CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Toelichting 05_Aanvullend soortenonderzoek Wnb_Eikenstraat_Grasadvies_14 nov 2023

Raadsvergadering 23 september 2025, gemeente RhedenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Landelijk Gebied, locatie Eikenstraat 5 Ellecom (de Turnhal)11.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor het onderzoek naar gierzwaluwen aan de Eikenstraat 5 te Ellecom zijn drie veldbezoeken afgelegd. Deze zijn tweemaal gecombineerd met vleermuisonderzoek. Tijdens veldbezoeken zijn mogelijke nestlocaties in het projectgebied en de omgeving onderzocht en beoordeeld. Uilen Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren, nestlocaties, rustplaatsen en locaties van (essentieel) functioneel leefgebied zoals foerageergebied vast te stellen. Hoofdstuk 5, tabel 5.1 toont de veldbezoekspecificaties. Omdat er mogelijk meerdere soorten uilen binnen en/of rondom het projectgebied aanwezig kunnen zijn, ziin verschillende methoden uit verschillende kennisdocumenten en overige bronnen betreft uilenonderzoek geraadpleegd. Dit betreft het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017d), het Kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017e), en informatie over de bosuil op de website van Sovon. Deze gecombineerde en overlappende onderzoeksmethoden houden het volgende in:

Projectcode: Versie: 1.0

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Eikenstraat 5 te Ellecom

● ● ● ● ● ●

De afwezigheid van steenuilen is aannemelijk door 3 gerichte veldbezoeken in de periode begin 1 februari tot en met 30 april waarbij tussen het eerste en laatste veldbezoek minimaal 1 maand interval zit (steenuil). De afwezigheid van kerkuilen is aannemelijk door 3 gerichte veldbezoeken in de periode begin 1 februari tot en met 30 september. GRAS Advies kiest de overlappende periode van begin februari tot en met 30 april om onderzoek in de geschikte periode van de steenuil en kerkuil te combineren. Een derde onderzoek naar de kerkuil is uitgevoerd in combinatie met vleermuisonderzoek in het najaar. Inventarisaties vinden plaats in de avondschermer tot middernacht. Tijdens inventarisaties wordt het afspelen van een baltsroep van de steenuil en de bosuil geadviseerd. Er vindt bij voorkeur overdag onderzoek plaats naar sporen die de aanwezigheid van een nest aannemelijk maken zoals braakballen, ruiveren en krijtstrepen.

Voor het uilenonderzoek aan de Eikenstraat 5 te Ellecom zijn 3 veldbezoeken afgelegd. Tijdens veldbezoeken zijn mogelijke habitatfuncties in het projectgebied en de omgeving onderzocht en beoordeeld. Tijdens de quickscan flora en fauna heeft er overdag op 1-02-2023 sporenonderzoek plaatsgevonden in het projectgebied. Hierbij is onder andere gezocht naar braakbalen, krijtsporen en prooiresten. Steenmarter Onderzoek naar marterachtigen is maatwerk en wordt doorgaans gedaan om de soort (steenmarter of boommarter) te bepalen, de aanwezigheid van vaste en essentiële rust- of voortplantingsplaatsen, migratieroutes en foerageergebied vast te stellen of bestaat uit een habitatsgeschiktheidsbeoordeling. Voor deze soorten bestaan geen landelijk gestandaardiseerde onderzoeksprotocollen. GRAS Advies hanteert binnen dit onderzoek voornamelijk de onderzoeksmethoden beschreven in Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming (Bouwens, 2017) en Brochure Soortenbescherming in Overijssel (Veldman & Troost, 2019). Dit houdt globaal het volgende in: ●

