Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 toelichting (21.24)
Tekst van het document
Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019
2 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
Toelichting
3 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
4 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1
Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding (de kaart) en regels. Door het perceel op te zoeken waarover informatie wordt gewenst, kan worden afgelezen welke bestemming het heeft. In een bestemmingsplan worden de gebruiks- en bouwmogelijkheden van gronden en opstallen aangegeven door middel van kleuren en symbolen, waarbij per object regels zijn gegeven. De regels bevatten de materiële inhoud van de bestemmingen. Uit het samenstel van de verbeelding en de regels blijkt wat juridisch wordt toegestaan. Een bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft geen juridische status.
1.2
Aanleiding bestemmingsplan Tot 2004 heeft initiatiefnemer een bouwbedrijf op het perceel Lentsesteeg 13 gehad. In 2006 is er een aanvraag voor een dubbele woning ingediend. De bouw hiervan paste niet in het bestemmingsplan Buitengebied 1995. Daarom was een planologische procedure nodig. Het doorlopen van de procedure is uitgesteld in afwachting van de herziening van bestemmingsplan Landelijk Gebied. Bestemmingsplan Landelijk Gebied is op 27 januari 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. In bestemmingsplan Landelijk Gebied heeft de bedrijfswoning een woonbestemming gekregen en is er een bouwtitel opgenomen voor twee woningen. In ruil hiervoor zou de voormalige bedrijfshal gesloopt worden. Dit in verband met de regeling van het functieveranderingenbeleid van de toenmalige stadsregio en het toenmalige Streekplan. Dit onderdeel van het bestemmingsplan Landelijk Gebied is vernietigd. Enkele jaren geleden is dit gerepareerd door middel van een apart bestemmingsplan (bestemmingsplan Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg, vastgesteld op 27 januari 2015). Door omschakeling van een nabijgelegen reguliere boomkwekerij naar boomkwekerij met beperkt fruitboomkwekerij is dat bestemmingsplan gedeeltelijk door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd (uitspraak 9 november 2016).
Vervolgens is er onderzoek gedaan naar de aan te houden afstand tussen de boomkwekerij met beperkt fruitboomkwekerij en de woonbestemming. Dit heeft geleid tot een andere situering van het bouwvlak voor de te bouwen woningen. Nieuwe regelgeving open teelt bedrijven Er is na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (9 november 2016) niet direct een nieuw bestemmingsplan in procedure gebracht. Er is gewacht op naderende wijziging in wetgeving met betrekking tot bespuiten van gewassen. Inmiddels zijn de regels voor open teelt-bedrijven aangescherpt. Er dienen bij het bespuiten van gewassen driftreducerende technieken toegepast te worden met een rendement van minimaal 75%. De nieuwe regels zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (Besluit van 23 juni 2017 tot wijziging van het Activiteitenbesluit 5
Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
milieubeheer in verband met de vermindering van emissies van gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw en open teelt) en zijn met ingang van 23 juni 2017 in werking getreden. Hierdoor kan op kortere afstand tot de boomkwekerij gebouwd worden zonder de belangen van de boomkwekerij te schaden en met inachtneming van een goed woon- en leefklimaat. Onderzoeken Er dient rekening gehouden te worden dat de woonbestemming buiten de spuitzone van de boomkwekerij komt te liggen. Hiertoe is onderzoek verricht. Jurisprudentie geeft aan dat er in principe een afstand van 50 m tussen agrarische gronden met open teelt en woningen aangehouden dient te worden. Bij deze afstand wordt er van uitgegaan dat de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Onder omstandigheden kan van de afstand van 50 meter afgeweken worden. Dit dient dan nader onderzocht en onderbouwd te worden. Daarbij spelen onder andere driftreducerende middelen en het soort gewasbeschermingsmiddel een rol. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt nader ingegaan op het uitgevoerde onderzoek naar de spuitzone. Het plan is ruimtelijk aanvaardbaar omdat voldaan wordt aan de afstand die uit een oogpunt van een milieuzonering (scheiding tussen hinderveroorzakende functies en hindergevoelige functie) wordt gehanteerd.
Niet is uit onderzoek gebleken dat belemmeringen aanwezig zijn bij de aangehouden afstand. Procedure Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 18 april 2019 tot en met 29 mei 2019 ter inzage gelegen. Er zijn vier zienswijzen ingediend. Het vastgestelde bestemmingsplan heeft vervolgens ter inzage gelegen van 8 april 2020 tot en met 20 mei 2020. Door de naastgelegen boomkweker is beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft op 3 november 2021 uitspraak gedaan en heeft de raad van de gemeente Rheden opgedragen om binnen 26 weken een geconstateerd gebrek te herstellen. Het uitgevoerde spuithinderonderzoek van SPA ingenieurs is gebaseerd op het Plant Research International (PRI) rapport 609 uit 2015. Uit een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018 volgt dat deze geen deugdelijke basis voor een locatiespecifiek onderzoek biedt. Het rapport van SPA is daardoor geactualiseerd waarbij wordt uitgegaan van het PRI-rapport 441 uit 2012. De STAB heeft opgemerkt dat dat laatste PRI-rapport evenmin een deugdelijke grondslag biedt voor locatiespecifiek onderzoek.
