Bijlage 5 bij voorstel bodemregels in omgevingsplan - bouwstenen voor bodemregels voor in het Omgevingsplan
Tekst van het document
Bijlage 5.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Voorbeeldregels Bodem voor het Omgevingsplan Dit zijn de voorbeeld regels zoals opgesteld door het GOO, voor zover van toepassing aangepast aan de gemeente Rheden. De artikelen zijn ingedeeld op basis van het Casco, de voorbeeldstructuur zoals de VNG die heeft gepubliceerd. Inmiddels is bekend dat het Casco niet helemaal klopt met hoe DSO werkt. De artikel zullen dan ook, na vaststelling, aangepast moeten worden zodat ze passen binnen het Rhedense Omgevingsplan. De nummering, indeling en misschien zelfs de zinstructuur zal dus nog veranderen, maar de inhoud veranderd niet.
t voor de gemeente Rheden. Voorwoord De Omgevingswet betekent voor het aspect bodem een uitbreiding van de gemeentelijke bevoegdheden en volop ruimte voor gemeentelijk beleid. Dat vraagt van gemeenten om te bedenken welke van de huidige bodemregels in stand moeten blijven in het Omgevingsplan van de gemeenten. Daarnaast is het mogelijk om meer specifieke en nieuwe regels te stellen. Het moet allemaal passen in de filosofie en de opzet van de Omgevingswet. Onder de vlag van het Gelders Ondergrond Overleg heeft een werkgroep van enthousiaste en ervaren mensen uit het Gelderse (zie hieronder wie) een Gelderse set voorbeeldregels voor bodem in de gemeentelijke omgevingsplannen opgesteld, inclusief een toelichting daarbij. Dit is de CONCEPT “95% versie” van deze voorbeeldregels voor bodem. De huidige gemeentelijke en provinciale bodemregels in Gelderland zijn uitgangspunt geweest voor deze voorbeeldregels. Ook nieuwe inzichten zijn door de werkgroep vertaald in voorbeeldregels. Voor de structuur is aangesloten bij het casco voor Omgevingsplannen van de VNG1. Ook is gebruik gemaakt van de documenten die door het programma "Bodembeheer van de toekomst"2 zijn gemaakt om de vertaling naar de praktijk te maken. Het is belangrijk om op korte termijn na te denken over het opnemen van bodemregels in het Omgevingsplan.
Sommige bestaande specifieke regels zijn niet door middel van het overgangsrecht geregeld en wil je mogelijk in stand houden. De Gelderse set van voorbeeldregels kan hierbij helpen en in gelijke gevallen wellicht voor uniformiteit zorgen. Natuurlijk blijft de eigen afweging cruciaal en blijft de ruimte voor gemeentelijk maatwerk bestaan. Vanzelfsprekend is met deze producten niet het eindpunt bereikt. We gaan de komende tijd ontdekken wat we tegenkomen bij de vertaling van de voorbeeldregels naar de gemeentelijke Omgevingsplannen. Reflectie op de voorbeeldregels en de toelichting aan deze GOO werkgroep is welkom. Er zullen ongetwijfeld ook vragen zijn en er zal behoefte zijn aan nadere toelichting.. Daarover kan je mailen naar GOO@Gelderland.nl. Wij zorgen dan voor een reactie op je vragen/opmerkingen..
1 Als basis is gebruikt: Het casco voor het omgevingsplan; Een staalkaart voor gemeenten; november 2019
opgesteld door Olaf Kwast van Wetgevingswerken B.V. en Jur van der Velde Interra LLP in opdracht van VNG Programma Omgevingswet. 2
https: //www.samendedieptein.nl/bodembeheer-van-de-toekomst/
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Bijlage 5. GOO werkgroep voorbeeldregels, bestaande uit: Margreet Lips (ODRivierenland), Ingeborg van Oorschot (doorgrondadvies.nl), Trudy van den Berg (OVIJ), Pascal Lunshof (ODNV), Saskia Theuns (gemeente Rheden), Peter Bouter (gemeente Arnhem), Carla Otten (ODRA), Kristel Jansen Willemsen (ODAchterhoek), Lise Heijmans (gemeente Zaltbommel), Sjaak Broekman (gemeente Nijmegen), Frank van den Berg, Raymond van Merwijk, (ODRA) en Gerd de Kruif (begeleider).