● ● ● ● ● ●

Er zijn verschillende methoden beschikbaar om de soort en aanwezigheid vast te stellen. GRAS Advies gebruikt wildcamera’s met lokstof om beeldmateriaal te vervaardigen van passerende dieren, inclusief sporenbuizen ofwel een plankje waarop pootafdrukken kunnen worden afgezet, waargenomen en achteraf worden gedetermineerd. Als lokstof en tevens afdrukmedium voor sporenbuizen gebruikt GRAS Advies een mengsel van paraffineolie, koolstof en visolie. Lokstof bij wildcamera-gebruik is pindakaas. Hierbij wordt dit voor de camera op/aan een verhoging geplaatst om determinatie van soorten te vergemakkelijken. Onderzoek is niet gebonden aan vaste perioden. Desondanks hanteert GRAS Advies de periode van maart tot en met augustus (Bouwens, 2017). In deze periode worden inventarisatiematerialen minimaal 6 weken in het projectgebied geplaatst. Buiten deze periode wordt minimaal 12 weken gehanteerd. Inventarisatiematerialen worden geplaatst op plekken waar de trefkans het hoogst is. Dit wordt bepaald aan de hand van eerder uitgevoerd verkennend onderzoek, de huidige ruimtelijke en ecologische situatie en kenmerken van de beoogde ontwikkeling. Het aantal in te zetten inventarisatiematerialen wordt bepaal door de deskundige ecoloog. Dit is afhankelijk van de grootte en toegankelijkheid van het projectgebied en de geschiktheid van het gebied voor de desbetreffende soort.

Om de werking van inventarisatiematerialen te waarborgen kiest GRAS Advies ervoor binnen deze periode minimaal eenmaal batterijen en opslagmiddelen van opname apparatuur te vervangen en sporenplankjes te vernieuwen. De effectenbeoordeling houdt naast het projectgebied en de directe omgeving, ook rekening met omliggende functies zoals het netwerk van potentiële leefgebieden, migratieroutes, de bereikbaarheid, kwaliteit en versnippering.

Voor het onderzoek aan de Eikenstraat 5 te Ellecom zijn wildcamera’s in combinatie met sporenbuizen ingezet. In totaal zijn 3 wildcamera’s en 2 sporenbuizen geplaatst. Inventarisatiematerialen zijn op 24-4-2023 ingezet en zijn 12 weken operationeel geweest. Afbeelding 1a geeft deze locaties weer. Na het plaatsen van de wildcamera’s en sporenbuizen zijn in totaal 3 veldbezoeken geweest om de SD-kaarten en batterijen van de wildcamera’s te vervangen, de sporenbuizen te controleren en daarbij het sporenplankje te vervangen/ verversen. Bij het laatste locatiebezoek op 17-07-2023 zijn alle materialen verwijderd.

Projectcode: Versie: 1.0

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Eikenstraat 5 te Ellecom

Reptielen Onderzoek naar beschermde reptielen is gebonden aan vaste periodes en vereist meerdere locatieonderzoeken. Tijdens de locatieonderzoeken wordt gekeken naar de aan- of afwezigheid van beschermde reptielen. Om de aan- of afwezigheid van deze reptielen aan te tonen wordt gebuikt gemaakt van de soortinventarisatieprotocollen van Netwerk Groene Bureaus (NGB). Deze protocollen schrijven voor minimaal 6 locatieonderzoeken moet worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid te bepalen in de periode april tot september. Om de aan- of afwezigheid te bepalen wordt gebruik gemaakt van herpetoplaten. Deze worden half april neergelegd, daarna worden ze vijf keer bekeken. Na het plaatsen van de herpetoplaten is een minimale gewenning van 14 dagen toegepast. De onderzoeken zijn uitgevoerd bij Tabel 1. Overzicht locatieonderzoeken reptielen. April

Mei

Juni

Juli

Augustus

September

Ringslang

Ringslang

Hazelworm + ring-

Hazelworm + ring-

Hazelworm + ring-

Hazelworm + ring-

slang

slang

slang

slang

Zonnende dieren

Zonnende dieren

Zonnende dieren

Zonnende dieren

Zonnende dieren

Zonnende dieren

Neerleggen platen

Check platen

Check platen

Check platen

Check platen

Check platen

Afbeelding 1a: Locaties van ingezette inventarisatiemiddelen.met 2 sporenbuizen (groene vierkant), 3 wildcamera’s (bruine driehoek) en 9 herpetoplaatjes (oranje cirkel).

