bijlage Was-wordt lijst beleidsregels 2023.docx
Tekst van het document
Bijlage: Was-wordt lijst beleidsregels 2023 Was
Wordt
Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
1. Onderstaand zijn enkele begrippen toegelicht. Voor overige relevante begrippen wordt verwezen naar de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rheden 2019, Jeugdwet en Verordening jeugdhulp gemeente Rheden 2019. Waar in deze documenten verschillende termen voor dezelfde begrippen zijn gebruikt wordt dit toegelicht. In deze nadere regels worden verstaan onder:
1. Onderstaand zijn enkele begrippen toegelicht. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rheden 2023, Jeugdwet, Verordening jeugdhulp gemeente Rheden 2019, het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015, de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, het Besluit Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Waar In deze nadere regels worden verstaan onder:
a. Cliëntondersteuning: een cliëntondersteuner is onafhankelijk van de gemeente en zorgaanbieders en denkt mee over zorg en ondersteuning. De cliëntondersteuner moet onafhankelijk zijn van de organisaties die indicaties stellen en de zorg leveren. De cliëntondersteuner kent het zorgaanbod in de buurt, kan aanwezig zijn bij een gesprek over ondersteuning, betrekt zo nodig het sociale netwerk en ondersteunt bij Wmoondersteuning, jeugd en gezin, Zvw (WLZ), wonen en onderwijs. b. Consulent: een adviseur van de gemeente met specialistische kennis van de Wmo en/of Jeugdwet en kennis van de integrale mogelijkheden binnen de gemeente. Deze stelt de kennis in dienst van de inwoners, verricht onderzoek naar passende ondersteuning en adviseert inwoners. c. Gebiedsteam: op gebieds-/wijkniveau georganiseerd multidisciplinair team van consulenten dat de hulpvraag van inwoners behandelt. d. Gesprek: het gesprek is een onderdeel van het onderzoek zoals bedoeld in de verordening
a. Casemanager/casusregisseur: een medewerker van de gemeente die zowel de casusregie als de procesregie voert. b. Casusregie: regie voeren op de inhoud van de casus. c. Cliëntondersteuning: een cliëntondersteuner is onafhankelijk van de gemeente en zorgaanbieders en denkt mee over zorg en ondersteuning. De cliëntondersteuner moet onafhankelijk zijn van de organisaties die indicaties stellen en de zorg leveren. De cliëntondersteuner kent het zorgaanbod in de buurt, kan aanwezig zijn bij een gesprek over ondersteuning, betrekt zo nodig het sociale netwerk en ondersteunt bij Wmo-ondersteuning, jeugd en gezin, Zvw (WLZ), wonen en onderwijs. d. Consulent: een adviseur van de gemeente met specialistische kennis van de Wmo en/of Jeugdwet en kennis van de integrale mogelijkheden binnen de gemeente. Deze stelt de kennis in dienst van de inwoners,
maatschappelijke ondersteuning artikel 6 en jeugdhulp 2019 artikel 8.
verricht onderzoek naar passende ondersteuning en adviseert inwoners.
e. Gebruikelijke hulp: hulp die verwacht wordt van inwonende gezinsleden en andere huisgenoten en die ‘normaal’ wordt geacht in de relatie.
e. Gesprek: het gesprek is een onderdeel van het onderzoek zoals bedoeld in de verordening maatschappelijke ondersteuning artikel 6 en jeugdhulp 2019 artikel 8.
f. Gezamenlijke huishouding: twee personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
f. Gebruikelijke hulp: hulp die verwacht wordt van inwonende gezinsleden en andere huisgenoten en die ‘normaal’ wordt geacht in de relatie.
g. Inwoner: een cliënt conform de Wet maatschappelijke ondersteuning. Of een jeugdige, ouders of gezaghebbende conform de Jeugdwet. h. Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarmee de inwoner een gezamenlijke huishouding voert. i. Maatwerkvoorziening: een aanbod van diensten, activiteiten of producten dat, na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner(s), door middel van een beschikking toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Verordening jeugdhulp van de gemeente Rheden wordt deze individuele voorziening genoemd. j. Nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rheden 2019. k. Respijtzorg: zorg die wordt geleverd aan de inwoner met het doel de (overbelaste) mantelzorger tijdelijk, bijvoorbeeld een avond, een dag of een weekend, te ontlasten van zijn taken. 2. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
g. Gezamenlijke huishouding: twee personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. h. Inwoner: een cliënt conform de Wet maatschappelijke ondersteuning. Of een jeugdige of ouder conform de Jeugdwet. i. Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarmee de inwoner een gezamenlijke huishouding voert. j. Maatwerkvoorziening: een aanbod van diensten, activiteiten of producten dat, na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner(s), door middel van een beschikking toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Verordening jeugdhulp van de gemeente Rheden wordt deze individuele voorziening genoemd. k. Nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rheden 2023. l. Procesregie: regie voeren op het proces van de casus. Dit betekent:
wet, de verordening, de nadere regels, het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015, de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, Besluit Jeugdwet, Regeling Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
i.
helicopterview, overzicht bewaken;
ii.
organiseren en coördineren;
iii.
delegeren van acties en taken;
iv.
doelen monitoren en evalueren;
v. ondersteunen waar nodig, loslaten waar kan; vi. overdragen/beleggen van het regie voeren voor de toekomst. m. Procesregisseur: een medewerker van de gemeente die de procesregie voert, maar geen casusregie. n. Respijtzorg: zorg die wordt geleverd aan de inwoner met het doel de (overbelaste) mantelzorger tijdelijk, bijvoorbeeld een avond, een dag of een weekend, te ontlasten van zijn taken. o. Sociale Basis: Alle informele en formele netwerken en maatschappelijke initiatieven ter ondersteuning van inwoners op het gebied van zelfregie en samenredzaamheid. Binnen de Sociale Basis van de gemeente Rheden zijn zowel vrijwilligers als professionele hulpverleners actief en samen vormen zij het cement van de samenleving waarop mensen met elkaar een gemeenschap vormen en waarbinnen met name lichtere vormen van hulp en ondersteuning geboden worden. p. Verordening: de geldende Verordening jeugdhulp en Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Rheden. Artikel 2 Algemeen afwegingskader
Artikel 2 Algemeen afwegingskader
1. Als een inwoner aanspraak maakt op ondersteuning op grond van de Wmo of Jeugdwet, wordt dit verzoek gewogen. Het gaat daarbij om een weging en maatwerk. De uitkomst kan daarom per situatie verschillen. De weging is altijd individueel, maar moet tegelijkertijd objectief zijn. Daarom worden altijd de
1. Als een inwoner een verzoek doet voor ondersteuning op grond van de Wmo of Jeugdwet, wordt dit verzoek gewogen. Het gaat daarbij om maatwerk. De uitkomst kan daarom per situatie verschillen. De weging is altijd individueel, maar moet tegelijkertijd objectief zijn. Daarom worden altijd de
onderstaande onderwerpen betrokken bij de weging.
onderstaande onderwerpen betrokken bij de weging.
2. Er wordt altijd gekeken naar wat de inwoner zelf nog kan en welke inspanning de inwoner zelf heeft verricht om de situatie of het probleem op te lossen. Pas wanneer de gebruikelijke hulp, de eigen kracht en mogelijkheden, algemene en andere voorzieningen niet of onvoldoende toereikend zijn, wordt onderzocht in welke mate een maatwerkvoorziening in ondersteuning kan voorzien.
2. Er wordt altijd gekeken naar wat de inwoner zelf nog kan en welke inspanning de inwoner zelf heeft verricht om de situatie of het probleem op te lossen. Pas wanneer de gebruikelijke hulp, de eigen kracht, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en andere voorzieningen niet toereikend zijn, wordt onderzocht in welke mate een maatwerkvoorziening een oplossing biedt.