Hierdoor kan de vraag niet beantwoord worden in welke mate de groensingel de gebruikers van de percelen aan Lentsesteeg 13-15 zal beschermen tegen drift en is niet duidelijk welke minimale afstand van de boomkwekerij tot aan die percelen in acht moet worden genomen om aldaar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Er is niet op een andere wijze onderzocht in hoeverre de gezondheidsrisico's ter plaatse van Lentsesteeg 13-15 in de weg staan aan het gebruik van de boomkwekerij. De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen 26 weken het geconstateerde gebrek te herstellen door een nieuw onderzoek waarbij rekening wordt gehouden met 6 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
de verplichting om een techniek met driftreductie van tenminste 75%. Ook moet aandacht worden besteed aan de minimale optische dichtheid die de groensingel moet hebben en hoe die optische dichtheid kan en moet worden bereikt.
1.3
Ligging plangebied Het plan heeft betrekking op het perceel Lentsesteeg 13 en 15 ten westen van de Lentsesteeg. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Rheden en is op onderstaande kaart globaal aangeduid. Het vorige bestemmingsplan dat opgesteld is om woningbouw aan Lentsesteeg 13-15 mogelijk te maken omvatte ook de boomkwekerij aan de oostzijde van de Lentsesteeg. Nu dat deel bij de laatste uitspraak van de Afdeling in stand is gebleven, wordt dat nu niet meegenomen in het onderhavige bestemmingsplan.
Afbeelding: ligging plangebied in de omgeving
7 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
1.4
Geldende bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied gelegen ten westen van de Lentesteeg (het onderhavige plangebied) geldt het bestemmingsplan Buitengebied 1995 Rheden dat op 28 november 1995 is vastgesteld en op 10 juli 1996 is goedgekeurd. In de uitspraak van 9 november 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het besluit van 27 januari 2015 (vaststelling bestemmingsplan) voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Wonen" vernietigd. Hierdoor blijft voor dat plandeel het bestemmingsplan "Buitengebied 1995 Rheden" gelden.
uitsnede plankaart bestemmingsplan Buitengebied 1995 Rheden
8 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan
2.1
De locatie Het bestemmingsplan heeft betrekking op een gedeelte van het kadastrale perceel Velp, sectie B, nummer 746. Hieronder is een uittreksel van de grootschalige basiskaart voor de omgeving van het plangebied weergegeven en vervolgens enkele foto's van het plangebied.
kadastrale kaart plangebied
9 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
foto's plangebied
10 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
2.2
Gewenste situatie De loods van het voormalige aannemersbedrijf wordt gesloopt en het terrein wordt getransformeerd naar een woonlocatie. De voormalige bedrijfswoning direct ten westen van de loods krijgt een woonbestemming. Verder kunnen er maximaal twee woningen gebouwd worden (twee-onder-een kap). Ten behoeve van de landschappelijke inpassing en voor driftreductie is wordt voorzien in de aanleg van een groensingel. Op termijn wordt de ongewaakte spoorwegovergang Lentsesteeg vervangen door een tunnel voor langzaam verkeer. Hier is bij de situering van de groensingel en met de oostelijke plangrens al rekening mee gehouden.
2.3
Afweging Tot 2004 heeft initiatiefnemer een bouwbedrijf op het perceel Lentsesteeg 13 gehad. In 2006 is er een aanvraag voor een dubbele woning ingediend. Het doorlopen van een procedure is uitgesteld in afwachting van de herziening van bestemmingsplan Landelijk Gebied. Bestemmingsplan Landelijk Gebied is op 27 januari 2009 vastgesteld. In bestemmingsplan Landelijk Gebied heeft de bedrijfswoning een woonbestemming gekregen en is er een bouwtitel opgenomen voor twee woningen. In ruil hiervoor zou de voormalige bedrijfshal gesloopt worden. Dit past in de regeling van het functieveranderingenbeleid van de stadsregio en het Streekplan. In beroep bij de Raad van State is dit planonderdeel vernietigd. Dit aangezien de aanduiding 'spuitvrije zone' op het terrein van de boomkweker is vernietigd en hierdoor de woningen op een te korte afstand van een boomkweker met spuitzone zouden komen te liggen zonder dat er onderzoek aan ten grondslag lag. Er dient rekening gehouden te worden dat de woonbestemming buiten de spuitzone van de boomkwekerij komt te liggen. Hiertoe dient onderzoek verricht te worden. Jurisprudentie geeft aan dat er in principe een afstand van 50 m tussen agrarische gronden met open teelt en woningen aangehouden dient te worden.
Bij deze afstand wordt er van uitgegaan dat de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Onder omstandigheden kan van de afstand van 50 meter afgeweken worden. Dit dient dan nader onderzocht en onderbouwd te worden. Daarbij speelt onder andere driftreducerende middelen en het soort gewasbeschermingsmiddel een rol. In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op het uitgevoerde onderzoek naar de spuitzone. Het plan is ruimtelijk aanvaardbaar omdat voldaan wordt aan de afstand die uit een oogpunt van een milieuzonering (scheiding tussen hinderveroorzakende functies en hindergevoelige functie) wordt gehanteerd. Niet is uit onderzoek gebleken dat belemmeringen aanwezig zijn bij de aangehouden afstand. In Hoofdstuk 4 wordt een en ander toegelicht. Geconcludeerd kan worden dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen argumenten voorhanden zijn die het leggen van de gewenste bestemming belemmeren. Zodoende is onderhavig plan in procedure gebracht. 11
Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
12 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
Hoofdstuk 3 Beleid
In dit hoofdstuk komt vooral het ruimtelijke beleid aan de orde. Bij de beoordeling van de haalbaarheid in Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op specifiek beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), beter bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de 'oude' ontwerp AMvB Ruimte die in 2009 al aan inspraak is onderworpen, en deels uit nieuwe onderwerpen. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012.
