Definitieve rapportage Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld (lage resolutie)
Tekst van het document
2022
John T. Smit & Theo Zeegers
Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
november 2022 tekst John T. Smit & Theo Zeegers foto’s John T. Smit productie EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden rapportnummer EIS2022-17 opdrachtgever Gemeente Rheden contactpersonen opdrachtgever Sjoerd Huijbregts contactpersoon EIS John T. Smit foto’s voorpagina Hoofdfoto: Een deel van de geplaatste honingbijkasten op het Rozendaalse Veld in 2022. Inzet: Vrouwtje van de ernstig bedreigde Ericabij Megachile analis foeragerend op dopheide op het Rozendaalse Veld. foto achterkant Vrouwtje van de bedreigde zadeldwergzandbij Andrena falsifica foeragerend op tormentil.
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Inhoudsopgave Samenvatting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Doel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Methode . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Kwalitatief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Kwantitatief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Terminologie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 Onderzochte groepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 Weersinvloeden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Resultaten en discussie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 Kwalitatief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 Bespreking bijzondere soorten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 Hotspots . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20 Kwantitatief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24 Conclusie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32 Kwalitatief . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32 Kwantitatief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32 Aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33 Literatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34 Bijlage 1. Overzicht van de waargenomen bijen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36 Bijlage 2. Overzicht van de waargenomen zweefvliegen . . . . . . . . . . . . . . . 38 Bijlage 3. Overzicht van de waargenomen overige vliegen . . . . . . . . . . . . . . 39
1
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Samenvatting In opdracht van de gemeente Rheden heeft EIS Kenniscentrum Insecten in 2022 onderzoek gedaan op het Rozendaalse Veld naar eventuele concurrentie tussen honingbijen en wilde bestuivers om op basis van de resultaten een onderbouwd advies te kunnen geven voor het maximum aantal te plaatsen honingbijkasten. Het onderzoek bestaat uit een kwalitatief en een kwantitatief deel. Tijdens het kwalitatief onderzoek zijn 9 proefvlakken van 5 hectare op een gestandaardiseerde wijze onderzocht op bestuivers. In totaal zijn er 68 soorten bijen en 48 soorten zweefvliegen waargenomen. Deze soortenlijst is aangevuld met enkele losse waarnemingen van andere vliegengroepen. Voor een terrein van dergelijke omvang valt de soortrijkdom een beetje tegen. In vergelijking met de andere drie onderzocht te terreinen van de afgelopen drie jaar is de soortrijkdom vergelijkbaar met die van de Doornspijkse heide, met respectievelijk 68 en 39 soorten en iets soortenrijker dan de Arnhemse heide, met respectievelijk 50 en 23 soorten, maar beduidend minder soortenrijk dan Havelte met respectievelijk 109 en 48 soorten. Havelte had een hogere diversiteit aan biotopen dan het Rozendaal Veld, vooral de verschillende stukken heischraal grasland, die ontbreken in Rozendaal. In totaal 29 soorten zijn vermeldenswaardig, deze worden besproken bij de resultaten.
Deels zijn deze insecten kenmerkend voor de aanwezige habitattypen (o.a. droge hei, natte hei, randen van naaldbos), deels betreft het zeldzame soorten of soorten van een rode lijst. De aanwezigheid van deze soorten wijst op de waarde van de het Rozendaalse Veld van een zeer kwetsbaar geworden habitattype. Het Rozendaalse veld bevat een aantal plekken die rijk zijn aan (bijzondere) insecten. Het betreft de heidecorridor bij de Koningsweg, de Brandtoren, het bosbesbos ten noorden van het Rozendaalse zand, het fietspad in het zuidoosten, het stuk bremgaspeldoornheide en de bosrand in het zuidwesten. De belangrijkste soorten die hier zijn aangetroffen betreffen de bedreigde zadeldwergzandbij en vooral de ernstig bedreigde ericabij. Deze laatste is concurrentiegevoelig voor honingbijen en afhankelijk van dopheide. De dichtheid honingbijkasten per hectare bloeiende struikhei is op het Rozendaalse Veld in vergelijking met de andere onderzochte terreinen zeer hoog. De waargenomen dichtheid honingbijen op struikhei is aanzienlijk hoger dan in de andere onderzochte heidevelden maar lager dan dat op grond van het aantal aanwezige honingbijkasten, de oppervlakte van het gebied en de mate van bloei van de struikhei verwacht had mogen worden. De dichtheid honingbijen neemt niet af met de afstand tot de honingbijkasten.
Alle bovenstaande constateringen wijzen erop dat de struikhei op Rozendaal volledig verzadigd is met honingbijen, en dat de struikhei ‘vol’ zit. In andere woorden, het aantal honingbijkasten van 258 was hoger dan de draagkracht van het heideveld. Op plekken waar een hoge dichtheid aan honingbijen zat is gemiddeld niet een hoge dichtheid aan wilde bestuivers geconstateerd. Er lijkt geen correlatie te zijn tussen beide dichtheden, wat duidt op concurrentie. Uitgaande van het voorzorgsbeginsel en de constatering dat het aantal honingbijkasten in 2022 beduidend hoger was dan de draagkracht van de heide op het Rozendaalse Veld luidt onze aanbeveling op basis van de huidige getallen, waarbij geaccepteerd wordt een kwart van het terrein onder invloed staat van concurrentiedruk, tot het plaatsen een maximum van 5 kasten op één locatie van maximaal enkele vierkante meters.
2
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Inleiding De laatste jaren wordt steeds vaker de vraag gesteld in hoeverre het plaatsen van honingbijvolken in de natuur een probleem kan zijn voor wilde bijen en andere wilde bestuivers. Aan de ene kant is er de traditie van imkerij, aan de andere kant is er – zeker in natuurgebieden – een primaire taak van natuurbescherming en bescherming van de biodiversiteit. Hier is het voorzorgsbeginsel van toepassing (“Nee, tenzij ..”). De zorgen rond concurrentie tussen honingbijen en wilde bestuivers maken dat het traditionele beleid heroverwogen moet worden. Traditioneel zijn heidevelden van groot belang voor de imkerij, vanwege de superieure kwaliteit honing dit het oplevert. Bovendien bloeit struikhei in een periode – voornamelijk augustus – waarin weinig andere goede drachtplanten bloeien. Imkers komen dan ook van heinde en verre om hun kasten langs heidevelden te plaatsen. De struikhei is ons land is de laatste jaren hard achteruit gegaan, enerzijds door vergrassing ten gevolge van stikstofdepositie, anderzijds door slechte bloei door hete zomers en droogte, een verschijnsel dat vroeger uitzonderlijk was maar tegenwoordig de norm. Op basis van eerder onderzoek op heideterreinen heeft EIS Kenniscentrum Insecten vastgesteld dat de dichtheid wilde bestuivers duidelijk waarneembaar en statistische significant samenhangt met de aanwezigheid van honingbijkasten en de afstand daartoe.
Deze resultaten zijn omgezet naar een richtlijn voor het aantal te plaatsen honingbijkasten. De gemeente Rheden heeft EIS Kenniscentrum Insecten gevraagd om in 2022 onderzoek te doen op het Rozendaalse Veld naar eventuele concurrentie om op basis daarvan een onderbouwd advies te kunnen geven voor het maximum aantal te plaatsen honingbijkasten.
Doel Het doel van dit onderzoek is om een onderbouwd advies te geven voor het maximum aantal te plaatsen honingbijkasten op het Rozendaalse Veld.
3
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Methode Hier wordt de onderzoeksmethode besproken voor achtereenvolgens het kwalitatieve en het kwantitatieve onderzoek. Deze zijn conform het onderzoek dat eerder is uitgevoerd op enkele terreinen van defensie, welke ten grondslag hebben gelegen aan de opgestelde richtlijn (Smit et al. 2021). Bezoekdata voor het Rozendaalse veld zijn te vinden in tabel 1. Tabel 1 Bezoekdata Doornspijkse Hei. Tijdens kwantitatief onderzoek zijn ook, tussen de bedrijven door, kwalitatieve data verzameld. Figuur 1 geeft een overzicht van de plots en hun ligging.