Artikel 3 Aanvaardbaar niveau
Artikel 3 Aanvaardbaar niveau
1. Het streven is om bij de inwoner de zelfredzaamheid en participatie te vergroten en de veiligheid te waarborgen. Dit passend bij de inwoner, de leeftijd en situatie. Daarbij is van belang hoe de situatie was, voordat er tegen een probleem of beperking aangelopen werd. Daarnaast wordt er gekeken naar situaties en omstandigheden bij inwoners in vergelijkbare omstandigheden en leeftijdscategorie zonder een probleem of beperking.
1. Het streven is om bij de inwoner de zelfredzaamheid en participatie te vergroten en de veiligheid te waarborgen. Dit passend bij de inwoner, de leeftijd en situatie. Daarbij is van belang hoe de situatie was, voordat er tegen een probleem of beperking aangelopen werd. Daarnaast wordt er gekeken naar situaties en omstandigheden bij inwoners in vergelijkbare omstandigheden en leeftijdscategorie zonder een probleem of beperking.
2. Aanvaardbaar geeft aan dat er soms belemmeringen of beperkingen blijven die niet verholpen kunnen worden. De ondersteuning richt zich tot wat noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid, participatie en veiligheid. De ondersteuning breidt zich niet uit tot wat de inwoner noodzakelijk vindt in het kader van gewoonte of smaak. Het betekent niet per definitie dat alle activiteiten zoals hobby’s kunnen worden uitgeoefend zoals voorheen.
2. Aanvaardbaar geeft aan dat er soms belemmeringen of beperkingen blijven die niet verholpen kunnen worden. De ondersteuning richt zich tot wat noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid, participatie en veiligheid. De ondersteuning breidt zich niet uit tot wat de inwoner noodzakelijk vindt in het kader van gewoonte of smaak. Het betekent niet per definitie dat alle activiteiten zoals hobby’s kunnen worden uitgeoefend zoals voorheen.
Artikel 4 Gebruikelijke hulp
Artikel 4 Gebruikelijke hulp
Wat wordt verstaan onder gebruikelijke hulp is uitgebreid omschreven en toegelicht in de nadere regels
Of er sprake is van gebruikelijke hulp wordt beoordeeld aan de richtlijn die is opgenomen in Bijlage 1.
Artikel 5 Ondersteuning door mantelzorgers
Artikel 5 Ondersteuning door mantelzorgers
1. Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de overheid.
1. Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de overheid. Mantelzorg is meestal langdurig en/of Mantelzorg is meestal langdurig en/of intensief. intensief. De hulp bestaat uit verzorging, maar De hulp bestaat uit verzorging, maar kan ook hulp kan ook hulp bij noodzakelijke dagelijkse bij noodzakelijke dagelijkse activiteiten zijn. Zoals activiteiten zijn. Zoals een huishouden voeren. een huishouden voeren. Door deze hulp kan de Door deze hulp kan de ander zich redden, ander zich redden, thuis blijven wonen en thuis blijven wonen en meedoen aan de meedoen aan de samenleving. De hulp gaat samenleving. De hulp gaat verder dan de verder dan de gebruikelijke hulp die huisgenoten gebruikelijke hulp die huisgenoten aan elkaar aan elkaar geven. Mantelzorg is de hulp die de geven. Mantelzorg is de hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt. gebruikelijke hulp overstijgt. 2. Overbelasting van mantelzorgers kan voorkomen worden door respijtzorg in te zetten. Het aanvragen van ondersteuning via de Zorgverzekeringswet gaat voor op een maatwerkvoorziening. De zorg kan incidenteel overgedragen worden, bijvoorbeeld tijdens een vakantie. Of structureel, bijvoorbeeld elke week een dagdeel of maandelijks een weekend. 3. Ontlasten van een mantelzorger dient zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving plaats te vinden. 4.
De consulent kan in het kader van zijn onderzoek een test voor overbelasting bij een mantelzorger afnemen, namelijk de Caregiver Strain Index. De CSI is een wetenschappelijk gevalideerd instrument en één van de meest gebruikte. De test bestaat uit dertien vragen die met ja of nee kunnen worden beantwoord. Als iemand zeven keer of meer een vraag met ‘ja’ beantwoordt, dan is er sprake van overbelasting.
2. Ontlasten van een mantelzorger dient zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving plaats te vinden. 3. De consulent kan in het kader van zijn onderzoek een test voor overbelasting bij een mantelzorger afnemen, namelijk de Caregiver Strain Index. De CSI is een wetenschappelijk gevalideerd instrument en één van de meest gebruikte. De test bestaat uit dertien vragen die met ja of nee kunnen worden beantwoord. Als iemand zeven keer of meer een vraag met ‘ja’ beantwoordt, dan is er sprake van overbelasting.
Artikel 6 Eigen kracht en eigen mogelijkheden
Artikel 6 Eigen kracht en eigen mogelijkheden
1. Met eigen kracht en eigen mogelijkheden worden bedoeld:
1. Met eigen kracht en eigen mogelijkheden worden bedoeld:
a. de krachten van een inwoner zelf;
a. de krachten van een inwoner zelf;
b. oplossingen binnen het sociale netwerk. Zoals familie, partner, huisgenoot en vrienden;
c. het netwerk verbreden. 2. Eigen oplossingen staan dicht bij de inwoner en sluiten daardoor goed bij de inwoner en/of de situatie aan. Daarbij wordt gekeken naar de balans in draagkracht/draaglast van de inwoner. Hierdoor is er sprake van een draagkrachtige en duurzame oplossing. Het uitgangspunt is dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij/zij zelf, of samen met zijn directe omgeving, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie. Het is normaal dat een persoon zich inspant om de eigen situatie te verbeteren of dat er iets gedaan wordt voor een partner of familielid die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Er wordt altijd nagevraagd bij de inwoner of de inwoner het netwerk al betrokken heeft bij zijn situatie of probleem en het oplossen hiervan. 3. Er wordt onderzocht of er op eigen kracht of met hulp van het netwerk het gewenste resultaat kan worden bereikt. Wanneer er voldoende eigen mogelijkheden zijn die passend zijn bij een probleem of situatie, kan hiervoor geen aanspraak worden gemaakt op een voorziening vanuit de Wmo of Jeugdwet. 4. Er mag van een inwoner verwacht worden dat er actief meegedacht wordt over mogelijkheden binnen het netwerk en hoe het netwerk verbreed kan worden. Een consulent kan een afspraak met het netwerk organiseren om een probleem of situatie te bespreken om naar een passende oplossing te zoeken. 5.
Mogelijkheden vanuit de eigen kracht zijn bijvoorbeeld de focus leggen op waar een persoon goed in is en deze krachten in te zetten waardoor de balans terugkeert. Het gaat hier om het aanboren, vergroten en benutten van eigen sterke kanten en van het sociale netwerk, om te zorgen dat er weer grip komt op hun leven. Hierdoor kan de inwoner (lichte) problemen oplossen en waar mogelijk voorkomen. Ook wanneer iemand aanspraak kan maken op een
b. oplossingen binnen het sociale netwerk. Zoals familie, partner, huisgenoot en vrienden; c. het netwerk verbreden. 2. Eigen oplossingen staan dicht bij de inwoner en sluiten daardoor goed bij de inwoner en/of de situatie aan. Daarbij wordt gekeken naar de balans in draagkracht/draaglast van de inwoner. Hierdoor is er sprake van een draagkrachtige en duurzame oplossing. Het uitgangspunt is dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij/zij zelf, of samen met zijn directe omgeving, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie. Het is normaal dat een persoon zich inspant om de eigen situatie te verbeteren of dat er iets gedaan wordt voor een partner of familielid die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Er wordt altijd nagevraagd bij de inwoner of de inwoner het netwerk al betrokken heeft bij zijn situatie of probleem en het oplossen hiervan. 3. Er wordt onderzocht of er op eigen kracht of met hulp van het netwerk het gewenste resultaat kan worden bereikt. Wanneer er voldoende eigen mogelijkheden zijn die passend zijn bij een probleem of situatie, kan hiervoor geen aanspraak worden gemaakt op een voorziening vanuit de Wmo of Jeugdwet. 4. Er mag van een inwoner verwacht worden dat er actief meegedacht wordt over mogelijkheden binnen het netwerk en hoe het netwerk verbreed kan worden.
