CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Plan van Aanpak Bijlage 1 -Haalbaarheidsonderzoekpport februari 2021.pdf

Raadsvergadering 26 september 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: Intentieovereenkomst Warmtenet Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren18.081 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rapport Projectnummer: 374047 Referentienummer: SWNL0272344 Datum: 05-02-2021

Haalbaarheidsonderzoek warmtenet Eerbeek, Loenen en LaagSoeren Technische en financiële haalbaarheid van een warmtenet in Eerbeek, Loenen en LaagSoeren

Definitief

Opdrachtgever: Provincie Gelderland Markt 11 6811 CG Arnhem

Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Joost Muusze Senior Adviseur Duurzame Energie M +31 6 43 16 44 87 Joost.muusze@sweco.nl

Verantwoording Titel

Haalbaarheidsonderzoek warmtenet Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren

Subtitel

Technische en financiële haalbaarheid van een warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren

Projectnummer

374047

Referentienummer

SWNL0272344

Datum

05-02-2021

Auteurs

Robin van der Sande, Raoul Weegink, Frank Lam

E-mailadres

joost.muusze@sweco.nl

Gecontroleerd door

Joost Muusze

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Thijs van Brakel

Paraaf goedgekeurd

2 (53)

Management samenvatting Aanleiding en doel van onderzoek Het Gelders Energie Akkoord heeft als doelstelling om in 2030 55% minder CO 2 uit te stoten, dit als opmaat naar een energieneutraal Gelderland in 2050. De gemeenten Apeldoorn en Brummen zijn onderdeel van de RES-regio Clean Tech en willen zelfs nog een stap verder gaan, namelijk energieneutraal in 2030. Eén van de manieren om de CO2 uitstoot te verminderen is door het gebruiken van de restwarmte van de papierindustrie in Eerbeek en Loenen voor het op een duurzame wijze verwarmen van woningen en bedrijfsgebouwen. Uit een eerdere verkenning blijkt dat er voldoende restwarmte potentie in Eerbeek aanwezig is. In welke mate deze restwarmte ook op economische wijze kan worden aangewend is daarbij nog niet onderzocht. De potentie van potentiële restwarmtebronnen in de nabije omgeving was nog niet eerder onderzocht. Het doel van het onderzoek is inzicht te verkrijgen in de technische en financiële haalbaarheid van een warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. Het gewenste resultaat van het onderzoek is om een besluit te kunnen nemen over het opstarten van een aanbestedingsprocedure gericht op de realisatie van het warmtenet. Daarnaast dient het rapport als basis gebruikt te kunnen worden voor deze eventuele aanbestedingsprocedure. Aanpak In dit onderzoek zijn vijf varianten geanalyseerd.

De varianten zijn een combinatie van een gebied met bepaalde omvang van warmte-afnemers en scenario’s voor warmte-aanbieders. Het onderzoeken van het draagvlak bij particuliere woningeigenaren in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren maakt geen onderdeel uit van deze studie. In de businesscase wordt daarom onder meer een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd op het aantal aansluitingen bij particuliere woningeigenaren. Om te komen tot realisatie is de haalbaarheidsstudie stap voor stap vormgegeven in overleg met de stakeholders van dit onderzoeksproject. Er is een digitale tweeling (rekenmodel) opgezet van het studiegebied en haar warmte-aanbieders, -afnemers en het tracé van het warmtenet. Het studiegebied is vormgegeven in een GIS-model (Geografisch Informatie Systeem). Daarbij is het warmteaanbod, de warmtevraag van huurwoningen, particuliere woningen en utiliteit, het tracé van het warmtenet en het volloopschema in kaart gebracht. Deze stappen zijn uitgebreid toegelicht in dit rapport. De uitkomsten zijn verwerkt in een gevalideerd businesscasemodel in verschillende scenario’s, waarvoor tevens een gevoeligheidsanalyse is uitgevoerd. Belangrijkste conclusies en aanbevelingen De restwarmte van Industriewater Eerbeek (IWE) en papierfabriek DS Smith zijn beschikbaar en hebben voldoende potentie. De kosten voor het benutten van restwarmte bij DS Smith zijn lager dan bij IWE.

Daarnaast is het zo dat de temperatuur van de restwarmte bij DS Smith hoger is. Wanneer enkel de restwarmte van IWE wordt ingezet is een opslagsysteem nodig. In beide gevallen is de leveringszekerheid groot en kunnen de gasketels bij DS Smith worden ingezet voor pieklast en back-up. Op basis van de (toekomstige) warmtevraag en de ligging van de huurwoningen van Veluwonen zijn gebieden in kaart gebracht die kansrijk zijn voor een aansluiting op het warmtenet. Het uitgangspunt is dat per gebied 90% van de huurwoningen van Veluwonen, 20% van de overige woningen en 10% van de utiliteit worden aangesloten op het warmtenet. Het is niet realistisch dat alle woningen en utiliteitsgebouwen worden aangesloten. Draagvlak onder inwoners speelt hierbij een grote rol, maar dit is vooraf lastig te peilen. Per gebied is gekeken naar renovatieplannen en andere koppelkansen om te bepalen welke gebieden wanneer worden aangesloten op het warmtenet: het zogenaamde volloopschema.

3 (53)

Tevens is de ligging van het transportnet (backbone) bepaald. De investeringskosten voor de opwekking, het transportnet, de warmteoverdrachtstations, het distributienet en de afleversets bedragen in totaal 27 tot 35 miljoen euro, afhankelijk van de gekozen variant. Uit de studie volgt dat er meerdere varianten van het warmtenet in Eerbeek, Loenen en/of Laag-Soeren technisch en financieel haalbaar zijn. Er kan een rendement van 6% worden behaald door de exploitant van het warmtenet, terwijl de bijdrage aansluitkosten voor de woningeigenaren minimaal € 3.000 per aansluiting bedraagt. De BAK ligt daarmee in een aantal varianten onder het maximum dat de ACM voorschrijft. De businesscase is het meest gunstig met DS Smith als warmte-aanbieder en enkel warmte-afnemers in Eerbeek. De reden hiervoor is dat het doortrekken van het warmtenet naar Loenen en Laag-Soeren een relatief grote investering vraagt, voor een beperkt aantal extra warmte-afnemers. Uitbreiding van het warmtenet naar deze dorpen resulteert in een lager rendement, maar is nog steeds financieel haalbaar.

Samenvattend wordt de grootste onzekerheid in de businesscase met een significant impact bepaald door: • Aansluitkosten vanaf de WOS per afnemer, deze zijn in deze studie gebaseerd op kengetallen met een ruime bandbreedte; • Hoeveelheid aansluitingen van particuliere woningeigenaren en utiliteit; • Het benodigde rendement, dit wordt hoofdzakelijk bepaald door de organisatievorm. Vanwege de verschillende gevoeligheden in het financiële model beveelt Sweco een verdieping aan op ten minste de volgende onderdelen: Organisatievorm Het organisatorische aspect is een belangrijk onderdeel dat uitgediept moet worden: welke rol willen of moeten de gemeenten Apeldoorn, Brummen en Rheden innemen, welk hoger publiek niveau is benodigd, welke bedrijfsvorm is wenselijk en welk rendement moet behaald worden. Voorstel is om hiertoe ook een marktverkenning te houden onder marktpartijen: welke interesse bestaat er voor dit project, met welke scope en welke samenwerkingsvormen. Marktpartijen zijn bijvoorbeeld Firan (beperkt tot transport en aandeel in distributie), Ennatuurlijk, Vattenfall en MPD Groene Energie. Participatiegraad In de studie is uitgegaan van 20% participatie door particuliere woningeigenaren en 10% utiliteit.