Datum Onderzoeker 12 april JTS 5 mei JTS, TZ 27 mei JTS 9 juni JTS 20 juni JTS 29 juni TZ 4 augustus JTS, TZ 8 augustus JTS, TZ 16 augustus JTS, TZ 16 oktober JTS
Werkzaamheden Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief, kwantitatief Kwalitatief, kwantitatief Kwalitatief, kwantitatief Kwalitatief
Kwalitatief Om de diversiteit van bestuivers op de geselecteerde terreinen te onderzoeken, worden de terreinen onderzocht op de diversiteit van bijen en zweefvliegen. Voor het veldwerk wordt een protocol gevolgd dat is ontwikkeld voor monitoring van bijen in de provincie Noord-Brabant; een tijdsinvestering van 2 uur per ronde voor het inventariseren van een deelgebied van 5 hectare op de aanwezigheid van bijen en zweefvliegen (Raemakers et al. 2018). Binnen deze deelgebieden wordt vooral aandacht besteed aan plekken die potentieel interessant zijn voor bestuivers, zoals bloeiende planten en open grond. Door deelgebieden van een standaardgrootte te gebruiken is het mogelijk het onderzoek te herhalen en het tot op zekere hoogte zelfs te vergelijken met andere onderzoeken. Per velddag worden 3 deelgebieden bezocht. Deze worden op kaart vastgelegd. Per terrein worden de deelgebieden zo uitgelegd dat de diversiteit van het terrein zoveel mogelijk gedekt wordt. De deelgebieden bij elkaar zijn dus zo veel mogelijk representatief voor de diversiteit in habitats en soorten van het totale terrein.
Kwantitatief Om het eventuele effect van de aanwezigheid van honingbijen te meten, worden op de terreinen plots van 50 bij 50 meter uitgezet op verschillende afstanden van bijenkasten. Binnen de plots worden in 45 minuten alle aanwezige bestuivers (bijen en zweefvliegen), inclusief honingbijen, per soort geteld. Honingbijen worden exact geteld met een klikteller, andere soorten worden geturfd, waarbij eventuele hoge aantallen (>50) worden afgerond op vijftallen. De plots worden zo uniform mogelijk gekozen zodat ze onderling vergelijkbaar zijn. Daarbij wordt gestreefd naar bloemrijke plots die interessant zijn voor bloembezoekende insecten. In de praktijk houdt dit voor de geselecteerde terreinen in dat de plots uitgelegd worden op plekken met zo uniform mogelijke bloeiende struikhei. Omdat zo uniform mogelijke plots worden uitgezocht, is het niet mogelijk om elke plot op exact gelijke afstand van en in een rechte lijn met de
4
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Figuur 1 Rozendaalse veld met de kwantitatieve plots weergegeven in geel en de locaties met aantallen honingbijkasten in blauw. Later bleken er ook op het naburige terrein van Natuurmonumenten nog honingbijkasten te staan, deze zijn in rood weergegeven.
vorige plot te leggen. Er wordt gestreefd naar een afstand tussen twee plots van omstreeks 200 meter. In de analyse is er gerekend met de gemeten afstand tussen de plots en de bijenkasten. Op één dag worden per persoon 5 à 6 plots onderzocht tussen 10.00 – 17.00 uur zomertijd. Om zoveel mogelijk onder gelijke weersomstandigheden te kunnen tellen is er voor gekozen om met twee veldmedewerkers tegelijk de tellingen uit te voeren. Op het Rozendaalse Veld zijn 18 plots onderzocht op twee dagen in augustus, tijdens de bloei van de struikhei (fig. 1). Aanvankelijk leken alle honingbijkasten allemaal in dezelfde hoek geconcentreerd te zijn, maar tijdens het veldwerk bleken er ook tenminste een 50-tal kasten op het naastgelegen Herikhuizerveld van Natuurmonumenten te staan (fig. 1), deze hebben terdege invloed gehad op de gevonden resultaten en zullen in de discussie meegenomen worden. De struikhei bloeide uitbundig begin augustus, maar door de droogte duurde de bloei niet lang. Op de eerste dag van de tweede ronde, 16 augustus, bleek nog slecht 40% van de heide te bloeien en was de struikhei bovendien erg droog. Bovenal bleken de honingbijen zich vooral te verschansen in de kasten en niet actief aan het foerageren te zijn. Hierdoor heeft de tweede ronde kwantatieve tellingen niet kunnen plaatsvinden.
De struikhei bloeide op sommige plaatsen uitbundig, maar op andere plaatsen was de bloei arm en verre van vlakdekkend. De meeste plots zijn 50 x 50 meter, maar een enkele is noodgedwongen kleiner. Ook de aanwezigheid van mate van bloei van de heide varieert tussen plots. Overal in deze rapportage worden dichtheden gerapporteerd (aantal individuen per vierkante meter), waarbij als oppervlakte de oppervlakte bloeiende heide genomen wordt. Door alles in dichtheden om te rekenen, worden de resultaten voor verschillende plotgroottes onderling vergelijkbaar, en ook makkelijker te vergelijken met de resultaten uit andere studies.
5
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Terminologie Bijen hiermee worden de bijna 370 Nederlandse soorten wilde bijen, inclusief hommels, aangeduid, daar waar het over de honingbij gaat wordt die ook als zodanig gemeld. Broedparasiet een soort die niet haar eigen nest maakt, maar haar eieren afzet in een nest van een geschikte gastheer. Clypeus het onderste deel van het gezicht, bij mannetjes van sommige soorten bijen is dit geel of wit van kleur. Communaal een nestelwijze waarbij verschillende vrouwtjes gebruik maken van één nestingang, maar wel ieder hun eigen broedcel aanleggen. Nestaggregatie een klein of groot aantal nesten van dezelfde bijensoort bij elkaar in de grond, ieder nest door een eigen vrouwtje aangelegd en bevoorraad. Oligolectisch een bijensoort die stuifmeel verzamelt op één plantensoort of een beperkt spectrum aan nauwverwante plantensoorten. Polylectisch een bijensoort die stuifmeel verzamelt op en breed spectrum aan plantensoorten.
Onderzochte groepen Bijen De honingbij is bij iedereen bekend. Deze honingproducerende bij leeft in sociale volken en wordt door imkers gehouden in bijenkasten. Minder bekend zijn de bijna 370 soorten wilde bijen die in Nederland voorkomen. Deze worden niet verzorgd door imkers en moeten zelf zorgen voor hun onderdak. Ook hommels behoren tot de wilde bijen. Wilde bijen nestelen op allerlei plekken. Veel soorten graven zelf hun nest in de bodem, met name op schaars begroeide plekken. Sommige hommels maken gebruik van verlaten muizenholen. Andere soorten nestelen bovengronds in dood hout, waarin andere insecten gangen hebben uitgeknaagd. Ook zijn er diverse soorten die hun nesten in holle takjes en stengels bouwen, en zelfs enkele soorten die uitsluitend nestelen in lege slakkenhuisjes. Hoe meer variatie er in een terrein is aan zulke ‘microstructuren’, hoe meer bijensoorten er een geschikte nestelplek kunnen vinden. Bijen houden van warmte, dus belangrijke voorwaarde voor een geschikte nestelplek is dat deze een flink deel van de dag in de zon moet liggen. Alle bijen bezoeken bloemen. Zij drinken nectar voor hun eigen energievoorziening en verzamelen stuifmeel als voedsel voor de larven. Met dit stuifmeel vliegen ze naar hun nest, waar ze het in de nestcellen opbergen en er hun eieren op leggen. Veel soorten bijen zijn in bepaalde mate gespecialiseerd in hun bloembezoek.
Gespecialiseerde bijen verzamelen bijvoorbeeld alleen stuifmeel op wilgen, schermbloemen, kattenstaart, klavers of heide. Een bij vliegt dagelijks diverse malen op en neer tussen nest en bloemen om voldoende voedsel te verzamelen. Het is dus belangrijk dat geschikte nestelplaatsen niet te ver van de bloemen vandaan liggen.