Bijlage 5. Inhoud
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Voorwoord ..............................................................................................................................................1 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen .........................................................................................................3 kleinschalige ontwikkeling: ontwikkeling op slechts een deel van een kadastraal perceel Hoofdstuk 2 Doelen .....................................................................................................................................................3 Hoofdstuk 3 Programma’s.......................................................................................................................3 Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving ...........................................................................3 Afdeling 4.6 Bodem .............................................................................................................................3 Hoofdstuk 5 Activiteiten..........................................................................................................................4 Afdeling 5.1 Inleidende bepalingen.....................................................................................................4 Afdeling 5.2 Benutten van de fysieke leefomgeving ...........................................................................5 § 5.2.X wijziging
van gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat ..............................5 Afdeling 5.3 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten ..................................................6 § 5.3.1 Bouwen................................................................................................................................6 Afdeling 5.4 Milieubelastende activiteiten..........................................................................................8 § 5.4.x1a Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3 .........................................................8 § 5.4.x1b Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m3.....................................................................................9 § 5.4.x1c Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3 ......................................................................................10 § 5.4.x2a Toepassen van bouwstoffen ..........................................................................................11 § 5.4.x2b Toepassen van grond of baggerspecie...........................................................................12 § 5.4.3 Saneren van de
bodem......................................................................................................12 § 5.4.4 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico ...................................................................................................................13 Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud.......................................................................................................14 § 6.x.x Nazorg na saneren van de bodem......................................................................................14 Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen .......................................................................................................14 Hoofdstuk 8 Procesregels......................................................................................................................14 Hoofdstuk 9 Handhaving .......................................................................................................................15 Hoofdstuk 10 Monitoring en informatie ...............................................................................................15 Hoofdstuk 11 Overgangsrecht...............................................................................................................15 Hoofdstuk 12 Slotbepalingen
................................................................................................................15 Bijlagen bij het omgevingsplan..............................................................................................................15
Bijlage 5.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen ➢ begripsbepalingen (voor zover niet in Omgevingswet (OW) Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen of afwijkend) bodemgevoelig gebouw: bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; bodemgevoelige locatie: bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving of een locatie waar als gevolg van het gebruik sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond: • kinderspeelplaats, • campings, • moestuinen > 200 m². Toelichting bij Hoofdstuk 1: Begripsdefinitie ‘Bodemgevoelige locatie’ Mens en milieu kunnen bij sommige typen gebruik van de bodem worden blootgesteld aan bodemverontreiniging. Dit risico is meegewogen in de normstelling voor de bodemkwaliteit. Er zijn echter bijzondere situaties waarbij we met deze algemene normstelling de risico’s onvoldoende kunnen beheersen. Specifiek voor lood in de bovengrond is in de afgelopen jaren bekend geworden dat blootstelling aan verhoogde gehalten lood kan leiden tot IQ punten verlies bij jonge kinderen. Het algemene normenkader voor bodemkwaliteit houdt onvoldoende rekening met dit risico. Het begrip bodemgevoelige locatie is uitgebreid met drie extra gebruiksfuncties van de bodem.
Van deze gebruiksfuncties wordt verwacht dat jonge kinderen daar in aanraking komen met de bodem. Op deze locaties is het aannemelijk dat er door het type gebruik meer contact is met de bodem en daarmee ook mogelijk meer risico’s voor de mens kunnen optreden als de bodemkwaliteit afwijkt van de achtergrondwaarden. Op bodemgevoelige locaties gelden strengere regels ten aanzien van bodemkwaliteit en toegestane activiteiten.
Hoofdstuk 2 Doelen Niet van toepassing voor bodem.
Hoofdstuk 3 Programma’s Niet van toepassing voor bodem.
Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 t/m 4.5 Niet van toepassing voor bodem.
Afdeling 4.6 Bodem Toelichting afdeling 4.6 Bodem. Bij activiteiten in de leefomgeving is het belangrijk om rekening te houden met de lokale bodemkwaliteit. Enerzijds om te voorkomen dat mens en milieu worden blootgesteld aan bodemverontreiniging, en anderzijds om verslechtering van de bodemkwaliteit te voorkomen. Daarom wordt bij een aantal activiteiten gevraagd om de bodemkwaliteit vooraf te onderzoeken. Het bodemonderzoek moet dan voldoen aan een aantal standaard regels uit het Besluit bodemkwaliteit om te borgen dat het onderzoek de kwaliteit van de bodem betrouwbaar weergeeft. Er worden twee specifieke situaties onderscheiden waarbij andere regels gelden voor bodemonderzoek zoals dat moet worden aangeleverd bij een melding of vergunningsaanvraag.
