CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 bij voorstel bodemregels in omgevingsplan - bouwstenen voor bodemregels voor in het Omgevingsplan

Raadsvergadering 31 oktober 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: Bouwstenen voor bodemregels in het omgevingsplan13.443 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Toelichting artikel 22.128 Bruidsschat; Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit. Dit is art.5.4.x4. van de GOO regels. Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht. Eerste lid De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden.

Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit. Tweede lid Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren. Derde lid De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond. Vierde lid De informatieplicht is niet van toepassing als het graven in bodem plaatsvindt in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Hierbij moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedreparatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren en te voldoen aan de termijn van de informatieplicht (een week). Daarom komt in die situatie een beperkte informatieplicht achteraf in plaats van een meldingsplicht en onderzoek vooraf.

De hoeveelheid te ontgraven grond moet proportioneel zijn voor het uitvoeren van een spoedreparatie. Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als

Bijlage 5.

concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023

bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden.

Artikel 5.4.x5 (informeren toezichthouder) (aanvulling BAL artikel 4.1225) Bij een spoedreparatie in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie bodem zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie. De toezichthoudende instantie is de ODRA, OmgevingsDienst Regio Arnhem. Toelichting artikel 5.4.x5 GOO regels. In formeren toezichthouder bij spoedreparatie. Bij een spoedreparatie is het niet mogelijk om een week vooraf een melding te doen. Er moet op dat moment gehandeld worden. Dat mag onder de standaard regels ook zonder bevoegd gezag te informeren. Met dit artikel wordt geborgd dat de toezichthouder wel geïnformeerd wordt als zo’n spoedreparatie plaatsvindt in bodem met een kwaliteit die slechter is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Door onzorgvuldig handelen zou dan namelijk risico kunnen ontstaan voor mens en milieu, of ongewenste vermenging van bodemlagen. Artikel 5.4.x6 (tijdelijke opslag van vrijkomende grond ) (BS 22.129) Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Toelichting artikel 22.129 Bruidsschat; Tijdelijke opslag van vrijkomende grond. Dit is GOO regel art 5.4.x 6. Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen. Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving.

De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodem beschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers.

Artikel 5.4.x7 (gescheiden houden van grond) (aanvulling) Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden gehouden. Toelichting op GOO artikel 5.4.x7, gescheiden houden van grond. Ook bij een kleinschalige graafactiviteit kan er grond van verschillende kwaliteitsklassen worden ontgraven. Dit artikel voorkomt dat grond van verschillende kwaliteit wordt vermengd, dit is een ongewenste vorm van ‘wegmengen’ van bodemverontreiniging. In dit artikel wordt daarom geëist dat grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden van elkaar wordt ontgraven, opgeslagen, teruggeplaatst en/of afgevoerd.

concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023

Bijlage 5. Artikel 5.4.x8 (milieukundige begeleiding bij nazorg) (BS 22.130)

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit op locaties als bedoeld in artikel 5.4.x3 milieukundig begeleid volgens BRL 6000 als op de locatie sprake is van een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag. Toelichting Bruidsschatartikel 22.130, milieukundige begeleiding bij nazorg. Dit is GOO artikel 5.4.x8. Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000. Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving.

In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.

§ 5.4.x1c Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3

Artikel 5.4.x9 (informeren toezichthouder) (Maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1228) Bij een spoedreparatie in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt de toezichthoudende instantie bodem zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de locatie, tijdstip en aard van de spoedreparatie. De toezichthoudende instantie is de ODRA, Omgevings Dienst Regio Arnhem. Toelichting artikel 5.4.x9 GOO regels. Informeren toezichthouder bij spoedreparatie. Bij een spoedreparatie is het niet mogelijk om een week vooraf een melding te doen. Er moet op dat moment gehandeld worden. Dat mag onder de standaard regels ook zonder bevoegd gezag te informeren. Met dit artikel wordt geborgd dat de toezichthouder wel geïnformeerd wordt als zo’n spoedreparatie plaatsvindt in bodem met een kwaliteit die slechter is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Door onzorgvuldig handelen zou dan namelijk risico kunnen ontstaan voor mens en milieu, of ongewenste vermenging van bodemlagen.