6
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Zweefvliegen Zweefvliegen kunnen als kleine helikoptertjes stilstaan in de lucht. Veel soorten lijken in uiterlijk op bijen, hommels of wespen, maar steken kunnen ze niet. Zweefvliegen hebben met bijen gemeen dat ze vaak bloemen bezoeken. In tegenstelling tot bijen gebruiken zweefvliegen nectar en stuifmeel echter alleen als voedsel voor de volwassen vliegen, niet voor hun larven. Juist in de voedingsgewoonten van de larven verschillen de 330 Nederlandse soorten zweefvliegen sterk van elkaar. De voedselkeuze van de larven bepaalt in grote mate waar een zweefvlieg voorkomt. Grofweg zijn er vier ecologische hoofdgroepen te onderscheiden: Bladluiseters - Dit zijn predatoren die over kruiden, bomen en struiken lopen en zich voeden met bladluizen. Net als lieveheersbeestjes zijn deze zweefvliegenlarven belangrijke biologische bestrijders van bladluizen. Sommige soorten hebben een breed dieet van uiteenlopende soorten bladluizen, andere zijn kieskeuriger. Planteneters - Deze leven in wortels, stengels en bladeren van planten. Deze soorten zijn sterk gespecialiseerd in bepaalde plantensoorten. Zo zijn er soorten die in fluitenkruid leven, in koninginnekruid of in distels. Water- en modderbewoners - Deze larven voeden zich met bacteriën in nat, rottend materiaal, zoals in de modder langs oevers.
Sommige soorten leven in voedselrijke omstandigheden, terwijl andere juist schoon en minder voedselrijk water prefereren. Ze halen adem door een lange, telescopisch uitschuifbare buis aan het uiteinde van hun achterlijf. Houtmolmbewoners - Net als de water- en modderbewoners voeden deze larven zich met bacteriën, alleen doen houtmolmbewoners dit op allerlei plekjes die met dood hout en oude bomen te maken hebben. Enkele soorten boren zich een weg door dood, rottend hout, andere leven in natte boomholten of in sap dat uit beschadigde boombast vloeit. Een klein aantal soorten laat zich niet in deze hoofdcategorieën vangen. Dit zijn bijvoorbeeld de gewone snuitvlieg Rhingia campestris, die zich in koeienmest ontwikkelt. De verschillende kniksprieten Microdon leven als larve in mierennesten, waar ze afval onderin het nest opruimen.
7
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Weersinvloeden Het jaar 2022 begon ongekend zacht met weliswaar drie stormen in februari en erg veel neerslag die maand, maar ook een erg zachte temperatuur. Gevolgd door een zeer zonnige, warme en extreem droge maand maart. Hierdoor begonnen veel voorjaarssoorten al vroeg in het jaar. April daarentegen begon juist weer erg nat en was erg koel maar wel zeer zonnig. Begin mei werden reeds de eerste tropische temperaturen gemeten en liep het neerslagtekort verder op. Dit hield aan tot en met de zomer, met af en toe een wat nattere periode en een extreem warme en zeer droge augustus. Het neerslagtekort liep in die periode flink op (fig. 2, 3). Deze droogte heeft zonder twijfel gevolgen gehad voor de nectarproductie van bloemen en daarmee ook voor de activiteit van bloembezoekende insecten.
Figuur 2 Doorlopend potentieel neerslagoverschot in de periode 1 april t/m 30 september 2022 (rechts), in vergelijking met het langjarige gemiddelde uit de periode 1991-2000 (links). Bron KNMI.
Figuur 3 Neerslagtekort in Nederland in 2022 gebaseerd op het landelijke gemiddelde van 13 weerstations. Ter vergelijking zijn het recordjaar 1976, het extreem droge jaar 2018 evenals de 5% droogste jaren en de mediaan weergegeven. Bron KNMI.
8
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Resultaten en discussie Kwalitatief Tijdens zowel het kwalitatieve als het kwantitatieve onderzoek zijn waarnemingen verzameld van bestuivers op het Rozendaalse Veld. Voor het kwalitatieve onderzoek is gewerkt met 9 plots van 5 hectare (fig. 4, 5) die zijn onderzocht op de aanwezigheid van bijen en zweefvliegen. Aanvullend zijn op niet-gestandaardiseerde wijze waarnemingen van enkele andere vliegengroepen genoteerd.
Diversiteit In totaal zijn 68 soorten bijen en 48 soorten zweefvliegen aangetroffen. De totale soortenlijst is te vinden in Bijlage 1. Tabel 2 toont een overzicht van de aandachtsoorten, in figuur 26 zijn de waarnemingen van deze soorten op de kaart te zien. Hieronder worden kort de categorieën waartoe deze soorten behoren besproken, daarna volgt per soort een korte beschrijving. Rode lijstsoorten zijn soorten die een in enige mate bedreigde status hebben. Voor bijen is er een Nederlandse rode lijst opgesteld (Reemer 2018). Voor zweefvliegen is die er nog niet, maar er is dit jaar wel een Europese rode lijst uitgekomen, waarin ook enkele Nederlandse soorten zijn opgenomen (Vujic et al. 2022), let wel deze categorieën zeggen wat over de achteruitgang op Europese schaal, voor de Nederlandse situatie zal die lijst naar alle waarschijnlijkheid veel uitgebreider zijn gezien de geconstateerde achteruitgang en zowel Duitsland als Nederland (Barendregt et al. 2022, Hallman et al. 2021). De zeldzaamheidsklassen worden voor de bijen eveneens ontleend aan de rode lijst (Reemer 2018), voor de zweefvliegen aan de atlas (Reemer et al. 2009) en voor de overige vliegengroepen aan Smit et al (2019).
De categorie heide / zandgrond betreft soorten die vrijwel uitsluitend of voornamelijk voorkomen op heideterreinen of op zandgronden, deze informatie is afkomstig van de respectievelijke atlassen; bijen (Peeters et al. 2012), zweefvliegen (Reemer et al. 2009), overige vliegen (Smit et al. 2019, Zeegers & Schulten 2021).
9
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Figuur 4 Rozendaalse veld met alle waarnemingen van 2022.
Figuur 5 Rozendaalse veld met de plots voor kwalitatief onderzoek. Elk plot heeft een oppervlakte van 5 hectare.
10
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Tabel 2 Overzicht van de aandachtsoorten die in 2022 op het Rozendaalse veld zijn waargenomen.
Wetenschapelijke naam Bijen Andrena falsifica Andrena fuscipes Andrena lapponica Andrena ovatula Bombus jonellus Bombus rupestris Bombus vestalis Colletes succinctus Halictus confusus Hylaeus incongruus Lasioglossum brevicorne Lasioglossum fratellum Lasioglossum monstrificum Lasioglossum prasinum Megachile analis Nomada rufipes Panurgus banksianus
Nederlandse naam
Aantal Rode lijst
Zeldzaamheid Heide / zandgrond
zadeldwergzandbij heidezandbij bosbesbij bremzandbij veenhommel rode koekoekshommel grote koekoekshommel heizijdebij heidebronsgroefbij weidemaskerbij kortsprietgroefbij bosgroefbij glanzende franjegroefbij viltige groefbij ericabij heidewespbij grote roetbij
17 864 19 51 20 5 16 17 2 5 6 1 5 7 2 45 3
zeer zeldzaam vrij zeldzaam zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam Bedreigd zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam vrij zeldzaam vrij zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam zeldzaam zeldzaam Bedreigd zeldzaam Ernstig bedreigd zeer zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam
Zweefvliegen Chalcosyrphus piger Dasysyrphus neovenustus Didea intermedia Eupeodes bucculatus Microdon major Paragus haemorrhous Pelecocera lusitanicus Psilota atra Sphaerophoria batava
roodpuntbladloper zwartbandwimperzweefvlieg dennendidea variabele kommazweefvlieg grote knikspriet gewoon krieltje duinheidedwerg dennenspitsbek zandlanglijf
4 1 7 1 2 4 2 2 7
zeer zeldzaam zeldzaam
Blaaskopvliegen Myopa fasciata
heideblaaskaakje
3
Spinvliegen Paracrocera orbiculus
kleine spinvlieg
1
Wolzwevers Exoprosopa capucina
roodbruine heiderouwzwever
1
Bedreigd
Bedreigd Gevoelig
Afgenomen
zeldzaam zeldzaam zeldzaam zeldzaam
zeldzaam
x x x x
x x
x x x x x
x x x x x x x
x
x
Afgenomen
x
11
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Bespreking bijzondere soorten
Figuur 6 Vrouwtje zadeldwergzanbij Andrena falsifica, foerage-
rend op tormentil.