Artikel 4.6.x1 (aanwijzing en geometrische begrenzing locaties uitgebreid bodemonderzoek) Er zijn ‘locaties uitgebreid bodemonderzoek’ waarvoor bij een voorafgaand bodemonderzoek naast de onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5707 en/of 5740 en de eventueel daaruit volgende onderzoeken moeten worden verstrekt. Toelichting GOO artikel 4.6.x.1, aanwijzing en geometrische begrenzing locaties uitgebreid bodemonderzoek. Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld die een beeld geeft van de verwachte lokale bodemkwaliteit. Daaruit blijkt dat in de zones met kwaliteitsklasse Industrie – Stedelijk wonen sprake is van diffuus, heterogene bodemkwaliteit. Ook al is op een locatie, binnen deze zone, geen aanwijzing voor een historische puntbron van bodemverontreiniging, toch bestaat is er kans op verhoogde gehalten. . Het ontplooien van (nieuwe) activiteiten op deze locatie levert daardoor mogelijk risico’s voor mens en milieu. Een bodemonderzoek levert op deze locaties een meer betrouwbaar inzicht in de bodemkwaliteit. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning op deze locaties moet daarom altijd een verkennend bodemonderzoek worden aangeleverd. Met dit artikel worden de zones met kwaliteitsklassen Industrie – Stedelijk wonen aangewezen.
Artikel 4.6.x1b (aanwijzing en geometrische begrenzing locaties beperkt vooronderzoek) Er zijn locaties ‘beperkt vooronderzoek’ waar een overschrijding van een waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 5.3.x2 van dit Omgevingsplan, redelijkerwijs is uit te sluiten. In afwijking van het vooronderzoek zoals bedoeld in paragraaf
Bijlage 5.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden alleen de gegevens zoals aangegeven in het formulier ”beperkt vooronderzoek” verstrekt.
Toelichting artikel 4.6.x1b, aanwijzing en geometrische begrenzing locaties beperkt vooronderzoek. Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld die een beeld geeft van de verwachte lokale bodemkwaliteit, daarnaast is in het bodeminformatiesysteem alle bekende informatie opgenomen over verdachte locaties, historische bodemactiviteiten en bodemonderzoek uit voorgaande jaren. Voor locaties waar geen verdenking is op de aanwezigheid van een puntbron, en ook geen indicatie is van een heterogene, diffuse bodemkwaliteit, wordt de bodemkwaliteitskaart als voldoende betrouwbare indicatie van de verwachte bodemkwaliteit beschouwd. Een bodemonderzoek levert dan geen nieuwe inzichten in de bodemkwaliteit op en is daarmee een onnodige investering voor de initiatiefnemer. De initiatiefnemer moet nog wel melden of er buiten deze informatiebronnen om nog gegevens bekend zijn over de verwachte bodemkwaliteit. Het vooronderzoek wordt beperkt tot het invullen van een “formulier beperkt vooronderzoek” door de melder/aanvrager. Als hieruit blijkt dat de initiatiefnemer aanvullende informatie heeft die duidt op mogelijke bodemverontreiniging, is alsnog een verkennend bodemonderzoek vereist om de kwaliteit van de bodem op de locatie te bepalen (conform de regels in paragraaf 5.2.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving).
Artikel 4.6.X2 (aanwijzing en geometrische begrenzing ‘locaties afwijkende waarden’ voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem) (ter aanvulling op artikel 5.3.x2.; ) Er zijn ‘locaties afwijkende waarden’, waar afwijkende waarden gelden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie of het aanwijzen van een bodemgevoelige locatie, bedoeld in paragraaf 5.3.1. Toelichting bij GOO artikel 4.6.x2, aanwijzing en geometrische begrenzing ‘locaties afwijkende waarden’ voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Bij activiteiten in de leefomgeving is het belangrijk om vooraf te toetsen of de activiteiten passen bij de lokale bodemkwaliteit. Daarvoor is een landelijk normenkader opgesteld. Het is toegestaan om af te wijken van dit normenkader en in plaats daarvan lokale normen te stellen. We hanteren voor de stof lood een ander normenkader ter voorkomen van blootstelling van jonge kinderen aan te hoge loodgehalten in de bodem. In artikel GOO 5.3.1 is een afwijkende waarde voor lood op grote moestuinen (> 200 m²) opgenomen. In dit artikel worden alle grote moestuinen (> 200 m²) aangewezen. In Hoofdstuk 1 is de definitie van een bodemgevoelige locatie uitgebreid, deze is ook van toepassing op de locaties in artikel 4.6.x2.
