het warmtenet heeft een aanvoertemperatuur van 65°C. In de meeste gevallen is deze temperatuur hoog genoeg om met de huidige radiatoren de ruimte te verwarmen. Door renovaties is de warmtevraag namelijk afgenomen, terwijl de capaciteit van de radiatoren gelijk is gebleven. Dit leidt ertoe dat een radiator dezelfde gewenste binnentemperatuur kan bereiken, maar dan op een lagere temperatuur. Er zullen echter altijd woningen blijven waarbij aanpassingen noodzakelijk zijn. Het gaat daarbij met name om de oude en minder goed geïsoleerde woningen.

37 (53)

6

Opslag en/of back-up systeem

6.1 Verdeling van restwarmte Om te bepalen in welke mate een opslag en/of back-up systeem noodzakelijk, is moet het aanbod van warmte verder worden geanalyseerd. Afhankelijk van de variant wordt de warmte in hoofdzaak geleverd door Industriewater Eerbeek (IWE) dan wel papierfabriek DS Smith. Afvalwater van diverse papierfabrieken, waaronder DS Smith wordt door IWE gezuiverd. Het debiet van het afvalwater is weergegeven in Figuur 25. Het debiet is vrijwel constant over het jaar en daardoor ook de restwarmte die onttrokken kan worden. Het debiet is direct afhankelijk van de bedrijfsvoering van de papierfabrieken. Aangezien de papierfabrieken met Kerst hun productie stilleggen, valt het debiet gedurende een paar dagen terug naar 2.000 m2 per dag. De gasketels bij papierfabriek DS Smith kunnen gedurende deze periode worden ingezet als back-up.

Figuur 25: Debiet van het afvalwater van de papierfabrieken dat afgelopen drie jaar werd gezuiverd door Industriewater Eerbeek.

De restwarmteproductie bij papierfabriek DS Smith is relatief constant over het jaar, afgezien van de productiestop rond Kerst. Wanneer papierfabriek DS Smith de primaire warmtebron is, kunnen de gasketels nog steeds als back-up gebruikt worden. Het vermogen van de gasketels is voldoende om als volwaardig back-up systeem te fungeren. 6.2 Leveringszekerheid De leveringszekerheid uit Industriewater Eerbeek en met name papierfabriek DS Smith is erg hoog. De reden daarvan is dat de stoomketel waarbij de restwarmte uit de rookgassen worden gehaald onmisbaar is voor het productieproces van papier. Ligt de stoomketel stil, dat ligt ook de papierproductie van DS Smith stil. DS Smith heeft daarom een robuuste technische installatie die minstens 360 dagen per jaar, 24 uur per dag op vollast in bedrijf is. Onderhoud aan installaties moet natuurlijk wel plaatsvinden. Door dit af te stemmen met DS Smith kan de impact hiervan worden beperkt. De onderhoudswerkzaamheden kunnen bijvoorbeeld gepland worden in de zomer wanneer de warmtevraag van het warmtenet relatief laag is. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van de back-up gasketels. 6.3 Onbalans tussen vraag en aanbod Bij IWE is het onttrekken van restwarmte uit het afvalwater relatief lastig af te stemmen op de warmtevraag, met name gedurende dag- en nachtfluctuaties.

De oorzaak hiervan is dat de drie warmtepompen bij Industriewater Eerbeek niet geschikt zijn om steeds te switchen tussen aan en uit. De warmtepompen die bij IWE de temperatuur van restwarmte verhogen,

38 (53)

vereisen een hoge investering. Een lange technische levensduur is daarom van belang. Dit kan worden bereikt door het aantal start- en stopmomenten te beperken. Daarnaast kent een individuele warmtepomp alleen een aan- of uitfunctie en niets daar tussenin. Om de dag- en nacht fluctuatie op te vangen is daarom een buffervat nodig. Seizoenfluctuaties levert in principe geen problemen op. Het voordeel van DS Smith is dat de warmte middels een warmtewisselaar aan het net wordt geleverd. De hoeveelheid restwarmte die wordt onttrokken kan daardoor eenvoudig en traploos met een pomp worden geregeld. De warmtelevering kan dan optimaal worden afgestemd op de warmtevraag. 6.4 Benodigde opslag en back-up In voorgaande alinea’s is aangegeven dat bij IWE een opslagsysteem nodig is om de levensduur van de warmtepompen te verlengen. Een warmtebuffer van voldoende inhoud kan ervoor zorgen dat de warmtepompen minder vaak hoeven te starten en stoppen. Om het benodigde volume van het buffervat te bepalen wordt ervan uitgegaan dat een warmtepomp maximaal één keer per uur mag schakelen tussen aan en uit en visa versa. Figuur 26 laat de impact van een buffervat van 50 m3 zien op de switchfrequentie van de warmtepompen.

Figuur 26: Ontwikkeling van de warmte in het buffervat bij Industriewater Eerbeek waarbij de warmtepompen beperkt worden ingezet.

Bij papierfabriek DS Smith is geen opslagsysteem nodig. DS Smith zal in alle varianten het warmtenet door middel van warmte uit de gasturbines voorzien in de pieklast en back-up. Dit is voor het warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren de meest voordelige optie.

