CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.0275.BPVN24-ON01_Bijlagen bij de toelichting.pdf

Raadsvergadering 19 oktober 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Velp-Noord, locatie Waldeck Pyrmontlaan 423.705 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Opdracht 887153 Bodem / Eluaat Monsternr. Monstername

Monsteromschrijving

414717 414718

Ruimtelijke eenheid, RE-01: 0-50 Ruimtelijke eenheid, RE-02: 0-50

30.09.2019 30.09.2019

414717

414718

Ruimtelijke eenheid, RE01: 0-50

Ruimtelijke eenheid, RE02: 0-50

-- ++

-- ++

-<1,0

-<1,0

Eenheid Asbestbepaling in grond/puin Zie bijlage voor toelichting asbestanalyse

Overig onderzoek S Asbest RPS Grond (NEN5898) mg/kg Ds S) Erkend volgens AS SIKB 3000 Begin van de analyses: 02.10.2019 Einde van de analyses: 15.10.2019 De onderzoeksresultaten hebben alleen betrekking op het aangeleverde monstermateriaal . Monsters met onbekende herkomst kunnen slechts beperkt gecontroleerd worden op plausibiliteit .

AL-West B.V. Dhr. Jan Godlieb, Tel. +31/570788113 Klantenservice Toegepaste methoden conform NEN 5898(RP) v): Asbest RPS Grond (NEN5898) <Geen informatie>:

Zie bijlage voor toelichting asbestanalyse

v) Geaccrediteerde methode extern lab Extern geleverde service door (RP) RPS, Minervum 7002, 4817 ZL Breda Methode conform NEN 5898

Blad 2 van 2 Kamer van Koophandel Nr. 08110898 VAT/BTW-ID-Nr.: NL 811132559 B01

Directeur ppa. Marc van Gelder Dr. Paul Wimmer

V081019_1

Analysecertificaat 15-10-2019

Datum rapportage

Monsternummer:

19-168418

Rapportnummer:

1910-0924_01

Ordernummer RPS Ordernummer opdrachtgever

1910-0924 DV 414717 - DV 414718

Opdrachtgever

AL-West B.V.

RPS analyse bv E asbest@rps.nl W www.rps.nl

Breda

Dortmundstraat 16-b 7418 BH Deventer

Minervum 7002 Postbus 3440 4800 DK Breda

Datum order Datum analyse

07-10-2019 15-10-2019

Monstergegevens afkomstig van Monsternummer opdrachtgever

Opdrachtgever DV 414717

T 088 99 04 720

Barcode

(a99900687605)

Zwolle

Datum monstername Adres monstername Monsternamepunt

Ampèrestraat 35 Postbus 40172 8004 DD Zwolle

Ruimtelijke eenheid, RE-01: 0-50

T 088 99 04 755

Opmerking Soort monster

Grond (18,602kg nat ingezet)

De analyse is uitgevoerd door RPS analyse: vestiging Breda Onderzoeksmethode: conform NEN 5898. (Monstername conform: NEN 5707) Droog gewicht <20mm (kg)

17,237

Gewicht

Gew mat

N

kg

gram

8-20 mm

0,212

0,000

#4-8 mm #2-4 mm #1-2 mm #0,5-1 mm #< 0,5 mm #Totaal

0,153 0,145

Percentage grond onderzocht

Chrysotiel

Amosiet

Crocidoliet

Hechtgebonden

Niet hechtgebonden

Totaal

%

mg

mg

mg

mg

mg

mg

0

100,0

-

-

-

-

-

-

0,000

0

100,0

-

-

-

-

-

-

0,000

0

100,0

-

-

-

-

-

-

0,272

0,000

0

100,0

-

-

-

-

-

-

1,006

0,000

0

19,9

-

-

-

-

-

-

15,449

0,000

0

-

-

-

-

-

-

-

17,237

0,000

0

-

-

-

-

-

-

Totaal Chrysotiel

Totaal Amosiet

Totaal Crocidoliet

# Totaal asbest (mg/kg d.s.)

-

-

-

-

-

<1,0

# Ondergrens (mg/kg d.s.)

-

-

-

-

-

-

# Bovengrens (mg/kg d.s.)

-

-

-

-

-

-

Droge stof

92,7

% (m/m) *

Totaal Totaal niet hechtgebonden hechtgebonden Totaal asbest

Gewogen asbest (mg/kg d.s.)

-

0,000 ZZ Gew gr20 Aangetroffen asbesthoudend materiaal: Geen

Samira Achahbar Labcoördinator

RPS analyse bv KvK 20059540 BTW NL0089.00.620.B.01

Pagina 1 / 4

V081019_1

Analysecertificaat Datum rapportage

15-10-2019

Monsternummer:

19-168418

Rapportnummer:

1910-0924_01

Ordernummer RPS

1910-0924

Ordernummer opdrachtgever

DV 414717 - DV 414718

Opdrachtgever

AL-West B.V. Dortmundstraat 16-b 7418 BH Deventer

Datum order

07-10-2019

Datum analyse

15-10-2019

Monstergegevens afkomstig van Monsternummer opdrachtgever

Opdrachtgever DV 414717

Barcode

(a99900687605)

Datum monstername Adres monstername Monsternamepunt Opmerking

Ruimtelijke eenheid, RE-01: 0-50

Soort monster

Grond (18,602kg nat ingezet) Asbest in grond NEN5898

Toelichting * Droge stof is volgens eigen methode. - = Niet aantoonbaar < = Het totaal asbest (mg/kg d.s.) bevindt zich onder de bepalingsgrens N = Het aantal stukken asbesthoudend materiaal dat is geteld in het onderzochte deel van de desbetreffende fractie LB > 3 betekent meer dan 3 losse vezels en/of vezelbundels LB <= 3 betekent 1-3 losse vezels en/of vezelbundels Bij aantreffen van NIET-hechtgebonden asbesthoudende materialen wordt 10 gram van de fractie <0,5mm kwalitatief onderzocht. Indien relevant voor het onderzoek dient op deze fractie tevens analyse m.b.v. SEM/EDX uitgevoerd te worden. De resultaten hebben uitsluitend betrekking op het aangeboden monster. Opmerking: indien de monstername uitgevoerd is door derden is RPS analyse bv niet verantwoordelijk voor de representativiteit van de monstername. Boven- en ondergrenzen zijn bepaald m.b.v. het 95% betrouwbaarheidsinterval. Alleen aan het originele complete analyse certificaat kunnen rechten worden ontleend. Analyses conform NEN5898 worden uitgevoerd onder AS3000; pakket 3070/3270 en AP04-A; pakket SG6/SB5.

Samira Achahbar Labcoördinator

RPS analyse bv KvK 20059540 BTW NL0089.00.620.B.01

Pagina 2 / 4

V081019_1

Analysecertificaat 15-10-2019

Datum rapportage

Monsternummer:

19-168419

Rapportnummer:

1910-0924_01

Ordernummer RPS Ordernummer opdrachtgever

1910-0924 DV 414717 - DV 414718

Opdrachtgever

AL-West B.V.