Projectcode: Versie: 1.0

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Eikenstraat 5 te Ellecom

Rugstreeppadden Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren in het voortplantingsbiotoop vast te stellen. De methodiek is conform Het Kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017) en Netwerk Groene Bureaus (z.d.) uitgevoerd. Dit houdt het volgende in: ● ● ● ● ● ●

De afwezigheid van een voortplantingsbiotoop kan worden aangetoond door minimaal 3 veldbezoeken waarvan minimaal 1 in de periode half april tot en met mei en de overige tussen half juni en begin augustus (Netwerk Groene Bureaus, z.d.). GRAS Advies hanteert hierbij de adviezen van BIJ12 (2017) en verricht minimaal 2 veldbezoeken vanaf half april tot eind mei en 1 veldbezoek tusse half juni en half juli waarbij onderzoeken in de avonduren plaatsvinden en over deze periode worden verspreid. Onderzoek omvat het inventariseren van voortplantingswateren door te luisteren naar kooractiviteiten al dan niet met behulp van het afspelen van lokgeluiden. Indien mogelijk worden in de maanden juni en juli voortplantingswateren onderzocht op aanwezigheid van eisnoeren en larven. Onderzoeken vinden bij voorkeur plaats tijdens geschikte weersomstandigheden (relatief warme, windstille avonden/nachten, ná zware regenval (BIJ12, 2017). Inventarisatie vindt bij voorkeur plaats vanaf 1 uur na zonsondergang tot 02:00 (Netwerk Groene Bureaus, z.d.).

Exacte rust- en verblijfplaatsen van (sub)adulte exemplaren en hun functioneel leefgebied is vrijwel onmogelijk in beeld te brengen. Indien rugstreeppadden worden aangetroffen wordt er daarom van uitgegaan dat alle mogelijk geschikte rust- en voortplantingsplaatsen als zodanig kunnen worden gebruikt en dat alle essentiële habitatfuncties daarom ook aanwezig zijn (BIJ12, 2017)

Projectcode: Versie: 1.0

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Eikenstraat 5 te Ellecom

Bijlage 2: Wet- en regelgeving Wet- en regelgeving omtrent natuurbeleid is voornamelijk geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast is beleid geregeld in provinciale verordeningen en binnen het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Wet- en regelgeving is gericht op de bescherming van: ● ● ●

gebieden houtopstanden soorten

Gebiedsbeschermingsregimes zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming hoofdstuk 2 en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening hoofdstuk 2 (Natuurnetwerk Nederland). Beschermingsregimes van houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4. Onderstaande informatie omvat enkel soortenbeschermingsregimes die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) is een kaderwet die sinds 2017 van kracht is. Deze wet is naast het beschermen van natuurgebieden en houtopstanden, gericht op het beschermen van inheemse en in het wild levende plant- en diersoorten. Verplichtingen vanuit Internationale en Europese wet- en regelgeving zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn hierin opgenomen. Gelijktijdig heeft er decentralisatie van bevoegd gezag plaatsgevonden waardoor provincies verantwoordelijk zijn voor natuurbeleid- en bescherming binnen de wettelijke kaders van de Wnb en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het biedt provincies de mogelijkheid om op regionaal niveau natuurbeleid toe te passen en in bepaalde gevallen soorten vrij te stellen van hun beschermde status. Onder de Wnb worden alle in het wild levende plant- en diersoorten en natuurgebieden tot op zekere hoogte beschermd, ongeacht of een soort of het gebied wettelijk beschermd is of niet.

Ze vallen onder de zorgplicht (Artikel 1.11 Wnb), (zie Kader - Zorgplicht). Soortenbescherming is opgenomen in de Wnb onder hoofdstuk 3. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal- en nationaal beschermde soorten verdeeld over 3 verschillende beschermingsregimes, ieder met specifieke verbodsbepalingen (Artikel 3.5 t/m 3.10). Internationaal beschermde soorten zijn soorten die vallen onder de categorie Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn (inclusief de verdragen van Bern en Bonn). Nationaal beschermde soorten vallen onder de categorie Andere soorten. De bijlage behorend bij hoofdstuk 3, Artikel 3.10 Wnb geeft een overzicht van nationaal beschermde diersoorten (Onderdeel A) en plantensoorten (Onderdeel B). Figuur 1 toont verbodsbepaling per beschermingsregime. Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern (wilde dieren en planten inclusief hun natuurlijke leefmilieus) en Bijlage I van het Verdrag van Bonn (trekkende wilde diersoorten). Deze richtlijnen zijn opgesteld om de biodiversiteit in Europa in stand te houden en bevatten meerdere bijlagen waarin lijsten met soorten zijn opgenomen.