39 (53)

7

Businesscase

In dit hoofdstuk worden de resultaten gegeven van businesscase berekeningen voor vijf varianten. Het betreft de varianten 1a, 2a, 3a, 3b en 3c uit sectie 1.3. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het volloopscenario uit sectie 4.3. De bijbehorende investeringskosten en financiële resultaten worden gegeven en een gevoeligheidsanalyse getoond. Tot slot worden belangrijke risico’s besproken. 7.1 Algemene uitgangspunten Om de haalbaarheid te onderzoeken moet bepaald worden wat een ‘goed’ rendement op eigen vermogen is. Om te beginnen heeft een warmtenet door haar aard een afschrijftermijn van 30 jaar. Het gewenste projectrendement voor een warmtenet of warmteleveringsbedrijf wordt in de basis uitgedrukt in een rendement op eigen vermogen12 en is afhankelijk van de bedrijfsvorm: • Volledig publiek: 4% (ook wel maatschappelijk rendement) • Volledig privaat: 8% • Publiek Private Samenwerking (PPS) 50/50: 6% Belangrijk om te beseffen is dat een warmtebedrijf opgesplitst kan worden in verschillende bedrijven voor warmte opwek, warmte distributie en warmte exploitatie.

In Nederland zijn diverse voorbeelden van de verschillende bedrijfsvormen bekend: • Volledig publiek: stadsverwarming Purmerend, Warmtenet en Warmtebedrijf Hengelo (in de overgang van een PPS-constructie naar volledig publiek); • Volledig Privaat: Ennatuurlijk, Warmtebedrijf Ede en Vattenfall; • PPS: huidig Warmtenet en Warmtebedrijf Hengelo, Warmtestad Groningen en diverse projecten zoals in Rotterdam en zuid Limburg. Om woningen en gebouwen aan te sluiten op een warmtenet wordt in veel gevallen een bijdrage aansluitkosten (BAK) in rekening gebracht. Met de BAK wil de exploitant van het warmtenet (een deel van) de investeringen in het warmtenet terugverdienen. Voor elke variant worden twee scenario’s doorgereked om de haalbaarheid te beoordelen: 1) Rendement bepaald voor een BAK van € 3.500,00 excl. BTW; 2) Welke BAK is benodigd om een van bovenstaande rendementen te behalen, gehanteerd is 6%. Warmtetarieven In Nederland zijn de warmtetarieven voor kleinverbruikers met een aansluiting kleiner dan 100 kW gereguleerd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De gereguleerde tarieven hebben tot doel dat warmte-afnemers niet-meer-dan-anders (NMDA) betaalt dan de referentiesituatie met verwarming middels de verbranding van aardgas. Het is echter gebruikelijk dat het warmtetarief rond de 10% onder dit maximum tarief ligt.

In deze studie is het uitgangspunt dan ook dat er een korting van 10% geldt op het variabele warmtetarief alsook het vastrecht. De tarieven liggen daarmee dus onder het NMDA-principe. In Bijlage 3 wordt dieper ingegaan op deze tarieven. Operationele kosten (OPEX) Voor de onderhoud- en beheerkosten wordt een percentage van de investering gehanteerd: • Opwek bij Industriewater Eerbeek: 5% • Opwek bij papierfabriek DS Smith: 4% • Hoofdnet: 0,5% • Wijknet: 0,5% 12

Rendement op eigen vermogen geeft de verhouding weer tussen de winst en het geïnvesteerde eigen vermogen. Indien de volledige investering uit eigen vermogen opgebracht wordt, is dit rendement gelijk aan het projectrendement. Wanneer vreemd vermogen geleend wordt tegen een rente die lager is dan het projectrendement, dan zal het rendement op eigen vermogen verbeteren.

40 (53)

Subsidie Voor een warmtenet kan aanspraak worden gemaakt op de subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE++) of de investeringsaftrek (EIA). De SDE++ subsidie mag niet gecombineerd worden met een EIA. In de businesscases voor het warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren wordt met de SDE++ subsidie gerekend. De SDE++ subsidie is van toepassing omdat het warmtenet wordt gevoed met restwarmte. De SDE++ subsidie is een exploitatiesubsidie en heeft een looptijd van 15 jaar. De hoogte van de subsidie wordt bepaald door het basisbedrag minus het correctiebedrag. Het correctiebedrag (marktwaarde van de geleverde restwarmte) wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld. Warmteverliezen in transport Ondanks dat de warmteleidingen van het transport- en distributienet goed geïsoleerd zijn, zijn warmteverliezen in de leidingen onontkoombaar. Afhankelijk van de omvang van het warmtenet en de afstand tot de opweklocatie is een warmteverlies tussen de 20% en 30% berekend. Hoe hoger de temperatuur of hoe groter de lengte van transportleidingen, hoe hoger het totale warmteverlies. 7.2 Investeringskosten In Tabel 14 zijn de benodigde investeringen voor de vijf doorgerekende varianten weergegeven. De investeringskosten zijn in hoofdstukken 2 en 5 verder gespecificeerd. Tabel 14: Overzicht van de investeringskosten per doorgerekende variant.