RPS analyse bv E asbest@rps.nl W www.rps.nl

Breda

Dortmundstraat 16-b 7418 BH Deventer

Minervum 7002 Postbus 3440 4800 DK Breda

Datum order Datum analyse

07-10-2019 15-10-2019

Monstergegevens afkomstig van Monsternummer opdrachtgever

Opdrachtgever DV 414718

T 088 99 04 720

Barcode

(a99900687606)

Zwolle

Datum monstername Adres monstername Monsternamepunt

Ampèrestraat 35 Postbus 40172 8004 DD Zwolle

Ruimtelijke eenheid, RE-02: 0-50

T 088 99 04 755

Opmerking Soort monster

Grond (19,399kg nat ingezet)

De analyse is uitgevoerd door RPS analyse: vestiging Breda Onderzoeksmethode: conform NEN 5898. (Monstername conform: NEN 5707) Droog gewicht <20mm (kg)

17,724

Gewicht

Gew mat

N

kg

gram

8-20 mm

1,448

0,000

#4-8 mm #2-4 mm #1-2 mm #0,5-1 mm #< 0,5 mm #Totaal

1,013 0,392

Percentage grond onderzocht

Chrysotiel

Amosiet

Crocidoliet

Hechtgebonden

Niet hechtgebonden

Totaal

%

mg

mg

mg

mg

mg

mg

0

100,0

-

-

-

-

-

-

0,000

0

100,0

-

-

-

-

-

-

0,000

0

100,0

-

-

-

-

-

-

0,518

0,000

0

96,6

-

-

-

-

-

-

1,445

0,000

0

13,8

-

-

-

-

-

-

12,908

0,000

0

-

-

-

-

-

-

-

17,724

0,000

0

-

-

-

-

-

-

Totaal Chrysotiel

Totaal Amosiet

Totaal Crocidoliet

# Totaal asbest (mg/kg d.s.)

-

-

-

-

-

<1,0

# Ondergrens (mg/kg d.s.)

-

-

-

-

-

-

# Bovengrens (mg/kg d.s.)

-

-

-

-

-

-

Droge stof

91,4

% (m/m) *

Totaal Totaal niet hechtgebonden hechtgebonden Totaal asbest

Gewogen asbest (mg/kg d.s.)

-

0,000 ZZ Gew gr20 Aangetroffen asbesthoudend materiaal: Geen

Samira Achahbar Labcoördinator

RPS analyse bv KvK 20059540 BTW NL0089.00.620.B.01

Pagina 3 / 4

V081019_1

Analysecertificaat Datum rapportage

15-10-2019

Monsternummer:

19-168419

Rapportnummer:

1910-0924_01

Ordernummer RPS

1910-0924

Ordernummer opdrachtgever

DV 414717 - DV 414718

Opdrachtgever

AL-West B.V. Dortmundstraat 16-b 7418 BH Deventer

Datum order

07-10-2019

Datum analyse

15-10-2019

Monstergegevens afkomstig van Monsternummer opdrachtgever

Opdrachtgever DV 414718

Barcode

(a99900687606)

Datum monstername Adres monstername Monsternamepunt Opmerking

Ruimtelijke eenheid, RE-02: 0-50

Soort monster

Grond (19,399kg nat ingezet) Asbest in grond NEN5898

Toelichting * Droge stof is volgens eigen methode. - = Niet aantoonbaar < = Het totaal asbest (mg/kg d.s.) bevindt zich onder de bepalingsgrens N = Het aantal stukken asbesthoudend materiaal dat is geteld in het onderzochte deel van de desbetreffende fractie LB > 3 betekent meer dan 3 losse vezels en/of vezelbundels LB <= 3 betekent 1-3 losse vezels en/of vezelbundels Bij aantreffen van NIET-hechtgebonden asbesthoudende materialen wordt 10 gram van de fractie <0,5mm kwalitatief onderzocht. Indien relevant voor het onderzoek dient op deze fractie tevens analyse m.b.v. SEM/EDX uitgevoerd te worden. De resultaten hebben uitsluitend betrekking op het aangeboden monster. Opmerking: indien de monstername uitgevoerd is door derden is RPS analyse bv niet verantwoordelijk voor de representativiteit van de monstername. Boven- en ondergrenzen zijn bepaald m.b.v. het 95% betrouwbaarheidsinterval. Alleen aan het originele complete analyse certificaat kunnen rechten worden ontleend. Analyses conform NEN5898 worden uitgevoerd onder AS3000; pakket 3070/3270 en AP04-A; pakket SG6/SB5.

Samira Achahbar Labcoördinator

RPS analyse bv KvK 20059540 BTW NL0089.00.620.B.01

Pagina 4 / 4

BIJLAGE 4 Toetsingskader

Toetsingskader vaste bodem en grondwater Circulaire bodemsanering 2009 per 1 juli 2013: Streefwaarden grondwater, Interventiewaarden bodemsanering, Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging, bodemtypecorrectie en meetvoorschriften. Bron: Het toetsingskader is afkomstig uit de “Circulaire bodemsanering 2009 per juli 2013” (staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). In deze bijlage zijn in tabel 1 streefwaarden grondwater en interventiewaarden voor zowel grond als grondwater opgenomen. In tabel 2 zijn indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging (INEV’s) en indien beschikbaar streefwaarden voor grondwater opgenomen. Voorafgaande aan deze tabel is een toelichting op de INEV’s opgenomen. Deze bijlage eindigt met de formules voor bodemtypecorrectie en instructies voor de toepassing.

A: Streefwaarden grondwater en interventiewaarden bodemsanering Streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De getallen voor de streefwaarde grondwater zijn één op één overgenomen uit de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000). De streefwaarden zijn afgeleid binnen het project Integrale Normstelling Stoffen (INS) en zijn in december 1997 gepubliceerd (Ministerie van VROM, Integrale Normstelling Stoffen, Milieukwaliteitsnormen bodem, water, lucht, 1997). Met enkele uitzonderingen zijn de INS-streefwaarden overgenomen. De INS-streefwaarden zijn zoveel mogelijk risico-onderbouwd en gelden voor individuele stoffen. Voor metalen wordt er onderscheid gemaakt tussen diep en ondiep grondwater. Reden hiervoor is het verschil in achtergrondconcentraties tussen diep en ondiep grondwater. Als grens tussen diep en ondiep grondwater wordt een arbitraire grens van 10 m gebruikt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze grens indicatief is. Indien informatie voorhanden is dat een andere grens aannemelijk is voor de te beoordelen locatie, dan kan een andere grens genomen worden. Hierbij valt te denken aan informatie over de grens tussen het freatische grondwater en het eerste watervoerend pakket.