Het moge duidelijk zijn dat bij meer aansluitingen en bij een hogere verdichting van aansluitingen, de haalbaarheid voor het aansluiten van een wijk aan het warmtenet hoger wordt. Als eerste zal de financiële aantrekkelijkheid uitgewerkt moeten worden, denk aan tarieven, inzicht in de te verwachten kosten en het toepassen van subsidies. Verder zal een verbetering van de businesscase door het aantrekken van vreemd vermogen onder gunstige voorwaarden ruimte creëren voor diverse vormen van kortingen. Uiteindelijk is een financieel gunstig aanbod slechts een voorwaarde. Een onderzoek onder bewoners zal meer inzicht moeten geven in het draagvlak onder inwoners en dus het aandeel van de overige woningen en utiliteitsgebouwen dat wordt aangesloten op het warmtenet. Dit zou in samenwerking met de gemeente vormgegeven kunnen worden: een strategie voor stimulering van particulieren. Gedacht kan worden om naast stimulerende ‘zachte’ maatregelen, communicatie en dergelijke, ook te kijken naar ondersteunende (maat-)regelingen voor duurzame energie, bijvoorbeeld via OZB of andere gemeentelijke mogelijkheden. Daarnaast kan een deel van de utiliteit benaderd worden om een beeld te verkrijgen van haalbaarheid voor deelname.

Gemiddelde aansluitkosten De hoogte van de gemiddelde aansluitkosten per woning heeft een grote invloed op de totale investeringssom en daarmee een grote invloed op de financiële resultaten. In deze studie is hiervoor een schatting gehanteerd op basis van kengetallen met een ruime

4 (53)

bandbreedte. Daarom wordt aanbevolen hier nader onderzoek naar te doen. Omdat het maatwerk is en daarmee tijdrovend, wordt voorgesteld om voor enkele voorbeeldwoningen en -wijken de kosten scherper in beeld te krijgen en dat te extrapoleren. Daarmee wordt een betrouwbaardere raming bereikt en zal de onzekerheidsmarge kleiner zijn. Dit zou in samenwerking met Veluwonen uitgevoerd kunnen worden. Warmtelevering Sweco adviseert de betrokken partijen om met DS Smith in gesprek te gaan over de voorwaarden voor het leveren van de warmte. Het gaat daarbij om vragen als wanneer komt de warmte beschikbaar, gedurende welke periode en voor welk warmtetarief. Ook onderwerpen als verkoop/overdracht van fabrieksinstallaties aan een derde moeten daarbij aan bod komen. Er zal namelijk in dat geval een kettingbeding opgenomen moeten worden welke borgt dat de warmteleveringsovereenkomst automatisch mee overgedragen wordt. Onderzoek naar mogelijke bijdrage aan stichtingskosten De eenmalige stichtingskosten (CAPEX) moeten worden omgeslagen over een relatief beperkte warmtevraag, zeker wanneer meerdere wijken zouden aansluiten. We adviseren om te onderzoeken welke mogelijkheden er bestaan voor een bijdrage vanuit een fonds of beschikbare budgetten. Financiering met vreemd vermogen Sweco adviseer om onderzoek te doen naar mogelijkheden voor ‘goedkope financiering’ met vreemd vermogen.

Hiermee kan het rendement op eigen vermogen verbeterd worden. Dit resulteert in meer mogelijkheden voor verlaging van bijvoorbeeld de aansluitkosten (BAK), waardoor meer scenario’s haalbaar kunnen worden. Grootte van het warmtenet Indien gekozen zou worden om vooralsnog enkel in Eerbeek een warmtenet te realiseren, raden wij aan om het transportnet te dimensioneren op een mogelijke toekomstige uitbreiding naar Loenen en Laag-Soeren. Laag-Soeren op basis van de gehanteerde uitgangspunten een lage warmtevraag. Om het voor Laag-Soeren interessant te maken om aan te sluiten op het warmtenet zal daarom een significanter aandeel van de particuliere woningen moeten aansluiten. Businesscase voor woningcorporatie en particuliere woningeigenaar In dit haalbaarheidsonderzoek ligt de focus op de businesscase voor het warmtebedrijf. De businesscase voor de woningcorporatie en particulier woningeigenaar is daarbij natuurlijk in het achterhoofd gehouden. Immers, zonder de aansluitingen van de Veluwonen en particulieren is het warmtenet niet haalbaar. Sweco raadt wel aan om ook nog specifiek voor een aantal referentiewoningen de businesscase voor de woningcorporatie en particuliere woningeigenaren uit te werken.

5 (53)

Inhoudsopgave 1 Inleiding ............................................................................................................................. 8 1.1

Aanleiding ........................................................................................................... 8

1.2

Doelstelling ......................................................................................................... 8

1.3

Onderzoeksopzet ............................................................................................... 8

1.4

Methode .............................................................................................................. 9

1.5

Leeswijzer ........................................................................................................... 9

2 Warmte-aanbod .............................................................................................................. 10 2.1

Industriewater Eerbeek (IWE) .......................................................................... 11

2.2

Papierfabriek DS-Smith .................................................................................... 12

2.3

Papierfabriek Mayr-Melnhof ............................................................................. 14

2.4

Papierfabriek Smart Packaging Solutions (SPS) ............................................. 14

3 Warmtevraag ................................................................................................................... 15 3.1

Methodiek ......................................................................................................... 15

3.2

Woningen ......................................................................................................... 15 3.2.1 Gebouwkenmerken ....................................................................................................16 3.2.2 Nieuwbouwplannen ....................................................................................................17 3.2.3 Warmtevraag nu .........................................................................................................17 3.2.4 Warmtevraag toekomst...............................................................................................17

3.3

Woningcorporatie Veluwonen .......................................................................... 17 3.3.1 Gebouwkenmerken ....................................................................................................18 3.3.2 Renovatie- en nieuwbouwplannen..............................................................................19 3.3.3 Warmtevraag nu .........................................................................................................20 3.3.4 Warmtevraag toekomst...............................................................................................20

3.4

Utiliteit ............................................................................................................... 21 3.4.1 Gebouwkenmerken ....................................................................................................21 3.4.2 Warmtevraag nu .........................................................................................................22 3.4.3 Warmtevraag toekomst...............................................................................................22

4 Warmtenettracé en volloopschema .............................................................................. 24 4.1

Koppelkansen ................................................................................................... 24 4.1.1 Renovatieplannen Veluwonen ....................................................................................24 4.1.2 Vervanging riolering ....................................................................................................24 4.1.3 Vervanging gasleidingen ............................................................................................24 4.1.4 Grootonderhoud wegennet .........................................................................................24

4.2

Tracé bepaling .................................................................................................. 25

4.3

Volloopschema ................................................................................................. 26

4.4

Huidige warmtevraag........................................................................................ 27 4.4.1 Belastingduurkromme .................................................................................................29 4.4.2 Verdeling warmtevraag ...............................................................................................29

6 (53)

4.5

Toekomstige warmtevraag ............................................................................... 32

4.6

CO2-besparing .................................................................................................. 32

5 Concept ontwerp warmteleidingen .............................................................................. 33 5.1

Ontwerpvarianten ............................................................................................. 33

5.2

Ontwerpkeuze .................................................................................................. 33

5.3

Leidingen .......................................................................................................... 33

5.4

Warmteoverdrachtstations (WOS) ................................................................... 35

5.5

Afleversets ........................................................................................................ 36

6 Opslag en/of back-up systeem ..................................................................................... 38 6.1

Verdeling van restwarmte ................................................................................. 38

6.2

Leveringszekerheid .......................................................................................... 38

6.3

Onbalans tussen vraag en aanbod .................................................................. 38

6.4

Benodigde opslag en back-up .......................................................................... 39

7 Businesscase.................................................................................................................. 40 7.1

Algemene uitgangspunten ................................................................................ 40

7.2

Investeringskosten............................................................................................ 41

7.3

Financiële resultaten ........................................................................................ 41

7.4

Gevoeligheidsanalyse ...................................................................................... 43

7.5

Verbeteren van de businesscase ..................................................................... 46

7.6

Risico’s ............................................................................................................. 47

8 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................... 48 8.1

Conclusies ........................................................................................................ 48

8.2

Aanbevelingen .................................................................................................. 49

Bijlage 1

Vervangingskaart riolering Eerbeek

Bijlage 2

Kaart Vesta MAIS gemeentes Apeldoorn en Brummen

Bijlage 3

Uitgangspunten voor tarieven en kosten

7 (53)