Zadeldwergzandbij Andrena falsifica Rode lijst: Bedreigd. Status: Zeer zeldzaam. Specialist van heideterrein. Voorkomen: Tot 2022 uitsluitend bekend van een populatie in Zuid-Limburg en twee in Drenthe: Dwingelderveld en Holtingerveld. Na de vondst van enkele exemplaren op de Ginkelse heide in mei werden enkele gerichte zoekacties ondernomen en is de soort op verschillende heideterreinen op de Veluwe aangetroffen (zie dit natuurbericht: https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/ message/?msg=29464). Altijd gevonden op plekken met een heischraal karakter en vrijwel uitsluitend langs betonnen fietspaden of afwateringen, die nog voor enige buffering zorgen in het verder zure zandlandschap. Biologie: Verzamelt vermoedelijk uitsluitend stuifmeel van tormentil, mogelijk ook van andere ganzerik-soorten. Waarnemingen: Er zijn in totaal 17 individuen waargenomen langs drie verschillende fietspaden. Heidezandbij Andrena fuscipes Status: Vrij zeldzaam. Specialist van heideterrein. Voorkomen: Op heideterreinen op binnenlandse zand- en lössgronden. Biologie: Stuifmeelspecialist op struikhei Waarnemingen: In grote aantallen en verspreid over het terrein aanwezig.
Figuur 7 Vrouwtje heidezandbij Andrena fuscipes.
Figuur 8 Vrouwtje bosbesbij Andrena lapponica.
12
Bosbesbij Andrena lapponica Status: Zeldzaam. Uitsluitend op zandgronden. Voorkomen: Zeldzaam, in naaldbos met veel bosbes op de hogere zandgronden. Biologie: Stuifmeelspecialist op bosbessoorten. Waarnemingen: Er zijn in totaal 19 individuen waargenomen vooral in het stukje bos aan de westkant van de Koningsweg en het stuk bos ten noorden van de zandverstuiving. Bremzandbij Andrena ovatula Rode lijst: Kwetsbaar. Status: Vrij zeldzaam. Voorkomen: Verspreid aanwezig op de binnenlandse zandgronden en in Zuid-Limburg. Biologie: Specialist van vlinderbloemigen, voorkeur voor (stekel)brem. Waarnemingen: Een vijftigtal exemplaren is verspreid over het zuidoostelijke deel en nabij de brandtoren waargenomen.
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Veenhommel Bombus jonellus Rode Lijst: Kwetsbaar. Status: Vrij zeldzaam. Uitsluitend op zandgronden. Voorkomen: Op vochtige terreinen op zandgrond. Biologie: Polylectisch, heeft van maart tot september voldoende bloemen nodig, waarbij vooral struikhei, dophei en bosbes belangrijke voedselplanten zijn. Waarnemingen: Er zijn twintig exemplaren verspreid over het terrein waargenomen.
Figuur 9 Vrouwtje veenhommel Bombus jonellus.
Figuur 10 Mannetje rode koekoekshommel Bombus rupestris.
Rode koekoekshommel Bombus rupestris Rode Lijst: Bedreigd. Status: Zeldzaam. Voorkomen: Verspreid over het land en lijkt sinds eind vorige eeuw weer meer waargenomen te worden. Biologie: De rode koekoekshommel is een parasitaire hommel die de nesten van de steenhommel Bombus lapidarius overneemt. Hierbij wordt de koningin gedood of verstoten en worden de werksters aan het werk gezet voor het verzorgen van het broed van de parasiet Waarnemingen: Er zijn vijf mannetjes waargenomen, allemaal in oostelijke deel. Grote koekoekshommel Bombus vestalis Rode Lijst: Kwetsbaar. Status: Vrij zeldzaam. Voorkomen: Verspreid over heel Nederland. Biologie: De grote koekoekshommel is een parasitaire hommel die nesten van de aardhommel Bombus terrestris overneemt. Hierbij wordt de koningin gedood of verstoten en worden de werksters aan het werk gezet voor het verzorgen van het broed van de parasiet Waarnemingen: Er zijn vier vrouwtjes waargenomen. Heizijdebij Colletes succinctus Status: Vrij zeldzaam. Specialist van heideterrein. Voorkomen: Vrij zeldzaam, op heideterreinen op de hogere zandgronden en in de kalkarme kustduinen. Biologie: Stuifmeelspecialist op struikhei. Waarnemingen: Er zijn 17 exemplaren waargenomen, verspreid over het terrein.
Figuur 11 Mannetje heizijdebij Colletes succinctus.
Heidebronsgroefbij Halictus confusus Status: Vrij zeldzaam. Uitsluitend op zandgronden. Voorkomen: Op heideterreinen op de hogere zandgronden en in de duinen. Biologie: Polylectisch, verzameld stuifmeel op een grote verscheidenheid aan bloemen en nestelt in de grond. Waarnemingen: Er is één mannetje en één vrouwtje waargenomen.
13
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Weidemaskerbij Hylaeus incongruus Rode Lijst: Kwetsbaar. Status: Vrij zeldzaam. Voorkomen: Verspreid over het land, vooral zandgrond, maar lijkt te ontbreken op grote delen van de Veluwe. Biologie: Polylectisch, nestelt in holle stengels en takjes. Waarnemingen: Er zijn vijf exemplaren waargenomen, allemaal op braam in de bosrand aan de westkant van het terrein.
Figuur 12 Mannetje Weidemaskerbij Hylaeus incongruus.
Kortsprietgroefbij Lasioglossum brevicorne Rode lijst: Kwetsbaar. Status: Zeldzaam. Specialist van heideterrein. Voorkomen: Verspreid maar zeer lokaal, zwaartepunten zijn de zuidelijke Veluwe en het Gooi. Vooral gevonden op heischrale graslanden. Biologie: Heeft een sterke voorkeur voor muizenoor, maar ook gemeld van andere kleine gele composieten. Waarnemingen: Zes vrouwtjes, allemaal langs twee fietspaden; de Koningsweg en in het zuidoosten. Bosgroefbij Lasioglossum fratellum Status: Zeldzaam. Uitsluitend op zandgrond. Voorkomen: Verspreid over de binnenlandse zandgronden. Vooral gevonden in bosranden en op open plekken in bos. Biologie: Heeft een sterke voorkeur voor bosbes als voedselbron. Waarnemingen: Er is één vrouwtje waargenomen aan de rand van het bos aan de westkant van de Koningsweg.
Figuur 13 Vrouwtje kortsprietgroefbij Lasioglossum brevicorne.
Figuur 14 Vrouwtje Viltige groefbij Lasioglossum prasinum.
14
Glanzende franjegroefbij Lasioglossum monstrificum Status: Zeldzaam. Uitsluitend op zandgrond. Voorkomen: Verspreid over de hogere zandgronden, lijkt in het noorden veelal te ontbreken. Biologie: Polylectisch, bekend van biggenkruid, braam, sporkehout en tormentil. Waarnemingen: Vier exemplaren waargenomen, verspreid over het terrein. Viltige groefbij Lasioglossum prasinum Rode lijst: Bedreigd. Status: Zeldzaam. Specialist van heideterrein. Voorkomen: Zeldzaam, beperkt tot kalkarme zandgronden. Biologie: Lijkt een voorkeur te hebben voor dopheide, mogelijk zelfs oligolectisch op dopheide. Waarnemingen: Er zijn zeven exemplaren waargenomen, verspreid over het terrein. Alle waarnemingen gedaan op dopheide.
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Figuur 15 Vrouwtje ericabij Megachile analis.
Ericabij Megachile analis Rode lijst: Ernstig bedreigd. Status: Zeer zeldzaam. Specialist van heideterrein. Voorkomen: Was begin deze eeuw uitsluitend bekend van een tweetal populaties; in het Bargerveen en het Dwingelderveld. In 2020 is er een uitgebreid ecologisch onderzoek uitgevoerd naar deze soort en is die op diverse plekken (her)ontdekt, en is nu bekend van een twintigtal vindplaatsen, verspreid over het oostelijk deel van ons land. Biologie: Oligolectisch op dopheide, een van de weinige bladsnijders die in de grond nestelt. Waarnemingen: Er zijn twee vrouwtjes waargenomen op de kleine veldjes dopheide in het zuidoosten van het terrein, net ten noorden van het fietspad. Heidewespbij Nomada rufipes Rode Lijst: Kwetsbaar. Status: Vrij zeldzaam. Specialist van heideterrein. Voorkomen: Op de hogere zandgronden in gebieden met struikhei. Biologie: Broedparasiet van de heidezandbij. Waarnemingen: Verspreid over het terrein waargenomen, vooral op de kwantitatieve plots, met een enkeling daarbuiten.