Het betreft de volgende nationale belangen uit de SVIR: 1) Rijksvaarwegen, 2) Project Mainportontwikkeling Rotterdam, 3) Kustfundament, 4) Grote Rivieren, 5) Waddenzee en waddengebied, 6) Defensie, 7) Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, 8) Elektriciteitsvoorziening, 10) Ecologische hoofdstructuur, 11) Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, 12) IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) en 13) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Onderhavig plan raakt het rijksbeleid niet.
3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig 13 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd en is de ladder voor duurzame verstedelijking daarin als procesvereiste opgenomen. In de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient aangegeven te worden dat voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c.
indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
De realisatie van twee woningen valt niet onder stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder is dan niet nodig.
14 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland Op 19 december 2018 zijn de nieuwe Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de herziening Omgevingsverordening vastgesteld door Provinciale Staten. Met ingang van 1 maart 2019 zijn de visie en de verordening van kracht. Provincie Gelderland werkt met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door bij het uitvoeren van de taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van 7 onderwerpen wordt daar richting aan gegeven: 1.
energietransitie
2.
klimaatadaptatie
3.
circulaire economie
4.
biodiversiteit
5.
bereikbaarheid
6.
economisch vestigingsklimaat
7.
woon- en leefklimaat.
Hierna zijn enkele specifieke beleidsdoelstellingen uitgewerkt die relevant zijn voor onderhavig plan. 1. Energietransitie Het gebied is aangeduid als 'Energietransitie'. In 2050 dient Gelderland klimaatneutraal te zijn. Dat wordt bereikt door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. Verschillende gebieden, waaronder gebieden tussen Rheden en Velp, zijn aangewezen als zoekgebied voor zonneparken. 2. Klimaatadaptie Gelderland dient goed voorbereid en toegerust te zijn op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. Het gebied is aangeduid als 'Stuwlandschap: infiltreren hemelwater in de bodem, loofbos in plaats van naaldbos tegen natuurbrandrisico's'. 4. Biodiversiteit Het gebied is aangeduid als 'Groene ontwikkelingszone'. Hier is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang.
Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens zoekgebieden 15 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
voor nieuwe natuur. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone vervullen daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein gebied deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie en haar partners streven samen naar een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. De Groene Ontwikkelingszone (GO) heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Het onderhavige plangebied is aangeduid als Groene Ontwikkelingszone.
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Het ruimtelijke beleid van de provincie zoals dat in de Omgevingsvisie Gelderland is verwoord, is deels verankerd in de Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening is bindend voor de gemeente. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De provincie streeft er naar om op locatieniveau de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door onder andere sloop van overtollige bebouwing. De regionale beleidsinvulling voor functieverandering in het buitengebied heeft plaatsgevonden door vaststelling van de 'Notitie functieverandering buitengebied, regionale beleidsinvulling' op 18 oktober 2007. Verwezen wordt naar paragraaf 3.3.
3.2.3 Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In elk bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten volgens de rijksladder aan de hand van drie stappen de locatiekeuze te motiveren. Deze rijksladder is van provinciaal belang. Aangezien de juridische borging van de ladder al geregeld is in het Bro, heeft de provincie de ladder niet nogmaals opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de 16 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd. Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing. De rijksladder heeft betrekking op stedelijke ontwikkelingen. De provincie wil onderzoeken of de ladder ook voor landelijke functies kan worden uitgewerkt. Vooruitlopend daarop spreekt de provincie nu al van de ladder voor duurzaam ruimtegebruik. De ambitie van de provincie is om bij de toepassing van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik expliciet aandacht te schenken aan de borging van ruimtelijke kwaliteit of kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij is het al goed om de ladder zelf als een kwaliteitsinstrument aan te merken, gericht op behoefte en locatie. Bijvoorbeeld bij ruimtelijke initiatieven in stedelijk en in het landelijk gebied en in overgangsgebieden als de stads- en dorpsrandzones. Het is van belang dat er een goede match ontstaat tussen de kwaliteiten van het ruimtelijk initiatief en de kwaliteiten van de (uiteindelijk gekozen) locatie en het omliggende gebied. De uitdaging waar de provincie en partners gezamenlijk voor staan is om kwaliteit - indien mogelijk en gewenst extra kwaliteit - toe te voegen, beleefbaar te maken en houden.
Algemene stelregel is: streef naar een goed evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en de kwaliteitsprestatie c.q. investering in kwaliteit van de leefomgeving. In deze toelichting is het initiatief beschreven en is ingegaan op de kwaliteit die het onderhavige project toevoegt voor de omgeving. Ook is er aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing. Gezien het bovenstaande wordt voldaan aan de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik.
3.3
Regionaal beleid De KAN-raad heeft op 18 oktober 2007 de 'Notitie functieverandering buitengebied, regionale beleidsinvulling' vastgesteld. De notitie bevat de regionale beleidsinvulling voor functieverandering van vrijkomende (agrarische) bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Op basis van dat beleid is in 2009 medewerking verleend voor het mogelijk maken van twee woningen op het betreffende kavel. Het beleid houdt in hoofdlijnen het volgende in. Bij functieverandering naar wonen geldt: Aanwezige gebouwen kunnen worden hergebruikt met meerdere wooneenheden in één of hoogstens twee gebouwen die bij elkaar staan. Uitgangspunt is reductie van de bebouwing met tenminste 50%; Als hergebruik van de bestaande bebouwing niet mogelijk is, dan kan na sloop van alle bedrijfsgebouwen vervangende nieuwbouw plaatsvinden in één woongebouw met meerdere wooneenheden ter grootte van maximaal 50% van de gesloopte bebouwing.
