CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Laag Soeren, Eerbeekseweg nabij nummer 8_Toelichting_Bijlagen

Raadsvergadering 31 mei 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Laag-Soeren, Eerbeekseweg nabij nr 825.309 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: ruwe berk, Engels raaigras, gewone braam, haagbeuk, kleine brandnetel, ooievaarsbek, paardenbloem, paarse dovennetel, pinksterbloem, ridderzuring, Spaanse aak, vergeet-mij-nietje en zomereik. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie betreft een grasweide waarop begrazing heeft plaatsgevonden. Het heeft een verstoorde en geëutrofieerde bodem, wat ook blijkt uit de aanwezigheid van gewone braam en kleine brandnetel. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, das, edelhert, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en wild zwijn (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, bunzing, damhert, das, edelhert, hermelijn, rode eekhoorn, steenmarter, wezel en wild zwijn. Tijdens het veldbezoek zijn uitwerpselen aangetroffen van een egel.

Voor damhert, das, edelhert en wild zwijn is geen geschikt (essentieel) habitat aanwezig. Het is te kleinschalig en verstoord voor deze soorten. Bovendien is er veel geschikter habitat aanwezig in de omgeving. Op voorhand kan de aanwezigheid van deze soorten uitgesloten worden. Boommarters komen voornamelijk voor in bosgebieden. Rust- en/of nestlocaties zijn vaak aanwezig in boomholten, holen gemaakt door andere dieren of onder takkenbossen. De soort

6

komt ook voor in stadsparken met voldoende (oude) bomen en vakantiehuizen of schuren in of aan de rand van natuurgebieden (Zoogdiervereniging boommarter, 2020). Op de planlocatie staan een aantal bomen, welke behouden blijven, waarin geen geschikte holtes voor boommarters zijn aangetroffen. Onder een rij met wat struiken en takken aan de westzijde van de grasweide zijn ook geen sporen als uitwerpselen, voetsporen of prooiresten aangetroffen van boommarters. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied of een essentiële migratieroute, gezien het een vrij kleine en verstoorde grasweide betreft. De opgaande begroeiing bestaat uitsluitend uit de knotelzen aan de westzijde en is van beperkte grootte. Hierdoor is er geen sprake van structuren die grondgebonden zoogdieren voldoende dekking bieden voor schuilmogelijkheden. Bovendien is de boommarter opportunistisch qua het vergaren van voedsel en is er veel geschikter foerageergebied aanwezig in de omgeving. Negatieve effecten op boommarters kunnen worden uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid. De hermelijn en in mindere mate de bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden. Bunzing en wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met voldoende groen aangetroffen, maar hermelijn vermijdt bebouwing.

Nest- en rustplaatsen betreffen allerlei goed beschutte structuren als takkenhopen, rommelhoeken, holen van andere dieren en holle boomstammen (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). Deze structuren zijn niet aanwezig op de planlocatie. Als kleine marterachtigen gebruik zouden maken van de planlocatie en vaak terugkomen naar dit gebied, zoals het geval bij een voortplantings- of vaste rustplaats, zullen er sporen van de soorten waargenomen kunnen worden. Door het ontbreken van uitwerpselen, prooiresten, urinemarkering, etc. kan de aanwezigheid van een nest- of vaste rustplaats van kleine marterachtigen uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn geen onderdelen van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen aanwezig. Het is niet onmogelijk dat kleine marterachtigen het plangebied sporadisch passeren en er foerageren. Echter, is er geen sprake van essentieel foerageergebied, mede gezien de afwezigheid van schuilmogelijkheden en lineaire groenstructuren. Ook vinden er verstoringen plaats door de aanwezigheid van mensen, honden, katten en dergelijke. De grootte van de planlocatie is beperkt en het ligt wat geïsoleerd. Migratie naar de planlocatie is wat lastig, gezien de woningen en wegen in de omgeving barrières vormen.

Hierdoor biedt de planlocatie geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor het functioneren van een vaste rustplaats of voortplantingsplaats van kleine marterachtigen. Daarnaast is er veel geschikter habitat aanwezig in de omgeving, vooral buiten de bebouwde kom. De planlocatie is derhalve niet van essentieel belang voor kleine marterachtigen. Negatieve effecten op kleine marterachtigen kunnen worden uitgesloten. De rode eekhoorn leeft in bosgebieden, tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Oudere loof en naaldbomen bieden schuil en nestgelegenheid en voorzien de soort in hun voedselbehoefte (noten en zaden). Eekhoorns bouwen op minstens 5 m hoogte slaapnesten in bomen (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2020). Op de planlocatie staan een aantal grotere bomen, welke behouden blijven, maar deze staan vrij geïsoleerd, wat niet ideaal is als nestboom voor rode eekhoorns. Op de planlocatie is wat voedselaanbod voor rode eekhoorns, echter is er geen sprake van essentieel foerageergebied, gezien de vele bomen en veel geschiktere foerageergebieden in de omgeving. Van een essentiële migratieroute is ook geen sprake, want er zijn geen aaneengesloten bomen(rijen) aanwezig. Er zal ten gevolge van de beoogde ontwikkeling geen sprake zijn van afname van essentieel functioneel leefgebied voor de rode eekhoorn. Significante negatieve effecten op de soort kunnen worden uitgesloten.