Figuur 16 Vrouwtje heidewespbij Nomada rufipes.
Grote roetbij Panurgus banksianus Rode lijst: Kwetsbaar. Status: Vrij zeldzaam. Voorkomen: Verspreid over de hogere zandgronden. Biologie: Oligolectisch, gespecialiseerd op kleine gele composieten. Waarnemingen: Drie exemplaren in het zuidelijke deel, het honden uitlaatgebied.
Zweefvliegen
Figuur 17 Mannetje roodpuntbladloper Chalcosyrphus piger.
Roodpuntbladloper Chalcosyrphus piger Status: Zeer zeldzaam. Uitsluitend op zandgronden. Voorkomen: Was tot 2000 uitsluitend bekend van een tweetal waarnemingen uit de 19e eeuw. In 2000 voor het eerst na honderd jaar weer waargenomen en heeft zich sindsdien sterk uitgebreid over de binnenlandse zandgronden en de duinen van Noord-Holland. Biologie: Komt vooral voor in naald- en gemengde bossen op zandgrond. De larven zijn gevonden in vochtige rotte plekken achter de bast van spar en den. De volwassen dieren bezoeken geen bloemen. Waarnemingen: Er zijn vier exemplaren waargenomen, allemaal op bladeren van braam in de bosrand aan de westkant.
15
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Zwartbandwimperzweefvlieg Dasysyrphus neovenustus Status: Zeldzaam. Uitsluitend op zandgronden. Voorkomen: Wordt pas recent onderscheiden van de gewone wimperzweefvlieg D. venustus, waardoor de verspreiding nog niet duidelijk is. Alle zekere waarnemingen komen vooralsnog uitsluitend van de Veluwe. Biologie: Wordt vooral waargenomen op bloeiende struiken in bosranden. De larven leven van bladluizen. Waarnemingen: Er is één mannetje waargenomen op brem nabij de brandtoren.
Figuur 18 Mannetje zwartbandwimperzweefvlieg Dasysyrphus
neovenustus.
Figuur 19 Vrouwtje grote knikspriet Microdon major.
Figuur 20 Lege poppenhuid van de grote knikspriet Microdon major, aangetroffen op het Rozendaalse veld.
16
Dennendidea Didea intermedia Status: Algemeen. Uitsluitend op zandgronden. Voorkomen: Verspreid over de zandgronden en de duinen, met een duidelijk zwaartepunt op de Veluwe en de Utrechtse heuvelrug. Biologie: Wordt vooral waargenomen in naald- en gemengde bossen. De larven leven van bladluizen en zijn gevonden op zwarte den. Waarnemingen: Er zijn zes exemplaren waargenomen, verspreid over het terrein. Variabele kommazweefvlieg Eupeodes bucculatus Status: Zeldzaam. Voorkomen: Verspreid over het land, en vooral op de zandgronden. De soort lijkt een voorkeur te hebben voor meer open habitats zoals parken, graslanden, moerassen en bosranden. Biologie: De larven leven van bladluizen. Waarnemingen: Er is één vrouwtje waargenomen aan de rand van het bos aan de westkant van de Koningsweg. Grote knikspriet Microdon major Rode Lijst: Bedreigd volgens Europese rode lijst (Vujic et al. 2022). Status: Zeldzaam. Uitsluitend op zandgronden. Voorkomen: Het verspreidingsbeeld is incompleet omdat de adulten niet te ondersheiden zijn van de bosknikspriet M. analis (Smit & de Bree 2018). Beide soorten zijn uitsluitend op basis van de larven en de poppen van elkaar te onderscheiden en hebben verschillende mierensoorten als gastheer. Hierdoor zijn veel waarnemingen niet aan een van beide soorten toe te wijzen.
Biologie: De larven leven in nesten van bosmieren Formica waar ze het afval onderin het nest opeten. Waarnemingen: Er is een vrouwtje en een pop gevonden bij een nest van een bosmier aan de rand van het bos aan de westkant van de Koningsweg.
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Gewoon krieltje Paragus haemorrhous Status: Algemeen. Voornamelijk op zandgronden. Voorkomen: Voorheen beperkt tot de zandgronden, de duinen en Zuid-Limburg, tegenwoordig op meer schrale en zandige plekken, ook in stedelijke omgeving. Deze soort is een gewone verschijning op heideterreinen en is meestal te vinden op de schraler begroeide delen, bijvoorbeeld langs zandpaden. Biologie: De larven leven van bladluizen op diverse kruiden. Waarnemingen: Er zijn slechts vier exemplaren aangetroffen. Figuur 21 Copula gewoon krieltje Paragus haemorrhous.
Figuur 22 Vrouwtje duinheidedwerg Pelecocera lusitanica.
Duinheidedwerg Pelecocera lusitanicus Rode Lijst: Gevoelig volgens Europese rode lijst (Vujic et al. 2022). Status: Zeldzaam. Specialist van heideterreinen. Voorkomen: Verspreid over de Noord-Hollandse duinen en het binnenland, met een mogelijk zwaartepunt op de Veluwe. Biologie: De larven leven hoogstwaarschijnlijk van vezeltruffels Rhizopogon die symbiotisch leven op de wortels van dennen. Waarnemingen: Er zijn twee vrouwtjes waargenomen. Dennenspitsbek Psilota atra Status: Zeldzaam. Uitsluitend op zandgronden. Voorkomen: Verspreid over de zandgronden van NoordBrabant, de Veluwe en enkele plekken op de Utrechtse heuvelrug en Overijssel. Lijkt een duidelijk zwaartepunt te hebben op de Veluwe. Biologie: De larven leven van onder schors van dennen. Waarnemingen: Er zijn twee vrouwtjes waargenomen op een meidoorn nabij de brandtoren. Zandlanglijf Sphaerophoria batava Status: Vrij zeldzaam. Uitsluitend op zandgronden. Voorkomen: Verspreid over de zandgronden en de duinen, met tegenwoordig schijnbaar een zwaartepunt op de Veluwe. Biologie: Wordt vooral gevonden op heidevelden waar ze foerageren op heide en tormentil. De larven leven van bladluizen. Waarnemingen: Er zijn zeven exemplaren waargenomen, verspreid over het terrein.
Figuur 23 Mannetje langlijfje Sphaerophoria spec.
17
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Blaaskopvliegen Heideblaaskaakje Myopa fasciata Status: Zeldzaam en afgenomen. Specialist van heideterrein. Voorkomen: Heideterreinen in zuid en centraal Nederland, ontbreekt in het noorden. Biologie: Parasiteert naar alle waarschijnlijkheid op de heidezandbij Andrena fuscipes. Waarnemingen: Er zijn slechts drie exemplaren waargenomen, allemaal op het kwantitatieve plot RV16, in het zuidoosten.
Spinvliegen
Kleine spinvlieg Acrocera orbiculus Figuur 24 Vrouwtje heideblaaskaakje Myopa fasciata.
Status: Zeldzaam.
Specialist van heideterrein. Voorkomen: Enkel bekend van de heideterreinen in Gelderland, Overijssel en Drenthe. Biologie: Endoparasiet van spinnen. Is vooral te vinden op stammen van solitaire bomen aan de rand van de heide. Waarnemingen: Er is slechts één vrouwtje waargenomen in het noordelijk deel.
Wolzwevers Roodbruine heiderouwzwever Exoprosopa capucina Status: Afgenomen. Voorkomen: Lokaal vrij algemeen, op binnenlandse zandgronden en de duinen. Biologie: De larve parasiteert op graafwespen. Waarnemingen: Zeven exemplaren, verspreid door het terrein.
Figuur 25 Roodbruine heiderouwzwever Exoprosopa capucina
18
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Figuur 26 Kaarten van de aangetroffen aandachtsoorten op het Rozendaalse veld, inclusief een kaart met alle rode lijst- en alle zeldzame, de laatste kaart tevens de hotspots.