Artikel 4.6.X3 (aanwijzing en geometrische begrenzing ‘locaties boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’) (voor uitbreiding toepassingsbereik kleinschalig graven ) Er zijn ‘locaties boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’, waar de voorschriften uit paragraaf 5.4.1b Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m3 van toepassing zijn. Toelichting bij artikel GOO 4.6.x3, aanwijzing en geometrische begrenzing ‘locaties boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’. In het Omgevingsplan is in artikel 5.4.x3 en artikel 5.4.x4 lokale regelgeving opgenomen waarmee de initiatiefnemer wordt verplicht om bij deze locaties de gewenste ‘gegevens en bescheiden’ aan te leveren bij graafactiviteiten en een informatieplicht wordt opgelegd bij spoedreparaties. Artikel 4.6.x3 beschrijft de locaties waar deze extra eisen op van toepassing zijn. In bodems waar sprake is van overschrijding van de interventiewaarde bodemkwaliteit voor één of meer stoffen is het belangrijk om te weten als daarin activiteiten worden uitgevoerd zoals graven en/of saneren. Daarmee wordt geborgd dat veilig in de bodem gewerkt kan worden en dat geen opmenging of verdunning van bodemverontreiniging wordt veroorzaakt.
Voor ernstige gevallen conform de Wet bodembescherming, ernstige spoedeisende bodemverontreiniging en diffuse verontreiniging (indien van toepassing) is overgangsbeleid vastgesteld, en zijn in de bruidsschat regels opgenomen. Kleine ‘vlekken’ in de bodem, waar wel sprake is van overschrijding van de interventiewaarden bodemkwaliteit, maar die niet voldoen aan het volumecriterium vallen echter niet onder de in de Bruidsschat aangewezen groep. Die worden in dit artikel expliciet aangewezen. Alle locaties waar sprake is van een verontreiniging boven de Interventiewaarde, zoals blijkt uit het gemeentelijk Bodem Informatie Systeem, worden aangewezen.
Artikel 4.6.X4 (aanwijzing en geometrische begrenzing bodembeheergebied) (Aanwijzen bodembeheergebied 5.89o Bkl) Er is een ‘bodembeheergebied grond en baggerspecie’ en er zijn ‘zones op basis van de ontgravingskwaliteit’’ en ‘zones op basis van de toepassingseisen’ voor het afwijken van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem op grond van de artikelen 4.1273,artikel 4.1275; artikel 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Toelichting bij artikel 4.6.x4, aanwijzing en geometrische begrenzing ‘bodembeheergebied’. In de bodemkwaliteitskaart is berekend wat de algemene achtergrondkwaliteit is van de bodem. De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie kaartlagen: bodemfunctieklassenkaart, ontgravingskaart en toepassingskaart. In deze kaarten is het beheergebied ingedeeld in zones met respectievelijk dezelfde bodemfunctieklasse, ontgravingskwaliteit of toepassingseis. Op basis van deze bodemkwaliteitskaart zijn in de Nota Bodembeheer regels opgenomen over toepassen en ontgraven van grond. Een deel van deze regels wordt als overgangsrecht automatisch voortgezet onder de Omgevingswet. Maar voor een deel moeten deze regels ook worden vastgelegd in het Omgevingsplan. Om te kunnen
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Bijlage 5.
zien welke regels van toepassing zijn wordt in dit artikel vastgelegd hoe de bodemkwaliteitszones begrensd zijn. Vervolgens worden in de volgende hoofdstukken de bijbehorende gebiedspecifieke regels beschreven.
Artikel 4.6.X5 (aanwijzing en geometrische begrenzing bodemfunctieklassen) (Aanwijzen bodemfunctiegebieden op basis van 5.89p Bkl) Er zijn locaties die zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse: a. landbouw/natuur; b. wonen; c. industrie; Toelichting bij artikel 4.6.x5, aanwijzing en geometrische begrenzing bodemfunctieklassen. Veel activiteiten met grond worden getoetst aan het gebruik van de bodem. De kwaliteit van de grond moet hierbij aansluiten en geen risico leveren. Het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart is ingedeeld in drie functieklassen: 1. Landbouw/natuur 2. Wonen 3. Industrie Deze driedeling van functieklassen is landelijk voorgeschreven, er kan niet van worden afgeweken. Bij bouwen, functieverandering, graven, saneren of toepassen van de grond moet met deze functieklassen rekening gehouden worden.
Hoofdstuk 5 Activiteiten Afdeling 5.1 Inleidende bepalingen Niet van toepassing voor bodem.
Afdeling 5.2 Benutten van de fysieke leefomgeving § 5.2.X wijziging van gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat
Artikel 5.2.x1 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van het gebruik van een locatie waardoor een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 1.1 van dit omgevingsplan ontstaat. Toelichting op GOO artikel 5.2.x1., toepassingsbereid. Dit artikel benoemt de locaties waarop de regelgeving van toepassing is: de bodemgevoelige locaties.
Artikel 5.2.x2 (informatieplicht) 1.