Artikel 5.4.x10 (voorafgaand bodemonderzoek)(Maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1229) De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101. Toelichting op GOO artikel 5.4.x10, voorafgaand bodemonderzoek. Dit artikel geeft aan dat het bodemonderzoek ook moet worden aangeleverd in een specifiek digitaal format zodat uitwisseling met bodeminformatiesystemen mogelijk is.

Artikel 5.4.x11 (bodem : tijdelijk uitnemen van grond) Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt in aanvulling op artikel 4.1230a van het Besluit activiteiten leefomgeving grond na het tijdelijk uitnemen ook niet teruggebracht in de bodem als de grond boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is verontreinigd met asbest en/of mobiele verontreinigingen. Toelichting op GOO artikel 5.4.x11, tijdelijke uitname van grond. Het is wenselijk dat asbesthoudende grond wordt gesaneerd als er activiteit op de locatie is. Daarom is in dit artikel opgenomen dat asbesthoudende grond niet mag worden teruggebracht in de bodem na tijdelijke uitname. De grond moet worden afgevoerd. Dezelfde regel geldt voor grond die is verontreinigd met mobiele bodemverontreiniging. Terugplaatsen van deze grond kan leiden tot ongewenste verspreiding van de verontreiniging.

Bijlage 5.

concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023

§ 5.4.x2a Toepassen van bouwstoffen

Artikel 5.4.x12 (meldplicht toepassen AVI /AEC bodemassen, immobilisaten, metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt) (maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1258) 1.

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden als het gaat om het toepassen van AVI/ AEC bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels

2.

Een melding bevat: a. de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1260, in het kader waarvan de AVI/AEC bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt worden toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing; b. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de AVI/AEC bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt worden toegepast; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257; d. de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid; e. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen AVI/AEC bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt f. als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon; g. de herkomst van de AVI/ AEC bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt; h. de kwaliteit van de AVI/AEC bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt; i.

de hoeveelheid AVI/AEC bodemassen, immobilisaten en/of metaalslakken producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; en j. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld.

waarin metaalslakken zijn verwerkt.

Toelichting toevoeging aan artikel 4.1258 Bestluit activiteiten leefomgeving; meldplicht toepassen AVI/AEC bodemassen, immobilisaten, metaalslakken en producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt. GOO regel artikel 5.4.x12. Naast het toepassen van AVI bodemassen, immobilisaten moet ook bij het toepassen van metaalslakken altijd informatie worden aangeleverd. Deze bouwstoffen kunnen als gevolg blootstelling aan (regen)water stoffen naar de bodem uitlogen. Daardoor ontstaat er een mogelijk milieurisico. In dit artikel is opgenomen dat toepassing van deze bouwstoffen moet worden gemeld. De melding moet de juiste informatie bevatten, waarbij extra gegevens worden gevraagd over hoe de bouwstoffen worden toegepast.

§ 5.4.x2b Toepassen van grond of baggerspecie

Artikel 5.4.x13 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie. Toelichting bij GOO regel 5.4.x13, Besluit activiteiten leefomgeving; toepassingsbereik. Bij het toepassen van grond en/of baggerspecie op de landbodem wordt rekening gehouden met de lokale samenstelling van de bodem. Hiervoor worden in de navolgende artikelen regels opgesteld.

Artikel 5.4.x14 (Bodemvreemd materiaal ) (maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1271) 1. 2.

In gebieden met de functieklasse Industrie is het percentage steenachtig materiaal of hout bedoeld in artikel 4.1271 eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving ten hoogste 10 gewichtsprocent; In gebieden met de functieklasse Wonen, en Landbouw/Natuur is het percentage steenachtig materiaal of hout bedoeld in artikel 4.1271 eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving ten hoogste 5 gewichtsprocent;

concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023

Bijlage 5.