19
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Soortenrijkdom Naast de in de tabel 2 genoemde en hierboven besproken zeldzame of typische soorten die zijn aangetroffen op het Rozendaalse Veld zijn er toch ook nog de nodige soorten die ontbreken en die wel veel op heideterreinen op de Veluwe worden aangetroffen. Het gaat dan bijvoorbeeld om een groot aantal voorjaarssoorten van bijen, maar dat is te wijten aan het ontbreken van wilgen in het terrein. Tevens blinkend in afwezigheid is de heideviltbij Epeolus cruciger, dit is de broedpasrasiet van de heizijdebij, die wel is aangetroffen. Ook onder de zweefvliegen zijn er diverse typische voorjaarssoorten die ontbreken door het gebrek aan wilgen, voorbeelden hiervan zijn: onderbroken-bandzweefvlieg Syrphus nitidifrons, gevlekt roetneusje Parasyrphus punctulatus, donkerklauw en lichtklauw zandgitje Cheilosia psilophthalma en C. urbana. Beide laatstgenoemde leven als larve in de wortels van muizenoortje, een plant die wel degelijk aanwezig is. Anderzijds zijn er verschillende typische zomersoorten die niet of in zeer lage aantallen zijn aangetroffen, zo is het het gewoon krieltje een soort die normaal gesproken in grote aantallen aanwezig is op heideterreinen terwijl er op het Rozendaalse Veld slechts 4 individuen zijn waargenomen.
Daarnaast zijn er enkele fopwespen die typisch zijn voor heideterreinen die niet zijn waargenomen: heidefopwesp Chrysotoxum octomaculatum, een zeldzame maar typische soort van de Veluwe, en twee algemenere soorten; stip- en streepfopwesp C. festivum en C. vernale. Beide zijn wel op andere heideterrein op de Veluwe waargenomen afgelopen seizoen.
Hotspots Vooral op basis van de waarnemingen van rode lijst- en zeldzame soorten zijn er enkele hotspots aan te wijzen op het Rozendaalse Veld (fig. 26, rechtsonder). Deze zullen hieronder kort besproken worden, van linksboven met de klok mee. Buiten die hotspots om zijn ook enkele andere plekken met relatief veel rode lijstof zeldzame soorten zoals de bosranden nabij de beide parkeerplaatsen. Dit betreft vooral waarnemingen van dieren op braam, zoals de rode en grote koekoekshommel, de veenhommel en de roodpuntbladloper. Waarbij de laatste ten onrechte nog de status zeer zeldzaam heeft gezien de spectaculaire uitbreiding van de laatste 20 jaar. Daarnaast is de veenhommel een soort die typisch is voor zandgrond en die relatief veel op heideterreinen wordt aangetroffen. De grote koekoekshommel is een parasiet van de aardhommel en zodra een nest uitvliegt kan de soort ineens in aantal aanwezig zijn, zoals hier het geval op 20 juni, de enige dag waarop alle 16 individuen zijn waargenomen. Hetzelfde geldt eveneens voor het stukje bos net ten zuiden van de brandtoren, ook hier gaat het voornamelijk om waarnemingen van hommels op braam en een enkele vlooienkruid dat langs het fietspad in het bos staat. Hier ging het om een viertal individuen van de rode koekoekshommel en één vrouwtje veenhommel.
Heidecorridor Koningsweg Aan de westkant van de Koningsweg ligt, net ten noorden hiervan, tegen de bosrand aan een stukje bos. Hier is langs de zandweg een deel van het bos verwijderd bedoeld als toekomstige heidecorridor, volgens de beheervisie (2019). Hierdoor is een deel van de aanwezige rode bosbes meer in de openheid komen te staan. Vooral in augustus bloeide dit erg goed, beter dan op menig andere plek op het Rozendaalse Veld, en dit leverde enkele aandachtsoorten op, waaronder de bosgroefbij en de bosbesbij. Tevens was er een boomstronk van een den met een bosmierennest erin, dit leverde een poppenhuid en een vrouwtje op van de bedreigde grote knikspriet, één van de 30 Nederlandse zweefvliegen die op de Euro-
20
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Figuur 27 Het fietspad Koningsweg, het beton zorgt voor enige buffering waardoor planten zoals tormentil (linksonder) hier nog kunnen groeien.
pese rode lijst staan (Vujic et al. 2022). Vermoedelijk zorgt de beschutte ligging, tussen beide stukken bos in, en het beetje hoogteverschil in bodem ervoor dat de rode bosbes goed tot bloei komt. Dit is een welkome voedselbron in de zomer, naast de bloeiende heide. Brandtoren Voor de Koningsweg geldt dat dit een van de weinig bloemrijke plekken is op het Rozendaalse Veld, los van de beide heidesoorten. Hier staat onder andere witte klaver, jacobskruiskruid, kamille, kleine gele composieten, sint janskruid en tormentil. Verder staat er een meidoornstruik en wat brem, langs het fietspad aan de noordkant van de brandtoren. Dit laatste leverde op 5 mei enkele bremzandbijen op en het mannetje van de zwartbandwimperzweefvlieg. Langs de Koningsweg zijn op de tormentil (fig. 27) enkele exemplaren waargenomen van de bedreigde zadeldwergzandbij. Deze was tot voor kort slechts bekend van een drietal populaties, twee in Drenthe en één in Zuid Limburg. Na de vondst van enkele exemplaren op de Ginkelse heide in mei werden enkele gerichte zoekacties ondernomen en is de soort op verschillende heideterreinen op de Veluwe aangetroffen. Echter altijd op plekken met een heischraal karakter en waar leem, schelpenpaden of betonnen fietspaden zorgen voor nog enige buffering in de verder zure zandgrond.
Vroeger was de soort niet zeldzaam op de Veluwe en in het Gooi, wat aangeeft dat de heideterreinen vroeger in betere staat waren dan tegenwoordig, ze waren minder zuur, minder vergrast en bloemrijker. Nog steeds lijkt de zadeldwergzandbij redelijk wijdverspreid op de Veluwe voor te komen, maar wel uitsluitend langs paden met enige buffering. De zadeldwergzandbij heeft hier dus letterlijk een marginaal bestaan. Bosbesbos Het stukje bos ten noorden van het Rozendaalse zand bevat redelijk wat blauwe en rode bosbes, waar dan ook diverse exemplaren van de bosbesbij zijn waargenomen. Verder zijn hier vooral wat algemenere soorten waargenomen die weinig op andere plekken in het terrein zijn waargenomen, evenals de vrij zeldzame hei-
21
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
debronsgroefbij. Dergelijke stukken bos hebben een toegevoegde waarde voor soorten van heideterreinen, zeker als ze een mooie gevarieerde overgang naar het open veld hebben. Niet alleen biedt dit plaats voor de beide soorten bosbes met de bijbehorende bijen, maar er zijn ook diverse soorten zweefvliegen waarvan de larven leven van bladluizen in naaldbomen zoals grove den, zoals de bosbandzweefvlieg en de dennendidea. In dit geval spelen de grove dennen in dit stuk bos nog een aanvullende rol, aan de noordkant van dit stuk bos zijn in verschillende jaren enkele exemplaren waargenomen van de duinheidedwerg, zo ook dit jaar twee vrouwtjes. De larven leven van deze soort leven hoogstwaarschijnlijk van vezeltruffels Rhizopogon die symbiotisch leven op de wortels van dennen. Het is een zeldzame soort die als gevoelig op de Europese rode lijst staat (Vuijc et a;. 2022). Er is een kleine populatie van deze soort aanwezig op het Rozendaalse Veld, de eerste waarnemingen stammen uit 2010, daarna is de soort nog in 2014 en 2015 waargenomen en op 16 oktober van dit jaar zijn er twee vrouwtjes waargenomen. Fietspad ZO Langs dit fietspad zelf is het vooral weer de grotere bloemenrijkdom dan in de rest van het terrein, met vooral kleine gele composieten en tormentil.
