CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Notitie_Scherp_op_signalen

Raadsvergadering 28 november 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: Alertprogramma (Leerlingalert) onderzoek naar doelmatigheid13.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Scherp Op Signalen Onderzoek naar de doelmatigheid van het #Alertprogramma

Inhoud Inleiding 3 Evaluatie #Alertprogramma 5 Achtergrond en inhoud van het #Alertprogramma 6 Het #Alertprogramma in breder interventieperspectief 9 De respondenten 11 Houding van jongeren ten opzichte van criminaliteit 14 Kennis onder jongeren over criminaliteit 16 Inzichten rondom de directe omgeving van de respondenten 18 Wat jongeren zich van het #Alertprogramma herinneren 19 Impact van het #Alertprogramma 21 Meest indrukwekkende onderdelen #Alertprogramma 25 Suggesties van respondenten 26 Beantwoording van de onderzoeksvragen 27 Literatuur 30 Bijlagen 31

2

Inleiding Wat is het #Alertprogramma? De programma’s #Leerlingalert, #Studentalert, #Docentalert en #Ouderalert zijn een les- en voorlichtingsprogramma voor scholen. De ambitie is om jongeren, ouders en docenten bewuster te maken van en weerbaarder te maken tegen ondermijnende criminaliteit. Ze leren wat ondermijning is, hoe ze het kunnen herkennen, welke invloed het heeft op de maatschappij en wat ze er tegen kunnen doen.

Het onderzoek Bureau Beke is gevraagd om onderzoek uit te voeren naar de doelmatigheid van het programma. Hiervoor zijn diverse onderzoeksmethoden gebruikt: deskresearch, bijwonen van (online) programma’s, het afnemen van metingen en het uitvoeren van follow up-interviews. In totaal hebben 4.727 jongeren1 een eerste vragenlijst ingevuld (0-meting) en 2.273 een tweede vragenlijst (1-meting). Daarnaast hebben 123 ouders en 158 docenten 2 een vragenlijst hebben ingevuld. Ook zijn follow-up-interviews met drie personen (ouders en docent) gehouden. De hoofdbevinding die uit het onderzoek naar voren komt is dat het #Alertprogramma op korte termijn (over een periode van ongeveer een maand na het programma) doelmatig is. Het onderzoek wijst namelijk op

1. Als er over ‘jongeren’ wordt geschreven, gaat het in dit onderzoek om leerlingen uit het voortgezet onderwijs en studenten van het middelbaar en hoger onderwijs. Als er over ‘respondenten’ wordt gesproken, gaat het over zowel leerlingen, studenten, ouders en docenten. 2. Als we spreken over docenten, bedoelen we daarmee alle medewerkers van een school (denk aan docenten, zorgteam, conciërges, et cetera).

3

een wezenlijke bijdrage van het programma aan de bewustwording van de deelnemers over omvang, nabijheid en impact van criminele ondermijnende activiteiten. Daarnaast blijkt eveneens dat het programma bij deelnemers het herkennen van potentieel criminele jongeren stimuleert.

„ Ouders, docenten en jongeren waarderen de aanwezigheid van een ervaringsdeskundige aan de les. Zowel uit de metingen als uit de interviews blijkt dat de ervaringsdeskundige van toegevoegde waarde is binnen het #Alertprogramma. „ Het onderzoek heeft zich niet kunnen richten op een potentieel kwetsbare doelgroep op praktijkscholen en ISK-scholen (voor asielzoekers). Hiervoor is aanvullend onderzoek nodig, ook om te bepalen in hoeverre het programma aansluit bij het begripsniveau van deze doelgroep.

Belangrijkste bevindingen „ Het #Alertprogramma heeft impact op de jongeren. Zo geeft bijna drie kwart van de jongeren aan dat zij zich door het programma meer bewust zijn van de risico’s om in de criminaliteit terecht te komen.

„ In Nederland zijn meerdere interventies ontwikkeld die zich, net zoals het #Alertprogramma, richten op preventie/voorlichting op het gebied van criminaliteit. In tegenstelling tot het #Alertprogramma is geen van deze interventies geëvalueerd op doelmatigheid. Het zou evenwel interessant zijn om te kijken in hoeverre het mogelijk is om de nog aan te tonen werkzame bestanddelen van al deze interventies bijeen te brengen zijn in één leerlijn. Hiervoor is eveneens aanvullend onderzoek nodig.

„ Er zijn indicaties dat het #Alertprogramma iets beter aanslaat bij vrouwen en bij jongeren met een middelbaar opleidingsniveau. „ Voor alle stellingen die betrekking hebben op de houding ten aanzien van criminaliteit is er voor jongeren een verbetering zichtbaar na het volgen van het #Alertprogramma. „ Jongeren beantwoorden de kennisvragen na het volgen van het #Alertprogramma procentueel gezien vaker met een goed antwoord. „ Nagenoeg alle ouders en docenten geven aan dat zij denken dat jongeren zich door het #Alertprogramma meer bewust zijn van de risico’s om in de criminaliteit terecht te komen. „ Veel respondenten geven aan dat ze anders zijn gaan denken over het herkennen van jongeren die de criminaliteit in (dreigen te) gaan. Ouders en docenten weten de signalen te herkennen en zijn hier alert op, en jongeren zijn aan het denken zijn gezet over de gevaren van het ronselen in de criminaliteit. „ Het handelingsperspectief van jongeren is versterkt na het volgen van het #Alertprogramma. De meerderheid van de jongeren geeft aan beter te weten wat ze moeten doen als: 1) er jongeren in de omgeving geronseld worden, 2) ze door iemand benaderd worden voor een illegaal klusje, 3) ze criminaliteit willen melden en 4) zij zelf of een vriend(in) in de criminaliteit is gekomen.

4

Evaluatie #Alertprogramma

Dit onderzoeksdoel vertaalt zich in zes concrete onderzoeksvragen: 1. In welke mate draagt het programma bij aan de bewustwording (het inzicht) van de deelnemers aan het #Alertprogramma met betrekking tot omvang, nabijheid en impact van de criminele wereld, de verschillende verschijningsvormen en de ronselmethodes?

In 2015 hebben burgemeesters, politie, justitie, provincie en belastingdienst samengewerkt om ondermijning in Gelderland-midden aan te pakken. Hieruit is het plan Programma Samen Weerbaar voortgekomen. Vanuit een stuurgroep wordt sindsdien gewerkt vanuit de vier pijlers: 1) drugscriminaliteit; 2) mensenhandel; 3) witwassen en 4) zorgfraude/criminaliteit. De zogenaamde Expertgroep Weerbare Maatschappij heeft vervolgens in 2018 een proef gedaan met jongeren, door ze bewustwordingslessen over criminaliteit te geven. Dit resulteerde in het ontstaan van #Leerlingalert en #Studentalert, ondergebracht in het #Alertprogramma.3 Inmiddels zijn er in de periode 2019-medio 2023 in geheel Nederland al honderden lessen gegeven aan meer dan 75-duizend jongeren. Het ministerie van Justitie en Veiligheid financiert in 2023 de uitvoering van het #Alertprogramma. Eén van de financieringsvoorwaarden is dat er een onderzoek uitgevoerd wordt naar de doelmatigheid van het programma. Aan Bureau Beke is gevraagd om dit onderzoek uit te voeren.

2. In welke mate zijn de deelnemers na de les in staat om ronselpraktijken te herkennen? 4 3. In hoeverre zijn de deelnemers na de les in staat om aan te geven welke handelingsperspectieven er zijn als jongeren geronseld (dreigen te) worden? 4. Hoe waarderen de deelnemers een ervaringsdeskundige op het moment dat deze wordt toegevoegd aan een les? 5. Welke aanbevelingen kunnen er worden gedaan om het programma te optimaliseren? 6. Welke andere preventieve instrumenten (trainingen, lessen en films) 5 naast het #Alertprogramma zouden scholen kunnen inzetten om aanwas van jongeren in het criminele circuit te voorkomen?

Onderzoeksdoelen en -vragen Het doel van het onderzoek is drieledig. Ten eerste gaat het om inzicht te geven of het #Alertprogramma bijdraagt aan de bewustwording van de deelnemers over omvang, nabijheid en impact van criminele ondermijnende activiteiten waarvoor jongeren geronseld kunnen worden. Ten tweede moet het onderzoek aanwijzingen geven over in hoeverre respondenten jongeren herkennen die de criminaliteit in dreigen te gaan en over de intentie wat betreft het verbeteren van de handelingswijze. Ten derde moet het onderzoek resulteren in suggesties voor mogelijke aanpassing(en) in het #Alertprogramma.