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Het Gelders Energie Akkoord heeft als doelstelling om in 2030 55% minder CO2 uit te stoten, dit als opmaat naar een energieneutraal Gelderland in 2050. De gemeenten Apeldoorn en Brummen zijn onderdeel van de RES-regio Clean Tech en willen zelfs nog een stap verder gaan, namelijk energieneutraal in 2030. Eén van de manieren om de CO2 uitstoot te verminderen is door het gebruiken van de restwarmte van de papierindustrie in Eerbeek en Loenen voor het verwarmen van woningen en bedrijfsgebouwen. Uit een eerdere verkenning blijkt dat de Eerbeekse papierindustrie voldoende restwarmte produceert om de woningen in Eerbeek op een duurzame wijze van warmte te voorzien. In welke mate deze restwarmte ook op economische wijze kan worden aangewend is daarbij nog niet onderzocht. In Loenen, ten westen van Eerbeek, is eveneens een papierfabriek met restwarmte. De potentie van deze papierfabriek nog niet eerder onderzocht. Ten zuiden van Eerbeek ligt Laag-Soeren1 en is enkel een mogelijke warmte-afnemer. 1.2 Doelstelling Het doel van het onderzoek is inzicht te verkrijgen in de technische en financiële haalbaarheid van een warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. Het gewenste resultaat van het onderzoek is om een besluit te kunnen nemen over het opstarten van een aanbestedingsprocedure gericht op de realisatie van het warmtenet.

Daarnaast dient het rapport de basis te kunnen vormen van deze eventuele aanbestedingsprocedure. 1.3 Onderzoeksopzet In dit onderzoek zijn vijf varianten geanalyseerd. De varianten zijn een combinatie van een gebied met warmte-afnemers en van warmte-aanbieders. Er is onderscheid gemaakt tussen de volgende gebieden van warmte-afnemers: 1) Warmtenet in Eerbeek; 2) Warmtenet in Eerbeek en Loenen; 3) Warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren; 4) Warmtenet in Eerbeek en Laag-Soeren. Wat betreft de warmte-aanbieders is er onderscheid gemaakt tussen: a) Restwarmte van de rookgaskoeler bij papierfabriek DS Smith. De restwarmte is beschikbaar gedurende 5 jaar. Daarna levert Industriewater Eerbeek de warmte aan het warmtenet. De pieklast en back-up wordt geleverd door de stoomketels bij papierfabriek DS Smith. b) Restwarmte van de rookgaskoeler bij papierfabriek DS Smith. De restwarmte is beschikbaar gedurende 15 jaar. Daarna levert Industriewater Eerbeek de warmte aan het warmtenet. De pieklast en back-up wordt geleverd door de stoomketels bij papierfabriek DS Smith. c) Industriewater Eerbeek levert de warmte aan het warmtenet. De pieklast en backup wordt geleverd door de stoomketels bij papierfabriek DS Smith. In dit onderzoek zijn varianten 1a, 2a, 3a, 3b en 3c onderzocht. De combinatie van deze vijf varianten geeft tevens een goed beeld van de overige mogelijke varianten.

Door variant 1a met varianten 2a en 3a te vergelijken, kan de impact van het vergroten van het warmtenet en dus het aantal warmte-afnemers in kaart worden gebracht. Door varianten 3a, 3b en 3c met elkaar te vergelijken, kan de impact van verschillende warmte-aanbieders op de businesscase in kaart worden gebracht.

1 Laag-Soeren als potentiele warmte-afnemer is tijdens de studie toegevoegd op verzoek van de gemeente

Rheden.

8 (53)

Het onderzoeken van het draagvlak bij particuliere woningeigenaren in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren maakt geen onderdeel uit van deze studie. In de businesscase wordt daarom onder meer een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd op het aantal aansluitingen bij particuliere woningeigenaren. Het draagvlak moet verder worden onderzocht nadat uit dit onderzoek is gebleken dat een warmtenet in Eerbeek, Loenen en/of Laag-Soeren met restwarmte van de papierfabriek DS Smith en Industriewater Eerbeek financieel en technisch haalbaar is. 1.4 Methode Om te komen tot realisatie is de haalbaarheidsstudie stap voor stap vormgegeven in overleg met de stakeholders2. Er is een digitale kopie (rekenmodel) opgetuigd van het studiegebied en haar warmte-aanbieders, -afnemers en het beoogde warmtenet. Het onderzoeksgebied is vormgegeven in een GIS-model. GIS is de afkorting van Geografisch Informatie Systeem. In het GIS-model zijn diverse (informatie)lagen over elkaar gelegd. Met GIS-technieken zijn ruimtelijke gegevens gegenereerd, gevisualiseerd, bewerkt en geanalyseerd. Op deze manier is het warmteaanbod, de warmtevraag, het tracé van het warmtenet en het volloopschema in beeld gebracht. De uitkomsten zijn verwerkt in een gevalideerd businesscasemodel. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de beschikbare warmtebronnen en de potentie voor het warmtenet.

In hoofdstuk 3 wordt de huidige en toekomstige warmtevraag van het warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren bepaald. Hoofdstuk 4 gaat in op kansrijke clusters van woningen en utiliteitsgebouwen om aan te sluiten op het warmtenet en in welke volgorde. In hoofdstuk 5 wordt het ontwerp van het warmtenet met leidingen, warmteoverdrachtstations en afleversets toegelicht. Hoofdstuk 6 kijkt naar de leveringszekerheid en onbalans tussen vraag en aanbod van warmte en de benodigde back-up systemen. In hoofdstuk 7 wordt de balans opgemaakt: hoe ziet de businesscase eruit van de vijf varianten van het warmtenet en welke risico’s zijn er. Tot slot worden in hoofdstuk 7 de conclusies en aanbevelingen gegeven.

2 Maandelijks is een voortgangsoverleg georganiseerd waaraan de volgende partijen hebben deelgenomen:

Provincie Gelderland, Woningcorporatie Veluwonen, Gemeente Brummen, Gemeente Apeldoorn, Gemeente Rheden en Alliander

9 (53)

2

Warmte-aanbod

Samen met de verantwoordelijke medewerkers van de papierfabrieken en Industriewater Eerbeek (IWE) is bepaald of uitkoppeling van warmte uit proceswater, stoom en rookgassen mogelijk is en welke technische en operationele randvoorwaarden hierbij van toepassing zijn. Daarnaast is bepaald wat de kosten voor het uitkoppelen van de warmte van proceswater, stoom en rookgassen zijn, inclusief de kosten voor aanpassingen in het productieproces en aansluiting op het warmtenet. Kortom, er is onderzocht wat de totale investeringen zijn die gedaan moeten worden om de restwarmte beschikbaar te stellen en in het warmtenet te krijgen. Er zijn vier warmtebronnen geanalyseerd, namelijk: 1. Industriewater Eerbeek (IWE) 2. Papierfabriek DS Smith; 3. Papierfabriek Mayr-Melnhof; 4. Papierfabriek Smart Packaging Solutions De warmtebronnen zijn weergegeven in Figuur 1. Uit de inventarisatie volgt dat de restwarmte van twee locaties zowel technisch als economisch te benutten is. Het gaat om de waterzuivering Industriewater Eerbeek en papierfabriek DS Smith.

Figuur 1: Locatie van warmteaanbieders in het onderzoeksgebied.

10 (53)

2.1 Industriewater Eerbeek (IWE) Uit een eerste inspectie op locatie en een interview met de directeur van IWE3 is geconcludeerd dat warmte onttrekken uit het proceswater bij IWE kansrijk is. Het onttrekken van warmte sluit bovendien aan bij een interne technische vraag van IWE. IWE zinspeelt om tussen interne waterstromen warmte uit te koppelen. De installatie die hiervoor nodig is, kan ook warmte aan het warmtenet leveren. Sweco heeft een eerste concept ontwerp opgesteld van de installatie met warmtewisselaar zoals deze bij IWE gebouwd kan worden. Het schetsontwerp is weergegeven in Figuur 2.