Het beleid van de stadsregio biedt de mogelijkheid om de bestemming te wijzigen van bedrijf naar wonen, waarbij de voormalige dienstwoning een woonbestemming krijgt en een tweeondereen kap woning gebouwd kon worden op het perceel, mits de 17 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De bedrijfsbebouwing heeft een oppervlakte van 321 m2. Na sloop van de bedrijfsbebouwing kan met het onderhavige bestemmingsplan een dubbele woning met een oppervlakte van maximaal 160 m2 worden opgericht.
3.4
Gemeentelijk beleid Op 28 mei 2013 heeft de gemeenteraad de notitie 'Functieveranderingenbeleid' vastgesteld met de daarbij bijbehorende rekenmethode voor compensatie functieveranderingen buitengebied. Bij een functieverandering kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf dat stopt en waarvoor de wens is om de bedrijfsmatige functie om te zetten in een woonfunctie. Met een gemeentelijke notitie voor functieveranderingen in het buitengebied en de notitie met een rekenmethode voor compensatie wil de gemeente een meer eenduidig en helder gemeentelijk toetsingskader creëren en voor initiatiefnemers heldere inhoudelijke en procesmatige handvatten bieden. Voor functieverandering gelden een aantal algemene voorwaarden. Dat zijn: a. Functieverandering mag geen belemmering opleveren voor de omgeving. Met de functieverandering van vrijkomende gebouwen in het buitengebied wordt de bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmerd. De functieverandering gaat gepaard met een bestemmingswijziging van het gehele voormalige perceel en verkleining van het bouwvlak. Functieverandering van vrijkomende gebouwen mag niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Detailhandel wordt niet toegestaan. b. Functieverandering heeft uitsluitend betrekking op hergebruik van bebouwing of vervangende nieuwbouw op bestaande bedrijfspercelen.
Het betreft geen nieuwe bouwlocaties. c.
Functieverandering wordt alleen toegestaan wanneer die verandering per saldo een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving. Hieraan zijn voorwaarden gesteld. Zo moet onder andere ten minste 50% van de bestaande vrijkomende bedrijfsbebouwing worden gesloopt en het bouwvlak moet worden verkleind. De bestaande dienstwoning mag gehandhaafd blijven. De woning inclusief bijgebouwen ten dienste van de woning (tot maximaal 75 m2) tellen niet mee in de sloopregeling. De vrijkomende dienstwoning inclusief de daarbij behorende bijgebouwen krijgt een woonbestemming. Alle overtollige bebouwing die geen woon- of bedrijfsfunctie krijgt dient gesloopt te worden. Om een bijdrage te kunnen leveren aan de ruimtelijke kwaliteit dient elke functieverandering gepaard te gaan met een landschappelijke inpassing van het erf en compensatie. Het erf en de bebouwing worden zorgvuldig ingepast in het omringende landschap. Er is specifiek aandacht voor de beeldkwaliteit en duurzaamheid bij nieuwbouw en/of verbouw van de bebouwing. Elke functieverandering dient gepaard te gaan met een vorm van compensatie: een bijdrage aan de kwaliteit van de omgeving.
d. Functieverandering dient te voldoen aan alle wet- en regelgeving en dient te passen binnen het vigerende beleid.
18 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
Voor functieverandering naar wonen gelden daarnaast specifieke voorwaarden. Bij volledige sloop van bestaande bebouwing en nieuwbouw dient minimaal 750 m2 gesloopt te worden om de realisatie van één nieuw woongebouw mogelijk te maken. Verder gelden er een aantal algemene uitgangspunten. Volgens het nieuwe beleid kan er dus geen extra woning gebouwd worden, aangezien er minimaal 750 m2 van de bestaande bebouwing gesloopt dient te worden en er geen gebouwen met een dergelijke omvang op het perceel aanwezig zijn. Het omzetten naar van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming zonder bouwtitel voor extra woningen is mogelijk indien de overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De aanvraag is destijds ingediend ten tijde van het beleid van de stadsregio. Aangezien dit een lopende zaak is, wordt getoetst aan het beleid van de stadsregio. De oppervlakte van de bestaande bedrijfsopstallen bedragen 321 m2. Hierdoor kan er maximaal 160,5 m2 teruggebouwd worden. In de regels is opgenomen dat de oppervlakte van de woningen tezamen maximaal 160 m2 mag bedragen.
19 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
20 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 Haalbaarheid
Wanneer een bestemmingsplan wordt vervaardigd, dient dit plan binnen de planperiode uitvoerbaar te zijn. De uitvoerbaarheid wordt mede onderzocht door het te toetsen aan regelgeving, beleid van de gemeente en van andere overheden en uitkomsten van onderzoeken.
4.1
Geluid De Wet geluidhinder is voor het onderdeel weg- en railverkeerslawaai van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn geprojecteerd binnen zones van (al dan niet) in het plangebied gelegen wegen. Wegen die deel uitmaken van een woonerf en van een 30-kilometer zone zijn daarvan uitgezonderd. Aan de orde is het toelaten van twee woningen waar deze geluidgevoelige functie voorheen niet was toegelaten, binnen de zone van wegen waarop de Wet geluidhinder van toepassing is. Onderzoek geluidcontouren Voor nieuwbouwwoningen gelden geluideisen uit de Wet geluidhinder (Wgh). In onderstaande tabel is voor weg- en railverkeer de voorkeursgrenswaarde en de maximaal te ontheffen waarde gegeven voor een nieuw te bouwen woning.