3. Https://www.leerlingalert.nl/ 4. Dit levert mogelijk handvatten om betrokkenheid van jongeren in de misdaad te signaleren. 5. Te denken valt aan: Buit, de Cyber24-koffer van het CCV, de escaperoom Foute Centen, de Halt-les over groepsdruk en de film ‘Zicht’.

5

Achtergrond en inhoud van het #Alertprogramma Het #Alertprogramma maakt deel uit van de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Het is een preventief instrument om te voorkomen dat jongeren in de criminaliteit stappen, door het geven van lessen aan jongeren, ouders en medewerkers van scholen en ook door het verstevigen van het netwerk rondom jongeren. Het #Alertprogramma heeft als ambitie om te voorkomen dat jongeren in de criminaliteit belanden. Hierin worden drie groepen deelnemers betrokken: jongeren (bij voorkeur vanaf de derde klas van de middelbare school tot en met hbo-studenten), ouders/verzorgers van jongeren en medewerkers van onderwijsinstellingen.

Inkadering van de onderzoekspopulatie Gezien de betrekkelijk korte onderzoekstermijn en de getalsmatige focus van het #Alertprogramma op voornamelijk middelbare scholieren, zijn hbo-studenten niet in het onderzoek betrokken. Het tot op heden beperkt aantal hbo-studenten dat het programma doorloopt zou in de korte looptijd van het onderzoek namelijk teveel inspanning vergen en relatief te weinig hbo-respondenten opleveren. Ook zijn praktijkscholen en ISK-scholen (voor asielzoekers) niet meegenomen omdat de vragenlijst voor deze subgroepen te lastig bleek.

Vertaling van de ambitie in doelen en fasen van het #Alertprogramma De ambitie van het #Alertprogramma wordt bereikt worden door: 1) in te zetten op het vergroten van bewustwording en weerbaarheid van jongeren, schoolmedewerkers en ouders/verzorgers en 2) het versterken van het net-

6

werk van jongeren. Een vast onderdeel van de uitvoering van het programma is, dat er met de school wordt besproken om hun lokale samenwerkingspartners (denk aan jongerenwerk, straat-/jeugdcoaches, jeugdboa’s, wijkagent, leerplichtambtenaar, schoolmaatschappelijk werk, zorg-/ondersteuningscoördinator) uit te nodigen bij de uitvoering van de les. In combinatie met #Docent- en #Ouderalert en de voorlichting aan jongeren, richt je je op het hele pedagogische kader, met en rondom de jongere. Binnen het programma zijn drie fasen te onderscheiden:

lessen richt zich op de omvang, nabijheid en impact van de criminele wereld, de verschillende verschijningsvormen en ronselmethodes. De lessen zijn interactief en persoonlijke verhalen worden afgewisseld met feiten. In onderstaande tabel staan de lesonderdelen die aan jongeren, docenten en ouders aangeboden wordt. In essentie worden alle onderdelen in dezelfde vorm aangeboden, maar op onderdelen toegespitst naar de doelgroep waar het onderdeel aan gegeven wordt. Wel krijgen de trainers uitdrukkelijke instructies over de kerndoelen per lesonderdeel en het gebruik van bepaalde woorden en begrippen.

1. Verbinden en betrekken infrastructuur lokale zorg- en veiligheidspartners: hierin staat de samenwerking tussen school en het lokale zorg- en veiligheidsnetwerk rondom de jongeren centraal.

Tabel 1: onderdelen van het #Alertprogramma

2. Bewustwordingslessen op school: er worden voorlichtingslessen aan jongeren, ouders en medewerkers binnen het onderwijs gegeven. Daarin wordt aandacht besteed aan bewustwording en weerbaarheid. 3. Borging van het programma in het curriculum: na de introductie is het lesmateriaal beschikbaar voor docenten van onderwijsinstellingen, om het te integreren in de eigen jaarplanning.

Lesonderdeel

Focus op

1. Omvang

ƒ ƒ ƒ

Drugscriminaliteit Korte inleiding gedoogbeleid Uitleg over crimineel netwerk

2. Nabijheid

ƒ ƒ ƒ

Storytelling door jongeren Varianten in lokale criminaliteit Ronselpraktijken

3. Impact

ƒ Impact: storytelling is er in drie varianten: a. Narcostaatfragment (wordt met name gebruikt als er geen ervaringsdeskundige aansluit). b. Documentaire Van pil tot vat (bij Havo of VWO) c. Ervaringsdeskundige (in dat geval komt A en B te vervallen)

4. Herkennen

ƒ

Terugblik op storytelling door jongeren

5. Handelen

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

Bij vermoedens van ronselpraktijken Bij sextortion Bij geldezels Bij vermoedens georganiseerde misdaad Bij vermoedens betrokkenheid vriend(in)

Inkadering van het onderzoek Het onderzoek richt zich op jongeren op de middelbare school, ouders en docenten tijdens de lesonderdelen van het #Alertprogramma. Dit betekent dat fasen 1 en 3 geen onderdeel van het onderzoek vormen. Deze fasen vereisen aanvullend onderzoek.

Lesonderdelen van het #Alertprogramma Ervaren trainers, soms in combinatie met een ervaringsdeskundige, komen op school de training verzorgen en wijzen op risico’s en gevaren, om te voorkomen dat jongeren kiezen voor een criminele carrière. De inhoud van deze

7

In de praktijk worden de bijeenkomsten voor #Leerlingalert altijd fysiek uitgevoerd, terwijl de bijeenkomsten voor #Ouderalert in de meeste gevallen via MS-Teams en #Docentalert zowel fysiek als digitaal gegeven worden.6

Inkadering van de reikwijdte van het #Alertprogramma Het #Alertprogramma is samen te vatten als (1) een preventieve interventie, (2) ingezet op een brede jongerenpopulatie, met (3) als voornaamste doel de bewustwording te vergroten. Deze drie elementen betekenen dat er sprake is van een betrekkelijk lichte interventie. De interventie kent namelijk geen repressieve elementen, focust niet op een zware doelgroep (bijvoorbeeld overtreders/criminelen) en beoogt geen verandering in houding en/of gedrag (bijvoorbeeld recidive). ‘Bewustwording’ is op zichzelf nog een term die we in dit onderzoek hebben opgedeeld in de houding die betrokkenen hebben ten aanzien van criminaliteit enerzijds en kennis daarover anderzijds.

6. Er wordt voor ouders bewust voor digitale bijeenkomsten gekozen omdat dit de drempel verlaagt om deel te nemen. Bij #Docentalert zijn de digitale bijeenkomsten vaak op verzoek van scholen.

8

Het #Alertprogramma in breder interventieperspectief Het #Alertprogramma in vergelijking met soortgelijke interventies In een kort uitgevoerde studie ligt de focus op interventies die in meer of mindere mate dezelfde invulling hebben en thema’s behandelen als het #Alertprogramma. Dit houdt in dat het interventies zijn die eveneens een preventief karakter hebben, zich vooral richten op (eenmalige) informatieoverdracht van ongeveer drie uur en zich richten op de brede doelgroep van jeugdigen (van de hoogste klassen in het primair onderwijs tot de eerste klassen in het voortgezet onderwijs). Ook is gekeken of ouders dan wel docenten worden betrokken. Interventies die zich vooral op het thema radicalisering richten zijn niet meegenomen. Daardoor zijn interventies zoals ‘Kapot Sterk’, ‘Rots en Water’, ‘Alleen jij bepaalt wie je bent’, ‘Diamanttraining’, ‘Levensvaardigheden’ en ‘This is me’ niet meegenomen.