Een consulent kan een afspraak met het netwerk organiseren om een probleem of situatie te bespreken om naar een passende oplossing te zoeken. 5. Mogelijkheden vanuit de eigen kracht zijn bijvoorbeeld de focus leggen op waar een persoon goed in is en deze krachten in te zetten waardoor de balans terugkeert. Het
voorziening op grond van een andere wet, hoeft de gemeente in het kader van de eigen kracht die voorziening niet te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de inwoner op eigen kracht het probleem kan oplossen, namelijk door aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Hetzelfde geldt als de inwoner beschikt over een aanvullende verzekering. Beschikt de inwoner echter niet over een aanvullende verzekering of is deze niet toereikend om het probleem op te lossen, dan is de gemeente aan zet om de noodzakelijke ondersteuning in te zetten. De inwoner kan namelijk niet verplicht worden om een aanvullende verzekering af te sluiten. 6. Eigen kracht ziet niet op de inzet van het inkomen of vermogen van de inwoner. Een maatwerkvoorziening moet voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. Het inkomen en vermogen mag geen rol spelen bij de toekenning van een maatwerkvoorziening. Wel kan er in het gesprek met financieel draagkrachtige inwoners gewezen worden op de mogelijkheid om de voorziening zelf te financieren. Als de inwoner dat wil en ook in staat is om dat zelf te organiseren, kan dat de juiste aanpak zijn. 7.
Mogelijkheden om ondersteuning vanuit het netwerk te verbreden zijn bijvoorbeeld een situatie of probleem bespreekbaar maken tijdens een netwerkberaad, lotgenoten contact zoeken of contact zoeken met ervaringsdeskundigen.
gaat hier om het aanboren, vergroten en benutten van eigen sterke kanten en van het sociale netwerk, om te zorgen dat er weer grip komt op hun leven. Hierdoor kan de inwoner (lichte) problemen oplossen en waar mogelijk voorkomen. Ook wanneer iemand aanspraak kan maken op een voorziening op grond van een andere wet, hoeft de gemeente in het kader van de eigen kracht die voorziening niet te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de inwoner op eigen kracht het probleem kan oplossen, namelijk door aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Hetzelfde geldt als de inwoner beschikt over een aanvullende verzekering. Beschikt de inwoner echter niet over een aanvullende verzekering of is deze niet toereikend om het probleem op te lossen, dan is de gemeente aan zet om de noodzakelijke ondersteuning in te zetten. De inwoner kan namelijk niet verplicht worden om een aanvullende verzekering af te sluiten. 6. De inzet van het inkomen of vermogen van de inwoner is geen eigen kracht. Een maatwerkvoorziening moet voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. Het inkomen en vermogen mag geen rol spelen bij de toekenning van een maatwerkvoorziening. Wel kan er in het gesprek met financieel draagkrachtige inwoners gewezen worden op de mogelijkheid om de voorziening zelf te financieren.
Als de inwoner dat wil en ook in staat is om dat zelf te organiseren, kan dat de juiste aanpak zijn. 7. Mogelijkheden om ondersteuning vanuit het netwerk te verbreden zijn bijvoorbeeld een situatie of probleem bespreekbaar maken tijdens een netwerkberaad, lotgenoten contact zoeken of contact zoeken met ervaringsdeskundigen. 8. Onder de eigen mogelijkheden valt ook bovengebruikelijke hulp van een
ouder/ouders aan hun minderjarige kinderen, voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen overbelasting oplevert, de ouder(s) de hulp ook zonder vergoeding blijven bieden en zij hierdoor niet in de problemen komen. Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt, zijn er voldoende eigen mogelijkheden. Er wordt dan geen maatwerkvoorzienig ingezet voor de hulp die de ouder(s) kunnen bieden. Artikel 7 Algemene en andere voorzieningen
Artikel 7 Algemene en andere voorzieningen
1. Wanneer een inwoner recht heeft op een algemene of andere voorziening, of wanneer een algemene of andere voorziening passend is, wordt de inwoner toegeleid naar die passende voorziening. Er is dan geen maatwerkvoorziening noodzakelijk.
1. Wanneer een inwoner recht heeft op een algemene of andere voorziening, of wanneer een algemene of andere voorziening passend is, wordt de inwoner verwezen naar die passende voorziening. Er is dan geen maatwerkvoorziening noodzakelijk.
2. Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig toegankelijk. Er kan hiervoor een bijdrage in de kosten voor gevraagd worden vanuit de Wmo. Algemene voorzieningen vanuit de Jeugdwet zijn eigen bijdrage vrij. Dit staat opgenomen in de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Verordening jeugdhulp. Er is een uitgebreid aanbod van algemene voorzieningen beschikbaar binnen de gemeente Rheden. In de nadere regels is hiervan een overzicht opgenomen.
2. Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig toegankelijk. Er kan hiervoor een bijdrage in de kosten voor gevraagd worden. Algemene voorzieningen vanuit de Jeugdwet zijn eigen bijdrage vrij. Dit staat opgenomen in de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Verordening jeugdhulp. Er is een uitgebreid aanbod van algemene voorzieningen beschikbaar binnen de gemeente Rheden. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
3. Een inwoner kan recht hebben op andere wettelijke voorzieningen dan Wmo en de Jeugdwet. Voorbeelden hiervan zijn: a. Zorgverzekeringswet (Zvw); b. Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV); c. Wet passend onderwijs; d. Arbeidsvoorzieningen zoals de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wajong en Participatiewet;
a.
begeleiding vanuit de Sociale Bbasis;
b. activiteiten in een raad/buurt/inloophuis; c.
jongerenwerk;
d.
jongerencoach;
e.
jongerennetwerk;
f.
toekomstcoach;
g.
Vervangend vervoer door de plusbus;
e. Wet langdurige zorg (Wlz). 4.Daarnaast zijn er andere voorzieningen en mogelijkheden vanuit de samenleving beschikbaar die niet verstrekt worden vanuit de Wmo of Jeugdwet. Voorbeelden hiervan zijn: a. Mijn Huis Mijn Toekomst; b. Collectieve aanvullende verzekering vanuit de gemeente (CAV); c. openbaar vervoer; d. onderwijs;
h. administratieve ondersteuning door formulierenhulp; i. financiële ondersteuning door sociale raadslieden; j. ondersteuning voor mantelzorgers en vrijwillige thuishulp; k.
vrijwillige senioren ondersteuning;
l.
schuldhulpmaatje;
m.
schoolmaatschappelijk werk;
n.
algemeen maatschappelijk werk;
e. kinderopvang, buitenschoolse opvang, voor- en o. hulp bij scheiden (diverse vrij vroegschoolse voorzieningen; toegankelijke interventies); f. jeugdgezondheidszorg (o.a. consultatiebureau); p. hulp bij het huishouden; g. voorzieningen voor ontspanning, q. versterken van de fysieke kracht met sport/bewegen, kunst en cultuur; als doel zo lang mogelijk de huishoudelijke taken zelfstandig te blijven uitvoeren; h. boodschappenservicedienst; i. blijverslening;
r.
Uniek Sporten;
j. uitleenwinkel;
s.
Jeugdfonds sport & cultuur;
k. glazenwasser;
t.
Sjors Sportief
l. tuinman;
3. Een inwoner kan recht hebben op andere wettelijke voorzieningen dan Wmo en de Jeugdwet. Voorbeelden hiervan zijn:
m. ergonomische zelf aan te schaffen hulpmiddelen (bijv. rollator, wandelstok, aangepast bestek).
a. Zorgverzekeringswet (Zvw); b. Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV); c. Wet passend onderwijs; d. Arbeidsvoorzieningen zoals de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wajong en Participatiewet; e. Wet langdurige zorg (Wlz).