Figuur 2: Schetsontwerp van de installatie met warmtewisselaar bij Industriewater Eerbeek.

De warmtewisselaar heeft voordelen voor meerdere betrokken partijen, namelijk: • De kans op legionella neemt af, doordat het water tussen de anaerobe en de aerobe zuiveringsstap wordt afgekoeld. • Er wordt energie bespaard door warmte toe te voegen aan het ontharde recyclewater dat naar papierfabriek DS Smith wordt gepompt. • De restwarmte uit het afvalwater kan via een warmtepomp in temperatuur worden verhoogd en dient als warmtebron voor het geplande warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. Voor een warmtenet moet het warmte-aanbod overeenkomen met de warmtevraag. De restwarmte die IWE kan leveren is in een aantal stappen te berekenen. De gemiddelde volumestroom afvalwater uit de anaerobe zuivering is 550 m3/uur4. Als dit 10°C wordt afgekoeld, komt daarmee meer dan 6 MW warmte beschikbaar. Het ontharde recyclewater terug naar DS-Smith is maximaal 200 m3/uur. In 2019 lag de gemiddelde volumestroom op 110 m3/uur5. Als het maximale debiet 10°C wordt opgewarmd, is daar ca. 2 MW aan warmte voor nodig. Kortom, er is 4 MW aan warmte beschikbaar voor de warmtepompen van het warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. De totale investeringskosten zijn uitgesplitst in Tabel 1. De investering komt ten goede aan zowel IWE als het warmtenet, de kosten kunnen daarom evenredig gedragen worden.

In de businesscase wordt echter conservatief gerekend door de kosten volledig bij het warmtenet te leggen. De onzekerheid in de investeringskosten is circa 25%. Dit is gebruikelijk bij een schetsontwerp, omdat veel details nog niet vaststaan. 3 Interview door dhr F. Lam (Sweco) met dhr. W. Hulshof (IWE, directeur) op 15 juni 2020. 4 Bron: Industriewater Eerbeek 5 Bron: Duurzaamheidsjaarverslag IWE 2019, https://www.iweerbeek.nl/zuivering-van-het-

afvalwater/duurzaamheidsverslag-sustainability-report-2018/

11 (53)

Tabel 1: Begroting investeringskosten installatie Industriewater Eerbeek

Onderdeel Technische installatie (o.a. pompen, warmtewisselaars, warmtepompen) Engineering en risico Bouwkundige kosten Meet- en regeltechniek Elektrische installatie Algemene voorzieningen Totaal

Investeringskosten (indicatief) € 1.400.000 € 650.000 € 385.000 € 260.000 € 227.000 € 51.000 € 2.973.000

2.2 Papierfabriek DS-Smith Uit een eerste inspectie op locatie en een interview met een afdelingshoofd van DS Smith 6 is geconcludeerd dat warmte onttrekken uit de rookgassen van de gasketel bij DS-Smith kansrijk is. Deze bevinding wordt bevestigd door een eerder uitgevoerde studie7. Er zijn twee mogelijkheden om warmte uit de rookgassen te onttrekken, namelijk via een rookgaskoeler en een rookgascondensor. De opstelling van een rookgaskoeler is weergegeven in Figuur 3. Met de stoomketel in basislast is het warmtevermogen 5 MW. De rookgaswarmtewisselaar kan in normaal koolstofstaal worden uitgevoerd.

Figuur 3: DS Smith, schetsontwerp plaatsing van een rookgaskoeler.

De opstelling van een rookgascondensor is weergegeven in Figuur 4. Met de stoomketel in basislast kan nog 7 MW extra warmtevermogen worden gewonnen. De warmtewisselaar voor de rookgassen moet in roestvaststaal worden uitgevoerd. Om de rookgassen te laten condenseren is een zeer lage retourtemperatuur nodig. Dit kan met warmtepompen worden bereikt, maar de investering daarvoor is erg hoog. De indicatieve investeringskosten voor de rookgaskoeler en rookgascondensor zijn weergegeven in Tabel 2 en Tabel 3 respectievelijk.

6 Interview door dhr F. Lam (Sweco) en dhr. J. Van der Veen (Sweco) met dhr. A. Zweekhorst (DS Smith, Hoofd

Warmte Kracht Centrale) op 31 augustus 2020. 7 Bron: KaiSEC Energy specialists: DS Smith Eerbeek Warmteterugwinning stadsverwarming, 5 augustus 2020.

12 (53)

Figuur 4: DS Smith, schetsontwerp plaatsing van een rookgascondensor. Tabel 2: Begroting investeringskosten installatie DS Smith met levering van restwarmte uit de rookgaskoeler (ca. 5 MW) aan het warmtenet.

Onderdeel Rookgaskoeler Montage Engineering Leidingen & appendages Isolatie E&I Gebouw voor warmtewisselaar en pompen (100 m2) Warmtewisselaar Circulatiepompen Totaal

Investeringskosten (indicatief) € 450.000 € 350.000 € 200.000 € 160.000 € 140.000 € 100.000 € 100.000 € 80.000 € 50.000 € 1.630.000

Tabel 3: Begroting investeringskosten installatie DS Smith met levering van restwarmte uit de rookgascondensor (ca. 7 MW extra) aan het warmtenet.

Onderdeel Warmtepompen Rookgascondensor Montage IBS Gebouw voor warmtepompen en overige onderdelen (600 m2) RVS aftakking/schoorsteen Isolatie Leidingen & appendages Meet- en regeltechniek t.b.v. warmtepompen Engineering Algemene meet- en regeltechniek Warmtewisselaar Schoorsteen kleppen Circulatiepompen Totaal

Investeringskosten (indicatief) € 1.000.000 € 600.000 € 400.000 € 385.000 € 300.000 € 290.000 € 240.000 € 225.000 € 200.000 € 100.000 € 80.000 € 60.000 € 60.000 € 3.940.000

Het is mogelijk om een separate watergekoelde condensor te plaatsen bij de stoomturbine. Hiermee is het mogelijk om de warmte uit koel- en regelstoom te benutten. Deze stoom wordt nu in een luchtgekoelde condensor vernietigd. Bij circa 6 ton per uur aan koelstoom betekent dit een warmtevermogen van circa 4 MW. Deze restwarmtebron is niet regelbaar

13 (53)

of voorspelbaar. De bron is daarom alleen te benutten in combinatie met een voldoende grote warmtebuffer. De bouwkosten voor deze installatie is nog niet begroot. 2.3 Papierfabriek Mayr-Melnhof Restwarmte benutten uit de papierfabriek Mayr-Melnhof is niet kansrijk. Dit is gebleken uit een analyse op locatie aangevuld met een interview 8. De beschikbare restwarmte volgt uit het overschot van de reeds geïnstalleerde rookgascondensor. In de winter wordt deze warmte al volledig ingezet voor het eigen proces. In de zomer is er een overschot, maar deze vertegenwoordigt een lage waarde doordat de warmtevraag van het beoogde warmtenet dan beperkt is. 2.4 Papierfabriek Smart Packaging Solutions (SPS) Het benutten van restwarmte heeft bij SPS al enige tijd de aandacht. SPS heeft al plannen om de restwarmte in te zetten voor haar eigen proces9. Het is daarmee geen interessante aanbieder voor het beoogd warmtenet. SPS doet samen met de hogeschool Rotterdam onderzoek naar het verbeteren van de warmte-integratie binnen de fabriek. SPS wil de teruggewonnen warmte inzetten in de eigen installatie, waardoor de stoomvraag zal afnemen. Naast warmte die vrijkomt bij het droogproces, is er ook sprake van restwarmte die geloosd wordt via het afval/proceswater. De hoeveelheid te onttrekken warmte is echter dermate laag dat de economische waarde nihil is.

Het afvalwater bedraagt ongeveer 1.100 m3/dag met een temperatuur van gemiddeld 20°C. Met een afkoeling van 5°C kan hier in theorie 250 kW warmte uit onttrokken worden. Dit is zeer weinig vergeleken de warmtevraag van het warmtenet. Bovendien is de waterzuivering (eigen installatie van SPS) in de winter gebaat bij warmer water. Dit sluit benutting van deze warmte uit. Ook loopt er een plan om de waterkringloop meer te sluiten. Deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat er niet met de warmte uit het afvalwater gerekend kan worden.