Toelichting bij artikel 5.4.x14, bodemvreemd materiaal. Bij de toepassing van grond en baggerspecie is het wenselijk dat de samenstelling niet te sterk afwijkt van de lokale bodem. Dit geldt met name voor de bijmenging van bodemvreemd materiaal. Door de tijd heen is ander materiaal in de bodems opgenomen dan de materialen die van nature in de bodem voorkomen. Meestal is steenachtig materiaal (zoals baksteen op puin) of hout en plastics het type bijmenging dat in de bodem wordt aangetroffen als gevolg van menselijk handelen. Landelijk gelden hiervoor toegestane maximale percentages aan bijmenging. De percentages bijmenging zijn in de regio doorgaans veel lager dan de landelijk toegestane percentages. In dit artikel wordt een percentage vastgesteld dat beter aansluit op de lokale bodemsamenstelling. We voorkomen hiermee dat grond van buiten de gemeente mag worden toegepast als het percentage bijmenging in die grond hoger is dan de lokale bodemsamenstelling.

§ 5.4.3 Saneren van de bodem

Artikel 5.4.x18 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem.

Artikel 5.4.x19 (melding: gegevens en bescheiden ) Maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1236, 4.1237 en 4.1238 (gegevens en bescheiden) In aanvulling op het gestelde in artikel 4.1236 worden de resultaten van een bodemonderzoek ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101. Toelichting artikel GOO 5.4.x19. melding; gegevens en bescheiden. Het bodemonderzoeken moet ook worden aangeleverd in een specifiek digitaal format zodat uitwisseling met bodeminformatiesystemen mogelijk is.

Artikel 5.4.x20 (saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) Maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1241 lid 4 (afdekken als saneringsaanpak) In afwijking van artikel 4.1240 in samenhang met artikel 4.1241, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn waterdoorlatende verhardingen toegestaan als afdeklaag, mits de verontreiniging niet mobiel of vluchtig is. Toelichting bij artikel 5.4.x20 , saneringsaanpak: aanbrengen duurzaam aaneengesloten verhardingslaag. Bij sanering van de bodem kan men kiezen voor een saneringsaanpak waarbij de verontreiniging wordt afgedekt met een afdeklaag van verharding. Hiermee worden de risico’s voor blootstelling weggenomen. In sommige situaties is de afdeklaag bedoeld als maatregel om blootstelling aan de bodem door gebruikers van de locatie te voorkomen, en niet om verspreiding of vervluchtiging van de verontreiniging te voorkomen. In die situatie mag ook waterdoorlatend materiaal worden toegepast voor de afdeklaag.

Artikel 5.4.x21 (saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie) Maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1241 lid 3 (afdekken als saneringsaanpak) 1. In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, heeft een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag de minimale dikte die in tabel 5.4.23 is aangegeven. 2. In aanvulling op artikel 4.1241, derde lid, onder b, van het Bal moet de kwaliteit van de leeflaag ook voldoen aan artikel 4.1271 van het Besluit activiteiten leefomgeving (bodemvreemd materiaal) of Artikel 5.4.x14 van dit omgevingsplan. Tabel 5.4.23: minimale dikte van de afdeklaag Bodemgebruik Minimale dikte leeflaag (in cm) • Industrie/bedrijven 50 Toelichting bij artikel 5.4.x21 (saneringsaanpak: aanbrengen laag grond of baggerspecie) Bij sanering van de bodem kan men kiezen voor een saneringsaanpak waarbij de verontreiniging wordt afgedekt met een leeflaag die bestaat uit grond of baggerspecie. Hiermee worden de risico’s voor blootstelling weggenomen. De dikte van deze leeflaag moet passen bij de blootstellingsrisico’s die op basis van de gebruiksfunctie te verwachten zijn. In het Besluit activiteiten leefomgeving staat aangegeven dat de standaarddikte van een leeflaag 1 meter bedraagt.

In gebieden, zoals industrieterreinen, waar minder direct contact met de bodem is, hoeft de leeflaag niet zo dik te zijn. Daarom wordt in dit artikel voorgeschreven dat een leeflaag op een industrieterrein niet dikker hoeft te zijn dan 50 centimeter.

Bijlage 5.

concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023

In lid 2 wordt ook geborgd dat de grond in de leeflaag een vergelijkbare samenstelling heeft ten opzichte van de lokale bodems. De eisen ten aanzien van het percentage bodemvreemd materiaal (zoals ook vastgesteld voor toepassen van grond en baggerspecie in artikel 5.4.x14 (GOO) zijn op de leeflaag van toepassing.