4. Daarnaast zijn er andere voorzieningen en mogelijkheden vanuit de samenleving beschikbaar die niet verstrekt worden vanuit de Wmo of Jeugdwet. Voorbeelden hiervan zijn: a. Mijn Huis Mijn Toekomst; b. Collectieve aanvullende verzekering vanuit de gemeente (CAV); c. openbaar vervoer; d. onderwijs; e. kinderopvang, buitenschoolse opvang, voor- en vroegschoolse voorzieningen; f. jeugdgezondheidszorg (o.a. consultatiebureau); g. voorzieningen voor ontspanning, sport/bewegen, kunst en cultuur; h. boodschappenservicedienst; i. blijverslening; j. uitleenwinkel; k. glazenwasser; l. tuinman; m. ergonomische zelf aan te schaffen hulpmiddelen (bijv. rollator, wandelstok, aangepast bestek). 5. Inwoners met een vraag voor (groeps)begeleiding vanuit de Wmo of Jeugdwet, kunnen zich direct wenden tot één van de dorpsmeldpunten in de Sociale Basis (een uitvoerende derde partij). Het dorpsmeldpunt van de Sociale Basis bekijkt of de inwoner voldoende geholpen is met een algemene voorziening. Als dat niet zo is, kan de inwoner zich melden bij het sociaal meldpunt van de gemeente Rheden. De inwoner kan het dorpsmeldpunt van de
Sociale Basis vragen hierbij te helpen door een advies mee te sturen. -
Artikel 8 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als het probleem van de cliënt kan worden opgelost met een algemeen gebruikelijke voorziening. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan aannemelijk is dat cliënt, ook als hij of zij geen beperkingen had, hierover zou (hebben kunnen) beschikken. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de criteria zoals opgenomen in artikel 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Eén van de criteria is dat een voorziening financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Het is hierbij niet van belang wat het inkomen van de cliënt zelf is. Het draait om de vraag of iemand met een minimuminkomen de voorziening zou kunnen betalen. Om deze vraag te beantwoorden hanteert de gemeente het criterium dat de voorziening binnen een termijn van 36 maanden kan worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit is gebaseerd op de aflossingscapaciteit voor leenbijstand. Voor de kostprijs van de voorziening, kijkt de gemeente waar mogelijk ook naar beschikbare tweedehands voorzieningen. Er zijn verschillende diensten die aan de hand van de jurisprudentie als algemeen gebruikelijk kunnen worden gezien.
Voorbeelden hiervan zijn de bezorgservice van supermarkten en een glazenwasser. Bepaalde producten worden ook als algemeen gebruikelijk gezien. Een fiets met elektrische trapondersteuning is een voorbeeld: een dergelijke fiets wordt ook gebruikt door
mensen zonder beperkingen (bijvoorbeeld door mensen die een lange afstand naar hun werk of school moeten fietsen). Een dergelijke fiets is gewoon bij de fietsenwinkel te koop en over het algemeen wel betaalbaar. Zeker als er rekening wordt gehouden met het ruime aanbod aan tweedehandsfietsen. Bij andere producten zal het afhangen van de kosten of deze algemeen gebruikelijk zijn. Neem bijvoorbeeld een spoel-föhn installatie. Deze voorziening is niet (meer) specifiek bedoeld voor mensen met een beperking en vrij verkrijgbaar. Het hangt daarom in het concrete geval af van de kosten van de voorziening plus installatie of deze financieel draagbaar met een minimuminkomen en dus algemeen gebruikelijk zijn. Artikel 8 De consulent van de gemeente
Artikel 9 De consulent van de gemeente
1. De consulent is een adviseur van de gemeente met specialistische kennis op het gebied van de Wmo en/of Jeugdwet en kennis van de (integrale) mogelijkheden voor inwoners. De consulent stelt deze kennis in dienst van de inwoners, verricht onderzoek naar passende ondersteuning en adviseert inwoners objectief.
1. De consulent is een adviseur van de gemeente met specialistische kennis op het gebied van de Wmo en/of Jeugdwet en kennis van de (integrale) mogelijkheden voor inwoners. De consulent stelt deze kennis in dienst van de inwoners, verricht onderzoek naar passende ondersteuning en adviseert inwoners objectief.
2. De consulent is in staat de situatie van een inwoner te onderzoeken en een onafhankelijke afweging te maken van de situatie en de eventueel benodigde ondersteuning. Er wordt in samenwerking met de inwoner een (integraal) plan opgesteld en specifieke, meetbare, haalbare, realistische en tijdgebonden doelen geformuleerd. 3. Indien noodzakelijk, maakt de consulent gebruik van een externe adviseur, bij vragen waarbij specialistische kennis noodzakelijk is. Voorbeelden van een externe adviseurs zijn een GZ-psycholoog of een medisch adviseur. Voorbeelden van situaties waarbij dit ingezet wordt, zijn:
2.De consulent is in staat de situatie van een inwoner te onderzoeken en een onafhankelijke afweging te maken van de situatie en de eventueel benodigde ondersteuning. Er wordt in samenwerking met de inwoner een integraal plan / onderzoeksverslag opgesteld en specifieke, meetbare, haalbare, realistische en tijdgebonden doelen geformuleerd. 3. Indien noodzakelijk, maakt de consulent gebruik van een externe adviseur, bij vragen waarbij specialistische kennis noodzakelijk is. Voorbeelden van een externe adviseurs zijn een GZ-psycholoog of een medisch adviseur. Voorbeelden van situaties waarbij dit ingezet wordt, zijn:
a. fysieke aandoeningen waarvan de prognose of gevolgen onduidelijk zijn;
a. fysieke aandoeningen waarvan de prognose of gevolgen onduidelijk zijn;
b. onduidelijkheid over wat er verwacht mag worden in het kader van de gebruikelijke zorg versus de beperking;
b. onduidelijkheid over wat er verwacht mag worden in het kader van de gebruikelijke zorg versus de beperking;
c. onduidelijkheid over beperkingen, ontwikkelingsmogelijkheden en ondersteuningsbehoeften bij jeugdige inwoners.
c. onduidelijkheid over beperkingen, ontwikkelingsmogelijkheden en ondersteuningsbehoeften bij jeugdige inwoners.
4. Een passend en objectief advies betekent niet automatisch dat dit gelijk staat aan de wens van de inwoner en belangrijke betrokkenen. De consulent is in staat om als onafhankelijke adviseur door middel van ‘helicopterview’ te zien wat daadwerkelijk passend en noodzakelijk is bij een situatie of probleem. Dit betekent dat de consulent onafhankelijk is, brede kennis heeft en overstijgend denkt. Tegelijkertijd bewaakt de consulent hierdoor de rechten van de inwoner. 5. Wanneer een inwoner het tijdens het onderzoek niet eens is met de conclusie van de consulent voor toekenning of afwijzing van ondersteuning, kan er verzocht worden om een second opinion. De second opinion wordt uitgevoerd door een consulent van een ander team. 6. Wanneer een inwoner niet in staat is zelf regie te voeren over de ondersteuning en/of zijn leven, worden er verschillende mogelijkheden onderzocht. Er wordt allereerst gekeken of iemand uit het netwerk naast de inwoner kan staan. Als dit niet mogelijk is, kan een zorgaanbieder (tijdelijk) naast de inwoner staan totdat deze zelf in staat is weer regie te voeren. Wanneer er geen passende mogelijkheden zijn, bijvoorbeeld doordat er sprake is van een complexe situatie, kan de consulent tijdelijk de rol van regisseur op zich nemen. 7. Het verschil tussen de rol van een casemanager en regisseur is dat een casemanager zich zowel met de inhoud als het
4. Een passend en objectief advies betekent niet automatisch dat dit gelijk staat aan de wens van de inwoner en belangrijke betrokkenen. De consulent is in staat om als onafhankelijke adviseur door middel van ‘helicopterview’ te zien wat daadwerkelijk passend en noodzakelijk is bij een situatie of probleem. Dit betekent dat de consulent onafhankelijk is, brede kennis heeft en overstijgend denkt. Tegelijkertijd maakt de consulent hierin een afweging waarbij deze de wet, verordening, nadere regels en beleidsregels betrekt. 5. Wanneer een inwoner niet in staat is zelf regie te voeren over de ondersteuning en/of zijn leven, worden er verschillende mogelijkheden onderzocht. Er wordt allereerst gekeken of iemand uit het netwerk de inwoner kan ondersteunen in het voeren van de regie of tijdelijk en/of gedeeltelijk de regie kan overnemen. Als dit niet mogelijk is, kan een zorgaanbieder tijdelijk deze rol krijgen vanuit de opdracht van de gemeente. Indien nodig, bijvoorbeeld als sprake is van een complexe situatie en daarbij problematiek op meerdere levensgebieden, kan de consulent van de gemeente tijdelijk de rol van procesregisseur op zich nemen. 6. Het verschil tussen de rol van een casemanager en regisseur is dat een casemanager zich zowel met de inhoud als het
proces bezig houdt en een regisseur alleen regie voert op het proces.