Variant Warmtenet

Opwek WOS Distributie & aansluiting Totaal

€ 4,0 mln DS Smith voor 5 jaar, daarna IWE € 4,9 mln € 430 k

2a Eerbeek en Loenen € 5,7 mln DS Smith voor 5 jaar, daarna IWE € 4,9 mln € 550 k

€ 8,0 mln DS Smith voor 5 jaar, daarna IWE € 4,9 mln € 625 k

€ 8,0 mln DS Smith voor 15 jaar, daarna IWE € 4,9 mln € 625 k

€ 8,0 mln Geen DS Smith, maar IWE € 3,1 mln € 625 k

€ 17,4 mln

€ 21,1 mln

€ 21,9 mln

€ 21,9 mln

€ 21,9 mln

€ 26,7 mln

€ 32,3 mln

€ 35,4 mln

€ 35,4 mln

€ 33,6 mln

1a Eerbeek

3a

3b

3c

Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren

Voor elke variant zijn volgens het bijbehorende volloopschema, het opwekscenario en de investeringskosten in de businesscase ingevoerd. De investeringen zijn verspreid over meerdere jaren en gekoppeld aan het volloopschema. Het uitgangspunt in de businesscase is dat de investering in een aansluiting op het warmtenet in een specifiek jaar, het daaropvolgende jaar operationeel is. Indien van toepassing zijn herinvesteringen meegenomen. Voor distributie en aansluiting vanaf een WOS is een gemiddelde kostenraming genomen van € 10.500 per aansluiting. De kosten van een aansluiting variëren namelijk typisch tussen de € 9.000 en € 12.000 per aansluiting. 7.3 Financiële resultaten Voor de vijf varianten is de businesscase doorgerekend om een beeld van de haalbaarheid te verkrijgen. De variatie zit in de gebieden van warmte-afnemer, warmte-aanbieder(s), investeringsniveau en rendement. Uiteraard kunnen nog diverse andere kostenelementen en volloopschema’s bedacht worden. Dit vergroot echter het aantal mogelijkheden nog verder en is te veelomvattend voor de scope van dit onderzoek. Tabel 15 geeft een overzicht van de resultaten voor de vijf varianten. In de tabel is het rendement gegeven voor een BAK van € 3.500 en de netto contante waarde (NCW)

41 (53)

gegeven voor een WACC van 6,0%. De WACC is de gewogen gemiddelde kosten van kapitaal. De benodigde BAK voor een rendement van een IRR van 6,0% is in de onderste rij gegeven. Merk op dat dit een eenmalige bijdrage is. De ACM hanteert een maximum bedrag voor de BAK van ongeveer € 4.510 incl. BTW, dus ongeveer € 3.725 excl. BTW. Dit is een kostenniveau die als betaalbaar geacht worden. Tabel 15: Overzicht van financiële resultaten per doorgerekende variant.

Variant Projectrendement IRR voor belasting IRR na belasting NCW BAK bij IRR van 6,0%

1a 5,9% 7,1% 5,9% € -270 k

2a 6,0% 7,3% 6,0% € 51 k

3a 5,5% 6,6% 5,5% € -1.339 k

3b 6,4% 7,7% 6,4% € 875 k

3c 4,8% 5,8% 4,8% € -2.733 k

€ 3.680

€ 3.475

€ 4.250

€ 3.010

€ 5.015

Duidelijk zichtbaar is dat de extra investering voor de verbinding naar respectievelijk Loenen en Laag-Soeren zwaar wegen op het resultaat. Een warmtenet voor alleen Eerbeek haalt bijna een rendement van 6%. Indien DS Smith rookgaskoeling 15 jaar beschikbaar is, wordt voor het grote warmtenet een rendement behaald van 6,4%, waardoor de extra investering voor het grotere warmtenet goed gedragen kan worden. Voor dit scenario is er zelfs ruimte om de BAK lager te brengen. Verder valt op dat een warmtenet alleen op Industriewater Eerbeek (variant 3c) ongunstig uitpakt. Dit komt met name door de hogere bedrijfskosten. Geconcludeerd kan worden dat het antwoord positief is op de vraag of een warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren in principe haalbaar is. De resultaten voor de variant waarbij het warmtenet alleen in Eerbeek komt is zonder meer haalbaar. In deze variant is namelijk een maatschappelijk rendement te behalen en een goed kostenniveau voor aansluiting op het warmtenet te bereiken. Dit geeft voldoende basis om de businesscase verder te verdiepen in een vervolgfase. Onder andere zullen de onzekerheden in de businesscase verkleind moeten worden. Denk daarbij aan de investering voor de aansluitingen, valideren van participatiegraad, welke utiliteit kan en wil aangesloten worden en in welke wijken kunnen particuliere woningeigenaren ‘verleid’ worden en op welke wijze.

Daarnaast zal onderzocht moeten worden op welke basis het beoogde warmtebedrijf gestoeld is: publiek, privaat, PPS-constructie. Met ander woorden: wat is een reëel uitgangpunt voor het benodigde rendement en welke rol willen en kunnen de gemeenten en provincie spelen. De kasstroom is het verschil tussen de ontvangsten en uitgaven gedurende een bepaalde periode. Een positieve kasstroom betekent dat er meer geld is ontvangen dan uitgegeven. De kasstroom voor variant 1a is weergegeven in Figuur 27. De eerste jaren is de kasstroom negatief door de grote investeringen in het warmtenet. Naar mate meer woningen en utiliteitsgebouwen zijn aangesloten, worden de inkomsten hoger en de kasstroom positief. Een aantal componenten heeft een beperkte levensduur. Dit is de reden dat de kasstroom in jaar 21 weer eenmalig negatief is. De cumulatieve kasstroom geeft een beeld van de terugverdientijd van het warmtenet.