Artikel 5.4.x23 (terugsaneerwaarde) Maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1242 lid 2 (bodem: verwijderen van verontreiniging als saneringsaanpak)) In afwijking van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof die boven de waarde, bedoeld in artikel 5.3.x2 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau van de waarde die gelijk is aan de waarde van de zone zoals opgenomen in tabel 5.4.24.

Tabel 5.4.24 terugsaneerwaarden Zone

Terugsaneerwaarde

B14 +T14 Traverse Dieren 0-1 m-mv O26 Traverse Dieren 1-2 m-mv (deze zone ligt onder de zones B14 +T14 Traverse Dieren) B6a +T6a + B6b + T6b historisch bebouwing dorp Rheden 0 -1 m-mv

Pak , Zink en Lood: Industrie. Rest: AW AW

O25 Overige historische bebouwing dorpen m.u.v. dorp Rheden 1-2 m-mv (deze zone ligt onder de zones B6a +T6a + B6b + T6b historisch bebouwing dorp Rheden) B8 overige bebouwing landelijke gemeente + O24a 0-2,0 m-mv B10 + O24a Industrie (oud) 0-2,0 m-mv B11a + O24a Industrie (nieuw) 0-2,0 m-mv. B13 + O24a buitengebied zand 0-2,0 m-mv

Alles Wonen m.u.v. lood: Lood: afhankelijk van het gebruik: - grote moestuinen: 60* - wonen met tuin en kinderspeelplaatsen: 90* - Overig gebruik: Wonen *) gemeten waarde AW

AW AW AW AW

Toelichting bij artikel GOO 5.4.x23, terugsaneerwaarde. Bij een saneringsaanpak op basis van verwijderen van de verontreiniging moet volgens de landelijke regels worden ontgraven tot de functieklasse. Dit kan in de praktijk leiden tot tegenstrijdig beleid. Bijvoorbeeld: als in een gebied diffuus verhoogde gehalten van een stof voorkomen kan de bodemkwaliteit slechter zijn dan de aangewezen functieklasse. Als geen sprake is van risico wordt dan wel vaak gebiedspecifiek beleid opgesteld dat grondverzet toestaat. Op basis van de landelijker regels zou bij sanering echter wel een strengere kwaliteitseisen gelden omdat moet worden ontgraven tot de functieklasse. In dit artikel wordt voorgeschreven dat in plaats daarvan wordt aangesloten bij de lokale bodemkwaliteit. De gebieden waar deze lokale terugsaneerwaarden van toepassing zijn en de normstelling van de terugsaneerwaarden staan genoemd in de tabel.

§ 5.4.4 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico ( bruidsschat artikelen 22.131 en 22.132)

Artikel 5.4.x25 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging

Bijlage 5.

concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023

geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Toelichting artikel Bruidsschat 22.131, Toepassingsbereik. Dat is artikel 5.4.x25 GOO. Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 5.4.x26 Bodem: mitigerende maatregelen Degene die een activiteit, bedoeld in artikel 5.4.x25 verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om humane risico’s en verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, – als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, de verontreiniging ongedaan te maken. Toelichting Bruidsschat artikel 22.132, Bodem: mitigerende maatregelen. GOO artikel 5.4.x26. Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 22.131, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming. Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming.

In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem). Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt. Dit artikel heeft een tweeledig doel.

Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is. Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde ‘klik op de kaart’. Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is. Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht.

Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht. Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.

Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud Afdeling 6.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen

§ 6.x.x Nazorg na saneren van de bodem ( artikelen 5.89n Bkl en 22.125 en 22.126 bruidsschat)

Artikel 6.x.x1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als sanering van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023

Bijlage 5.

Artikel 6.x.x2 Nazorg na afloop van saneren van de bodem 1. 2.

De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar de blootstellingsroute blokkeren als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet.

Toelichting Bruidsschat artikelen 22.125 Toepassingsbereik en artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem. Dit is artikel 6.x.x1 van de GOO regels. Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (of voorheen onder het Besluit uniforme saneringen) een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming. Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 22.126 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder). Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.

Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift. De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem. Tweede lid Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).

Hoofdstuk 7 - 12 – nvt voor bodem

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=a355e02e-c591-41ee-b39f-cbf23b6d8fcb