8 Locatiebezoek door dhr F. Lam (Sweco) en interview met dhr. H. Slagboom (Mayr-Melnhof) op 28 juni 2020. 9 Locatiebezoek door dhr F. Lam (Sweco) en interview met dhr. M. Van Veen (SPS, Q&S Manager) op 28 juni

2020.

14 (53)

3

Warmtevraag

Vraag een warmteleverancier waar de grootste uitdaging zit voor de groei van warmtenetten en met stip op één staat draagvlak10. In deze studie is daarom zorgvuldig gekeken naar de kansrijkheid dat woningen en bedrijven worden aangesloten op het warmtenet en de ordegrootte van de warmtevraag. Het is meestal lastig om onder alle woningeigenaren te peilen wat het draagvlak is. Bij een woningcorporatie is dit aanzienlijk gemakkelijker. In Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren is woningcorporatie Veluwonen actief. Veluwonen bezit bijna een derde van de woningen in deze dorpen. Wanneer Veluwonen besluit haar huurwoningen aan te sluiten aan het warmtenet, heeft dit een grote impact op het totaal aantal aansluitingen. Veluwonen is daarom nauw betrokken bij deze studie. 3.1 Methodiek Voor het bepalen van de warmtevraag is gebruik gemaakt van data van het CBS, PBL, Veluwonen en zijn er interviews geweest met enkele bedrijven in het studiegebied. De data van CBS is op buurt- of wijkniveau en geeft snel en globaal een overzicht van de gebouwdichtheid, het gemiddelde jaarlijkse gasverbruik en het percentage huurwoningen in bezit van een woningcorporatie. Dit heeft een eerste indicatie van de buurten die geschikt zijn voor een aansluiting op het warmtenet, participatiegraad en de totale warmtevraag. Niet alle woningen en bedrijven zullen worden aangesloten op het warmtenet.

Het is daarom van belang om een niveau dieper te gaan: gebouwniveau. De warmtevraag is namelijk sterk afhankelijk van het type woning, bouwjaar, gebruiksoppervlak en energielabel. Als voorbeeld zijn de woningen van een woningcorporatie veelal goed onderhouden rij- of meergezinswoningen en deze hebben een aanzienlijk lagere warmtevraag dan grote vrijstaande woningen. Het PBL heeft data op gebouwniveau beschikbaar gesteld voor deze studie. Deze data ligt ook ten grondslag aan de berekeningen in de Startanalyse. Door gebruik te maken van data op gebouwniveau naast de data op buurt- of wijkniveau kunnen betere en betrouwbaardere resultaten worden verkregen. Tot slot zijn gegevens over bouwjaren, energielabels en bouw-, sloop- en renovatieplannen opgevraagd bij Veluwonen, en zijn interviews gehouden met grote bedrijven in de regio om hun warmtevraag nauwkeuriger te bepalen. Met deze gegevens kunnen contouren of zelfs individuele gebouwen worden geselecteerd die worden aangesloten op het warmtenet en wordt alleen hun bijdrage aan de totale warmtevraag meegenomen. Het is belangrijk om te vermelden dat de databronnen een verschillende peildatum hebben en daarom een kleine afwijking ten opzichte van elkaar kunnen hebben. De data van het PBL is leidend, met uitzondering van het aantal huurwoningen van Veluwonen. Het effect hiervan op deze studie is te verwaarlozen.

3.2 Woningen Voor de aansluitingen op het warmtenet wordt onderscheid gemaakt tussen woningen en utiliteit. Onder utiliteit vallen objecten met bijvoorbeeld een kantoorfunctie, winkelfunctie of onderwijsfunctie. De verblijfsfuncties van objecten in en rondom de dorpen Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren is weergegeven in Figuur 5.

10 Bron: Nationaal warmtenet trandrapport 2021, Dutch New Energy Research, september 2020. Uitkomst van een

enquete onder warmteleveranciers

15 (53)

Figuur 5: Verblijfsfunctie van objecten in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren.

3.2.1 Gebouwkenmerken Om de warmtevraag van de woningen te bepalen, wordt eerst gekeken naar de spreiding van bouwjaren en energielabels over de verschillende type woningen. De overzichten zijn weergegeven in Tabel 4 en Tabel 5 en zijn gebaseerd op de data van het PBL uit januari 2020. De verdeling tussen de verschillende type woningen volgt het landelijk gemiddelde. Veel woningen in de dorpen Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren hebben een bouwjaar tussen 1946 en 1991. Tabel 4: Overzicht van de verdeling van bouwjaren per type woning. Alle woningen in het onderzoeksgebied zijn meegenomen.

Rijwoning tussen Rijwoning hoek 2 onder 1 kap Vrijstaand Meergezins: laag en midden Meergezins: hoog Totaal

1930 1946 1965 voor t/m t/m t/m 1930 1945 1964 1974 3 0 354 660 8 2 316 397 129 68 222 189 317 266 220 271

1975 1992 1996 2000 2006 2011 t/m t/m t/m t/m t/m t/m na 1991 1995 1999 2005 2010 2014 2014 Totaal 371 113 61 27 33 59 38 1.719 240 58 35 12 22 20 34 1.144 116 71 88 25 13 21 54 996 248 65 35 61 26 34 61 1.604

41

18

30

20

212

77

22

62

118

6

40

22

0

0

0

0

0

0

18

14

0

0

520

354

384

241

205

226

140

227

1.142 1.537 1.187

646 54 6.163

Van de woningen waarvan de energielabels bekend zijn, hebben de meeste woningen energielabel B. Dit kan mogelijk een vertekend beeld geven. Het vermoeden bestaat namelijk dat het merendeel van de woningen waarvan het energielabel onbekend is, een energielabel C of slechter heeft.

16 (53)

Tabel 5: Overzicht van de verdeling van energielabels per type woning. Alle woningen in het onderzoeksgebied zijn meegenomen. Rijwoning tussen Rijwoning hoek 2 onder 1 kap Vrijstaand Meergezins: laag en midden Meergezins: hoog Totaal

A 179 101 98 52

B 689 434 100 42

C 141 70 48 74

D 47 57 37 51

E 28 22 17 28

F 3 12 16 51

G 2 6 23 76

Onbekend 630 442 657 1.230

Totaal 1.719 1.144 996 1.604

111

342

15

8

3

5

0

162

646

13

1

0

1

0

0

0

39

54

554

1.608

348

201

98

87

107

3.160

6.163

3.2.2 Nieuwbouwplannen De data van het PBL komt uit januari 2020. Er zijn en er worden op korte termijn enkele nieuwbouwprojecten gerealiseerd die daarom niet in de dataset beschikbaar zijn. Voor de woningen die niet in eigendom zijn van Veluwonen zijn onderstaande projecten bekend: - In het zuiden van de buurt Lombok worden door Roosdom Tijhuis bijna 200 nieuwbouwwoningen gebouwd. Ruim de helft van deze koopwoningen is reeds opgeleverd. De woningen zijn volledig aardgasvrij. Een bodemwarmtepomp wordt gebruikt voor de verwarming van de woning en warm tapwater. - Nieuwbouw van 14 woningen in het centrum van Loenen. De woningen zijn recent opgeleverd. - Sloop en nieuwbouw van 24 koopwoningen in de buurt Eerbeekse Enk. De woningen worden in 2020 opgeleverd. 3.2.3 Warmtevraag nu De warmtevraag van woningen bestaat uit warmte voor ruimteverwarming en tapwater. De totale huidige warmtevraag kan worden berekend door de warmtevraag van de individuele woningen te sommeren. De warmtevraag van individuele woningen is berekend door het PBL op basis van het type woning, bouwjaar, gebruiksoppervlak en energielabel. De gemiddelde warmtevraag voor woningen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren is 39,5 GJ per jaar voor ruimteverwarming en 8,3 GJ per jaar voor tapwater.