42 (53)

Figuur 27: (Cumulatieve) kasstroom voor variant 1a.

7.4 Gevoeligheidsanalyse In dit haalbaarheidsonderzoek worden veel inschattingen gemaakt. Elke inschatting gaat gepaard met een bepaalde onzekerheid. Wanneer bijvoorbeeld de daadwerkelijke investering hoger of lager uitvalt dan begroot, zal dit impact hebben op de businesscase. Om deze risico’s en kansen te kwantificeren, is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd voor variant 1a. De gevoeligheidsanalyse heeft betrekking op de investering, omzet, bedrijfslasten en inkoop van energie. De variatie in deze onderdelen van de businesscase is weergegeven in Tabel 16. Tabel 16: Overzicht variatie op verschillende onderdelen in de businesscase.

Onderdeel Investering Omzet Bedrijfslasten Inkoop energie

Risico's 10% -10% 10% 10%

Kansen -10% 10% -10% -10%

De resultaten van de gevoeligheidsanalyse zijn weergegeven in Tabel 17, Tabel 18 en gevisualiseerd in Figuur 28. Tabel 17: Gevoeligheidsanalyse van de risico’s volgens Tabel 16.

Onderdeel Investering Omzet Bedrijfslasten Inkoop energie

IRR voor belasting 6,2% 5,6% 6,9% 6,9%

IRR na belasting 5,1% 4,7% 5,7% 5,7%

Effect IRR na belasting -0,8% -1,2% -0,2% -0,2%

NCW voor belasting € 361 k € -764 k € 1.779 k € 1.904 k

NCW na belasting € -1.907 k € -2.544 k € -631 k € -530 k

43 (53)

Tabel 18: Gevoeligheidsanalyse van de kansen volgens Tabel 16.

Onderdeel Investering Omzet Bedrijfslasten Inkoop energie

IRR voor belasting

IRR na belasting

Effect IRR na belasting

NCW voor belasting

8,1% 8,3% 7,3% 7,2%

6,8% 6,7% 6,1% 6,0%

0,9% 1,0% 0,2% 0,1%

€ 4.218 k € 4.947 k € 2.800 k € 2.675 k

NCW na belasting € 1.426 k € 1.773 k € 151 k € 50 k

Figuur 28: Gevoeligheidsanalyse voor variant 1a.

Wat goed te zien is dat de businesscase met name gevoelig is voor verandering in investeringskosten en inkomsten. De investeringskosten bestaan voor een groot deel uit de aansluitingskosten vanaf de WOS. De aansluitkosten hebben een grote range en kunnen daardoor significant hoger of lager uitvallen. De omzet is met name afhankelijk van het warmtetarief. De bedrijfslasten hebben een beduidend lagere gevoeligheid. Dat geldt ook voor de inkoop van energie. De reden is dat dit warmtenet met name wordt gevoed met restwarmte met beperkte inkoop van gas (voor pieklast en back-up) en elektriciteit (voor de warmtepomp in combinatie met IWE). Er zijn uiteraard kosten voor de benodigde investeringen aan verbonden. Om nog beter inzicht te krijgen in bovenstaande gevoeligheden in de businesscase zijn een aantal specifieke voorbeelden doorgerekend. Hierbij wordt bijvoorbeeld geen korting meegenomen op de maximum tarieven van de ACM, of wordt gerekend zonder BAK voor particulier woningeigenaren. De resultaten van onderstaande scenario’s dienen te worden vergeleken met de resultaten in Tabel 15. Korting op maximum tarieven van de ACM Indien de korting van 10% op de maximum tarieven van het ACM alleen op het variabele warmtetarief wordt toegepast en niet op het vastrecht neemt het rendement van de businesscase toe. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 19.

44 (53)

Tabel 19: Overzicht van financiële resultaten per doorgerekende variant met alleen korting op het variabele warmtetarief.

Variant Projectrendement NCW BAK bij IRR van 6,0%

1a 6,3% € 673 k

2a 6,5% € 1.167 k

3a 5,9% € -187 k

3b 6,8% € 2.026 k

3c 5,3% € -1.581 k

€ 3.035

€ 2.825

€ 3.600

€ 2.375

€ 4.375

Het is meer gebruikelijk om alleen op het variabele warmtetarief een korting te geven. De businesscase laat een beter rendement voor het warmtebedrijf zien. Dit betekent echter dat de businesscase van de woningeigenaar verslechtert. Indien er geen korting op de maximum tarieven van de ACM wordt toegepast, neemt het rendement van de businesscase verder toe. In dit scenario zijn de tarieven voor het variabele warmtetarief en het vastrecht dus gelijk aan de maximum tarieven van de ACM. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 20. Tabel 20: Overzicht van financiële resultaten per doorgerekende variant met geen korting op de maximum tarieven van de ACM.