De steenmarter wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Het voorkeurshabitat betreft steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt veel voor in parklandschappen en gebieden met kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, gezien deze kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belangschuilplaatsen kunnen bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes zijn (Zoogdiervereniging steenmarter, 2020). Op de planlocatie zijn geen geschikte structuren aanwezig die een schuilplaats zouden kunnen bieden voor steenmarters, en er zijn dan ook geen sporen (uitwerpselen, prooiresten, voetsporen, etc.) van steenmarters aangetroffen. van essentieel foerageergebied of migratieroute is naar verwachting ook geen sprake, gezien de

7

beperkte grootte van de planlocatie en de aanwezigheid van geschiktere gebieden in de omgeving. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat er geen sprake is van essentieel functioneel leefgebied voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van onder andere: baardvleermuis, bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis (NDFF 2010-2020).

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen. Er zijn geen boomholten aangetroffen. Negatieve effecten op rust- en/of verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen als rosse vleermuis en watervleermuis kunnen derhalve worden uitgesloten. Er is geen sprake van het slopen van bebouwing. Negatieve effecten op rust- en/of verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen zijn derhalve uitgesloten. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden.

Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Er kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Boven het grasveld en nabij de knotelzen en zomereiken kunnen foerageeractiviteiten van o.a. dwergvleermuizen plaatsvinden. Echter is er geen sprake van het beschadigen van dit foerageergebied gezien de ontwikkeling ter plaatse van het grasland zijn. De opgaande vegetatie blijft hier behouden. Daarnaast zijn kwalitatief hoogwaardigere foerageergebieden in de omgeving, buiten de bebouwde kom. Ook is er geen sprake van het beschadigen van een essentiële vliegroute, gezien de afwezigheid van lineaire structuren waarlangs vleermuizen vliegen van verblijfplaats naar foerageergebied. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur minimale verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.

Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 20102020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander en poelkikker.

8

Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie of in de nabije omgeving daarvan, waardoor hier in ieder geval geen sprake is van voortplantingshabitat. Ook zijn er geen structuren aanwezig die geschikt zijn als landhabitat of overwinteringshabitat van (beschermde) amfibieën. De Alpenwatersalamander is in het voorjaar in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snelstromend of rijk aan vis is. De soort heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. Er is geen sprak van dit type habitat op de planlocatie. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon, zwak zuur en voedselarm water. Het is een pionierssoort die nieuw ontstane poelen zonder vegetatie kunnen koloniseren, maar zich kan blijven handhaven als vegetatie zich sterker heeft ontwikkeld. De soort geeft de voorkeur aan wateren met een goed begroeide oeverzone (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017).

Gezien de afwezigheid van oppervlaktewater op de planlocatie en de nabije omgeving daarvan, kunnen negatieve effecten op de soort worden uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene en zeer flexibele soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische periode sporadisch voorkomen binnen de planlocatie. Er is echter geen sprake van overwinteringshabitat van deze soorten. De bruine kikker en gewone pad vallen onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geld dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De adder komt voor op de hoge zandgronden van Nederland met uitzondering van de duinen. De Veluwe is één van de gebieden waar de soort veel voorkomt (Ravon adder, 2020). De meeste waarnemingen zijn dan ook gedaan in de bossen van de Veluwe, waar velen malen geschikte habitat aanwezig is dan op de planlocatie. Er is derhalve geen sprake van essentieel functioneel leefgebied op de planlocatie. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

De gladde slang bewoont vooral droge heideterreinen, maar ook hogere delen van hoogveengebieden en open bossen en jonge aanplant op zandgrond (Ravon gladde slang, 2020). De soort wordt op de planlocatie niet verwacht gezien er geen geschikt habitat aanwezig is. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Hazelwormen leven over het algemeen in open bossen, bosranden, heidegebieden, houtwallen en struwelen, steenachtige biotopen en tuinen (Ravon hazelworm, 2019). Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit regenwormen en naaktslakken (Creemers & Van Delft, 2009). Er is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied op de planlocatie. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. De levendbarende hagedis komt voor in open bossen, ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in duinen. Het habitattype heide en hoogveen genieten echter de voorkeur. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort. In de genoemde landschapstypen wordt hij voornamelijk aangetroffen op structuurrijke overgangen van droge naar vochtige terreindelen/oevers. Binnen de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig. Negatieve effecten zijn uitgesloten. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Meestal betreffen dit overgangen van droge zandgrond naar natte veen- of kleigronden (Ravon ringslang, 2020). Hier is geen sprake van op de planlocatie. Negatieve effecten zijn uitgesloten.