Als het geluidsniveau niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, is de nieuwbouw conform de Wet geluidhinder zonder meer mogelijk. Als het geluidsniveau tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal te ontheffen waarde in ligt, is nieuwbouw alleen mogelijk als er een “hogere waarde” wordt vastgesteld. Daarbij worden tevens eisen gesteld aan het geluidsniveau in de woning (het binnenniveau) en moet er getoetst worden of het gecumuleerde geluidsniveau van het spoor en de weg samen niet onaanvaardbaar hoog wordt. Ook kan het bevoegd gezag in haar gemeentelijk beleid nadere eisen stellen alvorens een hogere waarde vastgesteld kan worden. Een hoger geluidsniveau dan de maximaal te ontheffen waarde is in principe niet mogelijk, tenzij de gevels met deze te hoge geluidsbelasting als een “dove gevel” worden uitgevoerd en ook als zodanig in het bestemmingsplan worden opgenomen. Voor wegverkeer dient getoetst te worden in het toekomstig maatgevend jaar. Voor deze woningen is het toekomstig maatgevend jaar 2030. De aftrek ex. artikel 110g Wgh is 5 dB voor wegen met een maximum snelheid tot 70 km/uur, en 2 dB 21 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
voor wegen met een maximum snelheid van 70 km/uur en hoger. Voor railverkeer geldt dat getoetst moet worden aan de situatie met een volledig benut geluidproductieplafond (GPP). De bedrijfswoning, gelegen aan de Lentsesteeg 13, heeft feitelijk al een woonbestemming. De ombouw van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is voor weg- en railverkeerslawaai geen nieuwe situatie en hoeft niet getoetst te worden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. De Arnhemsestraatweg ligt ten noorden van de nieuwbouwlocatie. Richting Velp gaat deze weg over in de Zutphensestraatweg (N785). Fysiek betreft het dezelfde weg maar met een andere naam, die voor de geluidbeoordeling als één bron worden beschouwd. De Arnhemsestraatweg is een buitenstedelijke weg van twee rijstroken. De geluidszone is 250 meter aan weerzijden van de weg. De beoogde nieuwbouwlocatie ligt op 100 – 200 meter afstand van de Arnhemsestraatweg en ligt daarmee in de geluidszone van deze weg. De verkeersintensiteiten, maximum snelheden en wegdekverharding van de Arnhemsestraatweg staan samengevat in onderstaande tabel. Voor het zichtjaar 2030 zijn deze verhoogd met een autonome groei van 1,5% per jaar. Voor 2030 zijn de verkeerscijfers daarom 7,5% opgehoogd.
Er is gelet op de snelheid van 60 km/uur op het meest nabijgelegen deel van de Arnhemsestraatweg uitgegaan van een aftrek ex. artikel 110g van 5 dB. Direct ten zuiden van de beoogde nieuwbouwlocatie ligt het spoor Arnhem – Zutphen. De zonebreedte is hier 300 meter aan weerzijden van het spoor en de nieuwbouwlocatie ligt in deze zone. De voor dit onderzoek relevante brongegevens zijn overgenomen uit het geluidregister, geraadpleegd in augustus 2018. De omgeving rondom de nieuwbouwlocatie is gemodelleerd in het softwarepakket Geomilieu, versie 4.30. De hoogtelijnen, gebouwen en akoestisch harde bodemgebieden zijn overgenomen uit het rekenmodel dat eerder door dBvision is gebruikt bij eerdere berekeningen voor de gemeente Rheden. De te slopen schuur is uit dit model verwijderd en de nieuwbouwlocatie is toegevoegd met een hoogte van 8,5 meter. Aan dit model is voor wegverkeer de Arnhemsestraatweg als geluidsbron toegevoegd en zijn voor railverkeer de brongegevens uit het geluidregister toegevoegd (d.d. 22-08-2018). De berekeningen zijn uitgevoerd op alle gevels van de woning op 1,5, 4,5 en 7,5 meter hoogte. Onderzoek geluidbelasting Voor de onderhavige locatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting van wegverkeer en railverkeer op de gevels van de op te richten 22 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
woningen (zie Bijlage 7 Akoestisch onderzoek). In onderstaande tabel zijn de geluidniveaus voor het geluid van het spoor en de Arnhemsestraatweg weergegeven. De geluidniveaus die hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde zijn in rode getallen weergegeven.
Voor het railverkeersgeluid zijn er locaties waar het geluidsniveau hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Daarom zijn in de tabel ook de gecumuleerde geluidniveaus opgenomen. De gecumuleerde geluidniveaus zijn conform Bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 omgerekend naar railverkeersequivalenten, omdat het railverkeer de bron is waarvoor getoetst wordt. Het gecumuleerde geluidsniveau wordt berekend zonder de aftrek van 5 dB voor wegverkeer volgens artikel 110g Wgh. Railverkeer De geluidniveaus van het railverkeer op de nieuwbouwwoning aan de Lentsesteeg 15 te Rheden zijn op de zuid-, oost- en westgevel hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Daarbij is uitgegaan van de geluidniveaus bij een volledig benut geluidproductieplafond. De geluidniveaus zijn nergens hoger dan de maximaal te ontheffen waarde van 68 dB. Ook het gecumuleerde geluidsniveau is niet hoger dan 68 dB. Daarmee is er geen sprake van een onaanvaardbaar geluidsniveau. Bovendien wordt aan de noordgevel geen enkele grenswaarde overschreden en is er dus tevens een geluidluwe gevel aanwezig. De nieuwbouw is mogelijk als er een hogere waarde wordt vastgesteld voor deze woningen. Tevens moet er een nader onderzoek verricht worden naar de benodigde gevelisolatie, om aan de eisen te kunnen voldoen voor het geluidsniveau in de woning.