Variant Projectrendement NCW BAK bij IRR van 6,0%

1a 7,0% € 2.078 k

2a 7,2% € 2.860 k

3a 6,6% € 1.563 k

3b 7,5% € 3.777 k

3c 6,1% € 169 k

€ 2.075

€ 1.860

€ 2.625

€ 1.400

€ 3.400

De businesscase laat duidelijk zien dat het rendement significant verbetert. Dit geldt nogmaals enkel voor het warmtebedrijf en niet voor de woningeigenaren. Het wordt niet geadviseerd dit laatste scenario als uitgangspunt te hanteren. Het illustreert enkel de gevoeligheid van de businesscase voor de mate van korting op de tarieven van het ACM. Lagere aansluitkosten In de oorspronkelijke businesscase is gerekend met aansluitkosten van € 10.500 per aansluiting. Indien de gemiddelde aansluitkosten € 9.000 per woning zijn, de ondergrens van de aangenomen range, nemen de investeringen af en het rendement toe. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 21. Tabel 21: Overzicht van financiële resultaten per doorgerekende variant met gemiddelde aansluitkosten per woning van € 9.000.

Variant Totale investering Projectrendement NCW BAK bij IRR van 6,0%

1a € 24,2 mln 7,0% € 1.872 k € 2.220

3a € 32,3 mln 6,6% € 1.312 k € 2.775

3b € 32,3 mln 7,6% € 3.526 k € 1.550

3c € 32,3 mln 6,0% € -82 k € 3.540

Deze enorme verbetering geeft aan dat het van belang is dit deel van de investeringskosten nader te onderzoeken. Invloed minder aansluitingen Indien de er minder particuliere woningeigenaren en utiliteit aangesloten wordt, zal het rendement van de businesscase afnemen. In de oorspronkelijke businesscase is gerekend met 20% particuliere woningen en 10% utiliteit. In dit scenario is de businesscase berekend

45 (53)

met 10% particuliere woningen en 5% utiliteit. Het aandeel huurwoningen van Veluwonen blijft op 90% staan. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 22. Tabel 22: Overzicht van financiële resultaten per doorgerekende variant met voor 90% van de huurwoningen van Veluwonen, 10% van de overige woningen en 5% van de utiliteit aangesloten op het warmtenet.

Variant Totale investering Projectrendement NCW BAK bij IRR van 6,0%

1a € 24,1 mln 5,0% € -1.909 k

2a € 29,7 mln 5,1% € -1.900 k

3a € 32,7 mln 4,5% € -3.391 k

3b € 32,7 mln 5,4% € -1.313 k

3c € 30,9 mln 3,9% € -4.291 k

€ 5.000

€ 4.750

€ 5.675

€ 4.335

€ 6.250

Zoals te verwachten heeft dit een significante impact op de businesscase. Het geeft het belang aan om nader te onderzoeken hoe particuliere woningeigenaren geïnteresseerd te krijgen om aan te sluiten op het warmtenet en wat daar voor nodig is. Bedrijven (utiliteit) zullen specifiek benaderd moeten worden om zicht te krijgen wat de mogelijkheden zijn en onder welke voorwaarden zij willen aansluiten. Geen BAK voor particuliere woningeigenaren Indien er geen BAK in rekening wordt gebracht voor particuliere woningeigenaren, zullen meer particulieren aansluiten op het warmtenet. In deze businesscase is het aandeel particulier woningen dat wordt aangesloten op het warmtenet gelijk gehouden aan 20%. De resultaten zijn weergegeven in Tabel 23. Tabel 23: Overzicht van financiële resultaten per doorgerekende variant met BAK = € 0 voor koopwoningen.

Variant Projectrendement NCW

1a 5,3% € -1.371 k

2a 5,5% € -1.308 k

3a 4,9% € -2.778 k

3b 5,8% € -565 k

3c 4,2% € -4.172 k

Het is duidelijk dat dit een direct negatief effect op de businesscase heeft voor het warmtebedrijf. Mogelijk zal door een toename van het aantal particulier aansluitingen dit verlies enigszins gecompenseerd worden. Desalniettemin is het advies om wel een BAK te hanteren voor particuliere woningeigenaren. Voor het draagvlak is het namelijk lastig uit te leggen waarom voor een deel van de woningen wel BAK betaald moet worden en een ander deel niet. Het voorstel is om eerder een korting te geven op de BAK bij het tijdig aansluiten op het warmtenet, bijvoorbeeld binnen 1 tot 2 jaar.

7.5 Verbeteren van de businesscase Er zijn diverse mogelijkheden om de businesscase voor het warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren verder te verbeteren. Denk daarbij aan externe financiering, een subsidieregeling voor aardgasvrije huurwoningen en de inzet van fondsen. Externe financiering Het rendement op eigen vermogen voor een businesscase kan verbeterd worden als er vreemd vermogen wordt aangetrokken met een lagere rente dan het projectrendement. Een gezond project zou mogelijk tot 70% van de investering kunnen lenen. Hiermee zou het rendement op het gewenste niveau gehouden kunnen worden en de benodigde BAK kunnen worden verlaagd. Hiermee wordt het aantrekkelijker voor potentiële warmteklanten om aan te sluiten op het warmtenet. De rol die de gemeenten willen en kunnen nemen heeft invloed op de mogelijkheden hiervoor. Denk aan het (gedeeltelijk) dragen van sommige risico’s, waardoor een financiering op gunstige voorwaarden verstrekt kan worden. Ook zouden de gemeenten een deel van de financiering zelf kunnen verstrekken.