Mobiele escaperoom ‘Foute centen’

Focus programma

Informatie over de gevaren en gevolgen van criminele activiteiten

Doelgroep

Jongeren van 12-15 jaar en 16-18 jaar

Doelen

ƒ ƒ

Aanpak

Buit

Focus programma

Interactieve les over verschillende vormen van uitbuiting

Doelgroep

ƒ ƒ

Jongeren vanaf 10 jaar Docenten en ouders

Doelen

ƒ ƒ

Voorkomen van uitbuiting Vergroten weerbaarheid

Aanpak

Lespakket, film en appgesprek met filmpersonages

Interventie

Cyber24-koffer

Focus programma

Game over online gedrag

Doelgroep

Jongeren van 12-16 jaar en 17-21 jaar

Doelen

ƒ ƒ

Tabel 2: vergelijking tussen verschillende interventies

Interventie

Interventie

Bewustmaking van de gevaren van gevolgen van criminele activiteiten Vergroten weerbaarheid

Voorlichting door middel van een escaperoom

9

Bewustwording over wat online gewenst en ongewenst gedrag is Inzicht in de gevolgen van ongewenst gedrag voor henzelf en voor slachtoffer(s)

Aanpak

Een ‘Cyber24-escapekoffer’-aanbod van verschillende korte verhaallijnen

Interventie

Halt-lessen

Focus programma

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

A) Kosten van snel geld B) Snelle euro’s hebben een prijs C) Gedrag online D) Invloed van de groep E) Geldezels

Doelgroep

ƒ ƒ ƒ ƒ ƒ

A) Jongeren in vo en mbo/ouders B) Jongeren in vo/ouders C) Jongeren in p(s)o en v(s)o D) Jongeren in p(s)o en v(s)o/ouders E) Jongeren in mbo

Doelen

Doorgaans vier lesdoelen:

ƒ ƒ ƒ ƒ

Kennisvergroting over fenomeen Kennisvergroting over negatieve gevolgen Versterken bewustwording Kennisvergroting over handelingsperspectieven

Aanpak

Voorlichtingsbijeenkomsten

Interventie

Film ‘Zicht’

Focus programma

Informatiefilm over ingroei in ondermijnende criminaliteit

Doelgroep

ƒ ƒ ƒ

Jongeren Jongerenwerkers Ouders, scholen en verenigingen

Doelen

ƒ ƒ

Creëren van weerbare jeugd Voorkomen van afglijden in criminaliteit

Aanpak

Film van een half uur en toolkits om de film te bespreken

Interventie

Confro-theater

Focus programma

Voorstellingen, trainingen en lesprogramma’s

Doelgroep

ƒ ƒ

Doelen

Maatschappelijke thema’s en taboes bespreekbaar maken

Aanpak

Via groepsgerichte trainingen met diverse werkvormen (theater en dialoog)

Interventie

Wie grijpt in?

Focus programma

Lesprogramma over (eigen rol in) een veilige samenleving

Doelgroep

Jongeren in vo en mbo

Doelen

Jongeren moeten zich meer verbonden voelen met elkaar en anderen in de samenleving

Aanpak

Drie lessen, gegeven door rechtenstudenten en een officier van justitie

Interventie

Risk factory

Focus programma

Praktijksimulaties op het gebied van gezondheid en veiligheid

Doelgroep

Jongeren in po (groep 8)

Doelen

ƒ ƒ

Aanpak

Via nagebootste praktijksituaties ervaren hoe om te gaan met bijvoorbeeld phishing, cyberpesten en groepsdruk

Interventie

Educatief Programma Jongeren

Focus programma

Interactief lesprogramma, gericht op misdaadpreventie

Doelgroep

Jongeren in po (groep 8) en vo

Doelen

ƒ ƒ

Aanpak

Interactieve les gegeven door de politie en ex-gedetineerden

Blik op risico’s veranderen door levensechte ervaringen Vergroten zelfvertrouwen om, als het er op aankomt, de juiste beslissingen te nemen

Bewustzijn creëren Besef bijbrengen omtrent waarden, normen en fatsoen

De tabel hierboven geeft een basale blik op interventies die zich richten op preventie/voorlichting op het gebied van criminaliteit. In vergelijking met het #Alertprogramma vallen vier zaken op. Zo is sprake van de nodige interventies die een soortgelijke focus hebben, met name wat betreft het verstrekken van informatie over risico’s van (ingroei in) criminaliteit en het ontwikkelen van weerbaarheid hiertegen. Ook ligt de doelgroep van veel programma’s binnen dezelfde bandbreedte, waarbij wij ons zelf afvragen of deze bandbreedte soms niet te ruim genomen wordt. Eigen onderzoek naar Halt-interventies7 leert namelijk dat de jongste leeftijden in beleving en begrip kunnen verschillen van de oudste leeftijden. Wel vinden wij het interessant dat veel interventies zich ook op ouders, docenten en andere professionals richten. In

Jongeren in po, vo, mbo, hbo, wo Docenten

7. Ferwerda e.a. (2006). Halt: Het Alternatief? De effecten van Halt beschreven en Kuppens e.a. (2014). Doordringen of doordrinken. Effectevaluatie Halt-straf Alcohol.

10

De respondenten

ieder geval kan ouderbetrokkenheid een substantieel en belangrijk bestanddeel van een interventie uitmaken (Kuppens e.a., 2014). Ten slotte is gekeken of de beschreven interventies op doelmatigheid geëvalueerd zijn, maar dit blijkt bij alle beschreven interventies niet het geval. Er zijn dan ook geen uitspraken te doen over de eventuele doelmatigheid van deze programma’s in vergelijking met de resultaten van het huidige doelmatigheidsonderzoek van het #Alertprogramma. Het zou interessant zijn om nader te bepalen of de bewezen werkzame bestanddelen in dergelijke interventies bijeen te brengen zijn in één leerlijn. Aanvullend onderzoek is hiervoor vereist.

Focus van het onderzoek In het onderzoek lag de focus op jongeren, omdat zij het #Alertprogramma fysiek, niet digitaal doorliepen en het voor hen mogelijk bleek om een voor- en nameting uit te voeren. Daarom zijn de analyses van ouders en docenten minder

Bevindingen uit eerder onderzoek naar het #Alertprogramma

diepgaand dan van jongeren. In de analyses maken we onderscheid tussen de

In 2021 is het #Alertprogramma geëvalueerd (Van den Berg en Rekers, 2021).8 Het doel van deze evaluatie was om inzicht te krijgen in hoeverre de informatie overkomt, al dan niet voorziet in een informatiebehoefte en gewaardeerd wordt. Dit alles om te bepalen of de inhoud van het programma aangepast moet worden. Op basis van de bevindingen uit het onderzoek is het #Alertprogramma aangepast. Zo wordt het programma standaard met een ervaringsdeskundige aangeboden. Ook is de boodschap op onderdelen kernachtiger gemaakt, waardoor de trainers het programma eenvoudiger kunnen verkorten als dit bij een doelgroep nodig blijkt. Verder hebben trainers een training gevolgd om meer te begrijpen hoe het programma beter kan worden overgebracht bij lvb-jongeren en jongeren in het praktijkonderwijs.

het mbo. Als er over respondenten wordt gesproken gaat het over zowel jonge-

termen jongeren, ouders, docenten en respondenten. Als er over jongeren wordt gesproken gaat het om leerlingen in het voortgezet onderwijs en studenten op ren, ouders als docenten.

In de metingen is aan jongeren een aantal vragen gesteld over leeftijd, geslacht, onderwijstype en onderwijsniveau. Aan ouders zijn dezelfde vragen over hun kinderen gesteld en aan docenten vragen over het onderwijstype en onderwijsniveau waarbinnen zij werkzaam zijn.

Achtergrond van de jongeren In bijlage 2 wordt de achtergrond van de jongeren weergegeven. Om voor beide metingen te spreken van een enigszins vergelijkbare groep, is het wenselijk dat er zo min mogelijk verschillen op enkele achtergrondkenmerken van jongeren voorkomen. Het blijkt dat aan de tweede meting relatief gezien meer jongeren uit het vo hebben deelgenomen. De verklaring hiervoor is dat studenten minder contacturen met hun docenten hebben en het #Alertprogramma voor hen niet tijdens reguliere les is gegeven. Zowel voor de eerste als de tweede meting geldt dat het leeuwendeel van de respondenten 14 tot 16 jaar oud is. De jongste jongeren zijn 11 jaar

8. Berg, P. van den en Rekers, M. (2021a). Evaluatie van de bewustwordingslessen van het #Alertprogramma 2021.

11

oud en de oudste jongeren 23 jaar. Gemiddeld genomen zijn de respondenten in de tweede meting 0,3 jaar jonger. Dit verschil is significant. 9 In tabel 6 is ook te zien dat voor bijna alle leeftijdscategorieën een (significant) verschil wordt waargenomen. Wat betreft geslacht komen de twee metingen overeen. In beide metingen zijn mannen en vrouwen (ongeveer) gelijk verdeeld. Het type school waar de metingen zijn afgenomen verschilt tussen de twee metingen. Uit de tweede meting blijkt dat er voornamelijk leerlingen uit het voortgezet onderwijs zijn benaderd voor het invullen ervan. Het niveau van deze leerlingen is ongeveer gelijk voor de eerste en tweede meting. De meeste leerlingen geven aan in een van de eerste drie leerjaren te zitten (de onderbouw). Tussen de eerste en tweede meting worden verschillen gevonden voor het aandeel leerlingen in het eerste, derde en vijfde leerjaar. Het aandeel leerlingen in het vijfde of zesde leerjaar (havo- of vwo-leerlingen) is in de eerste meting 4 procent en in de tweede meting één procent. Ten slotte wordt voor vmbo-bb en vmbo-kb een significant verschil gevonden tussen de metingen. Het aandeel mbo-studenten met niveau 1 en 3 verschilt tussen de eerste en tweede meting. In het onderzoek zijn subanalyses op de achtergrond van de jongeren uitgevoerd.