proces bezig houdt en een regisseur alleen regie voert op het proces.
De daadwerkelijke uitvoering van de ondersteuning blijft bij inwoner en zorgaanbieders.
De daadwerkelijke uitvoering van de ondersteuning blijft bij inwoner en zorgaanbieders.
Zo blijft bijvoorbeeld bij volwassenen de GGZ verantwoordelijk voor de psychiatrische zorg en de reclassering verantwoordelijk voor de justitiële zorg. Bij jeugdige inwoners blijft jeugdbescherming verantwoordelijk voor de jeugdhulp en het uitvoeren van de jeugdbeschermingsmaatregel.
Zo blijft bijvoorbeeld bij volwassenen de GGZ verantwoordelijk voor de psychiatrische zorg en de reclassering verantwoordelijk voor de justitiële zorg. Bij jeugdige inwoners blijft jeugdbescherming verantwoordelijk voor de jeugdhulp en het uitvoeren van de jeugdbeschermingsmaatregel.
8.Regie voeren op het proces betekent:
7. Regie voeren op het proces betekent:
a. helicopterview, overzicht bewaken;
a. helicopterview, overzicht bewaken;
b. organiseren en coördineren;
b. organiseren en coördineren;
c. delegeren van acties en taken;
c. delegeren van acties en taken;
d. doelen monitoren en evalueren;
d. doelen monitoren en evalueren;
e. ondersteunen waar nodig, loslaten waar kan;
e. ondersteunen waar nodig, loslaten waar kan;
f. overdragen/beleggen van het regie voeren voor de toekomst. f. overdragen/beleggen van het regie voeren voor de toekomst. 9. Een consulent blijft betrokken bij de inwoner wanneer het onderzoek nog niet afgerond is en 8. Een consulent blijft betrokken bij de wanneer de consulent regie voert. inwoner wanneer het onderzoek nog niet afgerond is en wanneer de consulent regie voert. Artikel 9 Onvoldoende informatie bij het onderzoek
Artikel 10 Onvoldoende informatie bij het onderzoek
De inwoner heeft de belangrijke verantwoordelijkheid om mee te werken aan het onderzoek en de nodige informatie tot beschikking te stellen van de consulent. Wanneer er onvoldoende informatie wordt verstrekt door de inwoner om tot een passend besluit te komen, kan het zijn dat een inwoner hierdoor minder of geen ondersteuning ontvangt dan in zijn/haar ogen passend of wenselijk.
De inwoner heeft de belangrijke verantwoordelijkheid om mee te werken aan het onderzoek en de nodige informatie ter beschikking te stellen van de consulent. Wanneer er onvoldoende informatie wordt verstrekt door de inwoner om tot een passend besluit te komen, kan het zijn dat een inwoner hierdoor minder of geen ondersteuning
ontvangt dan in zijn/haar ogen passend of wenselijk is. Artikel 10 Integraal plan of gespreksverslag 1. De consulent draagt zorg voor schriftelijke vastlegging van de uitkomsten van het onderzoek, in een (integraal) plan of gespreksverslag. Bij een evaluatie draagt de consulent zorg voor het ontvangen van een evaluatie plan en legt de conclusie en doelen schriftelijk vast.
Artikel 11 Integraal plan of onderzoeksverslag
1. De consulent draagt zorg voor schriftelijke vastlegging van de uitkomsten van het onderzoek, in een integraal plan of onderzoeksverslag. Bij een evaluatie draagt de consulent zorg voor het ontvangen van een evaluatieplan en legt de conclusie en doelen schriftelijk vast. 2. In het integraal plan of onderzoeksverslag staat de hulpvraag van de inwoner, de weging 2. In het (integraal) plan of gespreksverslag staat van de feiten, de krachten en zwakten, de de hulpvraag van de inwoner, de weging van de doelen en de oplossingsrichting van de feiten, de krachten en zwakten, de doelen en de inwoner en het sociale netwerk. Daarbij volgt oplossingsrichting van de inwoner en het sociale de consulent de door de CRvB geformuleerde netwerk. De consulent schrijft een motivatie met stappen waar het onderzoek aan moet het advies voor passende ondersteuning. voldoen: Daarnaast zijn er specifieke, meetbare, haalbare, 1. Vaststellen van de hulpvraag van de realistische en tijdgebonden doelen inwoner. geformuleerd. Wanneer er meerdere hulpvragers 2. Alleen bij Jeugd: Vaststellen of de gemeente in een gezin/huishouden zijn, wordt dit, indien verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel). mogelijk, in één plan geschreven. Hiermee wordt 3. In kaart brengen van de invulling gegeven aan 1 gezin, 1 plan, 1 regie. beperkingen/problematiek van de inwoner. Voor Wmo gaat het dan om beperkingen in de 3.
Er wordt binnen maximaal 6 weken na het zelfredzaamheid en/of participatie. Bij Jeugd afronden van het gesprek, een (integraal) plan of gaat het om opgroei- en gespreksverslag verstrekt aan de inwoner met de opvoedingsproblemen, psychische problemen uitkomsten van het onderzoek. en stoornissen. 4. Bepalen welke hulp naar aard en omvang 4. Opmerkingen, correcties of latere aanvullingen nodig is. van de cliënt worden aan het dossier toegevoegd 5. Bepalen in hoeverre de eigen tot 3 maanden na het ontvangen van de mogelijkheden, gebruikelijke hulp, aanvraag. mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, algemene 5. Indien een zorgaanbieder een evaluatieplan voorzieningen en algemeen gebruikelijke opstuurt, blijft de consulent eindverantwoordelijk voorzieningen de nodige hulp en voor een weging van dit plan. De consulent toetst ondersteuning kunnen bieden. het plan van de zorgaanbieder. Daarna kan de consulent concluderen of er wat overblijft om te compenseren via een Benodigde aanvullende informatie haalt de maatwerkvoorziening. De consulent schrijft consulent op bij de inwoner of zorgaanbieder. een motivatie met het advies voor passende ondersteuning. Daarnaast zijn er specifieke, De consulent zorgt voor specifieke, meetbare, haalbare, realistische en tijdgebonden doelen en meetbare, haalbare, realistische en tijdgebonden doelen geformuleerd.