Wegverkeer Het geluid van het wegverkeer is lager dan de voorkeursgrenswaarde. Voor wegverkeer hoeft er geen hogere waarde te worden vastgesteld. 23 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
Hogere grenswaarden railverkeer Burgemeester en wethouders hebben met inachtneming van het op 1 juli 2008 door hen vastgestelde beleid terzake van het verlenen van ontheffing van de voorkeurs-grenswaarden, na een gevoerde ontheffingsprocedure, op 16 december 2019 hogere grenswaarden vastgesteld voor railverkeer. En wel als volgt. Er is besloten hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting ten behoeve van het bestemmingsplan Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg en kadastraal bekend als gemeente Velp, sectie B nummer 746 vast te stellen. De vastgestelde geluidsbelasting bedraagt 67 dB. Het hogere waardenbesluit is opgenomen in Bijlage 23 Hogere waardebesluit Lentsesteeg 13 15.
4.2
Spuitzone Voor het woningbouwplan aan de Lentsesteeg is een locatiespecifiek onderzoek uitgevoerd. Er is onderzoek uitgevoerd naar de spuitzone van de kwekerij gelegen aan Lentsesteeg 2 om aan te kunnen tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wro (zie Bijlage 8 Onderzoek spuitzone). In het onderzoek is in paragraaf 5.4.3 ingegaan op de aanscherping van regels voor open teelt-bedrijven, waar bij het uitvoeren van bespuitingen in gewassen driftreducerende technieken toegepast dienen te worden met een rendement van minimaal 75%. De nieuwe regels zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (Besluit van 23 juni 2017 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer in verband met de vermindering van emissies van gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw en open teelt) en zijn met ingang van 23 juni 2017 in werking getreden. In tabel 4 en 5 van het onderzoek is opgenomen welke afstand aangehouden dient te worden in een situatie zonder windhaag (tabel 4) en met volblad wintergroene windhaag (tabel 5). Zonder windhaag dient een afstand van minimaal 40 meter aangehouden te worden en met windhaag 30 meter. De windhaag dient minimaal 1 meter hoger te zijn dan de verwachte boomhoogte en zou daardoor minimaal 7 meter hoog dienen te zijn.
Op 13 november 2018 heeft SPA ingenieurs een briefrapportage uitgebracht naar aanleiding van gewijzigde wet- en regelgeving en relevante jurisprudentie (zie Bijlage 9 Onderzoek spuitzone aanvullende briefrapportage). Uitgaande van een conservatieve benadering, kan op basis van de PRI meetcijfers uit de onderzoekjaren 2008 t/m 2012, worden geconcludeerd dat er op 25 meter afstand van de westelijke perceelsgrens van de kwekerij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Deze afstand is kleiner dan in het onderzoek uit september 2016 is vastgesteld (rapportage 21620202.R01). De reden daarvan hangt samen met de (nieuwe) algemene regels uit het Activiteitenbesluit en wordt hierna toegelicht. In voorliggend onderzoek is uitgegaan van bespuitingen waarbij gebruik wordt gemaakt van een 75% driftreducerende spuittechniek. Om die reden hoeft niet meer gecorrigeerd te worden voor de spuitdruk, want ook als de spuitdruk hoger is, dient aan de wettelijke driftreductie eis van 75% voldaan te worden. Dat wil zeggen dat hogere drukken mogelijk zijn, maar deze in combinatie met bijvoorbeeld de te hanteren spuitdop niet
24 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
tot meer drift mogen leiden dan wettelijk is toegestaan. Daardoor is geen correctie voor de spuitdruk meer nodig. Verder wordt in de briefrapportage ingegaan op de te gebruiken boom en struiksoorten. Dit is in het onderhavige plan verwerkt. De boomteler kan zijn bedrijfsactiviteiten uitvoeren zonder dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Tevens is er bij die afstand (25 meter afstand van de westelijke perceelsgrens van de kwekerij) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonbestemming voor de beoogde woningen. Fruitteelt wordt in het bestemmingsplan waar de boomkwekerij in is gelegen uitgesloten vanwege gezondheidsmotieven. Dit vanwege het gebruik van giftige gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt en de ligging van gevoelige functies op relatief korte afstand van de agrarische gronden, namelijk de al bestaande burgerwoningen en het restaurant met bedrijfswoning aan het begin van de Lentsesteeg. Tussenuitspraak Naar aanleiding van een tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 3 november 2021 is een nieuw spuitzone onderzoek verricht (zie Bijlage 24 Spuithinderonderzoek februari 2022). Er is gebruik gemaakt van het EFSA-model om de blootstelling aan drift van een aantal representatieve gewasbeschermingsmiddelen in beeld te brengen.
Uit de berekeningen van het onderzoek blijkt dat conform EFSA bij een afstand van 5 meter uit het gewasperceel wordt voldaan aan de maximaal acceptabele blootstellingsnormen voor individuele middelen. Op kortere afstand dienen in ieder geval beperkingen te worden gesteld aan regulier menselijk verblijf. Het plangebied is evenwel aanwezig op een grotere afstand dan 5 meter tot het gewasperceel. De minimale afstand tussen het gewasperceel en de woonbestemming bedraagt 25 meter. Deze afstand is ruim groter dan de afstand vanaf waar er geen overschrijding van de maximaal acceptabele blootstellingsnormen plaatsvindt. In principe kan dus worden geconcludeerd dat er op basis van de afstand tussen het gewasperceel en het plangebied, waar de bewoning plaatsvindt, sprake is van een ruimtelijk aanvaardbaar woon- en leefklimaat met oog op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen binnen de boomgaard. Uit voorzorg, met name vanwege het aspect cumulatie en blootstelling van kinderen, wordt geadviseerd om tussen de woningen/tuinen en de boomgaard aanvullend afschermende maatregelen te nemen, bijvoorbeeld in de vorm van de reeds in het bestemmingsplan opgenomen windhaag, welke gerealiseerd dient te worden in de genoemde agrarische bestemming.