Op die manier wordt achterhaald bij welke jongeren het programma het meeste effect heeft gehad. In de subanalyses nemen we het geslacht en opleidingsniveau van de respondenten onder de loep. Het opleidingsniveau is een samenstelling van de leeftijd, schoolsoort en -niveau en leerjaar. Hiervoor hanteren we een definitie van opleidingsniveau van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS hanteert een indeling in laag, middelbaar en hoog opleidingsniveau. Voor dit onderzoek is een onderscheid te maken in laag en middelbaar opleidingsniveau.

Toelichting opleidingsniveau van jongeren ten tijde van het onderzoek Om enig inzicht te geven in de impact van het #Alertprogramma is in dit onderzoek gekozen voor de bestaande CBS-indeling voor opleidingsniveau. Belangrijk om te benadrukken is dat het in dit onderzoek om het opleidingsniveau van de jongeren ten tijde van het aanbieden van de interventie is, niet om het uiteindelijk behaalde opleidingsniveau van jongeren. Naar onze mening is de CBS-indeling relevant om te gebruiken, om nader te bepalen bij welk opleidingsniveau het aanbieden van het #Alertprogramma (minder) goed aanslaat. ‘Laag’ Dit omvat onderwijs op het niveau van basisonderwijs, het vmbo, de eerste 3 leerjaren van havo/vwo of de assistentenopleiding (mbo-1). ‘Middelbaar’ Dit omvat de bovenbouw van havo/vwo, de basisberoepsopleiding (mbo-2), de vakopleiding (mbo-3) en de middenkader- en specialistenopleidingen (mbo-4). ‘Hoog’ Dit omvat onderwijs op het niveau van hbo of wo. Bron: CBS (2023)

In de eerste meting heeft 59 procent van de jongeren een laag opleidingsniveau en 41 procent een middelbaar opleidingsniveau. In de tweede meting is het aandeel respondenten met een middelbaar opleidingsniveau (significant) lager, namelijk 29 procent. Zeven op de tien respondenten in de tweede meting (71 procent) had een laag opleidingsniveau.

9. Wanneer in deze notitie over significante verschillen wordt gesproken, gaat het over statistische significantie waarbij de p-waarde kleiner of gelijk is aan 0,05. Bij het vergelijken van gemiddeldes wordt gebruik gemaakt van een onafhankelijke T-toets en bij het vergelijken van proporties een Chi-kwadraattoets. Als er een significant verschil optreedt bij het vergelijken van proporties, bekijken we met een post hoc toets (in dit geval de Bonferroni-correctie) welke specifieke groepen er significant van elkaar verschillen.

12

veau. In de tweede meting gaat het voornamelijk om middelbare scholieren (96 procent) en heeft 71 procent van de jongeren een laag opleidingsniveau. In de eerste meting had 59 procent van de jongeren een laag opleidingsniveau. Wat betreft geslacht is de groep mannen en vrouwen in de eerste en tweede meting vergelijkbaar. De indirecte achtergrond van de ouders komt grotendeels overeen met die van de jongeren. Het gros van de jongeren geeft aan middelbare scholier te zijn (in de eerste meting 86 procent en in de tweede meting 96 procent) en ook de meeste ouders (97 procent) geven dit aan. Daarnaast geeft 84 procent van de ouders aan dat hun zoon of dochter in het eerste, tweede of derde leerjaar zit (de onderbouw). Dit komt overeen met de percentages van de jongeren (84 procent in de eerste meting en 86 procent in de tweede meting). Een verschil tussen de ouders en jongeren is het onderwijsniveau. Ongeveer een vijfde van de jongeren (20 procent in de eerste meting en 23 procent in de tweede meting) geeft aan een vmbo-kb-opleiding te volgen, terwijl 9 procent van de ouders aangeeft dat hun zoon of dochter deze opleiding volgt. Daarnaast geeft ongeveer een vijfde van de jongeren (21 procent in de eerste meting en 20 procent in de tweede meting) aan een vwo-opleiding te volgen, terwijl 39 procent van de ouders aangeeft dat hun zoon of dochter een vwo-opleiding volgt.

Het zijn dus vooral de ouders van havo- of vwo-leerlingen die in de onderbouw zitten die de metingen hebben ingevuld. De achtergrond van de docenten is moeilijk te vergelijken met die van de jongeren. Dit komt omdat docenten meerdere opties konden aanklikken bij de vragen over hun achtergrond. Grosso modo gaat het om docenten die lesgeven aan de onderbouw van het vmbo-tl, havo of vwo. Dit komt overeen met de ouders die de meting hebben ingevuld en deels ook met de jongeren.

Geen herweging Het is mogelijk om de resultaten uit een vragenlijstonderzoek te ‘herwegen’, zodat de populatie uit de eerste meting nagenoeg overeenkomt met de populatie van de tweede meting. We hebben hier alleen niet voor gekozen, omdat het dan niet mogelijk is om de statistische (sub)analyses uit te voeren. Ook is het zo dat sommige achtergrondgegevens, zoals geslacht en enkele opleidingen van de middelbare school en het mbo, niet significant verschillen tussen beide metingen.

(Indirecte) achtergrond van de ouders en docenten Aan de ouders hebben we gevraagd naar achtergrondkenmerken van hun kind. Daarom hebben we het over de ‘indirecte achtergrond van de ouders’. De ouders die de meting hebben ingevuld hebben in de meeste gevallen een zoon of dochter die op een middelbare school zit. Het betreft voornamelijk ouders van havo- en vwo-leerlingen die in de onderbouw zitten (zie bijlage 3). De docenten die de meting hebben ingevuld hebben in de meeste gevallen een functie als leraar (69 procent) of mentor (27 procent). Andere functies die docenten benoemen zijn o.a. studieloopbaanbegeleider (11 procent) en stagiair (7 procent). Ongeveer een kwart van de docenten werkt op een mbo en geeft voornamelijk les aan mbo-1- of mbo-2-studenten. De docenten die op een middelbare school werken (74 procent), geven vooral les aan vmbo-, havo- of vwo-leerlingen. Het gaat dan met name om de eerste drie leerjaren.

Conclusies ten aanzien van de achtergrond De achtergrond van de jongeren in de eerste meting verschilt op enkele kenmerken van de achtergrondkenmerken in de tweede meting. De jongeren in de tweede meting zijn jonger en verschillen in schooltype en opleidingsni-

13

Houding van jongeren ten opzichte van criminaliteit

Figuur 1: percentage stellingen beantwoord met ‘(helemaal) mee eens’ (In %) Als een vriend(in) mij vraagt of hij/zij mijn bankpas mag lenen om iets te kopen, dan vind ik dit prima 25% 19%

(Ontwikkeling in) houding van jongeren

Als klasgenoten heel dure merkkleding dragen, vind ik dat verdacht

In de metingen is aan jongeren een aantal stellingen over hun houding ten aanzien van criminele situaties voorgelegd. De vijf stellingen zijn als volgt:

4% 5%

„ Stelling 1: als een vriend(in) mij vraagt of hij/zij mijn bankpas mag lenen om iets te kopen, dan vind ik dit prima „ Stelling 2: als klasgenoten heel dure merkkleding dragen, vind ik dat verdacht „ Stelling 3: ik vind het raar dat mijn vriend(in) met mijn telefoon wil bellen als hij/zij zelf een telefoon bij zich heeft „ Stelling 4: als ik zie dat er rond mijn school wordt gedeald in drugs, meld ik dat „ Stelling 5: als een vriend(in) mij zomaar een naaktfoto van een 16-jarige stuurt, dan zeg ik daar wat van

Ik vind het raar dat mijn vriend(in) met mijn telefoon wil bellen als hij/zij zelf een telefoon bij zich heeft 36% 45%

Als ik zie dat er rond mijn school wordt gedeald in drugs, meld ik dat 20% 22% Als een vriend(in) mij zomaar een naaktfoto van een 16-jarige stuurt, dan zeg ik daar wat van 57% 60%

Figuur 1 presenteert het percentage jongeren dat een stelling met ‘(helemaal) mee eens’ beantwoordt. Voor alle vijf de stellingen geldt dat de houding van de jongeren t.o.v. criminaliteit is verbeterd. Bij stelling 1 is het aantal respondenten dat het (helemaal) met de stelling eens is gedaald, wat positief is. Voor de overige stellingen is het aantal respondenten dat het (helemaal) met de stelling eens is gestegen, wat eveneens positief is. Dat kan, (alleen niet uit figuur 1), ook worden afgeleid uit een gemiddelde van de stellingen. Aan iedere stelling kan een score van 1 tot en met 5 worden toegekend, waarbij een lage score (1) wijst op een slechte houding ten opzichte van criminaliteit en een hoge score (5) op een goede houding. De scores van de eerste stelling moesten hiervoor omgedraaid worden (zodat een hoge score ook hier positief is).