Wanneer er meerdere hulpvragers in een
een motivatie met het advies voor passende ondersteuning. 6. De onderzoektermijn van 6 weken en het verstrekken van het plan of verslag wordt alleen uitgesteld met instemming van de inwoner. De inwoner ontvangt hiervoor een schriftelijke bevestiging. Hierin staan de datum van de melding, de reden van uitstel van het onderzoek, welke activiteiten nog moeten worden verricht en de termijn van verlenging.
gezin/huishouden zijn, wordt dit, indien mogelijk, in één plan geschreven. Hiermee wordt invulling gegeven aan 1 gezin, 1 plan, 1 regie. Kanttekening hierbij is dat de privacyregels niet zijn aangepast op het uitgangspunt van 1 gezin, 1 plan, 1 regie. Iedereen die zelf zijn/haar privacyrechten uitoefent, moet toestemming geven voor het inzien van gegevens door een ander lid van het gezin en het domeinoverstijgend verwerken van gegevens (bijvoorbeeld Wmo en Jeugdwet). Bij de toegang tot jeugdhulp geldt dat voor jeugdigen tot 12 jaar de ouder(s) met gezag of voogd(en) de privacyrechten uitvoeren. Vanaf 12 jaar kan de jeugdige zelf toestemming geven, tenzij de jeugdige (nog) ‘niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen’. Dan oefenen de ouder(s) met gezag of voogd(en) het privacyrecht uit, totdat de jeugdige 18 jaar is. Er wordt dus altijd bekeken of een integraal plan mogelijk is, rekening houdend met de privacyregels. Als de inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en deze in de vorm van een pgb wenst te ontvangen, toetst de consulent aan de hand van artikel 2 van de nadere regels of de inwoner voldoet aan de voorwaarden voor een pgb. 3. Er wordt binnen maximaal 6 weken na het afronden van het gesprek, een integraal plan of onderzoeksverslag verstrekt aan de inwoner met de uitkomsten van het onderzoek. 4.
Indien een zorgaanbieder een evaluatieplan opstuurt, blijft de consulent eindverantwoordelijk voor een weging van dit plan. De consulent toetst het plan van de zorgaanbieder. Benodigde aanvullende informatie haalt de consulent op bij de inwoner of zorgaanbieder. 5. Als er langer dan 6 weken nodig is voor het onderzoek en het gaat om de Wmo, dan wordt hierover overlegd met cliënt. Het staat de cliënt op basis van de Wmo vrij om na 6 weken vast een aanvraag in te dienen. Maar en zorgvuldig onderzoek is het uitgangspunt. Het zal daarom meestal niet in het nadeel van
de cliënt zijn om in te stemmen met een langere duur van het onderzoek.. Artikel 11 Afwijkende routes bij aanvraag
Artikel 12 Afwijkende routes bij aanvraag
1. In spoedeisende gevallen, wordt er zo snel als mogelijk een passende tijdelijke maatwerkvoorziening ingezet. Onder spoed wordt een onverwachte situatie verstaan, waarbij ernstigere problemen voorkomen dienen te worden. Voorbeelden hiervan zijn:
1. In spoedeisende gevallen, wordt er zo snel als mogelijk een passende tijdelijke maatwerkvoorziening ingezet. Onder spoed wordt een onverwachte situatie verstaan, waarbij ernstigere problemen voorkomen dienen te worden. Voorbeelden hiervan zijn:
a. acute ernstige onveiligheid als gevolg van huiselijk geweld, mishandeling en/of verwaarlozing;
a. acute ernstige onveiligheid als gevolg van huiselijk geweld, mishandeling en/of verwaarlozing;
b. acute en levensbedreigende situaties;
b. acute en levensbedreigende situaties;
c. acute situatie door fysieke aandoening, zoals ALS;
c. huisuitzetting of uithuisplaatsing van een jeugdige inwoner;
d. huisuitzetting of uithuisplaatsing van een jeugdige inwoner;
d. eerwraak.
e. eerwraak. Er hoeft dan niet gewacht te worden op een ondertekende aanvraag. Het besluit (de beschikking) wordt binnen 6 weken verstrekt. 2. Wanneer een inwoner zorg vermijdt en er bemoeizorg noodzakelijk is volgens de consulent, kan er gekozen worden om zonder een aanvraag een maatwerkvoorziening in te zetten. Bemoeizorg staat op gespannen voet met het zelfbeschikkingsrecht van inwoners en hun privacy. Bemoeizorg wordt daarom alleen ingezet als het geen optie is om af te wachten tot de cliënt zelf om die hulp vraagt en/of om verdere verwaarlozing te voorkomen. In de volgende gevallen kan daar sprake van zijn: a. Uit onderzoek blijkt dat vanwege onveiligheid of overlast de inzet van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. De inwoner is bereid een gesprek aan te gaan, mee te werken
Er hoeft dan niet gewacht te worden op een ondertekende aanvraag. Het besluit (de beschikking) wordt binnen 6 weken verstrekt. 2. Wanneer een inwoner zorg vermijdt en er bemoeizorg noodzakelijk is volgens de consulent, kan er gekozen worden om zonder een aanvraag een maatwerkvoorziening in te zetten. Bemoeizorg staat op gespannen voet met het zelfbeschikkingsrecht van inwoners en hun privacy. Bemoeizorg wordt daarom alleen ingezet als het geen optie is om af te wachten tot de cliënt zelf om die hulp vraagt en/of om verdere verwaarlozing te voorkomen. In de volgende gevallen kan daar sprake van zijn: a. Uit onderzoek blijkt dat vanwege onveiligheid of overlast de inzet van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. De inwoner is bereid een gesprek aan te gaan, mee te werken aan ondersteuning, maar weigert een plan of verslag te ondertekenen. b. Uit onderzoek blijkt dat vanwege onveiligheid of overlast de inzet van een
aan ondersteuning, maar weigert een plan of verslag te ondertekenen. b. Uit onderzoek blijkt dat vanwege onveiligheid of overlast de inzet van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. De inwoner weigert tot nu toe mee te werken. Er wordt gekozen voor een motivatietraject.
maatwerkvoorziening noodzakelijk is. De inwoner weigert tot nu toe mee te werken. Er wordt gekozen voor een motivatietraject.
Artikel 12 Het besluit, de beschikking
Artikel 13 Het besluit, de beschikking
1. De toekenning of afwijzing voor een maatwerkvoorziening wordt vastgelegd in een besluit (een beschikking).
1. De toekenning of afwijzing voor een maatwerkvoorziening wordt vastgelegd in een besluit (een beschikking). 2. De beschikking voldoet aan de eisen zoals opgenomen in de verordening. Daarbij moet uit de beschikking voldoende blijken wat de reden voor het verstrekken of afwijzen van de voorziening is (motivatie). Hiervoor kan in de beschikking ook worden verwezen naar het integraal plan of onderzoeksverslag. 3. Er wordt door de inwoner of zorgaanbieder binnen 3 maanden gebruikgemaakt van het besluit, anders kan het besluit worden ingetrokken. Het recht op de ondersteuning blijkt dan niet noodzakelijk te zijn. Dit geldt zowel bij ondersteuning in natura als bij een pgb. 4. Opschorting van de beslistermijn van 2 weken (Wmo) of 8 weken (Jeugdwet) wordt gecommuniceerd aan de inwoner. De inwoner ontvangt hiervoor een schriftelijke bevestiging. Hierin staan de datum van de aanvraag, de aangevraagde ondersteuning, de reden van uitstel, wat nog nodig is voor het besluit en de nieuwe beslistermijn. 5. Verlengen van de beslistermijn van 2 weken (Wmo) of 8 weken (Jeugdwet) wordt gecommuniceerd aan de inwoner. De inwoner ontvangt hiervoor een schriftelijke bevestiging. Hierin staan de datum van de aanvraag, de aangevraagde ondersteuning, de reden van uitstel, wat nog nodig is voor het besluit en de nieuwe beslistermijn (zo kort mogelijk).