Onder Andere soorten vallen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage Wnb, onderdeel A, inclusief vaatplanten genoemd in de bijlage Wnb, onderdeel B. De verboden benoemd in Artikel 3.10 lid a en b zijn niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze soorten zich in gebouwen of op erven bevinden. Anders dan internationaal beschermde soorten is het beschermingsregime omtrent Andere soorten milder. Zo is het niet verboden eieren te rapen of dieren opzettelijk te verstoren. Deze uitzonderingen zijn gebaseerd op de belangen beschreven onder Artikel 3.10 lid 2a t/m 2i waaronder bijvoorbeeld ruimtelijke inrichting, kleinschalige bouwactiviteiten of bestendig beheer en ter voorkoming van schade of overlast (Overheid.nl, 2021).

Projectcode: Versie: 1.0

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Eikenstraat 5 te Ellecom

Zorgplicht De Wet natuurbescherming gebiedt onder Artikel 1.11: 1. Een iedere neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt (Overheid.nl, 2021). Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 lid 1 Het is verboden van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Artikel 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Artikel 3.1 lid 3 Het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben.

Artikel 3.1 lid 4 en 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. N.v.t.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild levende dieren in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Artikel 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Artikel 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Artikel 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Beschermingsregime Andere soorten Artikel 3.10 lid 1a Het is verboden in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen. Artikel 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. N.v.t.

N.v.t.

Artikel 3.5 lid 5 Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Artikel 3.10 lid 1c Het is verboden vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Figuur 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming per beschermingsregime. Bron: Overheid.nl (2021); Zoogdiervereniging (2021).

Essentieel leefgebied Nest-, rust- en voortplantingsplaatsen worden in de Wnb nadrukkelijk beschermd (Figuur 1). Deze bescherming geldt niet voor bijvoorbeeld vliegroutes, migratieroutes en foerageergebieden. Echter, onder deze beschermde plaatsen worden ook alle essentiële onderdelen verstaan die het nest of de rust- of verblijfplaats als zodoende laten functioneren, ook wanneer deze gebieden niet samenvallen. Essentiele leefgebieden zijn daarom gebieden van wezenlijk belang voor het functioneren van de nest- rust- of voortplantingsplaats, wanneer er geen alternatieven zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen (Raad van State, 2021).

Projectcode: Versie: 1.0

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Eikenstraat 5 te Ellecom

Vogels met jaarrond beschermde nesten Het verbod op beschadiging en vernieling van nesten houdt in dat er bij ruimtelijke ingrepen rekening dient te worden gehouden met broedende vogels en vogels die hun nest jaarrond als verblijfplaats gebruiken. De broedperiode is soortspecifiek. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest, of zijn hiertoe in staat. Voor deze vogelnesten geldt dat ze enkel in het broedseizoen als broedgeval onder de bescherming van Artikel 3.1 van de Wnb staan. Voor werkzaamheden buiten het broedseizoen is voor deze soorten (op enkele uitzonderingen na) geen ontheffing nodig. Van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten bestaat een dynamische lijst die als beleidsdocument onderdeel is van de Wnb. Hierin zijn vogels op basis van nestgebruik ingedeeld in 5 categorieën die hieronder worden weergegeven. Soorten en categorieën kunnen per provincie verschillen. In Lijst met beschermde soorten Wet natuurbescherming (Hunink, 2022) staat een overzicht van vogels met jaarrond beschermde nesten per provincie. 1 2 3 4 5

jaarrond gebruikte nesten (buiten het broedseizoen ook vaste rust- of verblijfplaats) * zeer honkvaste (koloniebroeders) of afhankelijk van bebouwing* zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen koloniebroeders) * vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest* definitie van 5, 5a en 5b verschilt per provincie, en varieert van honkvast en voldoende flexibel tot kwetsbaar en afhankelijk van de lokale Staat van instandhouding (zie Kader - Gunstige staat van instandhouding van een soort).

* Exacte definitie kan afwijken.