Voor deze haag (vanggewas/groensingel) zou evenwel moeten worden uitgegaan van de volgende eigenschappen: - Bladsituatie: Wintergroen, niet bladverliezend. Vanwege de omstandigheid dat ook sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen buiten de volbladperiode (m.n. bestrijding van schimmels) dient hierbij te worden gekozen voor een niet bladverliezend (wintergroen) vanggewas. - Hoogte: 7,00 meter, conform de rapportage SPA (idem de optie de haag te combineren met een grondwal, zo lang de gezamenlijke hoogte op 7,00 meter 25 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
uitkomt). - Dichtheid: Optische dichtheid van 80-100%. Vanwege de afstand tot het gewasperceel zal de haag een zodanige dichtheid moeten hebben dat luchtstromen door de haag maximaal worden afgeleid waardoor eventueel in de lucht aanwezige drift naar boven wordt afgeleid en daar optimaal zal verdunnen. Er wordt gesteld dat de vereiste 75% driftreductie van de haag plaatsvindt bij een optische dichtheid van 80%. Een dergelijke dichtheid is aanwezig als de haag niet doorzichtig is, dus dat objecten aan de andere zijde van de haag mogelijk nog kunnen worden waargenomen, maar niet kunnen worden herkend. Daarnaast geldt dat de windhaag op verdere afstand dan de perceelgrens meer als doel heeft om te dienen als scherm dan als filterende haag, waardoor een (optische) dichtheid groter dan 80% de blootstelling aan schadelijke stoffen zal verminderen. In het spuithinderonderzoek wat in Bijlage 24 is opgenomen, is dit nader uitgewerkt. In dit geval zal een windhaag met een zo hoog mogelijke dichtheid zorgen voor een lagere blootstelling aan schadelijke stoffen, doordat een dichte haag voor meer opstuwing en meer turbulentie kan zorgen. Een windhaag met dergelijke dichtheid kan in ieder geval worden bereikt door de keuze in plantensoort(en) (i.e. plantensoorten die van nature dichter zijn zoals bijvoorbeeld het geval is bij coniferen zoals Thuja en Leylandii).
Verder kan worden gedacht aan toevoeging van een tweede bomenrij in de haag (de tweede haag vangt (een deel) op wat de eerste haag doorlaat) en/of het realiseren van een dikkere haag (hoe dikker men de haag kan uitgroeien, hoe meer bladeren, stammen en takken en dus hoe dichter de haag in totaliteit). Op deze wijze kan een haag met een zo hoog mogelijke dichtheid worden vorm gegeven. Omwille van een landschappelijke inpassing kan een dergelijke haag worden gecombineerd met gebiedseigen soorten overeenkomstig de opzet waarvoor is gekozen in het vastgestelde bestemmingsplan. Verwezen wordt naar onderstaande figuur.
26 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
Verder wordt in het rapport geadviseerd om eventuele inlaatopeningen van luchtverversings- en klimaatregelinstallaties van de woningen te positioneren aan de van het gewasperceel afgekeerde zijde. Bovenstaande maatregelen zijn vertaald in de regels en verbeelding van het plan.
4.3
Bodem
Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Enerzijds is sprake van het wijzigen van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Uit historische gegevens blijkt dat de locatie niet verdacht wordt van een ernstige bodemverontreiniging (klasse 5 of hoger). Wel wordt de locatie van asbest in bodem verdacht. Er is derhalve een 'asbest in de bodem' onderzoek uitgevoerd voor het perceel dat van een bedrijfsbestemming wordt gewijzigd in een 27 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
woonbestemming (zie Bijlage 11 Verkennend asbestonderzoek). Bij de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de opgegraven en opgeboorde grond zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. Analytisch is eveneens geen asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de hypothese “de locatie is asbestverdacht” verworpen en zijn er geen belemmeringen tegen de voorgenomen bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie. Daarnaast is sprake van een nieuw bouwblok in het oostelijk deel van Lentsesteeg 13. In 2007 is hier een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 10 Bodemonderzoek). Uit dit onderzoek bleek dat er sprake was van een lichte verontreiniging. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat er in de periode van 2007 tot heden verontreiniging is bijgekomen. Er hoeft derhalve in het kader van het onderhavige bestemmingsplan geen nieuw bodemonderzoek uitgevoerd te worden.
4.4
Milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om te kijken naar de omliggende functies in relatie tot de nieuwe functie. De gemeente hanteert de VNG uitgave, Bedrijven en Milieuzonering om ruimtelijke ontwikkelen te toetsen. Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.
Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk.
De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. In dit plan is er gezien de ligging in de nabijheid van 28 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
de spoorlijn sprake van een gemengd gebied. De richtafstanden kunnen met één afstandstap worden verlaagd. In de nabijheid van het plangebied is kwekerij Worth Rheden gevestigd. Dit bedrijf valt onder de SBI-2008 code 01.30.02. met een richtafstand van 30 meter. Dit wordt in gemengd gebied een afstandstap verlaagd tot 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Bij de kwekerij is een opslag van bestrijdingsmiddelen. Op grond van de VNG uitgave Bedrijven en Milieuzonering heeft de opslag van bestrijdingsmiddelen in emballage of in gasflessen tot 10 ton een milieuzoneringsafstand van 10 meter ten opzichte van woongebied. Aan deze richtafstand wordt eveneens voldaan. Ook is bij de kwekerij een opslag van kunstmest mogelijk. In de VNG lijst bedrijven en milieuzonering staat voor een groothandel in kunstmesten een grootste afstand van 30 meter. In gemengd gebied wordt dit verlaagd naar 10 meter. In de VNG lijst staat bij opslagen en installaties voor kunstmest opslag een grootste afstand van 50 meter met de aanduiding D. Voor bedrijven met een grote variatie in productieprocessen is de letter D (divers) opgenomen in de VNG lijst. Aangezien de kunstmestopslag ten behoeve van de kwekerij is, is er geen sprake van een grootschalige opslag en is deze 50 meter ook gezien de 30 meter die genoemd staat voor een kunstmestgroothandel in dit geval hoog.