2. De motivatie van de consulent, namelijk de weging van de feiten, de krachten en zwakten, het advies voor passende ondersteuning, en de doelen worden overgenomen in het besluit (de beschikking) die de inwoner ontvangt. 3. Er wordt door de inwoner of zorgaanbieder binnen 3 maanden gebruikgemaakt van het besluit, anders komt het besluit te vervallen. Het recht op de ondersteuning blijkt dan niet noodzakelijk te zijn. 4. Er wordt van een PGB bij jeugdhulp binnen 3 maanden en bij Wmo binnen 6 maanden gebruikgemaakt, anders komt het besluit te vervallen. 5.Opschorting van de beslistermijn van 2 weken wordt gecommuniceerd aan de inwoner. De inwoner ontvangt hiervoor een schriftelijke bevestiging. Hierin staan de datum van de aanvraag, de aangevraagde ondersteuning, de reden van uitstel, wat nog nodig is voor het besluit en de beslistermijn van 2 weken (zo kort mogelijk). 6. Het verlengen van de beslistermijn van 2 weken gebeurt alleen met instemming van de inwoner. De inwoner ontvangt hiervoor een schriftelijke bevestiging. Hierin staan de datum van de aanvraag, de aangevraagde ondersteuning, de reden van uitstel, wat nog
nodig is voor het besluit en de beslistermijn van 2 weken (zo kort mogelijk). Artikel 13 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
Artikel 14 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
1. De consulent stuurt in eerste instantie op cliëntondersteuning vanuit het netwerk van de inwoner. Het netwerk kan hierin een duurzame oplossing bieden. Indien er niemand in het netwerk deze rol kan vervullen, kan de inwoner gebruikmaken van een (onafhankelijke) cliëntondersteuner.
1. Als een inwoner dit wenst, kan hij zich bij de melding en/of aanvraag laten ondersteunen door een derde. De inwoner mag zich laten ondersteunen door iemand uit het netwerk, maar kan ook een beroep doen op onafhankelijke cliëntondersteuning.
2. De consulent wijst inwoners op de mogelijkheid dat zij zich kosteloos kunnen laten bijstaan door een (onafhankelijke) cliëntondersteuner dan wel vertrouwenspersoon. De gemeente zorgt ervoor dat alle inwoners hierop desgewenst een beroep kunnen doen.
2. De consulent wijst inwoners op de mogelijkheid dat zij zich kosteloos kunnen laten bijstaan door een (onafhankelijke) cliëntondersteuner dan wel vertrouwenspersoon. De gemeente zorgt ervoor dat alle inwoners hierop desgewenst een beroep kunnen doen.
3. De (onafhankelijke) cliëntondersteuner zal ook het netwerk proberen te versterken en samen met de inwoner op zoek gaan naar een duurzame oplossing binnen het netwerk.
3. De (onafhankelijke) cliëntondersteuner zal ook het netwerk proberen te versterken en samen met de inwoner op zoek gaan naar een duurzame oplossing binnen het netwerk.
4. Een vertrouwenspersoon voor bij jeugdhulp, is landelijk georganiseerd via het Advies en Klachtbureau Jeugdzorg (www.AKJ.nl). Als er zaken in de hulpverlening niet goed lopen, kan de vertrouwenspersoon daarbij helpen. Er wordt samen met de jeugdige, de ouder, verzorgende of gezaghebbende naar een oplossing gezocht.
4. Een vertrouwenspersoon voor bij jeugdhulp, is landelijk georganiseerd via het Advies en Klachtbureau Jeugdzorg (www.AKJ.nl). Als er zaken in de hulpverlening niet goed lopen, kan de vertrouwenspersoon daarbij helpen. Er wordt samen met de jeugdige, de ouder, verzorgende of gezaghebbende naar een oplossing gezocht.
Artikel 14 Overzicht maatwerkvoorzieningen
Artikel 15 Overzicht maatwerkvoorzieningen
1. Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen vanuit de Jeugdwet zijn:
Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen vanuit de Jeugdwet zijn:
a. Ambulante trajecten jeugd op het gebied van begeleiding en jeugd- en opvoedhulp.
a. Begeleiding individueel b. Groepsbegeleiding c. Behandeling individueel, zoals basis, specialistisch en hoog-specialistisch d. Groepsbehandeling e. Pleegzorg f. Gezinshuiszorg g. Residentiële jeugdhulp
b. Ambulante trajecten jeugd op het gebied van behandeling, zoals basis en specialistische jeugd GGZ.
c. Ambulante trajecten jeugd op het gebied van observatie en diagnostiek. d. Dagbesteding, kortdurend verblijf jeugd. e. Pleegzorg. f. Residentiële en semi-residentiële jeugdhulp. g. Gesloten jeugdhulp. h. Preventieve jeugdbescherming en beschermingsmaatregelen door gecertificeerde instellingen. i. Crisisjeugdhulp. 2. Maatschappelijke ondersteuning dient zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving plaats te vinden. Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo zijn:
h. Gesloten jeugdhulp i. Preventieve jeugdbescherming en beschermingsmaatregelen instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering j. Crisisjeugdhulp Artikel 21 Overzicht maatwerkvoorzieningen Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo zijn: a. Ambulante begeleiding b. Groepsbegeleiding c. Huishoudelijke ondersteuning d. Woningaanpassingen (voor normale gebruik van de woning) e. Hulpmiddelen (bijvoorbeeld rolstoelen) f. Vervoersvoorziening (bijvoorbeeld regiotaxi, doelgroepenvervoer, scootmobiel)
a. Ambulante begeleiding. b. Dagbesteding, dagactiviteit. c. Huishoudelijke ondersteuning, dagelijkse ondersteuning. d. Kortdurend verblijf. e. Woningaanpassingen (toegankelijkheid). f. Hulpmiddelen (scootmobiel, traplift). g. Instellingenvervoer. h. Collectief vervoer op grond van de Wmo (regiotaxi). Artikel 15 Richtlijnen 1. De richtlijnen voor ondersteuning vanuit een maatwerkvoorziening zijn gebaseerd op de ervaringen van 2015 tot en met 2019. De richtlijnen geven aan wat gemiddeld gebruikelijk is bij de inwoners. Er dient altijd per situatie maatwerk geboden te worden om goed aan te sluiten op de situatie van de inwoner.
-
2. Er wordt een gemiddeld aantal uur per week per inwoner toegewezen. De intensiteit van de ondersteuning per week kan dus verschillen. Het totaal aantal uur kan niet per periode overschreden worden door de zorgaanbieder. Hierdoor wordt de inwoner beschermd in het recht op ondersteuning. 3. In uitzonderingssituatie wordt er een totaal aantal uur voor de gehele periode afgegeven. Dit gebeurt alleen wanneer de ondersteuningsbehoefte van de inwoner onregelmatig en incidenteel is. Artikel 16 Dagactiviteit/-besteding en dagbehandeling
Artikel 16 Groepsbegeleiding en dagbehandeling
1. De kerndoelen van dagbesteding en dagactiviteiten zijn:
Dagactiviteit/Dagbesteding
Periode
Dagactiviteit kortdurend
1-2 jaar
Dagactiviteit langdurend Wmo
2+ jaar
1. De kerndoelen van groepsbegeleiding (dagbesteding en dagactiviteiten) vanuit de sociale basis voor jeugdigen zijn: a. Het stabiel houden van fysieke en/of cognitieve zelfstandigheid van de jeugdige b. Het aangaan van sociale contacten en/of het sociale netwerk uitbreiden c. Het ontlasten van de mantelzorger en/of ouder d. Het structuur bieden in de dag/week 2. De kerndoelen van groepsbegeleiding (dagbesteding en dagactiviteiten) vanuit een maatwerkvoorziening voor jeugdigen zijn: a. Het aanleren, uitbreiden en oefenen van sociale vaardigheden. b. Het aangaan van sociale contacten en/of het sociale netwerk uitbreiden c. Het ontlasten van de ouders/verzorgers Dagdelen per week en/of mantelzorger. d. Het structuur bieden in de dag/week Min. 1, max. 10 3. Leren binnen groepsverband is voorliggend op individuele ondersteuning. 4-5
Dagactiviteit langdurend Jeugd
1 jaar
Artikel 22 Groepsbegeleiding Min. 1, max. 10
Dagbehandeling jeugd
Periode
1. De kerndoelen van groepsbegeleiding (dagbesteding en dagactiviteiten) vanuit de sociale basis zijn:Dagdelen per week
Dagbehandeling
9 maanden
a. Sociale vaardigheden aanleren of uitbreiden. b. Het aanleren of oefenen van sociale vaardigheden. c. Het aangaan van sociale contacten en/of het sociale netwerk uitbreiden. d. Het ontlasten van de mantelzorger, partner, of ouder/verzorger. e. Het structureren van de dag/week. 2.Leren binnen groepsverband is voorliggend op individuele ondersteuning.
a. Het stabiel houden van fysieke en/of Min. 1, max. 10 cognitieve zelfstandigheid van de inwoner.