0%

10%

20%

30%

40%

Eerste meting

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Tweede meting

In figuur 2 is te zien dat stelling 1 en 5 de hoogste gemiddelde score hebben. Stelling 2 heeft de laagste gemiddelde score. In stelling 3 is het verschil tussen de eerste en tweede meting het grootst. Al deze verschillen zijn significant. Aan de hand van de vijf stellingen kan een totaalscore worden berekend, te definiëren als ‘de houding van de respondent ten opzichte van criminaliteit’. De totaalscore is een gemiddelde score van de vijf stellingen. Deze stijgt van 2,8 in de eerste meting naar 3,0 in de tweede meting.

14

Figuur 2: gemiddelde score stellingen en verschil tussen metingen

Tabel A: significante verschillen gemiddelde score stellingen 0,25

5,0

Man

Vrouw

Laag opleidingsniveau

Middelbaar opleidingsniveau

Stelling 1

0,15

0,25

0,13

0,29

Stelling 2

0,14

0,17

0,13

0,17

Stelling 3

0,16

0,29

0,21

0,31

Stelling 4

0,11

0,16

0,12

0,13

4,5 0,20

4,0 3,5

3,38

3,55 3,63

3,58 3,18 2,95

3,0

2,50

2,84

2,64

3,00

0,10

2,5 1,80

2,0

0,15

1,95 0,05

Stelling 5

0,14

X

0,12

X

Totaal

0,14

0,18

0,15

0,19

1,5 1,0

0,00 Stelling 1

Stelling 2 Eerste meting

Stelling 3

Stelling 4 Tweede meting

Stelling 5

Totaal

Conclusies ten aanzien van de houding

Verschil

Voor alle stellingen is er een verbetering zichtbaar op de houding van de jongeren ten opzichte van criminaliteit. Voor stelling 3 wordt het grootste verschil tussen de eerste en tweede meting gevonden. In de eerste meting is 36 procent het (helemaal) eens met deze stelling (‘Ik vind het raar dat mijn vriend(in) met mijn telefoon wil bellen als hij/zij zelf een telefoon bij zich heeft’). In de tweede meting is dit 45 procent. Het kleinste verschil zien we in stelling 5 (‘Als een vriend(in) mij zomaar een naaktfoto van een 16-jarige stuurt, dan zeg ik daar wat van’). In de eerste meting is 57 procent het (helemaal) eens met deze stelling, in de tweede meting is dit 60 procent; hoge scores dus. De verbeteringen zijn zowel voor mannen, vrouwen, voor jongeren met een laag én voor jongeren met een middelbaar opleidingsniveau zichtbaar. Wel kan worden gesteld dat de gemiddelde score (de ‘houding ten opzichte van criminaliteit’) van jongeren met een middelbaar opleidingsniveau en vrouwen iets hoger is dan de gemiddelde score van jongeren met een laag opleidingsniveau en van mannen.

Subanalyses De tabel rechtsboven presenteert significante verschillen in het gemiddelde tussen de eerste en tweede meting. Zoals eerder benoemd, verbetert voor iedere stelling de houding ten opzichte van criminaliteit. De gemiddelde score van stelling 1 en 3 laten de hoogste verbeteringen zien, met name voor vrouwen en jongeren met middelbaar opleidingsniveau. Voor stelling 5 geldt juist dat vrouwen en jongeren met middelbaar opleidingsniveau geen significant verschil laten zien op de gemiddelde score. Wat betreft de totaalscore is het verschil tussen de eerste en tweede meting het hoogste voor jongeren met middelbaar opleidingsniveau.

15

Kennis onder jongeren over criminaliteit (Ontwikkeling in) kennis onder jongeren Aan de jongeren is gevraagd om tien kennisvragen te beantwoorden. De vragen en de daarbij behorende juiste antwoorden (in het groen) staan in bijlage 4. Over het algemeen beantwoorden de jongeren de vragen beter na het volgen van het programma. Ook blijkt na het programma op alle vragen minder ‘weet ik niet’ geantwoord te worden. Alleen voor vraag 6 is het percentage jongeren dat de vraag goed beantwoord in de tweede meting lager dan in de eerste meting. Voor vraag 10 is het grootste verschil tussen de metingen zichtbaar; in de eerste meting beantwoordde 15 procent de vraag goed, in de tweede meting is dit 46 procent (zie Figuur 3). Met de tien vragen is een score samen te stellen van 0 (geen enkele vraag goed beantwoord) tot 10 (alle vragen goed beantwoord). De gemiddelde score in de eerste meting is een 5,7. Na het volgen van het programma wordt de meting na een maand opnieuw afgenomen bij (een deel van de) jongeren. De gemiddelde score in de tweede meting is een 6,5. Hiermee is de gemiddelde score (significant) hoger in de tweede meting.

16

Figuur 3: percentage goed, fout en weet ik niet naar vraag en meting (In %)

Subanalyses

Vraag 1: Het in bezit hebben van naaktfoto’s van iemand onder de 18 jaar is: 1e meting

9%

78%

Onderstaande tabel presenteert significante verschillen in het gemiddelde tussen

13% 6%

de eerste en tweede meting. Zoals eerder benoemd, verbetert de score op de ken-

Vraag 2: Het online verspreiden van naaktfoto’s van iemand zonder dat je weet of hij/zij dat goed vindt is:

nisvragen. Deze verbetering is het hoogst voor jongeren met een middelbaar op-

1 meting

90%

7%

leidingsniveau en voor vrouwen. Hiervoor stijgt de score op de kennisvragen met

2e meting

92%

3% 5%

ongeveer één. Voor mannen en jongeren met een laag opleidingsniveau wordt

90%

2e meting

e

4%

3%

ook een significante stijging waargenomen (zie Tabel B).

Vraag 3: Gebruik maken van de identiteitskaart van iemand anders is: 1 meting

88%

4%

8%

2e meting

89%

3%

7%

e

Tabel B: significante verschillen gemiddelde score stellingen

Vraag 4: Het bij je hebben van één joint is: 1 meting

59%

2e meting

59%

e

16%

25% 26%

15%

Vraag 5: Zes wietplanten in huis hebben is: 1 meting e

74%

11%

2e meting

83%

24%

52%

16%

37%

24%

35%

45%

36%

20%

Vraag 8: Wat verstaan we onder exposen? 70%

1e meting

10%

74%

2e meting

19%

10%

15%

Vraag 9: Wat zijn de gevolgen voor jou als een crimineel je bankrekening gebruikt? 17%

1e meting

45%

38%

26%

2e meting

49%

25%

Vraag 10: Waar kun je het beste criminaliteit melden? 1e meting

15%

70%

0%

10%

20%

30% Goed

0,84

Middelbaar opleidingsniveau

1,03

16%

46%

2e meting

Laag opleidingsniveau

De jongeren beantwoorden de kennisvragen na het volgen van het #Alertprogramma procentueel gezien vaker met een goed antwoord. Alleen voor vraag 6 geldt dat het aandeel respondenten dat de vraag goed beantwoordt in de eerste meting hoger is dan in de tweede meting. Al in de voorbespreking voor de vragenlijst is twijfel geuit over juist deze vraag, omdat de wettelijke regels rondom wiet(plant)bezit lastig zijn.10 Daarnaast blijkt dat de jongeren vragen na het volgen van de les minder vaak met ‘weet ik niet’ beantwoorden. De hoogste verbetering in gemiddelde score op de kennisvragen wordt waargenomen voor jongeren met een middelbaar opleidingsniveau, terwijl ook voor vrouwen een groter verschil tussen de metingen wordt waargenomen dan voor mannen.