46 (53)

Subsidieregeling voor aardgasvrije huurwoningen Het Rijk heeft subsidie beschikbaar gesteld voor woningcorporaties voor het aansluiten van huurwoningen op het warmtenet. In december van afgelopen jaar is een regeling voor particuliere woningeigenaren aangekondigd. De subsidie voor een woningcorporatie bestaat uit twee delen: • Inpandige kosten: denk aan het aanpassen van de meterkast, de overstap naar elektrisch koken of aanpassing van het warmte-afgiftesysteem. De vergoeding hierbij is 40% van de werkelijke kosten tot een maximum van € 1.200 per woning. • Aansluiten op een warmtenet: 30% van de werkelijke kosten die het warmtebedrijf in rekening brengt voor de aansluiting tot een maximum van € 3.800 per woning. In totaal kan een woningcorporatie dus maximaal € 5.000 subsidie per woning ontvangen. Dit heeft dus invloed op de BAK die resteert. Dit heeft dus een positief effect op de businesscase van Veluwonen en de huurders en niet op de businesscase van het warmtebedrijf. De aanvraag kan ingediend worden tot en met 31 december 2023. Inzet van fondsen De uitdaging van het ontwikkelen van een warmtenet wordt landelijk herkend. Het lijkt zinvol te onderzoeken of er fondsen of gebiedssubsidies beschikbaar gesteld zouden kunnen worden voor bijvoorbeeld ‘goedkope’ financiering, of het dragen van een projectrisico.

7.6 Risico’s In voorgaande hoofdstukken en paragrafen zijn diverse risico’s benoemd en toegelicht welke invloed hebben op de businesscase. Voor sommige risico’s zijn oplossingen voorgesteld die het risico (deels) mitigeert. Voor andere risico’s geldt dat nader onderzoek nodig is om dit beter gekwantificeerd te krijgen. Dit kan betekenen dat voor sommige risico’s een meer of minder significante rol benodigd zal zijn voor de gemeenten, provincie en/of het Rijk. Samengevat spelen de volgende belangrijkste risico’s: • Volloop: hoeveel particulieren willen meegaan en welke deel van de utiliteit zal willen aansluiten. Nu is dit conservatief in de businesscase meegenomen: een zeer laag aandeel van respectievelijk 20% en 10%; • Uitgangspunten en aannamen voor de kosten: deze zullen in de vervolgfase verfijnd en/of gevalideerd moeten worden. Dit is goed zichtbaar in de gevoeligheidsanalyse en met name ook de range voor de aansluitkosten. • Bronrisico: indien DS Smith haar productielocatie sluit, zal er geen restwarmte beschikbaar zijn, zowel in de rookgassen alsook in IWE. De gasketels bij DS Smith kunnen nog steeds in bedrijf gehouden worden, waarmee de warmtevoorziening geborgd blijft. Voor deze situatie zullen specifieke afspraken gemaakt moeten worden. Er kan vervolgens aan alternatieve duurzame warmtebronnen gewerkt worden.

Merk op dat in dit geval de regio tevens een grote uitdaging zal hebben vanwege het wegvallen van werkgelegenheid. • Het aansluiten van particulieren kan niet worden afgedwongen. Welk aantal bereikt kan worden, is zeer onzeker en kan grote invloed hebben op de businesscase. Daarom zal veel aandacht besteed moeten worden aan hoe woningeigenaren enthousiast kunnen worden gemaakt voor een aansluiting op het warmtenet. Het zal neerkomen op een gemeenschappelijke aanpak van tenminste het warmtebedrijf en verschillende overheden. • Bepalen technische en organisatorische risico's.

47 (53)

8

Conclusies en aanbevelingen

8.1 Conclusies Het doel van het onderzoek was inzicht te verkrijgen in de technische en financiële haalbaarheid van een warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. In deze studie is allereerst gekeken naar mogelijke warmteaanbieders voor het warmtenet. De restwarmte van Industriewater Eerbeek (IWE) en papierfabriek DS Smith zijn beschikbaar en hebben voldoende potentie. De kosten voor het benutten van restwarmte bij DS Smith zijn lager dan bij IWE. Daarnaast is de temperatuur van de restwarmte bij DS Smith hoger. Wanneer enkel de restwarmte van IWE wordt ingezet is een opslagsysteem nodig. In beide gevallen is de leveringszekerheid groot en kunnen de gasketels bij DS Smith worden ingezet voor pieklast en back-up. Vervolgens is de huidige en toekomstige warmtevraag van woningen en utiliteitsgebouwen bepaald. Hierbij is gebruik gemaakt van gegevens over de verblijfsfunctie, het woningtype, bouwjaar, gebruiksoppervlak en energielabel. Het is niet realistisch dat alle woningen en utiliteitsgebouwen worden aangesloten. Draagvlak onder inwoners speelt hierbij een grote rol, maar is lastig te peilen. Woningcorporatie Veluwonen bezit ruim 1.700 woningen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. Wanneer de businesscase geen grote belemmeringen laat zien, zullen de woningen van Veluwonen worden aangesloten op het warmtenet. De huurwoningen van Veluwonen zijn daarom gehanteerd als vertrekpunt.