• Voor ondiep grondwater (< 10 m) zijn de MILBOWA-waarden als streefwaarden overgenomen. Deze zijn gebaseerd op achtergrondconcentraties en gelden hierbij als handreiking. • Voor diep grondwater (> 10 m) worden de in INS voorgestelde streefwaarden overgenomen. Dit betekent dat de streefwaarde bestaat uit de van nature aanwezige achtergrondconcentratie (AC) plus de Verwaarloosbare Toevoeging. Hierbij worden de in INS opgenomen achtergrondconcentraties als handreiking gegeven. In beide gevallen geldt dat de gegeven achtergrondconcentratie als handreiking moet worden gezien. Indien informatie voorhanden is over de locale achtergrondconcentratie dan kan deze in combinatie met de Verwaarloosbare Toevoeging als streefwaarde worden gebruikt. Meer informatie over achtergrondconcentraties van metalen in verschillende gebieden in Nederland is te vinden in RIVM-rapport nummer 711701017. De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. De interventiewaarden grond voor de eerste tranche stoffen zijn geëvalueerd.

Er zijn nieuwe voorstellen voor interventiewaarden gedaan die zijn opgenomen in tabel 7.1 van het RIVM-rapport 711701023 (febr 2001). Voor een aantal stoffen van de eerste tranche zijn de nieuw voorgestelde interventiewaarden op basis van beleidsmatige overwegingen aangepast. De normaan-passingen zijn beschreven in het NOBO-rapport: VROM, 2008: NOBO: Normstelling en bodemkwali-teitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. De interventiewaarden grond voor de andere tranches zijn niet geëvalueerd en blijven gelijk aan de interventiewaarden grond zoals opgenomen in de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000). De interventiewaarden grond gelden voor droge bodem. Voor bodems of oevers van een oppervlaktewaterlichaam zijn aparte interventiewaarden opgesteld die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit (Staatscourant 20 december 2007, nr. 247). De interventiewaarden grondwater zijn niet herzien en overgenomen uit de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000).

1

Tabel 1: Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater gehalten in grond zijn weergegeven voor standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum)

Streefwaarde Landelijke achter- Streefwaarde grond concentratie

Stofnaam

Interventiewaarden

ondiep

diep (AC)

diep (incl. AC)

(<10 m –mv)

(>10 m –mv)

(>10 m –mv)

grondwater 7 ( g/l)

grondwater ( g/l)

grondwater 7 ( g/l)

grond (mg/kg d.s.)

grondwater ( g/l)

10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65

0,09 7 200 0,6 2,4 0,6 1,3 1,6 0,7 2,1 24

0,15 7,2 200 0,06 2,5 0,7 1,3 0,01 1,7 3,6 2,1 24

22 76 -8 13 180 78 190 190 36 4 530 190 100 720

20 60 625 6 30 100 75 0,3 75 300 75 800

1. Metalen Antimoon Arseen Barium Cadmium Chroom Chroom III Chroom VI Kobalt Koper Kwik Kwik (anorganisch) Kwik (organisch) Lood Molybdeen Nikkel Zink

Streefwaarde grondwater 7 ( g/l)

Interventiewaarden grond grondwater

2. Overige anorganische stoffen Chloride (mg CL/l) Cyanide (vrij) Cyanide (complex) Thiocyanaat

100 mg/l 5 10 -

20 50 20

1.500 1.500 1.500

0,2 4 7 0,2 6 0,2 0,2

1,1 110 32 17 86 14 13

30 150 1000 70 300 2000 200

0,01 0,003* 0,0007* 0,003 0,003* 0,0001* 0,0005* 0,0004* 0,0004* 0,0003 -

40

70 5 5 1 0,2 0,5 0,05 0,05 0,05 0,05 -

0,01 0,01 7 7 0,01 0,01 0,8 6 0,01 0,01 24 0,01 0,01

0,1 3,9 15 6,4 0,3 1 2 5,6 15 10 2,5 0,7 8,8

5 1.000 900 400 10 20 80 400 300 130 500 10 40

3. Aromatische verbindingen Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) 1 Styreen (vinylbenzeen) Fenol Creosolen (som) 1

4. PAK’s Naftaleen Fenantreen Antraceen Fluorantheen Chryseen Benzo(a)antraceen Benzo(a)pyreen Benzo(k)fluorantheen Indeno(1,2,3cd)pyreen Benzo(ghi)peryleen PAK’s (totaal) (som 10)1

5. Gechloreerde Koolwaterstoffen A: (vluchtige) koolwaterstoffen Monochlooretheen (Vinylchloride)2 Dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen2 1,2-dichlooretheen (som)1 Dichloorpropanen (som)1 Trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan Trichlooretheen (Tri) Tetrachloormethaan (Tetra) Tetrachlooretheen (Per)

2

Tabel 1: Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater Streefwaarde grondwater 7 ( g/l) 5. Gechloreerde Koolwaterstoffen (vervolg)

Interventiewaarden grond grondwater

b. chloorbenzenen5 Monochloorbenzeen Dichloorbenzenen (som)1 Trichloorbenzenen (som)1 Tetrachloorbenzenen (som)1 Pentachloorbenzenen Hexachloorbenzeen

7 3 0,01 0,01 0,003 0,00009*

15 19 11 2,2 6,7 2,0

180 50 10 2,5 1 0,5

0,3 0,2 0,03* 0,01* 0,04*

5,4 22 22 21 12

100 30 10 10 3

0,01*

1

0,01

-

50 0,00018 23

30 nvt6 6

0,02 ng/l* 0,004 ng/l* 0,009 ng/l* 0,1 ng/l* 0,04 ng/l* 0,2 ng/l* 33 ng/l 8 ng/l 9 ng/l 0,05 0,005 ng/l* 0,005 ng/l*

4 1,7 2,3 34 0,32 4 4 17 1,6 1,2 4 4

0,2 0,01 0,1 5 1 0,3 3

0,05* – 16 ng/l

2,5

0,7

0,02

4

50

29 ng/l 2 ng/l* 2 9 ng/l

0,71 0,45 0,017

150 50 100

0,5 0,5 50 0,5 0,5 0,5 -

100 150 82 53 17 36 48 220 60 5.000 11 7 8,8 75

15.000 5 600 30 300 5.000 630

c. chloorfenolen5 Monochloorfenolen(som)1 Dichloorfenolen(som)1 Trichloorfenolen(som)1 Tetrachloorfenolen(som)1 Pentachloorfenol

d. polychloorbifenylen (PCB’s) PCB’s (som 7) 1

e. Overige gechl. koolwaterstoffen Monochlooranilinen (som)1 Dioxine (som I-TEQ)1 Chloornaftaleen (som)1