Ook hier zijn weer enkele exemplaren van de zadeldwergzandbij waargenomen, evenals een kortsprietgroefbij en de hierboven genoemde dennendidea. Aanvullend is er een strook aan de noordkant van het fietspad met enkele kleine veldjes dopheide (fig. 28). Hier werden niet alleen enkele exemplaren gevonden van de bedreigde viltige groefbij, maar ook een tweetal vrouwtjes van de ernstig bedreigde ericabij. Beide zijn oligolectische soorten van dopheide. Deze laatste was een leuke verrassing omdat de dopheide op grote delen van de Veluwe in abominabele staat is. Tijdens het gerichte onderzoek naar de ericabij in 2020 was de aandacht vooral gericht op Drenthe en enkele plekken in Overijssel waar de dopheide nog in relatief goede staat is. In Drenthe is de bodem veelal leemhoudend wat een betere buffering heeft dan puur zand en bovendien beter in staat is water vast te houden. Op grote delen van de Veluwe is dat niet het geval en gaat de dopheide erg hard achteruit door verdroging of vergrassing met pijpestrootje. Des te verrassender was het te zien dat er nog redelijk wat dopheide op het Rozendaalse Veld aanwezig is en dat deze op plekken nog van behoorlijke kwaliteit lijkt. Voor het behoud van kleine populatie ericabij, evenals de viltige groefbij, van belang en de moeite waard om te behouden.
Idealiter niet te ver van open zand met wat schaarse begroeiing, liefst met een kleine helling, waar ze in nestelen. Brem gaspeldoorn heide Op verschillende plekken is hier op de heide gewone brem, stekelbrem en gaspeldoorn aanwezig (fig. 29). Vrijwel uitsluitend op de gaspeldoorn zijn diverse individuen van de bremzandbij waargenomen. Waarschijnlijk was dit de enige van de drie die nog nectar produceerde gedurende de hete en droge periode in het voorjaar, de stekelbrem was op 5 mei al volledig uitgedroogd. Het leeuwendeel van de bremzandbijen is in dit gebied waargenomen. Andere interessante planten die zijn aangetroffen waren een tweetal meidoorns, meestal goed voor enkele soorten zandbijen en vooral zweefvliegen. Maar alle meidoorns hadden dit voorjaar het zwaar op het Rozendaalse Veld door de droogte en kwamen nauwelijks tot bloeien. Met een minder extreem voorjaar zijn dit normaal gesproken goede voedselbronnen.
22
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Figuur 28 Dopheide en struikhei veldjes ten noorden van fietspad in het zuidoosten en het stuk bos. De vindplaatsen van de ericabij en de duinheidedwerg.
Figuur 29 Een van de gaspeldoornstruiken in dit terrein waar veel exemplaren van de bremzandbij op zijn waargenomen.
Figuur 30 Het fietspad aan de westkant, met een schrale en bloemrijkere begroeiing, met hier vooral gele composieten.
Figuur 31 Het noordelijk deel van het fietspad aan de westkant, met een lange rij berken er langs.
Bosrand ZW De bosrand in het zuidwesten van het terrein heeft vooral enkele soorten opgeleverd die op de braam aanwezig waren, zoals de roodpuntbladloper en enkele hommels, maar bijvoorbeeld ook een tweetal exemplaren van de zeldzame andoornbij. Dit is een soort die nestelt in vermolmd hout en eerder in vochtigere terreinen thuishoort dan op heideterreinen. Het nabijgelegen fietspad bevat (fig. 30), zoals ook langs de andere fietspaden, een hogere bloemrijkdom met onder andere weer tormentil, en ook hier zijn weer een paar exemplaren van de zadeldwergzandbij waargenomen. Hogerop is het fietspad een stuk minder interessant voor bloembezoekende insecten omdat het fietspad langs een lange laan berkenbomen ligt wat zorgt voor veel schaduw en waar ook maar weinig bloemen meer staan (fig. 31). Tormentil staat vooral langs het zuidelijke deel van het fietspad en neemt snel af na het kerkpad.
23
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Kwantitatief Centrale vraag in dit onderzoek is of er sprake is van concurrentie tussen honingbijen en wilde bestuivers (wilde bijen en zweefvliegen) op struikhei en zo ja, in welke mate en op welke afstanden. Eerder is dit onderzocht op de Doornspijkse heide (Slikboer et al., 2019), Arnhemse heide (Smit & Zeegers, 2020a) en in Havelte (Smit & Zeegers, 2020b). Deze onderzoeken lieten zien dat er verder van honingbijkasten meer wilde bestuivers en minder honingbijen op de heide te vinden zijn. Dit wijst op concurrentie tussen honingbijen en wilde bestuivers. Op grond hiervan gaven Smit et al. (2021) aanbevelingen voor het plaatsen van honingbijkasten op heideterreinen. Op het Rozendaalse veld is het kwantitatieve onderzoek op dezelfde manier opgezet als in bovengenoemde onderzoeken. Op voorhand leek het Rozendaalse veld hiervoor zeer geschikt: het is een middelgroot tot groot heideterrein met honingbijkasten verzameld in één hoek van de heide. Hierdoor zou het goed mogelijk moeten zijn onderzoek te doen naar de relatie tussen dichtheden honingbijen en wilde bestuivers met de afstand tot de honingbijkasten. Helaas bleek de praktijk weerbarstiger, onder andere door een aantal van ten minste 50 honingbijkasten die op het naburige terrein van Natuurmonumenten bleken te staan, precies in de tegenoverliggende hoek van de eigen kasten (fig. 32).
Daarom breiden wij voorgaande analyse om de mate van concurrentie te onderzoeken uit, waarmee deze drie facetten krijgt: 1. dichtheden honingbijen, 2. relatie van deze dichtheden tot de afstand van de honingbijkasten en 3. correlatie tussen dichtheden honingbij en wilde bestuivers.
Figuur 32 Rozendaalse veld met de kwantitatieve plots weergegeven in geel en de locaties met aantallen honingbijkasten in blauw. Later bleken er ook op het naburige terrein van Natuurmonumenten nog honingbijkasten te staan, deze zijn in rood weergegeven.
24
ikkelingen
n, n t e n
n e e, ft at
lyseerd. Stikstofdepositie Uit onderzoek blijkt de bodem van de Veluwse heidevelden De resultaten hiervan zijn weergegeven in de figuur op pa4. van trends en en bossen sterk verzuurd te 18 zijn (pH 2-3,5 in plaats de ginaontwikkelingen 19. Hoewel het een grove benadering is, wordt duideSmit & Zeegers gewenste 4,5). Deze verzuring is een gevolg van de stikstoflijk dat de oppervlakte heidevegetatie flink is afgenomen endewilde bestuivers op sterk het isRozendaalse depositie vanuit de landbouw, het verkeer en Honingbijen de industrie, en oppervlakte met grassen toegenomen: in Veld 9 zowel van binnen als van buiten ons land. Verzuring heeft jaar zelfs meer dan verdriedubbeld. een negatief effect op de kwaliteit van de bodem, doordat
Rozendaalse Veld 2009 Figuur 33 Aandelen bos, gras, heide en zand op het Rozendvoedingsstoffen en mineralen uitspoelen. In 2016 was in aalse veld in 2009 en Nederland de jaarlijkse zuurlast 2 maal zo hoog als maxi2018. Bron: Gemeente maal verdraagbaar voor Rheden (2019). droge heide. Bovendien kent deze
De resultaten hiervan zijn weergegeven in de figuur op pagina 19. Hoewel het een grove benadering is, wordt duidelijk dat de oppervlakte heidevegetatie flink is afgenomen en de oppervlakte met grassen sterk is toegenomen: in 9 jaar zelfs meer dan verdriedubbeld.terug naar inhoudsopgave Tabel 3 Geschatte oppervlakten heide op het Rozendaalse veld in 2009, 2018 en 2022 aldus Gemeente Rheden (2019) en (*) een Rozendaalse Veld 2018 inschatting tijdens het veldwerk in 2022.
Jaar 2009 2018 2022*
Opp heide (ha) 330 220 184
Figuur 34 Geschatte oppervlakten bos, gras, heide en zand op het Rozendaalse veld in 2009 en 2018 op grond van een luchtfotoanalyse. Bron: Gemeente Rheden (2019).
Figuur: de ve is de afgelop luchtfoto’s).