2.
Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik zoals bedoeld in artikel 5.2.x1 worden aan het college van burgemeester en wethouder volgende gegevens verstrekt: a. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in par. 5.2.2 van het besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 5.3.x2 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Toelichting bij GOO artikel 5.2.x2 (informatieplicht) Lid 1. Op locaties waar bodemgevoelige activiteiten plaatsvinden is het van belang te borgen dat de bodemkwaliteit daar ook geschikt voor is. Bij nieuwbouw kan de gemeente daarop toezien, maar wijziging in gebruik (zonder bouwactiviteit) hoeft niet altijd gemeld te worden onder de standaard regels. Om te voorkomen dat er ongewenste risico’s kunnen ontstaan, is er een informatieplicht in bij het ontstaan van een bodemgevoelige locatie. Lid 2. Het bodemonderzoeken moet ook worden aangeleverd in een specifiek digitaal format zodat uitwisseling met bodeminformatiesystemen mogelijk is.
Artikel 5.2.x2a (bodemonderzoek op locatie beperkt vooronderzoek) 1.
Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als ‘locatie beperkt vooronderzoek’ als bedoeld in artikel 4.6.x1b, , dan moet bij de mededeling zoals bedoeld in artikel 5.2.x2 het ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek” worden ingediend, in plaats van een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bijlage 5. 2.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Indien blijkt uit het formulier ”beperkt vooronderzoek”, dat de locatie verdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging, moet ook het vervolgonderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden uitgevoerd en ingediend.
Toelichting op GOO artikel 5.2.x2a; bodemonderzoek op locatie beperkt vooronderzoek. Van de locaties ‘beperkt vooronderzoek’ is de bodemkwaliteit voldoende betrouwbaar bekend. Er geldt daarom een vrijstelling van de verplichting tot het doen van een standaard bodemonderzoek. Wel moet een formulier ‘beperkt vooronderzoek’ worden ingevuld. Blijkt uit dit formulier dat er toch sprake is van een (kans op) bodemverontreiniging op de locatie dan gelden de rijksregels voor het bodemonderzoek zoals beschreven in paragraaf 5.2.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.2.x2b (bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek) Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als ‘locatie uitgebreid bodemonderzoek’ als bedoeld in artikel 4.6.x1,: dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in par. 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN5740 worden ingediend. Toelichting op GOO artikel 5.2.x2b, bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek. Op ‘locaties uitgebreid bodemonderzoek’ wordt minimaal een verkennend onderzoek volgens NEN 5740 geëist als bewijsmiddel van de bodemkwaliteit. Van de locaties ‘uitgebreid onderzoek’ is bekend dat er vaak sprake is van een heterogene diffuse verontreiniging. Ook als uit vooronderzoek geen aanwijsbare puntbronnen naar voren zijn gekomen, is een verkennend bodemonderzoek van de bodem op deze locaties vereist.
Artikel 5.2.x3 (specifieke beoordelingsregel voor het wijzigen van het Omgevingsplan of het verlenen van een vergunning voor een Omgevingsplanactiviteit waarbij een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan) 1.
In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties en ter bescherming van de gezondheid wordt een bodemgevoelige locatie uitsluitend toegestaan als de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.3.x2 of als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen waardoor gezondheidsrisico’s worden weggenomen.
Toelichting op GOO artikel 5.2.x3, specifieke beoordelingsregel voor het wijzigen van het Omgevingsplan of het verlenen van een vergunning voor een Omgevingsplanactiviteit waarbij een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan. Als bij een voorgestelde functiewijziging een bodemgevoelige locatie ontstaat, moet bij de beoordeling van de planwijziging of de vergunningaanvraag worden bepaald of hierbij voldoende rekening is gehouden met het beschermen van mens en milieu. Dit artikel regelt dat de voorgestelde wijziging moet voldoen aan de toelaatbare bodemkwaliteit op de locatie. Als deze niet voldoet moet aannemelijk gemaakt worden dat er maatregelen genomen worden die de gezondheidsrisico’s wegnemen, waardoor de locatie alsnog geschikt gemaakt kan worden.