6. Bestrijdingsmiddelen a.organochloorbestrijdingsmiddelen Chloordaan (som)1 DDT (som)1 DDE (som)1 DDD (som)1 DDT/DDE/DDD (som)1 Aldrin Dieldrin Endrin Drins (som)1 -endosulfan -HCH -HCH -HCH (lindaan) HCH-verbindingen (som)1 Heptachloor Heptachloorepoxide (som)1

b. organofosforpesticiden -

c. organotin bestrijdingsmiddelen Organotinverbindingen (som)1

d.chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden MCPA

e. overige bestrijdingsmiddelen Atrazine Carbaryl Carbofuran

7. Overige stoffen Asbest3 Cyclohexanon Dimethyl ftalaat Diethyl ftalaat Di-isobutyl ftalaat Dibutyl ftalaat Butyl benzylftalaat Dihexyl ftalaat Di(2-ethylhexyl)ftalaat Ftalaten (som)1 Minerale olie4 Pyridine Tetrahydrofuran Tetrahydrothiofeen Tribroommethaan (bromoform)

3

Toelichting voetnoten tabel 1 * Getalswaarde beneden de detectielimiet/bepalingsondergrens of meetmethode ontbreekt. 1

Voor de samenstelling van de somparameters wordt verwezen naar bijlage N van de Regeling bodemkwaliteit (VROM, 2007). Bij het berekenen van een somwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten < vereiste rapportagegrens AS3000 vermenigvuldigd met 0,7. Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat < vereiste rapportagegrens AS3000 hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond of het grondwater voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarde. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens. Het verkregen toetsingsresultaat, op basis van een berekende somwaarde waarin voor een of meer individuele componenten is gerekend met een waarde van 0,7 maal de rapportagegrens, heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet in die mate is verontreinigd als het toetsingsresultaat aangeeft. Dit geldt bijvoorbeeld als bij een meting van PAK in het grondwater alleen naftaleen in een licht verhoogde concentratie is aangetoond en de overige PAK een waarde ‘< vereiste rapportagegrens AS3000’ hebben.

Voor die overige PAK worden dan relatief hoge gehalten berekend (door de vermenigvuldiging met 0,7), waarvan kan worden onderbouwd dat die gehalten niet in het grondwater aanwezig zullen zijn gezien de immobiliteit van de betreffende stoffen. 2

De Interventiewaarde voor grond voor deze stoffen is gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen in grond moet tevens het grondwater worden onderzocht.

3

Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest).

4

De definitie van minerale olie wordt beschreven bij de analysenorm. Indien er sprake is van verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan dient naast het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen te worden bepaald. Met deze somparameter is om praktische redenen volstaan. Nadere toxicologische en chemische differentiatie wordt bestudeerd.

5

Voor grondwater zijn effecten van PAK’s, chloorbenzenen en chloorfenolen indirect, als fractie van de individuele interventiewaarde, optelbaar (dat wil zeggen 0,5 x interventiewaarde stof A heeft evenveel effect als 0,5 x interventiewaarde stof B). Dit betekent dat een somformule gebruikt moet worden om te beoordelen of van overschrijding van de interventiewaarde sprake is. Er is sprake van overschrijding van de interventiewaarde voor de som van een groep stoffen indien (Ci/Ii) >1, waarbij Ci = gemeten concentratie van een stof uit een betreffende groep en Ii = interventiewaarde voor de betreffende stof uit de betreffende groep.

6

Voor grondwater is er een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging.

7

De Streefwaarden grondwater voor een aantal stoffen zijn lager dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze Streefwaarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Het hanteren van een strengere rapportagegrens mag ook, mits de gehanteerde analysemethode voldoet aan AS3000. Bij het beoordelen van het meetresultaat ‘< rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van het grondwater voldoet aan de Streefwaarde. Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), moet dit gehalte aan de Streefwaarde worden getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000.

8

De norm voor barium is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg d.s. Deze voormalige interventiewaarde is op dezelfde manier onderbouwd als de interventiewaarden voor de meeste andere metalen en is voor barium inclusief een natuurlijk achtergrondgehalte van 190 mg/kg d.s.

9

Indien het laboratorium een waarde ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (hoger dan de rapportagegrens AS3000), dan dient de betreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde (of hiermee berekende somwaarde) wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Een dergelijke verhoogde rapportagegrens kan optreden bij de analyse van een zeer sterk verontreinigd monster of een monster met afwijkende samenstelling. Het zo verkregen toetsingsresultaat heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet goed kan worden beoordeeld.

4

B: Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging (INEV’S) Voor de stoffen in tabel 2 zijn indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging opgenomen. Het betreffen stoffen van de tweede, derde en vierde tranche afleiding interventiewaarden. Op basis van twee redenen is een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging aangegeven en geen interventiewaarde: 1. er zijn geen gestandaardiseerde meet- en analysevoorschriften beschikbaar of binnenkort te verwachten; 2. de ecotoxicologische onderbouwing van de interventiewaarde is niet aanwezig of minimaal en in het laatste geval lijkt het erop dat de ecotoxicologische effecten kritischer zijn dan de humaan-toxicologische effecten. De ecotoxicologische onderbouwing dient te voldoen aan de volgende criteria: a. er dienen minimaal 4 toxiciteitsgegevens beschikbaar te zijn voor minimaal twee taxonomische groepen; b. voor metalen dienen alle gegevens betrekking te hebben op het compartiment bodem; c. voor organische stoffen mogen maximaal twee gegevens via evenwichtspartitie uit gegevens voor het compartiment water zijn afgeleid; d. er dienen minimaal twee gegevens voor individuele soorten beschikbaar te zijn.

Indien aan een of meerdere van deze criteria niet is voldaan en indien ecotoxicologische effecten kritischer zijn dan humaantoxicologische effecten, wordt volstaan met het vaststellen van een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging. De indicatieve niveaus hebben een grotere mate van onzekerheid dan de interventiewaarden. De status van de indicatieve niveaus is daarom niet gelijk aan de status van de interventiewaarde. Over- of onderschrijding van de indicatieve niveaus heeft derhalve niet direct consequenties voor wat betreft het nemen van een beslissing over de ernst van de verontreiniging door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag dient daarom naast de indicatieve niveaus ook andere overwegingen te betrekken bij de beslissing of er sprake is van ernstige verontreiniging. Hierbij kan gedacht worden aan: • nagaan of er op basis van andere stoffen sprake is van ernstige verontreiniging en spoed tot saneren. Op verontreinigde locaties komen vaak meerdere stoffen tegelijk voor. Indien voor andere stoffen wel interventiewaarden zijn vastgesteld kan op basis van deze stoffen nagegaan worden of er sprake is van ernstige verontreiniging en spoed tot saneren. In zo’n geval is een risicoschatting voor de stoffen waarvoor slechts een indicatief niveau is aangegeven minder relevant.