11%

41%

2e meting

0,97

8%

Vraag 7: Wat is een geldezel? 1e meting

Vrouw

Conclusies ten aanzien van de kennis

60%

2e meting

0,67

14% 9%

Vraag 6: Twee wietplanten in huis hebben is: 1e meting

Man

41% 40%

50% Fout

60%

70%

10. Tijdens de les wordt uitgelegd dat in principe alle drugs in Nederland verboden zijn en bezit strafbaar is, maar men tegelijkertijd niet altijd vervolgd wordt/straf krijgt. Belangrijk binnen het programma is dat besef ontstaat dat drugs strafbaar zijn en er minder mag dan in het algemeen door jongeren, maar ook volwassenen, wordt verondersteld.

12% 80%

90%

100%

Weet ik niet

17

Inzichten rondom de directe omgeving van de respondenten

genoemd in combinatie met ‘sterk in je schoenen staan’, ‘niet laten beïnvloeden door groepsdruk’, ‘goed nadenken over de gevolgen’ en ‘duidelijk zijn’. Daarnaast wordt in verschillende samenstellingen genoemd dat jongeren anderen om hulp zouden vragen als ze benaderd worden. Denk hierbij aan het terugkoppelen met ouders, leraren of de politie.

De directe omgeving van jongeren

De directe omgeving van jongeren volgens ouders en docenten

In de eerste meting maakt 17 procent van de jongeren zich zorgen om iemand die in de criminele wereld zit. In de tweede meting is dit 19 procent. In eerder onderzoek naar de mate van ronselen bleek dat gemiddeld 8 procent van alle jongeren zich zorgen maakt om een ander die in de criminele wereld zit.11 Aan de jongeren die zich zorgen maken is gevraagd om wie zij zich zorgen maken. In de eerste meting is 27 procent van deze personen bezorgd om zichzelf en 73 procent om iemand anders. In de tweede meting is dat ongeveer gelijk: 29 procent is bezorgd om zichzelf en 71 procent om iemand anders.

Het leeuwendeel van de ouders (91 procent) maakt zich er geen zorgen over of zijn of haar kind in de criminele wereld zit. Een op de elf ouders (9 procent) maakt zich hier wel zorgen over. Een derde van de ouders (33 procent) maakt zich zorgen over klasgenoten of vrienden van hun kind die mogelijk in de criminele wereld zitten. In tegenstelling tot de ouders maakt maar liefst de helft van de docenten (50 procent) zich zorgen over een of meerdere van zijn of haar eigen leerlingen/studenten. Iets meer dan de helft van de docenten (53 procent) maakt zich zorgen over een of meerdere leerlingen/studenten van andere docenten. Deels is het verschil in percentages tussen ouders en docenten ook te verklaren doordat de laatsten zicht hebben op meerdere leerlingen en ouders vaak alleen op hun eigen kind.

Subanalyses Voor geslacht en opleidingsniveau is er gekeken of er (significante) verschillen optreden tussen de metingen. Hieruit blijkt dat mannen zich na het volgen van het programma significant vaker zorgen maken om iemand die mogelijk in de criminele wereld zit. In de eerste meting maakte 16 procent van de mannen zich hier

‘Nee’ zeggen in de optiek van ouders en docenten

zorgen om, in de tweede meting is dit 20 procent. Voor opleidingsniveau worden geen verschillen gevonden tussen de metingen.

Er is aan ouders en docenten gevraagd hoe zij denken dat jongeren gemakkelijker ‘nee’ kunnen zeggen op de vraag om strafbare klusjes te doen. De gegeven antwoorden (48 docenten en 58 ouders hebben deze vraag ingevuld) hebben vrijwel allemaal betrekking op bewustwording. ‘Meer inzicht krijgen’, ‘meer nadenken over consequenties’, ‘meer weerbaar worden’ zijn genoemd. Criminaliteit zou een bespreekbaar onderwerp moeten zijn en jongeren zou-

‘Nee’ zeggen door jongeren Er is aan jongeren gevraagd hoe zij denken dat jongeren makkelijker ‘nee’ kunnen zeggen op de vraag om strafbare klusjes te doen. Hieruit zijn diverse antwoorden gekomen. Het door jongeren meest genoemde antwoord is dat ze ‘gewoon nee moeten zeggen’. Vooral het woord ‘gewoon’ lijkt te impliceren dat dit gemakkelijk te realiseren moet zijn. Dit antwoord wordt meermaals

11. Bron: Berg, P. van den en Rekers, M. (2021b).

18

Wat jongeren zich van het #Alertprogramma herinneren

den zich vrij moeten voelen om hulp te zoeken bij een vertrouwd persoon. Hier ligt impliciet ook een taak voor de ouders/docenten.

Bevindingen uit de belinterviews

Herinneringsniveau bij jongeren

Uit de belinterviews blijkt dat de ouders en de docent zich nu meer bewust zijn van signalen bij hun kinderen of leerlingen/studenten en beter weten waar ze met

Bij de tweede meting, ongeveer een maand na het volgen van het programma, zijn enkele vragen gesteld over wat de jongeren zich nog herinneren van het programma. Ruim twee derde van de jongeren (68 procent) geeft aan dat er een ervaringsdeskundige, iemand die zelf in de criminaliteit heeft gezeten, bij de les aanwezig was. Figuur 4 presenteert de onderwerpen waar de ervaringsdeskundige over heeft verteld. Voor de meeste onderwerpen geldt dat de jongeren zich nog kunnen herinneren of er wel of niet over is verteld. ‘Hoe je criminaliteit kunt herkennen op straat’ wordt het meest beantwoord met ‘weet ik niet’ (39 procent). Ruim de helft van de jongeren (57 procent) weet nog of er, naast de mensen van het #Alertprogramma, ook nog mensen van andere instanties bij de les aanwezig waren. Dit betekent dat 43 procent van de jongeren niet meer weet of er andere mensen aanwezig waren. Hierbij moet de kanttekening geplaatst worden dat er in meerdere lessen ook geen andere mensen aanwezig waren. Het is dan ook logisch dat jongeren zich dit niet herinneren. Als er wel netwerkpartners aanwezig waren, waren dit vooral politie, jongerenwerkers en straatcoaches, aldus de jongeren.

zorgen terecht kunnen. ‘Ik let meer op dingen. Je hebt nu meer houvast om op terug te grijpen. Bijvoorbeeld als je ziet dat een jongere stil en teruggetrokken is.’ ‘Ik ben alerter op criminaliteit bij leerlingen. Als mentor bespreek ik alles in de klas. Nu ik weet waar ik op moet letten, is het gesprek met leerlingen makkelijker te voeren. Het is duidelijker waar ik terecht kan met mijn zorgen. Er is nieuwe aandacht gekomen voor dit specifieke type zorg.’

Conclusies ten aanzien van de directe omgeving Een gedeelte van de jongeren maakt zich zorgen om iemand die in de criminele wereld zit. Zowel in de eerste als in de tweede meting is dit bijna een vijfde (17 procent in de eerste meting en 19 procent in de tweede meting). In vergelijking met de eerste meting maken mannen zich in de tweede meting vaker zorgen om iemand die mogelijk in de criminele wereld zit. Over het algemeen maken ouders en docenten zich vaker zorgen over een bekende die (mogelijk) in de criminele wereld zit. Ongeveer een derde van de ouders (33 procent) maakt zich zorgen over hun kind, klasgenoten of vrienden. En zeker de helft van de docenten maakt zich zorgen over een of meerdere van hun eigen leerlingen/studenten (50 procent) of leerlingen/studenten van andere docenten (53 procent). Uit de belinterviews komt naar voren dat respondenten zich meer bewust zijn van signalen na het volgen van de les.

19

Conclusies ten aanzien van het herinneringsniveau

Figuur 4: Onderwerpen waar ervaringsdeskundige over heeft verteld (In %)

Over het algemeen weet het gros van de jongeren nog wat de inhoud was van het #Alertprogramma als er een ervaringsdeskundige aanwezig was. De stelling ‘Hoe eenvoudig je in de criminaliteit terecht kunt komen’ werd door de meeste jongeren met ‘hier werd over verteld’ beantwoord (76 procent). Ook wist ruim de helft van de jongeren nog of er mensen van andere instanties aanwezig waren. Mannen wisten dit zich iets vaker te herinneren dan vrouwen.