Artikel 5.2.x4 in gebruik nemen van een bodemgevoelige locatie als de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden Een bodemgevoelige locatie wordt pas in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over en heeft ingestemd met de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. Toelichting op GOO artikel 5.2.x4., in gebruik nemen van een bodemgevoelige locaties als de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden. Op locaties waar bodemgevoelige activiteiten plaatsvinden is het van belang te borgen dat de bodemkwaliteit daar ook geschikt voor is. Bij nieuwbouw kan de gemeente daarop toezien, maar wijziging in gebruik (zonder bouwactiviteit) hoeft niet altijd gemeld te worden onder de standaard regels. Het is belangrijk dat het gebruik van de locatie veilig is. Met dit artikel wordt geborgd dat een bodemgevoelige locatie niet in gebruik genomen mag worden zonder instemming van Burgemeester en Wethouders.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Bijlage 5. Afdeling 5.3 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten § 5.3.1 Bouwen
Artikel 5.3.x1 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Artikel 5.3.x2 (bodem: waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem (ter vervanging van art 22.30 BS) 1. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem zijn de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. 3. Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om de aanwezigheid van: a. asbest b. lood in laag tot 1,00 m- mv 4. In afwijking van het eerste lid zijn voor lood in tabel 5.3.2a.de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor de verschillende gebruiksfuncties opgenomen. Tabel 5.3.2a: waarden toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood per gebruiksfunctie Toekomstige Gebruiksfunctie Waarden (in mg/kg ds) gemeten waarde (niet gecorrigeerd voor standaardbodem) Grote moestuin (>200 m2) 260 Toelichting op bruidsschat artikel 22.30. Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie. En toelichting op de aanvulling op de bruidsschat. GOO artikel 5.3.x2.
Eerste lid In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd. Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel. Tweede lid Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit ‘het geval van verontreiniging’ genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen.
Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat. Derde lid De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen. De grens van 25 m³ uit het tweede lid geldt ook niet voor lood, aangetroffen in de bovenste meter. Dit is omdat lood ook bij kleine hoeveelheden een risico vormt voor de gezondheid van mensen. Vierde lid In delen van het grondgebied is sprake van verhoogde gehalten lood in de bodem. Op bodemgevoelige locaties levert dit verhoogde gehalte lood een mogelijk risico voor met name jonge kinderen. Specifiek geldt er voor moestuinen (> 200 m²) een lagere waarde dan de Interventiewaarde voor lood. Daarmee wordt voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarden bodemlood voor ‘gezondheidskundig matige bodemloodkwaliteit’..
Dit is een strengere kwaliteit dan onder de standaard regelgeving.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Bijlage 5. Artikel 5.3.x3 (aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw) 1.
2.
(ter vervanging van art 22.35 j 1o BS) Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in par. 5.2.2 van het besluit activiteiten leefomgeving b. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 5.3.x2 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Toelichting bij artikel 22.35j Bruidsschat; Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw; en de aanvulling daarop. GOO regels: artikel 5.3.x3 . Lid 1. Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen. Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening. Lid 2. Het bodemonderzoeken moet ook worden aangeleverd in een specifiek digitaal format zodat uitwisseling met bodeminformatiesystemen mogelijk is.
Artikel 5.3.x3a (bodemonderzoek op locatie beperkt vooronderzoek) 1.
2.
Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als ‘locatie beperkt vooronderzoek’ als bedoeld in artikel 4.6.x1b (GOO regels), dan moet bij de mededeling zoals bedoeld in artikel 5.2.x2 (GOO regels) het ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek” worden ingediend, in plaats van een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Indien blijkt uit het formulier ”beperkt vooronderzoek”, dat de locatie verdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging, moet ook het vervolgonderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden uitgevoerd en ingediend.
Toelichting op GOO artikel 5.3.x3a; bodemonderzoek op locatie beperkt vooronderzoek. Van de locaties ‘beperkt vooronderzoek’ is de bodemkwaliteit voldoende betrouwbaar bekend. Er geldt daarom een vrijstelling van de verplichting tot het doen van een standaard bodemonderzoek. Wel moet een formulier ‘beperkt vooronderzoek’ worden ingevuld. Blijkt uit dit formulier dat er toch sprake is van een (kans op) bodemverontreiniging op de locatie dan gelden de rijksregels voor het bodemonderzoek zoals beschreven in paragraaf 5.2.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.3.x3b (bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek) Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als ‘locatie uitgebreid bodemonderzoek’ als bedoeld in artikel 4.6.x1,: dan moeten de resultaten van het onderzoek zoals bedoeld in par. 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN5740 worden ingediend. Toelichting op GOO artikel 5.3.x3b; bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek. Op ‘locaties uitgebreid bodemonderzoek’ wordt minimaal een verkennend onderzoek volgens NEN 5740 geëist als bewijsmiddel van de bodemkwaliteit. Van de locaties ‘uitgebreid onderzoek’ is bekend dat er vaak sprake is van een heterogene diffuse verontreiniging. Ook als uit vooronderzoek geen aanwijsbare puntbronnen naar voren zijn gekomen, is een verkennend bodemonderzoek van de bodem op deze locaties vereist.