Rozendaalse Veld 2018
jaarlijkse overschrijding een stapelingseffect, waardoor de bodems steeds verder worden aangetast. Door deze verandering in bodemcondities verandert de natuurlijke soortensamenstelling van de vegetatie, waardoor bijvoorbeeld stuifzand versneld dichtgroeit en vergrassing van de heide optreedt. Deze vergrassing is één van de meest zichtbare effecten van de overmaat aan stikstofdepositie op het Rozendaalse Veld. Om dit beter zichtbaar te maken, hebben we de luchtfoto’s van het gebied uit 2009 en uit 2018 geanalyseerd. Legenda
Door de stik pijpestrootj
Ook het on afnemende instandhou de bijbeho depositie o gekeken w aangepakt analyse1 vo bitattypen welke hiera
Door de stikstofdepositie bestaan delen van de heide voor 90% uit pijpestrootje.
Figuur: de vergrassing van de heide op het Rozendaalse Veld is de afgelopen jaren fors toegenomen (analyse op basis van luchtfoto’s).
Onderzoeksgebied De staat van de struikhei Ook was,het ongetwijfeld invloedbloemrijkere, van de drogedelen en hete ontbrekenonder van schrale, en de zomer, gemiddeld genomen matig tot slecht te noemen. Naast mindere afnemende vitaliteit van de eiken duiden hier op.bloei Voor de door droogte is ook de vergrassing (onder invloed vanstuifzanden stikstof) duidelijk waarinstandhouding van de heide, en bossen – met neembaar. Historische data dit; figuur 33 toont de voortschrijdende de onderstrepen bijbehorende levensgemeenschappen – zal de stikstofvergrassing op het Rozendaalse Veld over de jaren 2009-2018 (Gemeenteis, Rheden depositie omlaag moeten. Totdat dit gerealiseerd moet 2019). De bijbehorende geschatte oppervlakten heide van en gras in de genoemde gekeken worden hoe devan effecten de stikstofdepositie jaren wordt gegeven in figuur 34, eveneens dezelfde publicatie. Uiaangepakt kunnen afkomstig en moetenuit worden. In de PAS-Gebiedsteraard zijn deze ontwikkelingen opgehouden. Aande deaangewezen hand van een voorinde2018 Veluwe (2017) is voor haanalyse1 niet eenvoudige exponentiële bitattypen extrapolatieeen kanaantal het oppervlakte heide in 2022 geschat herstelmaatregelen geformuleerd worden op 184 ha. (tabel welke 3). Dithieraan is onder aanname van constante omstandighemoeten bijdragen.
den aan stikstof en droogte, wat een conservatieve aanname lijkt, waardoor vermoedelijk het werkelijk areaal in 2022 dus nog lager was. Extra kanttekening is dat de indeling in ‘gras’ en ‘heide’ versimpeling vindt ook invande veel 1 De een PAS-Gebiedsanalyse vormtis: eener nadere uitwerking de heide realisering van de voorher de Veluwe in relatie de overschrijding kritische vergrassing plaats en tussenNatura2000-doelen het gras groeit en der ooktot nog wat heide.vanBovendepositiewaarden (KDW) voor stikstof. PAS staat voor Programmatische Aandien bloeit niet alle aanwezige pakheide Stikstof. door verdroging. De oppervlakte bloeiende heide is dus nog aanzienlijk lager. De plots voor het kwantitatieve onderzoek zijn zo gekozen dat ze zo uniform mogelijk bloeien. Daarmee zijn ze per definitie niet representatief voor de totale oppervlakte heide, omdat de beste stukken gekozen worden. Het aandeel bloeiende heide in de plots betrof 53% (+ 23%) van de oppervlakte. Omdat de mate van bloei in de plots per definitie hoger is dan daarbuiten, schatten we de gemiddelde bloei daarbuiten conservatief op 35 %, met de kanttekening dat het best nog (veel) lager zou kunnen zijn.
25
Gladde slang 1
De PAS-Ge Natura200 depositiew pak Stiksto
Biodive De achteru urgente du zaken van verstoring a bezoekers ( ring van soo jaren te kun te kunnen van de mon heer. Vrijwi hem verzam Op de heid broedvogel gekarteerd meest rece jaar wordt e Voor de vog teruitgang t tervogels w teerd. Denk boszangvog merkende v leefgebiede De achteru gebieden ee aalse Veld z samenstelli nemen de o van grove d
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Op grond hiervan schatten we het oppervlakte daadwerkelijk bloeiende struikhei op het Rozendaalse Veld in 2022 op (maximaal) 65 hectare. In het noordwesten van het Rozendaalse Veld hebben wij in 2022 in het totaal 208 honingbijkasten aangetroffen. Volgens opgave van Natuurmonumenten stonden er op het westelijke deel van het Herikhuizerveld 50 kasten (fig. 32). Honingbijen uit deze kasten zullen ook op het zuidoostelijke deel van het Rozendaalse Veld gefoerageerd hebben.
Dichtheden honingbijen op de heide Op het Rozendaalse veld hebben wij in 2022 in de plots een gemiddelde dichtheid van 0,19 honingbijen per vierkante meter bloeiende heide vastgesteld, dat komt neer op 1.900 foeragerende honingbijen per hectare. Deze plots zijn niet aselect gekozen maar betreffen de stukken met beter bloeiende struikhei. De dichtheden liggen in Rozendaal hoger dan die vastgesteld in de eerdere onderzoeken op Doornspijk en Havelte (fig. 35). Hoewel er tussen de drie onderzochte gebieden overlap is in de spreiding van dichtheden op de onderzoeksplots, is duidelijk dat de gemiddelde(en de mediane) dichtheid beduidend hoger liggen in Rozendaal dan op de beide andere locaties, met ten minste 25% en dit verschil in gemiddelde dichtheid is zeer significant (p << 0,001). Kortom de Rozendaalse heide is dus bovengemiddeld dicht bevolkt met honingbijen. Omdat er geen alternatieve foerageerplanten aanwezig zijn hangen de dichtheden honingbij op struikhei direct af van de kwaliteit van de heidebloei en van de dichtheid honingbijkasten. De dichtheid honingbijkasten op het Rozendaalse Veld was veel hoger dan op de eerder onderzochte terreinen (tabel 4). De hoge dichtheid honingbijen en het grote aantal honingbijkasten roepen de vraag op of de struikhei op het Rozendaalse Veld mogelijk verzadigd was, dat wil zeggen of de heide ‘vol zat’ met honingbijen.
In en om het onderzoeksgebied Rozendaalse veld hebben wij, inclusief de kasten van het Herikhuizerveld, 258 honingbijkasten vastgesteld. Het oppervlakte bloeiende struikhei hebben we geschat op (maximaal) 65 hectare. Van der Steen (2015) geeft mede gebaseerd op Winston (1987) kentallen voor de activiteit van honingbijen per kast, de vluchttijd en vluchtsnelheid, deze kennen evenwel een grote mate van spreiding. Op grond van deze kentallen mag verwacht worden dat er per volk honingbijen van 20.000 – 40.000 honingbijen op ieder willekeurig moment van de dag zo’n 2000 – 2500 honingbijen in het veld aan het foerageren zijn. De Groot en Roessink (2022) geven als maximum aantal actieve honingbijen per kast zelfs een aanzienlijk hoger aantal: 7000. Bij 258 volken op effectief 65 hectare bloeiende struikhein leidt dit tot een gemiddelde dichtheid van 9000 (Van der Steen 2015) tot maar liefst bijna 28.000 (De Groot & Roessink 2022) honingbijen per hectare bloeiende heide. De Groot & Roessink (2022) geven daarnaast een dichtheid van 64 honingbijen per hectare per kast, waarbij geen rekening gehouden wordt met een eventuele beperkte grootte van het terrein, wat bij 258 kasten nog steeds neer zou komen op 16.000 honingbijen per hectare. Al deze waarden liggen aanzienlijk hoger dan de in de plots vastgestelde gemiddelde dichtheid van 1900 honingbijen per hectare.
26
Smit & Zeegers Honingbijen en wilde bestuivers op het Rozendaalse Veld
Figuur 35 Dichtheden honingbijen en wilde bestuivers voor alle drie de onderzochte locaties. Aantallen zijn per vierkante meter bloeiende heide.
Tabel 4 Overzicht van de drie onderzochte gebieden met de geschatte (*) oppervlakten (in hectare) bloeiende struikheide, het aantal honingbijkasten en de dichtheden. (** aangepaste schatting ten opzichte Slikboer et al. 2019).