In Nederland is de verspreiding van de zandhagedis gebonden aan de hogere zandgronden, met name de ligging van duin- en heidegebieden, stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De kustduinen en de Veluwe vormen samen de twee belangrijkste kerngebieden. Op de planlocatie zijn geen geschikte zandgronden aanwezig. Negatieve effecten op de soort kunnen worden uitgesloten.

9

Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde grote vos en kleine ijsvogelvlinder: (NDFF 2010-2020). De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een bosrijke omgeving. Waardplanten zijn iep, zoete kers en sommige wilgensoorten worden ook gebruikt (Vlinderstichting grote vos, 2020). De kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. De waardplant van de soort is wilde kamperfoelie; soms rode kamperfoelie of gecultiveerde kamperfoelie (Vlinderstichting kleine ijsvogelvlinder, 2020). Binnen de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied voor de grote vos en de kleine ijsvogelvlinder. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus, koolmees, pimpelmees, tjiftjaf, vink en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Op de planlocatie bevindt zich geen bebouwing die geschikte nestlocaties zouden kunnen vormen.

Het voorkomen of wegnemen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Huismussen komen in de directe omgeving van het plangebied wel voor. Er zijn 2 huismussen aangetroffen in de rij met knotelzen aan de westelijke zijde van de grasweide. Nestlocaties van huismussen kunnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn onder bijvoorbeeld de daken van de woningen. Als deze tijdens de beoogde ontwikkeling de knotelzen worden weggehaald leidt dat tot beperkte aantasting van groene delen. In de beoogde ontwikkeling blijven de knotelzen behouden. Ook is hier geen sprake van beschadiging van essentieel functioneel leefgebied, mede gezien de beperkte hoeveelheid groen op de planlocatie en de ruime aanwezigheid van groenstructuren in de naastliggende tuin(en). Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Er is op de planlocatie geen sprake van bebouwing met potentiële nest locaties voor gierzwaluwen. Hierdoor kunnen negatieve effecten op gierzwaluwen op de planlocatie uitgesloten worden.

Er is op de planlocatie of op korte afstand hiervan geen bebouwing aanwezig waar uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) zouden kunnen nestelen. De aanwezigheid van kerkuil is niet bekend in de directe omgeving van Laag-Soeren, maar steenuilen worden regelmatig in de randen van de bebouwde kom waargenomen (NDFF 20211-2021). In de huidige situatie kunnen steenuilen sporadisch gebruikmaken van de planlocatie om te foerageren naar bijv. insecten of ongewervelden. In de randen van de bebouwde kom van Laag-Soeren is

10

kwalitatief hoogwaardig leefgebied aanwezig voor steenuilen. Gezien de zeer beperkte grootte van de ingreep, de afstand tot mogelijke nestlocaties en de grootte van een territorium van een steenuilpaartje is er echter geen enkele sprake van het beschadigen van een essentieel onderdeel van het functioneel leefgebied van uilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.

De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties, maar worden in de beoogde ontwikkeling niet weggenomen. Wel kan er sprake zijn van significante verstoring van broedgevallen, mochten deze in de randen van het perceel plaatsvinden. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

11

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van circa 130 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (figuur 5). Op een afstand van circa 130 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op circa 260 m ligt een groene ontwikkelingszone (figuur 6).

130 m Laag Soeren

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 130 m tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (bron: nationaal Georegister PDOK).

130 m

Laag Soeren 260 m

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 130 m tot het Gelders Natuurnetwerk en 260 m tot een groene ontwikkelingszone (bron: gelderland.maps.arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de schaal van de beoogde ontwikkeling te klein is om op deze afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden een significant effect te hebben. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen

12

middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er een geringe afstand (130 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’, waar zich stikstofgevoelige habitattypen bevinden, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.

13

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

-

-

-

-

-

-

n

n

n

n

+

-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

130 m

stikstof

AERIUS

Gelders Natuurnetwerk

130 m

geen

n.v.t.