Artikel 5.3.x4 (bodem: specifieke beoordelingsregels: maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit) (nadere invulling art 22.29 lid c 2o en 22.35 j 2o BS) 1.
Een Omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw wordt alleen verleend als:
Bijlage 5.
2.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
a. b.
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. in afwijking van lid b hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit is of kleiner dan 25 kubieke meter grond en het niet een verontreiniging met asbest betreft; d. aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisco’s wegnemen. Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico’s voor de gezondheid, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning of de omgevingsplanwijziging, als zij van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Toelichting op artikel 22.29 c Bruidsschat. (dit artikel heet in GOO regels: art.5.3.x4 lid1 a. b en d.) Op grond van artikel 22.26 Bruidsschat is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst. Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is. Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. Aanvulling op toelichting op artikel 22.29 c Bruidsschat. (dit artikel heet in GOO regels: art.5.3.x4 lid 1 c ). Saneringseisen.
Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen. In principe moeten saneringen uitgevoerd worden volgens paragraaf 4.121 BAL. Voor kleine verontreinigingen (<25m3) in (boven)grond betekent het uitvoeren van een sanering volgens paragraaf 4.121 BAL 9 (Saneren van de bodem) een te grote inspanning. Er hoeft niet te worden voldaan aan paragraaf 4.121 BAL. Vanzelfsprekend valt de aanpak van de kleine verontreiniging wel onder art 5.4.x1b Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m³. Aanvulling op Artikelsgewijze toelichting op artikel 22.29 c Bruidsschat. (dit artikel heet in GOO regels: art.5.3.x4 lid 2 ). Voorwaarden stellen. Er zijn gebieden waar de bodemkwaliteit niet voldoet aan de (toekomstige) gebruiksfuncties. Met dit lid kan bevoegd gezag maatwerk voorwaarden toepassen om deze risico’s te voorkomen.
Artikel 5.3.x5 (melding bouwen bodemgevoelig vergunningsvrij gebouw) in navolging van art 5.89l Bkl 1. 2.
3. 4.
Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden bij het bevoegd gezag. Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in par. 5.2.2 van het besluit activiteiten leefomgeving; e. als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 5.3.x2 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101. Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd
Bijlage 5.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Toelichting op art. 5.3.x5 (GOO); dit is de invulling van- en een aanvulling op art. 5.89l BKL. Melding bouwen bodemgevoelig gebouw. Ook bij vergunningvrij bouwen op een bodemgevoelige locatie moet de bodemkwaliteit voldoen aan de toelaatbare kwaliteit. Om dat aan te tonen wordt een bodemonderzoek overgelegd als onderdeel van de melding. Bij overschrijding zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen. Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening. In artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving staat vermeld voor welke type bouwwerken GOO artikel 5.3.x5 geldt. Daaruit blijkt onder andere dat voor bijbehorende bouwwerken kleiner dan 50 m² de meldingsplicht niet geldt. Lid 2 e. Sanerende of andere beschermende maatregelen. Als een melding wordt gedaan voor vergunningvrij bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, en bekend is dat de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden op die locatie, moet de aanvrager aantonen dat er voldoende maatregelen worden getroffen. De maatregelen zijn gericht op het wegnemen of minimaliseren van de risico’s die worden veroorzaakt door de overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Maatregelen kunnen bestaan uit sanering en/of andere beschermende maatregelen.
Lid 3 eisen aan bestandsformaat Als op grond van lid 2 een bodemonderzoek op deze locaties wordt geëist als onderdeel van de melding, geeft lid 3 aan dat het bodemonderzoek ook moet worden aangeleverd in een specifiek digitaal format zodat uitwisseling met bodeminformatiesystemen mogelijk is.
Artikel 5.3.x5a (bodemonderzoek op een locatie beperkt vooronderzoek) 1.
2.
Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als ‘locatie beperkt vooronderzoek’ als bedoeld in artikel 4.6.x1b, , dan moet bij de mededeling zoals bedoeld in artikel 5.2.x2 het ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek” worden ingediend, in plaats van een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Indien blijkt uit het formulier ”beperkt vooronderzoek”, dat de locatie verdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging, moet ook het vervolgonderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden uitgevoerd en ingediend.