Indien op basis van andere stoffen geen sprake blijkt te zijn van ernstige verontreiniging en spoed tot saneren, is een risicoschatting voor de stoffen waarvoor slechts een indicatief niveau is aangegeven wel belangrijk; • een ad hoc bepaling van de actuele risico’s. Bij de bepaling van actuele risico’s ten behoeve van het vaststellen van de spoed tot saneren spelen naast toxicologische criteria ook andere locatiegebonden factoren een rol. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de blootstellingmogelijkheden, het gebruik van de locatie of de oppervlaktes van de verontreiniging. Dergelijke factoren kunnen vaak goed bepaald worden waardoor het ondanks de onzekerheid met betrekking tot de indicatieve niveaus toch mogelijk is een redelijke schatting van de actuele risico’s uit te voeren. Het verdient aanbeveling hierbij gebruik te maken van bioassays, omdat hiermee niet alleen de onzekerheden in de ecotoxicologische onderbouwing maar ook de onzekerheden ten gevolge van het gestandaardiseerde meet- en analysevoorschriften ontweken worden. • aanvullend onderzoek naar de risico’s van de stof. Er kunnen aanvullende toxiciteitexperimenten uitgevoerd worden om een betere schatting van de risico’s van de stof te kunnen maken. De INEV’s zijn niet geëvalueerd en blijven gelijk aan de INEV’s zoals opgenomen in de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering (2000).

Enkele voormalige interventiewaarden zijn omgezet in INEV’s. Dit wordt toegelicht in het NOBO-rapport: VROM, 2008, in druk: NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. Alleen voor MTBE is het INEV voor grondwater aangepast naar de waarde die is genoemd in de Circulaire zorgplicht Wbb bij MTBE- en ETBE-verontreinigingen (Staatscourant 18 december 2008, nr. 2139).

5

Tabel 2: Streefwaarden grondwater en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging 6 gehalten in grond zijn weergegeven voor standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum)

Streefwaarde 4

Stofnaam

grondwater ( g/l) ondiep4

diep4

(<10 m –mv)

(>10 m –mv)

-

0,05* 0,07 2* 2,2* 1,2 -

Interventiewaarden grond (mg/kg d.s.)

grondwater ( g/l)

30 100 600 15 900 250 15

15 160 70 7 50 70 40

1. Metalen Beryllium Seleen Tellurium Thallium Tin Vanadium Zilver

Streefwaarde grondwater 7 ( g/l)

Interventiewaarden grond (mg/kg d.s.) grondwater ( g/l)

3. Aromatische verbindingen Dodecylbenzeen Aromatische oplosmiddelen1 Dihydroxybenzenen (som)3 Catechol (o-dihydroxybenzeen) Resorcinol (m-dihydroxybenzeen) Hydrochinon (p-dihydroxybenzeen)

0,2 0,2 0,2

1.000 200 8 -

0,02 150 1.250 600 800

-

50 10 30 10 15 nvt 5

100 10 10 1 350 0,001 ng/l

0,1 ng/l * 0,05 ng/l*

2 22

2 0,1

0,08 -

0,1 30 200 75 270 100 0,1 220 30 35 100

5 5.600 6.300 15.000 13.000 5.500 50 31.000 24.000 6.000 9.400

5. Gechloreerde Koolwaterstoffen Dichlooranilinen Trichlooranilinen Tetrachlooranilinen Pentachlooranilinen 4-chloormethylfenolen Dioxine (som I-TEQ)2

6. Bestrijdingsmiddelen Azinfosmethyl Maneb

7. Overige stoffen Acrylonitril Butanol butylacetaat Ethylacetaat Diethyleen glycol Ethyleen glycol Formaldehyde Isopropanol Methanol Methylethylketon Methyl-tert-buthyl ether (MTBE)

Toelichting voetnoten tabel 2 * Getalswaarde beneden de detectielimiet/bepalingsondergrens of meetmethode ontbreekt. 1

Onder aromatische oplosmiddelen wordt een standaardmengsel van stoffen, aangeduid als ‘C9-aromatic naphta’ verstaan zoals gedefinieerd door de International Research and Development Corporation: o-xyleen 3,2%, i-isopropylbenzeen 2,74%, n-propylbenzeen 3,97%, 1-methyl-4-ethylbenzeen 7,05%, 1-methyl-3ethylbenzeen 15,1%, 1-methyl-2-ethylbenzeen 5,44%, 1,3,5-trimethylbenzeen 8,37%, 1,2,4-trimethylbenzeen 40,5%, 1,2,3-trimetylbenzeen 6,18% en > alkylbenzenen 6,19%. 2

Voor de samenstelling van de somparameters wordt verwezen naar bijlage N van de Regeling bodemkwaliteit (VROM, 2007). Bij het berekenen van een somwaarde worden voor de individuele componenten de resultaten < vereiste rapportagegrens AS3000 vermenigvuldigd met 0,7. Indien alle individuele waarden als onderdeel van de berekende waarde het resultaat < vereiste rapportagegrens AS3000 hebben, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond of het grondwater voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarde. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens. Het verkregen toetsingsresultaat, op basis van een berekende somwaarde waarin voor een of meer individuele componenten is gerekend met een waarde van 0,7 maal de rapportagegrens, heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet in die mate is verontreinigd als het toetsingsresultaat aangeeft.

6

3

Onder dihydroxybenzenen (som) wordt verstaan: de som van catechol, resorcinol en hydrochinon.

4

De Streefwaarden grondwater voor een aantal stoffen zijn lager dan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Dit betekent dat deze Streefwaarden strenger zijn dan het niveau waarop betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten. De laboratoria moeten minimaal voldoen aan de vereiste rapportagegrens in AS3000. Het hanteren van een strengere rapportagegrens mag ook, mits de gehanteerde analysemethode voldoet aan AS3000. Bij het beoordelen van het meetresultaat ‘< rapportagegrens AS3000’ mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van het grondwater voldoet aan de Streefwaarde. Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), moet dit gehalte aan de Streefwaarde worden getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens AS3000.

5

Voor grond is er een interventiewaarde.

6

Indien het laboratorium een waarde ‘< dan een verhoogde rapportagegrens’ aangeeft (hoger dan de rapportagegrens AS3000), dan dient de betreffende verhoogde rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde (of hiermee berekende somwaarde) wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Een dergelijke verhoogde rapportagegrens kan optreden bij de analyse van een zeer sterk verontreinigd monster of een monster met afwijkende samenstelling. Het zo verkregen toetsingsresultaat heeft geen verplichtend karakter. De onderzoeker heeft de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet goed kan worden beoordeeld.

C: Bodemtypecorrectie Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem worden de in de tabellen opgenomen waarden voor standaardbodem omgerekend naar de waarden voor de betreffende bodem gebruik makende van de gemeten gehalten aan organische stof en lutum. De omgerekende waarden kunnen vervolgens met de gemeten gehalten worden vergeleken.