Uitzonderingen op verbodsbepalingen Uitzonderingen op de verbodsbepalingen binnen de Wnb zoals beschreven onder Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en Andere soorten kunnen gelden indien: ● ● ●

een vrijstelling voor de specifieke soort geldt (nationaal beschermde soorten); gewerkt wordt met een Gedragscode (nationaal en internationaal beschermde soorten); een ontheffing is verkregen (nationaal en internationaal beschermde soorten).

Om te bepalen of een ontheffing nodig is of dat er gebruik kan worden gemaakt van een vrijstelling, is er een stappenplan opgesteld door het Ministerie van Economische Zaken. Deze is toegevoegd in de volgende Bijlage. Vrijstelling: Binnen de groep Andere soorten (nationaal beschermd), kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies zijn bevoegd om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan de ontheffingsplicht voor (doorgaans algemeen voorkomende) soorten en soorten dus vrij te stellen van hun beschermde status. Hunink (2022) toont een overzicht van deze soorten in Lijst beschermde soorten Wet natuurbescherming, onderverdeeld in beschermingsstatus en provincie. Een vrijstelling is een uitzondering op een verbod en geldt voor iedereen die aan de voorwaarden van die vrijstelling voldoet, zoals een gedragscode (RVO, 2013). Gedragscode: Indien er bij ruimtelijke ingrepen een verbodsbepaling overtreden wordt, kan in sommige gevallen een vrijstelling van de ontheffingsplicht gelden wanneer er gebruik wordt gemaakt van specifieke richtlijnen in een door de minister goedgekeurde gedragscode (Artikel 3.31 Wnb). Door het volgen van deze gedragslijnen kan schade zoveel mogelijk worden voorkomen.

Reeds goedgekeurde Gedragscodes zijn enkel bruikbaar bij ruimtelijke ingrepen binnen gebieden in eigendom van gemeenten en terreinen in beheer, onderhoud en/of eigendom van de provincie. Hierop betrekking hebbende relevante gedragscodes zijn te vinden op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Hoewel de mogelijkheid wel wordt geboden, zijn er bij het opstellen van het stappenplan nog geen gedragscodes goedgekeurd voor Europees beschermde soorten. Ontheffing: In alle andere gevallen zijn in het kader van ruimtelijke ontwikkeling uitzonderingen op verbodsbepalingen enkel mogelijk wanneer een ontheffing is verkregen. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen ligt bij de provincie. Voor een ontheffingsverlening moet het belang van het overtreden van de verbodsbepaling worden aangetoond. Deze zijn afhankelijk van het beschermingsregime. Een ontheffing of vrijstelling wordt uitsluitend verleend indien: Projectcode: Versie: 1.0

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Eikenstraat 5 te Ellecom

● ● ●

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (Artikel 3.8 lid 5a Wnb); zij het belang dient zoals benoemd in Artikel 3.3 lid 4, 3.8 lid 5 en 3.10 lid 2 Wnb, waaronder volksgezondheid en openbare veiligheid; de ontwikkeling niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (Artikel 3.8 lid 5c Wnb).

Indien binnen een gemeente op gebiedsniveau wordt gewerkt en een gebiedsontheffing wordt aangevraagd, kunnen maatregelen in een Soortenmanagementplan (SMP) worden opgenomen. Ontheffingsplicht Indien er door beoogde ontwikkelingen verbodsbepalingen worden overtreden waarbij vrijstellingen en/of een gedragscode niet van toepassing zijn, geldt de ontheffingsplicht. Bij de ontheffingsaanvraag moet worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn die desbetreffende verbodsbepaling kan voorkomen. Daarnaast moet het een noodzakelijk wettelijk belang dienen aansluitend op het beschermingsregime van de desbetreffende soort waarvoor een ontheffing wordt aangevraagd (Artikel 3.3 lid 4b, 3.8 lid 5b en 3.10 lid 2a Wnb) (zie Kader - Wettelijk belang per beschermingsregime) en moet worden aangetoond dat de staat van instandhouding van de desbetreffende soort door beoogde ontwikkelingen niet verslechtert (zie Kader Gunstige staat van instandhouding van een soort). Het verspreidingsgebied van de soort, aantallen, trends, het effect van de beoogde ontwikkeling op de soort en de te nemen mitigerende of compenserende maatregelen ten gunste van de soort zal in de beoordeling worden overwogen (Ministerie van Economische Zaken, 2016). Wettelijk belang per beschermingsregime ● ●

●

Beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten: In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid, veiligheid van het luchtverkeer, ter voorkoming van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren of ter bescherming van flora of fauna. Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten en soorten van Bern en Bonn: In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid, of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom of in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats. Beschermingsregime Andere soorten: In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daaropvolgende gebruik van het gebied of het gebouwde.