Aangesloten wordt bij de 30 meter van de groothandel. In gemengd gebied dus 10 meter. Hieraan wordt voldaan. Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de bestemmingen zoals ze zijn opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Bij bepaalde nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De luchtkwaliteitsnormen in de Nederlandse wetgeving zijn gebaseerd op de Europese luchtkwaliteitseisen. Sinds 11 juni 2008 geldt de richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (Pb EG L 152). Vooruitlopend op deze nieuwe Europese richtlijn is op 15 november 2007 reeds de zogenoemde Wet luchtkwaliteit van kracht geworden, officieel titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet luchtkwaliteit bevat de Europese luchtkwaliteitseisen en de basisverplichtingen op grond van de richtlijn, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen (meten en berekenen) van de luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De uitvoeringsregels die behoren bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit is in 2007 ook de Algemene Maatregel van Bestuur Niet in betekende mate (Besluit NIBM) in werking getreden. In het Besluit NIBM en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip niet in betekende mate.
Met het ingaan van het NSL gelden er per 1 augustus 2009 nieuwe grenzen voor wat 29
Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
niet in betekende mate is: het begrip is nu gedefinieerd als 3% en minder van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In de praktijk zal daarom voor de nieuwbouw tot ongeveer 1.500 woningen geen onderzoek meer nodig zijn. Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee woningen. Verder onderzoek naar het effect van dit plan op de luchtkwaliteit kan achterwege blijven.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Beleid en normstelling Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers is weergegeven en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm) Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden 30 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.
4.6.2 Planbeoordeling Het plan voorziet in de bouw van twee woningen en de sloop van de bestaande schuur. Verder wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet in een burgerwoning. Hierdoor neemt het aantal personen beperkt toe. Op basis van de provinciale risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico veroorzaken. In figuur 1 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.
Figuur 1 Uitsnede provinciale risicokaart (geraadpleegd op 12-10-2018) met het plangebied in de zwarte cirkel
Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied alleen gelegen is in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Zutphen. De overige nabij gelegen risicobronnen (een aardgastransportleiding en gas druk regel meetstation) hebben geen invloed op het plan. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico is op basis van de regeling Basisnet vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 van de spoorlijn Arnhem–Zutphen niet is gelegen over het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor het plan. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan alleen gelegen in het invloedsgebied van de Spoorlijn Arnhem – Zutphen (4.000 meter). Daarmee hebben wijzigingen in het plangebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobron. Echter het aantal personen wijzigt nauwelijks door de ontwikkeling. Er vindt alleen een toename van het aantal personen plaats in de nacht (zie tekstvak). Overdag neemt het aantal personen af. De toename in de nachtperiode is echter zo beperkt (maximaal 31 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)
5 personen) dat deze wijziging hiervan niet zichtbaar gemaakt kan worden in een groepsrisicoberekening. Doordat het groepsrisico niet toeneemt kan er worden volstaan met een beperkt verantwoording groepsrisico. Hierdoor hoeft alleen te worden ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid. Onderbouwing personendichtheid Oude situatie Conform PGS 1 deel 6 wordt voor de bestaande situatie uitgegaan van personen dichtheid van 5 personen voor het bedrijf en 2,4 personen voor de dienstwoning. Rekening houdend met de gemiddelde aanwezigheidspercentage betekent dit dat er overdag 6,2 personen aanwezig zijn en s nachts 2,4 personen. Nieuwe situatie Conform PGS 1 deel 6 wordt voor de nieuwe situatie uitgegaan van een personendichtheid van 7,2 personen voor de drie woningen. Rekening houdend met de gemiddelde aanwezigheidspercentage betekend dit dat er overdag 3,6 personen aanwezig zijn en 's nachts 7,2 personen. Door deze ontwikkeling neemt alleen het aantal personen toe in de nacht. Ter volledigheid conform de rapportage 'Basisnet Spoor' (kenmerk: IENM/BSK-2011/151455, d.d. 20-09-2011) bedraagt het groepsrisico ter hoogte van het plangebied zich tussen 0 en 0,3 maal de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van de spoorlijn Arnhem – Zutphen.
Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico beperkt verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van: Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 10 december 2018 (kenmerk:181210-0035) (zie Bijlage 19 Advies veiligheidsregio). A. Beheersbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dichtbij de risicobron. Omdat het plan conserverend van aard is (het aantal aanwezigen wijzigt nauwelijks), wijzigt de mate van bestrijdbaarheid niet. B. Zelfredzaamheid Voor het vermogen om jezelf en / of anderen in veiligheid te brengen bij de dreiging van, of het bestaan van een gevaarlijke situatie wordt de term zelfredzaamheid gebruikt.
Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Uit het advies van de VGGM blijkt dat de aanwezigen mits tijdig gewaarschuwd voldoende zelfredzaam zijn. Daarnaast kunnen mensen gericht worden gewaarschuwd middels NL-Alert. 32 Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (vastgesteld)