De totale warmtevraag voor alle woningen komt daarmee op 244,3 TJ per jaar voor ruimteverwarming en 51,4 TJ per jaar voor tapwater. De warmtevraag voor het warmtenet zal aanzienlijk lager zijn, omdat niet alle woningen zullen worden aangesloten. 3.2.4 Warmtevraag toekomst Schilmaatregelen zoals vloer-, dak- en spouwmuurisolatie of het vervangen van enkelglas door dubbelglas zorgt voor een afname van de warmtevraag van woningen. Het gaat enkel om een afname van de warmtevraag voor ruimteverwarming en niet om een afname van de warmtevraag voor tapwater. In deze studie is de warmtevraag van woningen ten tijde van de aansluiting op het warmtenet van belang. Bij de huurwoningen van Veluwonen is een helder overzicht van de geplande schilmaatregelen en de toekomstige energielabels. De impact daarvan op de warmtevraag wordt toegelicht in sectie 3.3.4. Voor de overige woningen is onzeker welk aandeel van de woningeigenaren op korte termijn schilmaatregelen (laat) uitvoeren. Daarnaast is onzeker welke schilmaatregelen worden doorgevoerd. De impact van deze maatregelen op de warmtevraag is vervolgens ook weer afhankelijk van het type woning, huidige energielabel en andere eigenschappen. Op basis van met name de huidige verdeling van energielabels, is de aanname dat de totale warmtevraag voor ruimteverwarming van de overige woningen met 10% afneemt.

Het gaat hierbij dus specifiek om alle woningen behalve de huurwoningen van Veluwonen. 3.3 Woningcorporatie Veluwonen Woningcorporatie Veluwonen is actief in de gemeentes Brummen, Apeldoorn en Rheden. De woningcorporatie verhuurde eind 2019 4.057 woningen, waarvan ruim 1.416 woningen

17 (53)

in Eerbeek, 301 woningen in Loenen en 51 woningen in Laag-Soeren. Kortom, bijna een derde van de woningen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren zijn in eigendom van woningcorporatie Veluwonen. De resterende woningen zijn koopwoningen of in bezit van particuliere verhuurders. Veluwonen is daarom een belangrijke stakeholder bij de aanleg van een warmtenet in deze dorpen. De woningen van Veluwonen worden daarom apart onder de loep genomen. In Figuur 6 is weergegeven welke huurwoningen in eigendom zijn van Veluwonen.

Figuur 6: Overzicht huurwoningen Veluwonen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren.

3.3.1 Gebouwkenmerken Om de warmtevraag van de huurwoningen van Veluwonen te bepalen, wordt eerst gekeken naar de spreiding van bouwjaren en energielabels over de verschillende type woningen. De overzichten zijn weergegeven in Tabel 6 en Tabel 7 en zijn gebaseerd op de data van het PBL uit januari 2020. De data van het PBL komen vrijwel geheel overeen met de data die Sweco van Veluwonen heeft ontvangen. Uit het overzicht volgt dat Veluwonen vooral veel rijwoningen (73%) en meergezinswoningen (22%) in eigendom heeft. Tabel 6: Overzicht van de verdeling van bouwjaren per type woning. Enkel de huurwoningen van Veluwonen in het onderzoeksgebied zijn meegenomen.

Rijwoning tussen Rijwoning hoek 2 onder 1 kap Vrijstaand Meergezins: laag en midden Meergezins: hoog Totaal

1930 1946 1965 voor t/m t/m t/m 1930 1945 1964 1974 0 0 154 318 0 0 133 167 0 0 61 8 0 0 0 0

1975 1992 1996 2000 2006 2011 t/m t/m t/m t/m t/m t/m na 1991 1995 1999 2005 2010 2014 2014 Totaal 171 59 8 11 22 29 6 778 103 30 3 9 12 10 6 473 6 0 0 2 6 0 0 83 2 0 0 0 0 0 0 2

6

0

0

18

184

40

18

15

79

6

7

373

0

0

0

0

0

0

0

6

0

0

0

6

6

0

348

511

466

129

29

43

119

45

19

1.715

18 (53)

De huurwoningen van Veluwonen worden goed onderhouden en hebben mede daardoor een goed energielabel. Praktische alle huurwoningen hebben een energielabel B of beter. Tabel 7: Overzicht van de verdeling van energielabels per type woning. Enkel de huurwoningen van Veluwonen in het onderzoeksgebied zijn meegenomen. Rijwoning tussen Rijwoning hoek 2 onder 1 kap Vrijstaand Meergezins: laag en midden Meergezins: hoog Totaal

A 125 56 25 0

B 650 416 58 2

C 0 0 0 0

D 1 0 0 0

E 0 0 0 0

F 0 0 0 0

G 0 0 0 0

Onbekend 2 1 0 0

Totaal 778 473 83 2

54

319

0

0

0

0

0

0

373

6

0

0

0

0

0

0

0

6

266

1.445

0

1

0

0

0

3

1.715

3.3.2 Renovatie- en nieuwbouwplannen Renovatie- en nieuwbouwprojecten zijn hard nodig voor het verduurzamen van de gebouwde omgeving, verbeteren van het wooncomfort en het huisvesten van het toenemende aantal huishoudens in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. De volgende nieuwbouwprojecten zijn gepland voor de korte termijn: • Sloop en nieuwbouw van 28 huurwoningen in de buurt Eerbeekse Enk. Het gaat om 20 gezinswoningen, 14 één of twee persoonswoningen en 4 seniorenwoningen. De woningen staan aan de Volmolenweg, Poelkampstraat, Enkweg en Kloosterstraat. De woningen worden in 2020/2021 opgeleverd. • Nieuwbouw van 43 sociale huurwoningen in Eerbeek op de plek van twee voormalige schoollocaties, namelijk De Triangel en C. van Leeuwenschool. De woningen worden in 2021/2022 opgeleverd. Daarnaast heeft Veluwonen de volgende renovatieprojecten recent uitgevoerd of gepland voor de korte termijn om de levensduur van de woningen te verlengen en het energielabel (verder) te verbeteren: • Renovatie en groot-onderhoud van 43 huurwoningen aan de Hackfortweg in Loenen. De renovatie was in 2018 afgerond en heeft geleid tot een levensduurverlenging van 40 jaar en een energielabel A. • Renovatie en groot-onderhoud van 64 huurwoningen aan de Gerard Doustraat, Frans Halsstraat en Huijgenslaan in Eerbeek.

De renovatie was in 2019 afgerond en heeft geleid tot een levensduurverlenging van 40 jaar en een energielabel A. • Renovatie en groot-onderhoud van 225 huurwoningen in de buurt Noorder Enk in Eerbeek. De strategie moet nog worden bepaald. De woningen worden tussen 2022 en 2025 opgeleverd. Sweco heeft van Veluwonen ook een overzicht ontvangen van de nieuwbouw-, sloop- en renovatieplannen op de lange termijn. De renovatieplannen zijn inzichtelijk gemaakt in Figuur 7. De planning van de renovatie van woningen kan gebruikt worden als vertrekpunt voor het optimaliseren van het volloopschema. Er dient zich namelijk een mooie koppelkans voor door de geplande renovatie en aansluiting op het warmtenet tegelijk uit te voeren. Dit kan mogelijk kosten besparen, maar geeft vooral minder overlast voor de omgeving. De planning van de renovatieplannen staat nog niet vast. Veluwonen heeft aangegeven daar redelijk flexibel in te zijn. Dit kan dus optimaal worden afgestemd met de aanleg van het warmtenet.

19 (53)

Figuur 7: Nieuwbouw-, Sloop- en renovatieplannen Veluwonen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren.