3. Bij dagbehandeling moet rekening gehouden worden met de aanvullende richtlijn inzake de belastbaarheid van het jonge kind (0-4 jaar). Er wordt bij jonge kinderen maximaal 1 dag per leeftijd toegekend. Bijvoorbeeld een kind van 2 jaar kan voor maximaal 2 dagen, of 4 dagdelen, een dagactiviteit ontvangen.
b. Het aangaan van sociale contacten en/of het sociale netwerk uitbreiden c. Het ontlasten van de mantelzorger en/of partner d. Het structuur bieden in de dag/week 2. Waarbij de volgende uitgangspunten gehanteerd worden: a. Zo passend mogelijk: de talenten, mogelijkheden en ondersteuning behoefte van de inwoner staan centraal (niet de problematiek) b. Zo inclusief mogelijk: elke groepsbegeleidingsplek voorziet in een inclusief aanbod (niet gericht op specifieke problematiek) c. Zo lokaal mogelijk: groepsbegeleiding vindt plaats in het dorp waar inwoner woont. Als de benodigde groepsbegeleiding niet aanwezig is in hetzelfde dorp wordt naar het dichtstbijzijnde alternatief gekeken binnen de gemeente. d. Gericht op zelfredzaamheid: er is bij groepsbegeleiding zoveel mogelijk aandacht voor de zelfredzaamheid van de inwoner. 3. De kerndoelen van groepsbegeleiding (dagbesteding en dagactiviteiten) vanuit een Wmo maatwerkvoorziening zijn: a. Het aanleren, uitbreiden en oefenen van sociale vaardigheden. b. Het leren aangaan van sociale contacten en/of het sociale netwerk uitbreiden c. Het aanbrengen van structuur in de dag/week waarbij toegewerkt wordt naar een weer stabiele situatie en welke weer vanuit de Sociale basis in de nabije toekomst ondersteund kan worden. 4. Groepsbegeleiding vanuit een Wmo maatwerkvoorziening betreft in principe tijdelijke ondersteuning waarbij toegewerkt
wordt naar een situatie waarin de ondersteuning weer geboden kan worden vanuit de Sociale Basis. 5. Van zorgaanbieders die zorg en ondersteuning bieden vanuit een Wmo maatwerkvoorziening wordt verwacht dat zij periodiek de vorderingen op de in de indicatie van de inwoner afgesproken doelen middels een schriftelijk evaluatieverslag deelt met de consulent van de gemeente. 6. Leren binnen groepsverband is voorliggend op individuele ondersteuning. Artikel 17 Ambulante begeleiding
Artikel 17 Begeleiding
1. De nadruk bij begeleiding basis voor volwassenen ligt op:
1. De nadruk bij begeleiding vanuit de sociale basis voor jeugdige inwoners is gericht op: a. De jeugdige activeren en aanbrengen van (dag)structuur. b. Stabiliseren (op orde brengen) of handhaven van de situatie. c. Oefenen en inslijpen/toepassen van vaardigheden samen met de Jeugdige. d. Ondersteunen bij het regelen/overnemen van dagelijks/praktische bezigheden (dagstructuur, participatie, sociale contacten, gezondheid en dergelijke). e. Ondersteuning van mantelzorg, ouders, verzorgers en voogd. 2. Specialistische begeleiding vanuit een maatwerkvoorziening Jeugdhulp is gericht op: a. Het aanleren van nieuwe vaardigheden en gedrag waardoor bij de jeugdige toekomstige verergering van de beperking en mogelijke uithuisplaatsing kan worden voorkomen. Door interventie verbeteren van de opvoedingssituatie zodat het gezin in staat is om de opvoeding en ontwikkeling van de cliënt te waarborgen. Verbetering van de uitvoering van opvoedingstaken, zodat de ouders op een positieve manier de ouderrol op zich kunnen nemen. b. En/of het zelfstandig functioneren en participatie behouden of vergroten, of het voorkomen/vertragen van achteruitgang met
a. het ondersteunen van de inwoner door naast de inwoner te staan; b. aanleren door herhaling; c. het ondersteunen bij, uitvoeren en overnemen van (praktische) handelingen; d. en betreft planbare ondersteuning. 2.De nadruk bij begeleiding specialistisch ligt op: a. het ondersteunen van de inwoner door het aanleren van nieuwe vaardigheden en handvatten; b. het begrenzen van moeizaam te reguleren gedrag; c. het risico op beschadiging van zichzelf of de omgeving verkleinen; d. en het betreft (on)planbare ondersteuning. 3. Zorg continuïteit van de ondersteuning en ambulante begeleider is belangrijk voor de inwoner en het bereiken van zijn/haar doelen. Begeleiding specialistisch betreft in principe tijdelijke ondersteuning waarna er afgeschaald wordt. Hierom wordt er bij volwassen inwoners
altijd gestart met ambulante begeleiding basis, of een combinatie van ambulante begeleiding basis en specialistisch. Hierdoor wordt de zorg continuïteit en het belang van 1 gezin, 1 hulpverlener, 1 plan gewaarborgd. 4. Indien binnen de eerste 3 tot 6 maanden blijkt dat er specialistische begeleiding noodzakelijk is, kan de zorgaanbieder dit aangeven door middel van een evaluatie. 5. De richtlijnen voor ambulante begeleiding voor volwassenen zijn als volgt: Ambulante begeleiding Wmo
Periode
Ambulante begeleiding kortdurend
1-2 jaar
Ambulante begeleiding langdurend
2+ jaar
Ambulante begeleiding gecombineerd met speciaal
1-2 jaar
Ambulante specialistische begeleiding gecombineerd
1-2 jaar
Specialistische begeleiding langdurend (uitzonderingssituatie)
2+ jaar
behulp van het eigen netwerk (vergroting samenredzaamheid), bijvoorbeeld aan de hand van concrete doelen op één of meer leefgebieden. c. Overbrugging tot de behandeling of ter motivatie tot behandeling. d. Het methodisch trainen van vaardigheden volgend op behandeling.
Artikel 23 Begeleiding 1. De nadruk bij begeleiding vanuit de sociale basis voor volwassenen is gericht op: Aantal uren per week a. Het creëren en/of 2,5 behouden van een stabiele situatie. b. De inwoner activeren en het aanbrengen 2,5 dagelijks leven. van structuur in het c. Het oefenen en (door herhaling) toepassen van praktische vaardigheden samen met de 1 inwoner om achteruitgang te voorkomen. d. Ondersteunen bij het regelen/overnemen van dagelijks/praktische bezigheden 1,5 (financiën, dagstructuur, zelfstandig wonen, participatie, sociale contacten, gezondheid/persoonlijke verzorging, e.d.). 0,5 e. en betreft voornamelijk planbare ondersteuning.
6. De richtlijnen voor ambulante begeleiding voor jeugdige inwoners zijn als volgt:
2. Specialistische begeleiding vanuit een maatwerkvoorziening Wmo is gericht op: a. De inwoner in staat te stellen om te kunnen blijven meedoen in de maatschappij bij ernstig Uren per week regieverlies.
Ambulante begeleiding Jeugd
Periode
Ambulante begeleiding kortdurend
6 maanden
1,5 b. En/of het overbruggen tot een behandelingstraject.
Ambulante begeleiding langdurend