Wat je kunt doen als jijzelf of een vriend(in) in de criminaliteit is gekomen 58%

8%

34%

Hoe eenvoudig je in de criminaliteit terecht kunt komen 76%

5%

19%

Bij wie je criminaliteit kunt melden 72%

6%

22%

Hoe je criminaliteit kunt herkennen op straat 36%

25%

39%

Dat strafbare klusjes, die onschuldig lijken en makkelijk te doen zijn soms onderdeel zijn van grote georganiseerde criminaliteit 73%

5%

22%

Hoe het ronselen (benaderen) van jongeren door criminelen werkt 68%

6%

26%

Dat er geweld voorkomt in de criminele wereld 69%

21%

10%

De nabijheid van de criminele wereld (hoe dichtbij de criminele wereld kan zijn) 74%

6%

20%

De omvang van de criminele wereld (hoe veel geld er in de criminele wereld omgaat en hoeveel mensen erbij betrokken zijn) 65%

0%

10%

20%

30%

Hier werd over verteld

10%

40%

50%

60%

70%

Hier werd niet over verteld

25%

80%

90%

100%

Weet ik niet meer

20

Impact van het #Alertprogramma

Aan de jongeren is de vraag gesteld of ze na het volgen van de les anders over bepaalde zaken zijn gaan denken. Figuur 6 presenteert het percentage jongeren dat aangeeft anders over bijbehorende stelling te zijn gaan denken. Figuur 6: Percentage jongeren dat anders is gaan denken over betreffende stelling (In %)

Impact op jongeren Na het volgen van het programma geeft 41 procent van de jongeren aan nog met iemand anders te hebben gesproken over wat er in de les ter sprake is gekomen. Figuur 5 presenteert de personen met wie de jongeren over het #Alertprogramma hebben gesproken.

Hoe eenvoudig je in de criminaliteit kunt belanden 51% Dat strafbare klusjes, die onschuldig lijken en makkelijk te doen zijn soms onderdeel zijn van grote georganiseerde criminaliteit 51%

Figuur 5: Met wie heeft de respondent na de les over het programma gesproken? (In %)

Hoe dichtbij de criminele wereld is 51%

Mijn vrienden 60%

Bij wie je criminaliteit kunt melden 47%

Mijn ouders 55%

Hoe het ronselen (benaderen) van jongeren door criminelen werkt 46%

De mentor 14%

Wat je kunt doen als jijzelf of een vriend(in) in de criminaliteit is gekomen 43%

Een leraar 13%

Hoe groot de criminele wereld is

De studieloopbaanbegeleider

42%

4% Hoe je criminaliteit kunt herkennen op straat Iemand anders

34%

2% Geweld in de criminele wereld 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

31%

100%

0%

21

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Ook is aan de jongeren gevraagd of zij na het volgen van het programma beter weten wat zij in bepaalde situaties moeten doen. Voor de meeste situaties geldt dat meer dan de helft van de jongeren aangeeft dat zij nu beter weten wat zij moeten doen. Alleen de situatie ‘Als je criminaliteit ziet op straat’ wordt door meer dan de helft van de jongeren beantwoord met ‘Nee, dat is gelijk gebleven’ (zie Tabel 3).12

Subanalyses Voor geslacht en opleidingsniveau is gekeken of er significante verschillen zijn op de impact die het programma op de jongeren heeft gehad. Uit de subanalyse blijkt dat 45 procent van de vrouwen na het #Alertprogramma nog met iemand over het programma heeft gesproken. Voor de mannen is dit 37 procent. Ook denken vrouwen vaker dat jongeren door het programma zich meer bewust worden

Tabel 3: Weet je door het #Alertprogramma beter hoe je zou moeten reageren in de

van de risico’s om in de criminaliteit terecht te komen. 66 procent van de vrouwen

volgende situaties? (In %)

geeft dit aan, terwijl dit voor de mannen 57 procent is. Ja, ik weet nu beter

Nee, dat is gelijk

De jongeren met een middelbaar opleidingsniveau geven een hogere beoorde-

wat ik moet doen

gebleven

ling voor het programma als het gaat om het leren herkennen van jongeren die

Als er jongeren in jouw omgeving geronseld worden voor criminaliteit

52%

48%

Als je door iemand benaderd wordt voor een illegaal klusje

56%

44%

Als je criminaliteit ziet op straat

40%

60%

Als je criminaliteit wilt melden

61%

39%

Als jijzelf of een vriend(in) in de criminaliteit is gekomen

56%

44%

in de criminaliteit zitten, namelijk een 7,1 (gemiddeld). Voor jongeren met een laag opleidingsniveau is dit gemiddelde een 6,9. Daarnaast geeft 79 procent van de jongeren met een middelbaar opleidingsniveau aan dat jongeren door het #Alertprogramma meer bewust worden van de risico’s om in de criminaliteit terecht te komen. Dit is 10 procentpunt hoger dan het aandeel jongeren met een laag opleidingsniveau.

Impact van de ervaringsdeskundige Uit de metingen blijkt dat het aansluiten van een ervaringsdeskundige bij het programma impact heeft. De jongeren die het programma bijwoonden waar een ervaringsdeskundige aansloot, geven vaker aan dat zij na de les nog met iemand over het #Alertprogramma hebben gesproken. Daarnaast geven deze jongeren ook een hogere beoordeling (gemiddeld) aan het programma als het gaat om het leren herkennen van jongeren die in de criminaliteit zitten én geven zij vaker aan dat jongeren door het programma zich meer bewust worden van de risico’s om in de criminaliteit terecht te komen. Het aansluiten van een ervaringsdeskundige heeft ook invloed op de score

De jongeren beoordelen het #Alertprogramma gemiddeld met een 6,9 als cijfer als het gaat om het leren herkennen van jongeren die in de criminaliteit zitten. Bijna de helft van de jongeren (42 procent) geeft hiervoor een 8 of hoger. Een klein deel van de respondenten (17 procent) geeft hiervoor een 5 of lager en vindt het programma onvoldoende voor het herkennen van jongeren die in de criminaliteit zitten. Bijna drie kwart van de jongeren (72 procent) denkt dat jongeren door het programma zich meer bewust zijn van de risico’s om in de criminaliteit terecht te komen. De overige 28 procent van de jongeren denkt dat dit niet zo is.

12. Navraag leert dat juist dit thema vaak ingekort/overgeslagen wordt.

22

op de kennisvragen, zo blijkt. Jongeren die het programma bijwoonden en waar een ervaringsdeskundige aansloot scoorden gemiddeld een 6,9, terwijl jongeren die het programma bijwoonden en waar geen ervaringsdeskundige aansloot een 6,2 scoorden. Ook voor de houding ten opzichte van criminaliteit zien we dat een programma met ervaringsdeskundige beter scoort dan zonder ervaringsdeskundige. Uit de belinterviews blijkt dat de ouders en docent ofwel zelf het voordeel van een ervaringsdeskundige hebben ervaren, dan wel hebben gehoord van hun kind/leerling hoe de les met ervaringsdeskundige is geweest. Er wordt ook genoemd dat het verplicht zou moeten zijn om een ervaringsdeskundige aan te laten sluiten bij de les. Een docent geeft aan: ‘De ervaringsdeskundige was een meerwaarde. Hoe hij leerlingen aanspreekt, no-nonsense, geen bullshit. Het komt heel oprecht over, hij is geen acteur. De ervaringsdeskundige prikkelt. Leerlingen nemen meer aan van een ervaringsdeskundige.’

Figuur 7: Percentage dat ander is gaan denken over betreffende stelling (In %) Hoe eenvoudig een jongere in de criminaliteit kan belanden 67% 69% Dat strafbare klusjes, die onschuldig lijken en makkelijk te doen zijn soms onderdeel zijn van grote georganiseerde criminaliteit 71% 66% Hoe dichtbij de criminele wereld is 70% 72% Bij wie u criminaliteit kunt melden 67%

77%

Hoe het ronselen (benaderen) van jongeren door criminelen werkt 79% 74% Wat u kunt doen als uw leerling of zoon/dochter in de criminaliteit is gekomen

Impact op ouders en docenten

69%

Ook aan ouders en docenten is een aantal vragen gesteld die te maken hebben met de impact van het #Alertprogramma. Zo zijn er, net als bij de jongeren, stellingen voorgelegd aan de ouders en docenten waarbij is gevraagd of zij anders over bepaalde zaken zijn gaan denken. Figuur 7 presenteert het aandeel ouders en docenten die anders over bijbehorende stelling is gaan denken. Wanneer figuur 7 vergeleken wordt met figuur 6, dan valt op dat de percentages voor ouders en docenten op alle stellingen hoger ligt dan voor jongeren en voor docenten hoger dan voor ouders. Zowel de ouders als de docenten beoordelen het #Alertprogramma als een goede methode als het gaat om het leren herkennen van jongeren die in de criminaliteit zitten. De ouders beoordelen het programma gemiddeld met een 8,4 en de docenten met een 8,1. Slechts 1 procent van de ouders en 5 procent van de docenten geeft hiervoor een 5 of lager. Nagenoeg alle ouders (99 procent) en docenten (99 procent) geven aan dat jongeren zich door het programma meer bewust worden van risico’s om in criminaliteit terecht te komen.