Veluwonen heeft hoge ambities als het aankomt op duurzaamheid. Naast het verbeteren van de energielabels door renovatie- en nieuwbouwprojecten, wil de woningcorporatie ook zonnepanelen plaatsen op de daken van 1.100 woningen. In principe krijgen alle huurders die wonen in een woning met een geschikt dak een aanbod voor zonnepanelen. Het is nog onbekend om hoeveel woningen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren dit gaat. De panelen worden geplaatst in de periode van 2020 tot 2023. 3.3.3 Warmtevraag nu In sectie 3.2.3 is de warmtevraag van alle woningen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren bepaald. Op een vergelijkbare manier is de warmtevraag te bepalen voor enkel de huurwoningen van Veluwonen. De gemiddelde warmtevraag voor de huurwoningen van Veluwonen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren is 26,1 GJ per jaar voor ruimteverwarming en 7,8 GJ per jaar voor tapwater. De gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming is aanzienlijk lager dan het gemiddelde voor alle woningen in de dorpen. De reden hiervoor is dat de woningen van Veluwonen veelal rijwoningen en meergezinswoningen zijn en goed zijn geïsoleerd. De totale warmtevraag voor Veluwonen komt daarmee op 45,6 TJ per jaar voor ruimteverwarming en 13,5 TJ per jaar voor tapwater.

3.3.4 Warmtevraag toekomst De afgelopen jaren zijn al veel woningen van Veluwonen gerenoveerd en voor de komende jaren staan ook nog veel renovatieprojecten op de planning. Doordat de woningen van Veluwonen goed zijn onderhouden, is de huidige warmtevraag voor ruimteverwarming al relatief laag. Op basis van gegevens van Veluwonen over de verwachte energielabels na de renovatieprojecten, is de aanname dat de totale warmtevraag voor ruimteverwarming van de huurwoningen van Veluwonen met 5% afneemt.

20 (53)

3.4 Utiliteit In Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren is een groot aantal utiliteitsgebouwen gevestigd. De functie van deze gebouwen geeft inzicht in de ordegrootte van de warmtevraag en de kans dat de gebouwen worden aangesloten op het warmtenet. De verblijfsfunctie is weergegeven in Figuur 5. Een kaart van enkel de utiliteitsgebouwen is weergegeven in Figuur 8.

Figuur 8: Utiliteitsgebouwen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren.

3.4.1 Gebouwkenmerken Om de warmtevraag van de utiliteitsgebouwen te bepalen, wordt eerst gekeken naar de spreiding van bouwjaren en energielabels over de verschillende verblijfsfuncties. Uit het overzicht volgt dat het vakantiepark praktisch de helft van het aantal utiliteitsgebouwen vormt. Onder de overige utiliteitsfunctie vallen ook objecten die meerdere functies vervullen. Tabel 8: Overzicht van de verdeling van bouwjaren per utiliteitsfunctie. Bijeenkomst Gezondheidszorg Industrie Kantoor Logies Onderwijs Overig Sport Winkel Totaal

voor 1920 6 1 0 3 4 0 8 0 4 26

1920 - 1975 15 3 4 32 66 5 388 3 67 583

1976 - 1990 10 2 2 15 103 0 54 3 14 203

1991 - 1995 0 1 0 0 172 0 6 2 13 194

Na 1995 13 6 4 33 71 7 12 4 15 165

Totaal 44 13 10 83 416 12 468 12 113 1.171

Bijna de helft van de utiliteitsgebouwen heeft energielabel B of C. De resterende gebouwen hebben veelal energielabel E.

21 (53)

Tabel 9: Overzicht van de verdeling van energielabels per utiliteitsfunctie. Bijeenkomst Gezondheidszorg Industrie Kantoor Logies Onderwijs Overig Sport Winkel Totaal

A 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

B 13 7 4 33 243 7 18 6 28 359

C 10 2 2 15 103 0 54 3 14 203

D 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

E 15 3 4 32 66 5 388 3 67 583

F 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

G 6 1 0 3 4 0 8 0 4 26

Onbekend 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Totaal 44 13 10 83 416 12 468 12 113 1.171

3.4.2 Warmtevraag nu De warmtevraag van utiliteit kan uit verschillende componenten bestaan, namelijk warmte voor ruimteverwarming, tapwater en processen. De benodigde temperatuur voor veel van de industriële processen ligt hoger dan de invoertemperatuur van het beoogd warmtenet. Voor utiliteit ligt de focus daarom enkel op de warmtevraag voor ruimteverwarming en tapwater. De huidige warmtevraag is berekend aan de hand van data van het PBL. De gemiddelde warmtevraag voor utiliteit in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren is 55,2 GJ per jaar voor ruimteverwarming en 2,0 GJ per jaar voor tapwater. De totale warmtevraag voor utiliteit komt daarmee op 64,6 TJ per jaar voor ruimteverwarming en 2,3 TJ per jaar voor tapwater. Het is belangrijk om te vermelden dat deze warmtevraag sterk afhankelijk is van de utiliteitsfunctie en het gebruiksoppervlak. Een vakantiehuis is namelijk niet te vergelijken met een basisschool of een gezondheidscentrum. De warmtevraag voor het warmtenet zal aanzienlijk lager zijn, omdat niet alle utiliteit zal worden aangesloten. 3.4.3 Warmtevraag toekomst De toekomstige warmtevraag van de utiliteit in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren is lastig in te schatten. De oorzaak daarvan is de grote diversiteit aan utiliteitsfuncties en gebouwen.

Daarnaast is bij het ene bedrijf met relatief eenvoudige ingrepen de warmtevraag sterk te reduceren, terwijl dit bij andere bedrijven vraagt om grote investeringen. Op basis van de verdeling van utiliteitsfuncties en energielabels, is de aanname dat de totale warmtevraag voor ruimteverwarming van de utiliteit met 10% afneemt. De huidige warmtevraag van de woningen en utiliteit is weergegeven in een 3D kaart (Figuur 9) en heatmap (Figuur 10). Deze kaarten geven een duidelijk beeld van de ruimtelijke verdeling van de warmtevraag.

22 (53)

Figuur 9: 3D visualisatie van de warmtevraag van woningen en utiliteitsgebouwen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren.

Figuur 10: Heatmap van de warmtevraag van woningen en utiliteitsgebouwen in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. Een intensere rode kleur komt overeen met een hogere warmtevraag.

23 (53)

4

Warmtenettracé en volloopschema

Het warmtenet is zo ontworpen dat warmtevraag en -aanbod slim (gefaseerd) is gekoppeld. Hierbij is gebruik gemaakt van de ruimtelijke verdeling van de warmtevraag (hoofdstuk 3) en de koppelkansen zoals de renovatieplannen van Veluwonen. Dit heeft geleid tot een conceptueel ontwerp voor het warmtenet inclusief benodigde tracé. In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op mogelijke koppelkansen. Vervolgens wordt het tracé voor het warmtenet bepaald en tot slot wordt bepaald welke woningen en utiliteit wanneer worden aangesloten op het warmtenet. 4.1 Koppelkansen Het aanleggen van een warmtenet is een grote investering. Door koppelkansen te benutten kan deze investering optimaal worden ingezet. Het aanleggen van een warmtenet kan bijvoorbeeld gecombineerd worden met de vervanging van de riolering en gasleidingen. Daarnaast leidt dit tot minder impact op de omgeving en dus minder overlast. 4.1.1 Renovatieplannen Veluwonen Woningcorporatie Veluwonen heeft ruim 1.700 woningen in eigendom in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren. De komende jaren wordt een groot deel van de woningen gerenoveerd om de huurwoningen verder te verduurzamen en het wooncomfort te verbeteren. De plannen van Veluwonen zijn toegelicht in sectie 3.3.2. De planning van de renovatie van woningen kan gebruikt worden als vertrekpunt voor het optimaliseren van het volloopschema.