Gunstige staat van instandhouding van een soort In principe wordt hiermee bedoeld dat de populatie levensvatbaar is en dat ook op lange termijn zal blijven binnen het natuurlijke habitat waar hij voorkomt en dat het natuurlijke verspreidingsgebied niet kleiner wordt en het habitat van de soort groot genoeg is om de populatie van die soort ook op langere termijn in stand te houden. De soort mag geen effecten ondervinden die een zodanige invloed hebben dat er op langere termijn een negatieve verandering zou kunnen plaatsvinden van de verspreiding van de soort en de grootte van de populatie waardoor het voortbestaan van de soort in gevaar komt (Overheid.nl, 2021). Onder de internationale beschermingsregimes wordt het omschreven als: ● ●

Vogelrichtlijnsoorten: De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding (SvI) van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoorten: Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige SvI te laten voortbestaan

Projectcode: Versie: 1.0

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Eikenstraat 5 te Ellecom

Instandhoudingsdoelstellingen Deze doelstellingen zijn geformuleerd voor alle voorkomende soorten en habitats binnen Natura 2000-gebieden met als doel het bereiken van een landelijke gunstige staat van instandhouding voor alle door de richtlijnen beschermde soorten en habitats (zie Kader - Gunstige staat van instandhouding van een soort). Natura 2000-gebieden worden geselecteerd op grond van het voorkomen van habitattypen en soorten die vanuit Europees perspectief bescherming behoeven (Natura2000, z.d.). Natura 2000-gebieden kennen een strikt beschermingsregime. Indien ontwikkelingen in of nabij een gebied plaatsvinden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen mogelijk de kwaliteit van aangewezen habitats of de habitats van aangewezen soorten verstoren of verslechteren, moet hiervoor een vergunning worden aangevraagd bij de provincie (Zoogdiervereniging, 2021; Overheid.nl, 2021). Invasieve exoten Invasieve exoten zijn soorten die schade kunnen toebrengen aan bijvoorbeeld biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Ze kunnen inheemse soorten verdringen of zelfs doen uitsterven. Ook kunnen ze schadelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid van mensen en economische schade toebrengen. In de Europese Unie is een verordening van kracht (nr. 1143/2014) ter preventie en beheersing van invasieve uitheemse exoten (NVWA, z.d.).

Deze soorten zijn terug te vinden op Unilijst Invasieve soorten op de website van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA, 2022). Deze verordening is opgenomen in de Wet natuurbescherming en gedeputeerde staten zijn (op enkele uitzonderingen na) verantwoordelijk dat in de provincie deze soorten zoveel mogelijk worden teruggebracht (Artikel 3.19 Wnb). Het is verboden exoten vallend onder deze aangewezen groep te zaaien, planten, kweken, telen, te laten voortplanten, te verhandelen, in bezit te hebben of vrij te laten (Artikel 3.34 en 3.39 Wnb) (RVO, 2022). Er zijn provincies die de bestrijding van soorten in hun beleid hebben opgenomen die niet op deze lijst vermeld staan. Het gaat hierbij vaak om soorten uit de duizendknoop familie. Sinds 1 januari 2022 geldt wel het verbod op handel in Aziatische duizendknopen (NVWA, 2021). Regelingen omtrent bestrijding van deze soortengroep en andere soorten zijn doorgaans te vinden op websites van desbetreffende gemeenten.

Projectcode: Versie: 1.0

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Eikenstraat 5 te Ellecom

Bijlage 3: Stappenplan ontheffingsplicht

Bron: Ministerie van Economische Zaken (2016). Projectcode: Versie: 1.0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=aae6b9da-6998-4b56-a76f-d2d64a1debc9