Metalen Bij de omrekening voor metalen kan gebruik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrectieformule: (IW)b = (IW)sb x [{A + (B x % lutum) + (C x % organische stof)} / {A + (Bx25) + (C x 10)}] Waarin: (IW)b (IW)sb %lutum

= interventiewaarde voor de te beoordelen bodem; = interventiewaarde voor standaardbodem; = gemeten percentage lutum in de te beoordelen bodem. Voor bodem met een gemeten lutumgehalte van minder dan 2% wordt met een lutumgehalte van 2% gerekend; % org. stof = gemeten percentage organische stof in de te beoordelen bodem Voor bodem met een gemeten organisch stofgehalte van minder dan 2% wordt met een organisch stofgehalte van 2% gerekend; A, B, C = stofafhankelijke constanten voor metalen (zie hieronder); Tabel 3: Stofafhankelijke constanten voor metalen: Stof

A

Arseen Barium Beryllium Cadmium Chroom Kobalt Koper Kwik Lood Nikkel Tin Vanadium Zink

15 30 8 0,4 50 2 15 0,2 50 10 4 0, 12 50

B 0,4 5 0,9 0,007 2 0,28 0,6 0,0034 1 1 6 1,2 3

C 0,4 0 0 0,021 0 0 0,6 0,0017 1 0 0 0 1,5

7

Organische verbindingen De interventiewaarden en indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging voor organische verbindingen, zijn afhankelijk van het organische stofgehalte. Bij omrekening voor organische verbindingen, met uitzondering van PAK’s, kan gebruik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrectieformule: (IW)b = (IW)sb x (% organische stof / 10) Waarin: (IW)b (IW)sb % org. stof

= interventiewaarde voor de te beoordelen bodem; = interventiewaarde voor standaardbodem; = gemeten percentage organische stof in de te beoordelen bodem. Voor bodems met gemeten percentage organische stofgehalten van meer dan 30% respectievelijk minder dan 2% worden gehalten van respectievelijk 30% en 2% aangehouden.

PAK’s Voor interventiewaarde PAK’s wordt geen bodemtypecorrectie voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% en bodems met een organisch stofgehalte boven de 30% toegepast. Voor bodems met een organisch stofgehalte tot 10% wordt een interventiewaarde van 40 mg/kg d.s. en voor bodems met een organisch stofgehalte vanaf 30% een interventiewaarde van 120 mg/kg d.s. gehanteerd. Tussen de 10% en 30% organische stof gehalte kan gebruik gemaakt worden van de volgende bodemtypecorrectieformule: (IW)b = 40 x (% organische stof / 10) Waarin: (IW)b = interventiewaarde voor de te beoordelen bodem % organische stof = gemeten percentage organische stof in de te beoordelen bodem.

D: Meetvoorschriften De te hanteren analysemethoden zijn opgenomen in Bijlage L, behorende bij artikel 1.1 (versie 30 november 2007) van de Regeling bodemkwaliteit. Staatscourant 20 december 2007, nr. 247, pag 67.

8

BIJLAGE 5 Monsternemingsplan en -formulier asbest

BIJLAGE 6 Historische informatie

BODEMINFORMATIECHECK Dit formulier bevat de bij het team Woon- en Leefomgeving van de gemeente Rheden bekende gegevens over de bodemkwaliteit van onderstaande locatie en gegevens van activiteiten die daarop van invloed kunnen zijn geweest.

Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp Kadastraal: gemeente Velp, sectie F, nr. 2894 Met betrekking tot deze locatie en de aangrenzende percelen (tot een maximum van 50 meter) zijn de volgende archieven geraadpleegd.  Squit XO-Bodem. Dit systeem bevat alle bij de gemeente Rheden bekende bodemonderzoeken, alle bekende particuliere ondergrondse tanks en alle voormalige bedrijven in de gemeente Rheden die vanaf 1880 een Hinderwet- of milieubeheervergunning hebben gehad, aangevuld met adressen uit de Kamer van Koophandellijst m.b.t. potentieel ernstig verontreinigende bedrijfsactiviteiten.  Nota Bodembeheer. In deze nota staat weergegeven wat de globale bodemkwaliteit van (delen van) de gemeente is. Daarbij is geen rekening gehouden met lokale verontreinigingsbronnen.  Bouwfiches. Hier zijn de afgegeven bouwvergunningen te vinden. Er is specifiek gekeken naar bedrijfsgebouwen.  Risicokaart explosieven. Hierop staan de gebieden aangegeven waar door gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog mogelijk explosieven zijn terechtgekomen. De kaart houdt geen rekening met naoorlogse werkzaamheden in de bodem. ONDERGRONDSE TANKS Op of grenzend aan de locatie zijn geen ondergrondse brandstoftank(s) bekend. Op en/of grenzend aan de locatie is/zijn de volgende ondergrondse brandstoftank(s) bekend: Adres Waldeck Pyrmontlaan 2

Inhoud in m³ 5

Soort inhoud HBO

Arnhemsestraatweg 26

?

HBO

Arnhemsestraatweg 28

?

HBO

Status tank Op 16 februari 2012 is de tank inwendig gereinigd en verwijderd (KIWA). Tevens is toen 200 kg licht verontreinigde grond verwijderd. Inwendig gereinigd en gevuld met zand (KIWA, 10 december 1998). De ontluchting is blijven zitten. Op 1 februari 1993 is de tank inwendig gereinigd en gevuld met zand (KIWA).

INFORMATIE UIT HET MILIEU- EN BOUWVERGUNNINGENARCHIEF Over de locatie en de aan de locatie grenzende percelen is geen bodemrelevante informatie bekend. Over de locatie en/of over de aan de locatie grenzende percelen is de volgende bodemrelevante informatie bekend: Adres

Informatie

Formulier Bodeminformatiecheck Rheden (versie 20190702)

1/4

BODEMONDERZOEKEN Op of grenzend aan de locatie zijn geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Op en/of nabij de locatie zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: Naam /adres

Waldeck Pyrmontlaan 1

Soort onderzoek

Verkennend onderzoek (W+B, 940603#./36/590) Rapport- AA027502725 Verkennend onderzoek (W+B, Rhe16.1/36/590) code AA027500337 Verkennend onderzoek (W+B, Rhe16.1/27/2435) AA027500338 Nader onderzoek (W+B, 951103#./44/386) AA027502726 Aanvullend onderzoek (W+B, Rhe16.2/44/386) AA027500339 Saneringsplan (W+B, Rhe16.3) AA027500340 Saneringsplan (W+B, RHE16-5/djc/008) AA027500341 Evaluatie (W+B, RHE16-6/doea/003) AA027500342 Briefrapport (W+B, RHE16-7/posm/003) AA027500343 Briefrapport sanering (W+B, RHE16-8/posm/005) AA027500344 Aanvullend onderzoek (Van der Poel, 2014.037) AA027500345 Uit de onderzoeken van 1994 blijkt dat de bovengrond is plaatselijk (op twee plekken) sterk verontreinigd is met lood. Tevens is sprake van lichte verontreinigingen met PAK en zink. De ondergrond is licht verontreinigd met PAK. Er kon geen bron of verdachte activiteiten worden aangewezen.