Er dient zich namelijk een mooie koppelkans voor door de geplande renovatie en aansluiting op het warmtenet tegelijk uit te voeren. De planning van de renovatieplannen staat nog niet vast. Veluwonen heeft aangegeven daar redelijk flexibel in te zijn. Dit kan dus optimaal worden afgestemd met de aanleg van het warmtenet. Wijzigingen in de planning van de renovatie kan impact hebben op de businesscase. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de gehele planning van de renovatie met meer dan een jaar wijzigt. Wanneer woningen enkel in een andere volgorde worden gerenoveerd, heeft dit aanzienlijk minder impact. 4.1.2 Vervanging riolering Een riool heeft een gemiddelde technische levensduur van 60 jaar. Eerbeek heeft een globale planning gemaakt voor de vervanging van de riolering. Een kaart met informatie over wanneer welke riolen worden vervangen is weergegeven in Bijlage 1. De komende 10 jaar zullen slechts kleine stukken riool worden vervangen. Pas vanaf 2032 wordt de riolering grondig aangepakt, met name in de buurt Wilhelminapark. Wilhelminapark heeft echter een lage gebouwdichtheid en is daarom minder geschikt voor een aansluiting op het warmtenet. Voor de overige buurten van Eerbeek geldt dat tenzij de rioolwerkzaamheden naar voren worden gehaald, de koppelkansen zeer beperkt zijn. Er zijn geen gegevens ontvangen voor de vervanging van de riolering in Loenen en Laag-Soeren.

Voor Loenen is wel aangegeven dat er in elk geval de komende 4 jaar geen plannen zijn. 4.1.3 Vervanging gasleidingen Liander is in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren de regionale netbeheerder voor elektriciteit en gas. Liander vervangt de komende jaren ruim duizend kilometer grondroeringsgevoelige gasleidingen door leidingen van staal of kunststof. Om overlast voor omwonende zoveel mogelijk te beperken, probeert Liander koppelkansen te benutten. Er is daarom nog geen concrete planning voor de vervanging van de gasleidingen. Het doel is echter wel dat deze werkzaamheden voor 2032 zijn afgerond. Volgens het CBS lag in 2019 in Eerbeek en Loenen nog 17,5 km aan grondroeringsgevoelige gasleidingen. Door tijdig met Liander in gesprek te gaan, kan deze koppelkans worden benut. 4.1.4 Grootonderhoud wegennet Voor de aanleg van een warmtenet zal een groot aantal leidingen onder de wegen en het trottoir moeten worden gelegd. Onderhoud aan het wegennet kan daarom gezien worden als een grote koppelkans. De aanleg van het transportnet (backbone) heeft de grootste

24 (53)

impact op de omgeving. De backbone komt hoofdzakelijk langs de doorgaande wegen te liggen. Uit gesprekken met de provincie blijkt dat de planning voor grootonderhoud aan het wegennet nog niet definitief is. Voor de overige (lokale) wegen geldt dat de koppelkans met name aanwezig is als het trottoir moet worden aangepakt. Informatie hierover is echter niet ontvangen. 4.2 Tracé bepaling Uit hoofdstuk 2 volgt dat het gebruiken van de restwarmte van waterzuivering Industriewater Eerbeek en papierfabriek DS Smith voor het warmtenet in de dorpen Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren zowel technisch als economisch haalbaar is. De restwarmte van deze bronnen moet via leidingen worden getransporteerd naar de warmteafnemers (woningen en utiliteit). In Figuur 11 is het tracé voor het warmtenet weergegeven inclusief de warmtebronnen en warmteoverdrachtstations. Bij een warmteoverdrachtstation (WOS) gaat de warmte van het transportnet (backbone) over naar het fijnmazige distributienet. Een WOS bestaat uit een warmtewisselaar en een pomp en kan bijvoorbeeld worden geplaatst in een kelderbox. Een verdeelpunt is een ondergronds knooppunt van leidingen van het transportnet, mogelijk met kleppen om de warmtelevering te controleren. Het warmtenettracé volgt zoveel mogelijk de kortste afstand van warmtebron naar WOS om de warmteverliezen tijdens het transport te minimaliseren.

Daarnaast volgt het tracé zoveel mogelijk de grote doorgaande wegen. De locatie van een WOS is zorgvuldig gekozen. De warmteoverdrachtstations staan op centrale locaties in een gebied met een relatief hoge warmtevraag en een relatief hoog aandeel aan huurwoningen van Veluwonen. Voor het warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren zijn zeven warmteoverdrachtstations geplaatst.

Figuur 11: Tracé van het beoogde warmtenet in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren.

25 (53)

4.3 Volloopschema Het bepalen van het volloopschema is een ingewikkelde puzzel. In hoofdstuk 3 is de warmtevraag van alle woningen en utiliteit bepaald, maar is tevens aangegeven dat een groot deel van de woningen en utiliteit in Eerbeek, Loenen en Laag-Soeren (voorlopig) niet zal worden aangesloten op het warmtenet. In sommige gevallen zal dit te maken hebben met draagvlak, terwijl in andere gevallen het technisch of financieel niet haalbaar is. Uit gesprekken met Veluwonen komt naar voren dat zij graag de woningen aansluiten op het warmtenet, mits de businesscase geen grote belemmeringen laat zien. Het gaat daarbij om de businesscase voor Veluwonen en de huurders. Het opstellen van deze businesscase is echter geen onderdeel van dit haalbaarheidsonderzoek. In een mogelijk vervolgtraject kan de businesscase worden uitgewerkt voor een aantal referentiewoningen. Het vertrekpunt voor het volloopschema zijn de huurwoningen van Veluwonen. Het schema en warmtenettracé zijn weergegeven in Figuur 12. De woningen van Veluwonen zijn grotendeels geclusterd in gebieden op basis van het geplande renovatiejaar. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat niet alle woningen tegelijk op het warmtenet kunnen worden aangesloten. Daarnaast zal eerst Eerbeek worden aangesloten, aangezien dit dorp het dichtst bij de warmtebronnen ligt.

Dit zorgt ervoor dat niet meteen het hele warmtenettracé gelegd hoeft te worden en de warmteverliezen beperkt blijven. Pas in een later stadium zullen Loenen en Laag-Soeren (eventueel) worden aangesloten.

Figuur 12: Tracé inclusief volloopschema van het beoogde warmtenet in Eerbeek, Loenen en LaagSoeren. De huurwoningen van Veluwonen zijn tevens weergegeven.

In het volloopschema is zichtbaar dat de wijk Wilhelminapark en het vakantiepark ten zuiden van Eerbeek niet worden aangesloten. De reden hiervan is dat de gebouwdichtheid en de warmtevraag relatief laag is. De extra investeringen en warmteverliezen leiden ertoe dat dit financieel niet haalbaar is. Binnen elk gebied in het volloopschema zijn huurwoningen van Veluwonen, overige woningen en utiliteitgebouwen gepositioneerd. Het bepalen van het draagvlag onder de eigenaren van woningen en utiliteitsgebouwen is deze fase van het project lastig. Op basis van ervaringen met vergelijkbare projecten, is de aanname dat 90% van de huurwoningen

26 (53)

van Veluwonen, 20% van de overige woningen en 10% van de utiliteit een aansluiting op het warmtenet krijgt. Deze verdeling wordt voor het gemak gelijk gehouden voor elk van de gebieden in het volloopschema. Uit een bevolkingsonderzoek wordt wellicht duidelijk dat in bepaalde gebieden meer of minder animo is voor een aansluiting op het warmtenet dan verwacht. Het volloopschema is daarom ook niet in beton gegoten, maar dient te worden geïnterpreteerd als vertrekpunt. Wijzigingen die het aantal aansluitingen op het warmtenet en de timing ervan niet drastisch veranderen, zullen slechts beperkt impact hebben op de businesscase. Om de gevoeligheid van de businesscase op het aantal aansluitingen te bepalen, is bij het opstellen van de businesscase tevens gekeken naar het scenario waarbij slechts 10% van de overige woningen en 5% van de utiliteit wordt aangesloten op het net. Bij utiliteit zullen voornamelijk gebouwen met een onderwijs-, kantoor- en winkelfunctie worden aangesloten. Bij gebouwen met bijvoorbeeld een industriefunctie hebben namelijk behoefte aan warmte met een hogere temperatuur dan het warmtenet zal leveren. 4.4 Huidige warmtevraag In de volgende stap is de warmtevraag per gebied in het volloopschema bepaald. Om verwijzing naar deze gebieden eenvoudiger te maken, is elk gebied voorzien van een referentienummer (zie Figuur 13).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=d7e35e58-5034-4ca0-b141-8a91644430c3