Groene ontwikkelingszone

260 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

nee

n.v.t.

n

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wnb. Om negatieve effecten omtrent stikstofdepositie in het kader van gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

14

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, met voorbehoud ten aanzien van stikstof en enkele algemene maatregelen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Eerbeekseweg 8 te Laag-Soeren uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Indien aanwezig vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.

op aanwijzing van deskundige. Indien sprake is van broedgevallen en werkzaamheden resulteren in het ongeschikt raken van een broedgeval kunnen deze werkzaamheden geen doorgang vinden. Als dit niet mogelijk is dienen potentiële nestlocaties reeds voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

15

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gederland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

16

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

17

Bijlage 1 Fotografische impressie

18

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Eerbeekseweg 8 te Laag-Soeren en betreft een grasweide achter een bestaande woning.

Figuur 2

De woning voor de grasweide blijft behouden.

datum 13-7-2021 dossiercode 20210713-10-27124

Wateradvies voor ruimtelijke plannen met een klein waterbelang (korte procedure)

Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn.

Beoordeling In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven.

Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.

Algemene aandachtspunten

Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.

Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hierbij verder helpen.

Gebiedsspecifieke aandachtspunten

Grondwaterfluctuatiezone

Het plangebied ligt in de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Meer informatie over de grondwaterfluctuatiezone kunt u vinden op de website van de Provincie Gelderland.

Tot slot Eventueel benodigde vergunningen worden niet binnen de watertoets procedure of met deze Digitale Watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Een watervergunning van het waterschap is bijvoorbeeld nodig voor het dempen en/of vergraven van watergangen, het lozen van water op oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater. Informatie over een watervergunning kunt u vinden op de website van het waterschap (www.vallei-veluwe.nl/loket). Op www.omgevingsloket.nlkunt u een watervergunning aanvragen. Daarnaast kunt u telefonisch contact opnemen met het waterschap onder telefoonnummer 055 - 52 72 911. Wij wensen u succes met de verdere ruimtelijke planvorming en verzoeken u het voorontwerp bestemmingsplan naar ons te mailen [watertoets@vallei-veluwe.nl].

Heeft u vragen of opmerkingen over deze watertoetsapplicatie? Laat het ons per mail weten [watertoets@vallei-veluwe.nl]. Voor dringende watertoetszaken kunt u ons telefonisch bereiken op 055 - 52 72 911.

Team Watertoets, Waterschap Vallei en Vallei

Disclaimer Waterschap Vallei en Veluwe streeft ernaar om correcte en actuele informatie in deze watertoetsapplicatie aan te bieden. Aan het beschikbaar gestelde kaartinformatie kunnen geen rechten worden ontleend. Waterschap Vallei en Veluwe aanvaard geen aansprakelijkheid voor enige vorm van schade naar aanleiding van het gebruik of de informatie die via deze applicatie beschikbaar wordt gesteld.

www.dewatertoets.nl

Perceel ten westen van Eerbeekseweg 8 Laag-Soeren, spuitzone

Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden Gemeenten Rheden en Brummen

Projectnummer: Status: Datum: Auteur:

wil/R201728/1801e definitief 17-8-2018 mr.drs. J. Wildschut

Geaccordeerd:

M. Suyker MSc

Perceel ten westen van Eerbeekseweg 8 Laag-Soeren, spuitzone

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1.

Ruimtelijk acceptabele afstanden ........................................................................................... 3

1.2.

Gebruik gewasbeschermingsmiddelen ................................................................................... 4

Bouwplan en omgeving ................................................................................................................... 4 2.1.

Bouwplan................................................................................................................................. 4

2.2.

Bestemming van de omgeving ................................................................................................ 5

Maximale planologische situatie, gebruikte bestrijdingsmiddelen................................................. 9 3.1.

Bedrijfsbestemming tuincentrum / hoveniersbedrijf (Brummen) ......................................... 9

3.2.

Agrarische bestemming (Brummen) ....................................................................................... 9

3.3.

Agrarische bestemming (Rheden) ........................................................................................... 9

4.

Activiteitenbesluit ......................................................................................................................... 10

5.

Representatief gebruik bestrijdingsmiddelen ............................................................................... 10

6.

7.

5.1.

Ctgb – wettelijk gebruiksvoorschrift ..................................................................................... 10

5.2.

Toepassingsmatrix ................................................................................................................. 11

Spuitzones ..................................................................................................................................... 12 6.1.

Efsa-model ............................................................................................................................. 12

6.2.

Cumulatie .............................................................................................................................. 18

Conclusie ....................................................................................................................................... 18

Bijlagen .................................................................................................................................................. 20

Adromi B.V.

wil/R201728/1801e

Pagina 2 van 20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=d7fb62f7-10f4-400c-bd66-cdc6e42ae8ca