Verontreinigingsituatie grond (het grondwater is niet onderzocht)

Rapportdatum

1 april 1994 14 juni 1994 9 november ‘94 1 juli 1995 3 november ‘95 12 april 2000 28 april 2004 15 december ‘04 14 april 2006 27 april 2010 5 maart 2014

Volgens de beschikking betreft het een geval van ernstige bodemverontreiniging die niet met spoed gesaneerd hoeft te worden. Waarschijnlijk is de verontreiniging perceelsgrensoverschrijdend (richting Waldeck Pyrmontlaan 3). Volgens het saneringsplan zou de sterke loodverontreiniging aan de zuidzijde van het gebouw middels ontgraving worden verwijderd. De andere verontreiniging (noordzijde van het pand) zou worden gesaneerd door het aanbrengen van een afdeklaag (verharding). Er is eind 2004 een evaluatierapport aangeleverd bij het bevoegd gezag, echter er is geen instemming verkregen omdat slechts één van de twee spots was gesaneerd. In 2004 is opnieuw een saneringsplan ingediend in verband met het verloop van de beschikking, die geldig was tot 12 oktober 2006. Er is echter geen evaluatieverslag ingediend met betrekking tot deze nog te saneren verontreiniging. Uit het in 2014 verrichte onderzoek blijkt dat de eerder aangetroffen sterke loodverontreiniging blijkt te zijn afgegraven en verwijderd. Er blijkt geen sprake meer van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het is niet meer te achterhalen wie de verontreiniging heeft afgegraven en waar de verontreinigde grond naar toe is gebracht.

Formulier Bodeminformatiecheck Rheden (versie 20190702)

2/4

Naam /adres Soort onderzoek Verontreinigingssituatie grond Verontreinigingssituatie grondwater

Waldeck Pyrmontlaan 2

Rapport- 26 jan. 2012 datum BOOT (Moerdijk Bodemsanering, Rapport- AA027502091 519.228.121.r1) code Betreft onderzoek voorafgaand aan sanering van de ondergrondse HBO-tank. Bij het vulpunt werd een lichte olieverontreiniging aangetroffen. In de ondergrond werd geen olie aangetroffen. Niet onderzocht

Mogelijk zijn in de omgeving grondwaterverontreinigingen aanwezig die invloed hebben op de locatie. Met de verrichte check is het niet mogelijk alle grondwaterverontreinigingen die (enige) invloed kunnen hebben te vermelden. RISICOKAART EXPLOSIEVEN Op de risicokaart explosieven ligt de locatie in een gebied dat: niet verdacht is in verband met de mogelijke aanwezigheid van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog; verdacht is in verband met de mogelijke aanwezigheid van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. De mogelijke aanwezigheid van explosieven levert bij het gewone gebruik van het perceel (spelen, tuinonderhoud, wonen, lopen) geen risico op. Wanneer er gegraven gaat worden (aanleg vijver, graven bouwput e.d.) kan er wel sprake zijn van risico. Bent u voornemens om graafwerkzaamheden uit te (laten) voeren dan is het verstandig om een onderzoek naar explosieven te laten doen en na te gaan of er na de oorlog ter plaatse misschien al zo veel gegraven is, dat de kans op het nog steeds aanwezig zijn van explosieven verwaarloosbaar is. NOTA BODEMBEHEER (actualisatie in werking getreden op 11-12-2018) In al lang bewoonde gebieden is bijna altijd een vorm van (diffuse) bodemverontreiniging aanwezig. Een duidelijke oorzaak voor deze achtergrondverontreiniging is niet aan te wijzen.

Uit onderzoek naar de ruimtelijke verdeling van deze verontreiniging is gebleken dat binnen de gemeente Rheden een aantal gebieden kan worden onderscheiden met een onderling verschillende mate van achtergrondverontreiniging. Deze zogenoemde bodemkwaliteitszones zijn als volgt ingedeeld (gerangschikt naar toenemende mate van achtergrondverontreiniging): voldoet aan de achtergrondwaarde; voldoet aan de maximale waarde wonen; voldoet aan de maximale waarde industrie – Stedelijk Wonen; voldoet aan de maximale waarde industrie – Traverse Dieren; is sterker verontreinigd dan de maximale waarde industrie. Let op! De Nota Bodembeheer van de gemeente Rheden is NIET van toepassing op locaties: waar op basis van bepaalde (vroegere) (bedrijfs)activiteiten en/of reeds uitgevoerd bodemonderzoek een verhoogde kans bestaat op de aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming of; die liggen in niet-gezoneerde gebieden of; waar een bodemsanering is uitgevoerd waarbij niet alle verontreiniging volledig is verwijderd en/of waarbij aanvulgrond is gebruikt waarvan de kwaliteit afwijkt van de zonekwaliteit.

Formulier Bodeminformatiecheck Rheden (versie 20190702)

3/4

Geconcludeerd wordt dat op basis van bovenstaande informatie onderhavige locatie kan worden gekwalificeerd als: een van ernstige bodemverontreiniging verdachte locatie waarop de Nota Bodembeheer niet van toepassing is; een niet van ernstige bodemverontreiniging verdachte locatie waarop de Nota Bodembeheer niet van toepassing is (omdat ); een niet van ernstige bodemverontreiniging verdachte locatie waarop de Nota Bodembeheer van toepassing is. De locatie ligt in een bodemkwaliteitszone waarvan: de gemiddelde kwaliteit van de bovengrond voldoet aan de Maximale waarde Industrie Stedelijk Wonen en; de gemiddelde kwaliteit van de ondergrond voldoet aan de Achtergrondwaarde. Met bovengrond wordt de bovenste meter bedoeld en met de ondergrond de bodemlaag van 1 tot 2 meter beneden maaiveld. Dieper dan 2 meter beneden maaiveld is de grond niet ingedeeld. Als de gemiddelde kwaliteit niet voldoet aan de achtergrondwaarde dient bij eventuele afvoer van de grond rekening te worden gehouden met extra kosten. Indien het perceel in de zone ligt met maximale waarde industrie-Stedelijk Wonen, wordt de folder ‘Lood in de Bodem’ meegestuurd. In deze zone is vaak sprake van lood in de bodem. Jonge kinderen zijn gevoelig voor lood. In de folder vindt u tips om risico’s te voorkomen.