76%

Hoe groot de criminele wereld is 63%

68%

Hoe u criminaliteit kunt herkennen op straat 53%

63%

Geweld in de criminele wereld 35% 38%

0%

10%

20%

30%

40% Ouders

23

50%

60%

70%

Docenten

80%

90%

100%

Bevindingen uit de belinterviews De respondenten gaven aan dat zij hadden verwacht al veel te weten over criminaliteit, maar ze waren verrast over de nieuwe informatie die zij kregen via het #Alertprogramma. Zo wordt er genoemd dat hele simpele zaken al snel tot criminaliteit kunnen leiden en dat ieder kind geronseld kan worden. ‘Ik ben mij nu meer bewust van het feit dat criminaliteit meer om je heen gebeurt dan je denkt. Van grotere zaken zoals het doorsturen van naaktfoto’s en het aannemen van pakketjes weten jongeren wel dat het verdacht is, maar van het gevaar van kleine zaken zoals een ID-kaart uitlenen of bankpas uitlenen is weinig weet van.’

Conclusies ten aanzien van de impact van het #Alertprogramma Het #Alertprogramma heeft impact gehad op de jongeren. Zo geeft bijna drie kwart van de jongeren (72 procent) aan dat zij zich door het programma meer bewust zijn van de risico’s om in de criminaliteit terecht te komen. Vrouwen en jongeren met een middelbaar opleidingsniveau geven dit vaker aan dan mannen en jongeren met een laag opleidingsniveau. Ook beoordelen de jongeren het programma, als het gaat om het leren herkennen van jongeren die in de criminaliteit zitten, met een 6,9 als cijfer. Jongeren met een middelbaar opleidingsniveau geven hiervoor een hogere beoordeling dan jongeren met een laag opleidingsniveau. Op de ouders en docenten heeft het programma nóg meer impact gehad. Nagenoeg alle ouders en docenten geven aan dat zij denken dat jongeren zich door het #Alertprogramma meer bewust zijn van de risico’s om in de criminaliteit terecht te komen. Ook geven zij een betere beoordeling aan het programma, als het gaat om het leren herkennen van jongeren die in de criminaliteit zitten, dan de jongeren zelf.

24

Meest indrukwekkende onderdelen #Alertprogramma

Indrukwekkende onderdelen volgens ouders en docenten In het kader hieronder wordt via bevindingen uit interviews beschreven welke onderdelen van het #Alertprogramma het meest indruk maakten op ouders en docenten.

Indrukwekkende onderdelen volgens jongeren Onderstaande top 10 bevat de meest genoemde antwoorden van jongeren op de vraag: ‘kan jij je nog drie onderdelen van het #Alertprogramma herinneren die de meeste indruk op je maakten?’ Hier hebben bijna 500 respondenten open antwoorden op gegeven. Uit de antwoorden blijkt dat de ervaringsdeskundige en zijn/haar verhalen het meeste indruk hebben gemaakt. Verder werden de nabijheid van criminaliteit, het gemak om in de criminaliteit te belanden en de omvang van criminaliteit indrukwekkend genoemd. Ook informatie over drugs (wiet, dealen, plantages), hoeveel geld er in de criminele wereld omgaat en de kennisbegrippen bleven hangen bij de jongeren.

Bevindingen uit de belinterviews De respondenten noemden de les een eyeopener. Het maakt nieuwsgierig en alert op signalen. De verhalen in de les zijn een aanvulling en maken het concreet, vooral het verhaal van de ervaringsdeskundige en de keuzeverandering die hij heeft gemaakt. Criminaliteit is dichterbij dan werd gedacht en men verbaasde zich hoe snel het de verkeerde kant op kan gaan. Tot slot gaven twee van de drie respondenten aan dat de boodschap is blijven hangen dat jongeren niet alleen als daders gezien kunnen worden, maar ook als slachtoffers.

Tabel 4: Top 10 van de antwoorden op de vraag: ‘kan jij je nog drie onderdelen van het #Alertprogramma herinneren die de meeste indruk op je maakten?’ (In aantallen)

Onderdeel van het #Alertprogramma

Genoemd

Inzet van ervaringsdeskundige

124

Nabijheid van criminaliteit

65

Ervaringsverhalen (storytelling)

65

Hoe makkelijk het is om in de criminaliteit te belanden

54

Informatie over drugs(dealen)

47

Informatie over wietplantages en/of -planten

45

Informatie over ‘fout’ geld (verdienen)

33

Omvang (grootte) van criminaliteit

31

(Strafbare) klusjes doen

28

Gebruikte begrippen (exposen, sexting, geldezel, ronselen, gedogen)

26

25

Suggesties van respondenten Hoewel het een zeer kleine groep respondenten is die dit heeft gedaan, zetten we toch de suggesties voor verbetering van het #Alertprogramma op een rij. Deze suggesties staan hieronder in de tabel genoemd: Tabel 5: door jongeren, ouders en docenten genoemde suggesties (in aantallen)

Suggestie

Jongeren

Ouders

Tempo verhogen/duur van het programma verkorten

14

1

Het programma interactiever maken

10

1

Groepen jongeren kleiner maken

4

Minder kinderachtige taal, beter aansluiten bij leeftijd

4

Ervaringsdeskundige (nog) meer laten vertellen

3

Kahoot-quiz toevoegen

3

De politie wat laten vertellen

1

Alleen richten op 12-15-jarigen, zijn nog ‘vormbaar’

1

Docenten

Speciale lesmodaliteit Pabo-studenten toevoegen

2

Handvatten geven om gesprek met criminele jongeren aan te gaan

1

Meer structuur in de presentatie

1

Meer verwijzingsinstanties noemen

1

Gezamenlijk #Alertprogramma ouders en jongeren

2

Nog meer tips geven

2

Centraal contactpersoon #Ouderalert op school benoemen

1

26

Beantwoording van de onderzoeksvragen

Wat betreft de nabijheid van criminaliteit blijkt uit het onderzoek dat tot bijna een vijfde van de jongeren zich zorgen maakt om iemand die in de criminele wereld zit. Over het algemeen maken ouders en docenten zich daar vaker (tot 33 procent van de ouders en maar liefst 53 procent van de docenten) zorgen over dan jongeren. Ten slotte de impact van het #Alertprogramma. Uit het onderzoek blijkt dat bijna drie kwart van de jongeren (72 procent) aangeeft dat jongeren door het programma zich meer bewust zijn van de risico’s om in de criminaliteit terecht te komen. De impact is bij vrouwen en jongeren met een middelbaar opleidingsniveau weer hoger dan bij mannen en jongeren met een laag opleidingsniveau. Op ouders en docenten heeft het #Alertprogramma nóg meer impact gehad dan op jongeren.

Aan het eind van deze rapportage wordt teruggegrepen op de onderzoeksvragen. Op basis van alle onderzoeksbevindingen worden deze vragen achtereenvolgens beantwoord. Op voorhand willen we aangeven dat we de resultaten uit dit onderzoek naar het #Alertprogramma beschouwen als kortetermijnresultaten, namelijk op basis van een ongeveer maand na het uitvoeren van de interventie.13 1. In welke mate draagt het programma bij aan de bewustwording (het inzicht) van de deelnemers aan het #Alertprogramma met betrekking tot omvang, nabijheid en impact van de criminele wereld, de verschillende verschijningsvormen en de ronselmethodes? In het onderzoek is ‘bewustwording’ over de omvang van criminaliteit opgesplitst in houding ten opzichte van criminaliteit en kennis over criminele fenomenen. Wat betreft de houding: voor alle stellingen die hierop betrekking hebben is er voor jongeren een verbetering zichtbaar na het volgen van het #Alertprogramma. Wel zijn er indicaties dat het programma iets beter aanslaat bij vrouwen en bij jongeren met een middelbaar opleidingsniveau. Wat betreft de kennis: jongeren beantwoorden de kennisvragen na het volgen van het #Alertprogramma procentueel gezien vaker met een goed antwoord. Daarnaast blijkt dat na het volgen van de les de jongeren een vraag minder vaak met ‘weet ik niet’ beantwoorden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=859933be-0fd3-48a5-9acb-45e75658ee06