Op basis van de warmtevraag en de ligging van de huurwoningen van Veluwonen zijn gebieden in kaart gebracht die kansrijk zijn voor een aansluiting op het warmtenet. Het uitgangspunt is dat per gebied 90% van de huurwoningen van Veluwonen, 20% van de overige woningen en 10% van de utiliteit worden aangesloten op het warmtenet. In de variant met een warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren krijgt het warmtenet ruim 2.000 aansluitingen en bedraagt de totale warmtevraag voor ruimteverwarming en warm tapwater 76.700 GJ per jaar. Per gebied is gekeken naar renovatieplannen en andere koppelkansen om te bepalen welke gebieden wanneer worden aangesloten op het warmtenet. Het zogenaamde volloopschema, planning in de tijd van het aansluiten van wijken, is hierop gestoeld. Tevens is de ligging van het transportnet (backbone) bepaald. De investeringskosten voor de opwekking, het transportnet, de warmteoverdrachtstations, het distributienet en de afleversets bedragen in totaal 27 tot 35 miljoen euro, afhankelijk van de gekozen variant. Uit de studie volgt dat er meerdere varianten van het warmtenet in Eerbeek, Loenen en/of Laag-Soeren technisch en financieel haalbaar zijn. Er kan een rendement van 6% worden behaald door de exploitant van het warmtenet, terwijl de bijdrage aansluitkosten voor de woningeigenaren minimaal € 3.000 per aansluiting bedraagt.

De BAK ligt daarmee in een aantal varianten onder het maximum dat de ACM voorschrijft. De businesscase is het meest gunstig met DS Smith als warmte-aanbieder en enkel warmte-afnemers in Eerbeek. De reden hiervoor is dat het doortrekken van het warmtenet naar Loenen en Laag-Soeren een relatief grote investering vraagt, voor een beperkt aantal extra warmte-afnemers. Uitbreiding van het warmtenet naar deze dorpen resulteert in een lager rendement, maar is nog steeds financieel haalbaar. Samenvattend wordt de grootste onzekerheid in de businesscase met een significant impact bepaald door: • Aansluitkosten vanaf de WOS per afnemer, deze zijn in deze studie gebaseerd op kengetallen met een ruime bandbreedte; • Hoeveelheid aansluitingen van particuliere woningeigenaren en utiliteit; • Het benodigde rendement, dit wordt hoofdzakelijk bepaald door de organisatievorm.

48 (53)

8.2 Aanbevelingen Uit deze studie volgt dat de businesscase het meest gunstig is met DS Smith als warmteaanbieder en enkel warmte-afnemers in Eerbeek, maar ook dat de ruimste scope nog steeds financieel haalbaar is. Vanwege de verschillende gevoeligheden in het financiële model beveelt Sweco een verdieping aan op ten minste de volgende onderdelen: Organisatievorm Het organisatorische aspect is een belangrijk onderdeel dat uitgediept moet worden: welke rol willen of moeten de gemeenten Apeldoorn, Brummen en Rheden innemen, welk hoger publiek niveau is benodigd, welke bedrijfsvorm is wenselijk en welk rendement moet behaald worden. Voorstel is om hiertoe ook een marktverkenning te houden onder marktpartijen: welke interesse bestaat er voor dit project, met welke scope en welke samenwerkingsvormen. Marktpartijen zijn bijvoorbeeld Firan (beperkt tot transport en aandeel in distributie), Ennatuurlijk, Vattenfall en MPD Groene Energie. Participatiegraad In de studie is uitgegaan van 20% participatie door particuliere woningeigenaren en 10% utiliteit. Het moge duidelijk zijn dat bij meer aansluitingen en bij een hogere verdichting van aansluitingen, de haalbaarheid voor het aansluiten van een wijk aan het warmtenet hoger wordt. Als eerste zal de financiële aantrekkelijkheid uitgewerkt moeten worden, denk aan tarieven, inzicht in de te verwachten kosten en het toepassen van subsidies.

Verder zal een verbetering van de businesscase door het aantrekken van vreemd vermogen onder gunstige voorwaarden ruimte creëren voor diverse vormen van kortingen. Uiteindelijk is een financieel gunstig aanbod slechts een voorwaarde. Een onderzoek onder bewoners zal meer inzicht moeten geven in het draagvlak onder inwoners en dus het aandeel van de overige woningen en utiliteitsgebouwen dat wordt aangesloten op het warmtenet. Dit zou in samenwerking met de gemeente vormgegeven kunnen worden: een strategie voor stimulering van particulieren. Gedacht kan worden om naast stimulerende ‘zachte’ maatregelen, communicatie en dergelijke, ook te kijken naar ondersteunende (maat-)regelingen voor duurzame energie, bijvoorbeeld via OZB of andere gemeentelijke mogelijkheden. Daarnaast kan een deel van de utiliteit benaderd worden om een beeld te verkrijgen van haalbaarheid voor deelname. Gemiddelde aansluitkosten De hoogte van de gemiddelde aansluitkosten per woning heeft een grote invloed op de totale investeringssom en daarmee een grote invloed op de financiële resultaten. In deze studie is hiervoor een schatting gehanteerd op basis van kengetallen met een ruime bandbreedte. Daarom wordt aanbevolen hier nader onderzoek naar te doen.