BESCHERMINGSGEBIEDEN GRONDWATER De locatie bevindt zich: niet in een gebied waar aanvullende regels gelden in relatie tot grondwaterwinning; binnen de invloedssfeer van grondwaterwingebied De Pinkenberg waardoor er bepaalde restricties aan de orde zijn. De locatie is gelegen in de Boringsvrije zone (en de WKO-vrije zone). BEPERKINGEN BODEMINFORMATIECHECK Bij deze check is slechts een beperkt aantal bronnen geraadpleegd. In de tekst hierboven staat welke bronnen dit zijn. Er is dus niet naar andere bronnen gekeken en er heeft ook geen onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van asbest plaatsgevonden. Deze check geeft niet aan of er wel of geen sprake is van bodemverontreiniging maar geeft slechts inzicht in de bij de gemeente bekende gegevens die de bodemkwaliteit kunnen hebben beïnvloed. Wilt u een volledig historisch onderzoek (een vooronderzoek conform NEN 5725) laten verrichten dan kunt u een Kwalibo-erkend adviesbureau opdracht geven om een dergelijk onderzoek uit te voeren. Hieraan zijn kosten verbonden. Aan deze gegevens kunnen geen rechten worden ontleend. Opgesteld op datum: 25 september 2019

Formulier Bodeminformatiecheck Rheden (versie 20190702)

4/4

Rapport Bodemloket

Datum: 09-10-2019

Legenda

Locatie Voortgang onderzoek

Mijnsteengebieden

1/2

Inhoud 1

Algemeen

2

Disclaimer

1

Algemeen Bij het Bodemloket is geen informatie voor deze locatie beschikbaar over bodemonderzoek en/of sanering. Mogelijk is informatie beschikbaar bij gemeente, omgevingsdienst of provincie.

2

Disclaimer De bodeminformatie omvat alleen informatie die bij de provincie en gemeenten bekend is. Wanneer er geen gegevens op de kaart staan kunnen we niet met zekerheid zeggen dat de ondergrond schoon is. Andersom wijzen historische bedrijfsactiviteiten op de kaart niet zonder meer op bodemverontreiniging. Om daar duidelijkheid in te krijgen moet de bodem verder onderzocht worden. De inhoud van deze bodeminformatiekaart is met de grootste zorg samengesteld. Toch kan het voorkomen dat de informatie verouderd is of onjuistheden bevat. Wij vragen daarvoor uw begrip. Neem voor de meest actuele situatie van een locatie contact op met de gegevensbeheerder van de locatie. De contactgegevens van de gegevensbeheerder staat hierboven. Uw reactie stellen we op prijs. Het geeft ons gelegenheid de fouten en gebreken te herstellen. Rijkswaterstaat beheert de website Bodemloket. Vragen over de werking van de website kunt u stellen via onze helpdesk: http://www.bodemplus.nl/helpdesk.

2/2

TEKENING 1-1 Situatie met monsterpunten

Bijlage 2 Quickscan beschermde soorten, Mertens B.V., juni 2020

69 V elp-Noord, locatie Waldeck P yrmontlaan 4 (ontwerp)

QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN WALDECK PYRMONTLAAN 4 TE VELP

Eindrapport

QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN WALDECK PYRMONTLAAN 4 TE VELP

rapportnummer 2020.3668 juli 2020 In opdracht van: Beekhuizen Onroerend Goed BV Waldeck Waldeck Pyrmontlaan 8 6881NT Velp

Adviesbureau Mertens B.V.

Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Utrechtseweg 120, 6871 DV Renkum 06-29458456 info@adviesbureau-mertens.nl www.adviesbureau-mertens.nl

© Adviesbureau Mertens BV, Renkum, 2020. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Eindrapport juli 2020

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN .............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 5 1.4 OPBOUW RAPPORT ................................................................................................................................... 5

2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ............................................................................................... 6 2.1 WET NATUURBESCHERMING ...................................................................................................................... 6 2.2 RODE LIJST............................................................................................................................................... 6

3. METHODE........................................................................................................................................................... 8

4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING ...................................................................................... 9 4.1 FLORA ...................................................................................................................................................... 9 4.2 VLEERMUIZEN ........................................................................................................................................... 9 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN.............................................................................................................................. 9 4.4 BROEDVOGELS ....................................................................................................................................... 10 4.5 AMFIBIEËN .............................................................................................................................................. 10 4.6 VISSEN ................................................................................................................................................... 11 4.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 11 4.8 OVERIGE ................................................................................................................................................ 11

5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE .................................................................................................................... 12

GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 13

BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 14 1. PLANGEBIED ......................................................................................................................................... 15 2. BEGRIPPEN ........................................................................................................................................... 16 3. VOORWAARDEN ................................................................................................................................... 18

Adviesbureau Mertens

1

Renkum

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Eindrapport juli 2020

1. INLEIDING

1.1 Inleiding

Er is het voornemen voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp (zie figuur 1 voor de globale ligging en bijlage 1 voor de exacte ligging en begrenzing). De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Wageningen gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd.

N▲

Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp.

1.2 Het plangebied en de plannen Aan de Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp is een voormalige kerk gelegen met rondom verhardingen en cultuurgroen. In de noordoosthoek is een kleine schuur gelegen. De kerk stamt uit de jaren 50-60. In dit plangebied ontbreekt het aan oppervlaktewater. Het initiatief bestaat uit de sloop van deze kerk om in dit gebied woningbouw te kunnen realiseren. Voorzien zijn een tweetal woningen. In figuur 2 wordt een beeld gegeven van het plangebied op vrijdag 3 juli 2020.

Adviesbureau Mertens

2

Renkum

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Eindrapport juli 2020

Figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp.

Adviesbureau Mertens

3

Renkum

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Eindrapport juli 2020

Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp.

Adviesbureau Mertens

4

Renkum

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Eindrapport juli 2020

Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp.

1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied aan de Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie? 1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten (hoofdstuk 4). - Een beoordeling van de effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 5). In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen.

Adviesbureau Mertens

5

Renkum

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Eindrapport juli 2020

2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.2) beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).

De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn:  in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren;  ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Gelderland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien.

Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen Adviesbureau Mertens

6

Renkum

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Eindrapport juli 2020 in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.

Adviesbureau Mertens

7

Renkum

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Eindrapport juli 2020

3. METHODE

Op vrijdag 3 juli 2020 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving die gelegen is aan de Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen.

Adviesbureau Mertens

8

Renkum

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp. Eindrapport juli 2020

4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING 4.1 Flora Het plangebied aan de Waldeck Pyrmontlaan 4 te Velp is volledig in cultuur gebracht. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 3 juli 2020 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. 4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In de voormalige kerk zijn geheel geen geschikte openingen aangetroffen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het ontbreekt aan geschikte daklijsten en geschikte beluchtingsgaten om achter of in te kruipen. De daklijsten zitten strak op de muur. In open stootvoegen zijn faunawerende maatregelen getroffen. In de daken (bitumen) zijn geen openingen aangetroffen waarin vleermuizen zich kunnen ophouden.

Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn ook geen sporen van vleermuizen vastgesteld zoals keutels en afgebeten vleugels van vlinders. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Met de sloop van de kerk gaan landschapselementen verloren. De kerk zou van essentiële waarde kunnen zijn als begeleidend element in een eventuele vliegroute. In de omgeving zijn relatief veel gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied en directe omgeving niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger als gevolg van de aanwezige ecotopen (pionierecotopen, verhardingen). Het plangebied is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen ook al wordt het bouwvolume groter. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve foerageerplaatsen aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=c8899761-7bd1-4d8c-812a-6b38052a98be