Omdat het maatwerk is en daarmee tijdrovend, wordt voorgesteld om voor enkele voorbeeldwoningen en -wijken de kosten scherper in beeld te krijgen en dat te extrapoleren. Daarmee wordt een betrouwbaardere raming bereikt en zal de onzekerheidsmarge kleiner zijn. Dit zou in samenwerking met Veluwonen uitgevoerd kunnen worden. Warmtelevering Sweco adviseert de betrokken partijen om met DS Smith in gesprek te gaan over de voorwaarden voor het leveren van de warmte. Het gaat daarbij om vragen als wanneer komt de warmte beschikbaar, gedurende welke periode en voor welk warmtetarief. Ook onderwerpen als verkoop/overdracht van fabrieksinstallaties aan een derde moeten daarbij aan bod komen. Er zal namelijk in dat geval een kettingbeding opgenomen moeten worden welke borgt dat de warmteleveringsovereenkomst automatisch mee overgedragen wordt. Onderzoek naar mogelijke bijdrage aan stichtingskosten De eenmalige stichtingskosten (CAPEX) moeten worden omgeslagen over een relatief beperkte warmtevraag, zeker wanneer meerdere wijken zouden aansluiten. We adviseren

49 (53)

om te onderzoeken welke mogelijkheden er bestaan voor een bijdrage vanuit een fonds of beschikbare budgetten. Financiering met vreemd vermogen Sweco adviseer om onderzoek te doen naar mogelijkheden voor ‘goedkope financiering’ met vreemd vermogen. Hiermee kan het rendement op eigen vermogen verbeterd worden. Dit resulteert in meer mogelijkheden voor verlaging van bijvoorbeeld de aansluitkosten (BAK), waardoor meer scenario’s haalbaar kunnen worden. Grootte van het warmtenet Indien gekozen zou worden om vooralsnog enkel in Eerbeek een warmtenet te realiseren, raden wij aan om het transportnet te dimensioneren op een mogelijke toekomstige uitbreiding naar Loenen en Laag-Soeren. Laag-Soeren op basis van de gehanteerde uitgangspunten een lage warmtevraag. Om het voor Laag-Soeren interessant te maken om aan te sluiten op het warmtenet zal daarom een significanter aandeel van de particuliere woningen moeten aansluiten. Businesscase voor woningcorporatie en particuliere woningeigenaar In dit haalbaarheidsonderzoek ligt de focus op de businesscase voor het warmtebedrijf. De businesscase voor de woningcorporatie en particulier woningeigenaar is daarbij natuurlijk in het achterhoofd gehouden. Immers, zonder de aansluitingen van de Veluwonen en particulieren is het warmtenet niet haalbaar.

Sweco raadt wel aan om ook nog specifiek voor een aantal referentiewoningen de businesscase voor de woningcorporatie en particuliere woningeigenaren uit te werken.

50 (53)

Bijlage 1

Vervangingskaart riolering Eerbeek

Figuur 29: Vervangingskaart voor de riolering in Eerbeek.

51 (53)

Bijlage 2

Kaart Vesta MAIS gemeentes Apeldoorn en Brummen

Figuur 30: Resultaten uit Vesta MAIS van de strategie per buurt in gemeentes Apeldoorn en Brummen met de laagste nationale kosten.

52 (53)

Bijlage 3

Uitgangspunten voor tarieven en kosten

In deze bijlage wordt aanvullende informatie gegeven welke in de businesscase zijn gehanteerd. Tarieven Tarieven worden toegepast volgens de gereguleerde tarieven van de ACM. In de basis is in de businesscase een korting van 10% korting toegepast op zowel de vaste kosten als het variabele warmtetarief. Tabel 24: Overzicht van de vaste en variabele tarieven incl. en excl. BTW.

Parameter Vastrecht Meetkosten Huur afleverset Warmtetarief

Tarief incl. BTW € 422,25 per jaar € 23,97 per jaar € 113,57 per jaar € 23,45 per GJ

Tarief excl. BTW € 348,97 per jaar € 19,81 per jaar € 93,86 per jaar € 19,38 per GJ

Kosten aansluitingen De aansluitkosten hebben een grote impact op de businesscase, maar zijn lastig in te schatten. De ondergrens van de aansluitkosten is bepaald op basis van voorbeeldprojecten waarbij grondgebonden woningen worden aangesloten in een dichtbebouwde buurt en elke woning wordt aangesloten. Hoe minder woningen in een wijk aansluiten en/of hoe meer verspreid de bebouwing is hoe hoger de aansluitkosten worden. Tabel 25: Overzicht van de range in de aansluitkosten. Aansluitkosten Ondergrens Bovengrens Gemiddeld

Waarde € 9.000 per aansluiting € 12.000 per aansluiting € 10.500 per aansluiting

SDE++ subsidie De SDE++ subsidie vormt een belangrijke inkomstenbron voor de businesscase van het warmtenet. De hoogte van het subsidiebedrag wordt bepaald door het basisbedrag te verminderen met het correctiebedrag. Het correctiebedrag (marktwaarde van de geleverde warmte) wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld. De subsidie heeft een looptijd van 15 jaar en is gelimiteerd op basis van het aantal vollasturen. Tabel 26: Overzicht van de toegepaste SDE++ subsidie. BasisCorrectieSDE Installatie Looptijd bedrag bedrag subsidie Restwarmte € 0,033 € 0,025 € 2,22 DS Smith met 15 jaar per kWh per kWh per GJ rookgaskoeler Warmtepomp € 0,044 € 0,025 € 5,28 Industriewater 15 jaar per kWh per kWh per GJ Eerbeek

Maximum vollasturen

Warmte aandeel

6.000 uur

108.000 GJ

6.000 uur

86.400 GJ

53 (53)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=d7e35e58-5034-4ca0-b141-8a91644430c3