Toelichting op GOO artikel 5.3.x5a; bodemonderzoek op locatie beperkt vooronderzoek. Van de locaties ‘beperkt vooronderzoek’ is de bodemkwaliteit voldoende betrouwbaar bekend. Er geldt daarom een vrijstelling van de verplichting tot het doen van een standaard bodemonderzoek. Wel moet een formulier ‘beperkt vooronderzoek’ worden ingevuld. Blijkt uit dit formulier dat er toch sprake is van een (kans op) bodemverontreiniging op de locatie dan gelden de rijksregels voor het bodemonderzoek zoals beschreven in paragraaf 5.2.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.3.x5b (bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek) Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als ‘locatie uitgebreid bodemonderzoek’ als bedoeld in artikel 4.6.x1,: dan moeten de resultaten van zowel het vooronderzoek als die van het verkennend bodemonderzoek, zoals bedoeld in par. 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ingediend. Toelichting op GOO artikel 5.3.x5b; bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek. Op ‘locaties uitgebreid bodemonderzoek’ wordt minimaal een verkennend onderzoek volgens NEN 5740 geëist als bewijsmiddel van de bodemkwaliteit. Van de locaties ‘uitgebreid onderzoek’ is bekend dat er vaak sprake is van een heterogene diffuse verontreiniging. Ook als uit vooronderzoek geen aanwijsbare puntbronnen naar voren zijn gekomen, is een verkennend bodemonderzoek van de bodem op deze locaties vereist.
Artikel 5.3.x6 in gebruik nemen bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie (ter vervanging van art 22.31 BS) Een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dat is toegelaten met toepassing van artikel 5.3.x4 en artikel 5.3.x5 wordt pas in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over en schriftelijk heeft ingestemd met de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 5.3.x4 en 5.3.x5.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Bijlage 5.
Toelichting op beleidsregels bij artikel 22.31 Bruidsschat (in gebruik nemen bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie). Dit artikel heet in GOO regels: art. 5.3.x6. Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, moet informatie worden verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd. Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Deze informatieplicht geldt daarom als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan dus in één keer aan beide informatieplichten voldoen. De bedoeling is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik. Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde.
Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit. Een bodemgevoelig gebouw is omschreven als: a. gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. woonschip of woonwagen. Deze begripsomschrijving is afkomstig uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en geldt via een schakelbepaling in dit omgevingsplan (artikel 1.1).
Afdeling 5.4 Milieubelastende activiteiten § 5.4.x1a Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3
Artikel 5.4.x1 (gegevens en bescheiden) 1.
2.
(Maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1220) Degene die een activiteit, bedoeld in artikel 4.1219 Besluit activiteiten leefomgeving, gaat uitvoeren, overlegt aanvullend aan de gegevens en bescheiden genoemd in artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving tevens de resultaten van het bodemonderzoek zoals bedoeld in artikel 5.4.x2 aan het bevoegd gezag De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform protocol SIKB0101.
Toelichting op artikel 5.4.x1 (indeling GOO regels). (Gegevens en bescheiden). In artikel 4.6.x1 zijn locaties aangewezen waarvoor uitgebreid bodemonderzoek nodig is of waarvoor de locatie vrijgesteld is voor bodemonderzoek. In dit artikel wordt benoemd dat er dan andere regels gelden voor de aanlevering van bodemonderzoek als onderdeel van de melding bij graven >25m3 in grond met kwaliteit beter dan of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit. De invulling van de regels is in artikel 5.4.x2 beschreven. Verder wordt in dit artikel geëist dat de bodemonderzoeken ook moeten worden aangeleverd in een specifiek digitaal format zodat uitwisseling met bodeminformatiesystemen mogelijk is.
Artikel 5.4.x2a (voorafgaand bodemonderzoek op een locatie beperkt vooronderzoek) 1.
2.
(Maatwerkregel aanvullend op Bal 4.1221) Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als ‘locatie beperkt vooronderzoek’ als bedoeld in artikel 4.6.x1b, , dan moet bij de mededeling zoals bedoeld in artikel 5.2.x2 het ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek” worden ingediend, in plaats van een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Indien blijkt uit het formulier ”beperkt vooronderzoek”, dat de locatie verdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging, moet ook het vervolgonderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden uitgevoerd en ingediend.
Toelichting op GOO artikel 5.4.x2a; bodemonderzoek op locatie beperkt vooronderzoek. Van de locaties ‘beperkt vooronderzoek’ is de bodemkwaliteit voldoende betrouwbaar bekend. Er geldt daarom een vrijstelling van de verplichting tot het doen van een standaard bodemonderzoek. Wel moet een formulier ‘beperkt
Bijlage 5.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
vooronderzoek’ worden ingevuld. Blijkt uit dit formulier dat er toch sprake is van een (kans op) bodemverontreiniging op de locatie dan gelden de rijksregels voor het bodemonderzoek zoals beschreven in paragraaf 5.2.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.4.x2b (voorafgaand bodemonderzoek op een locatie uitgebreid bodemonderzoek) Als het gaat om een locatie in een gebied dat is aangewezen als ‘locatie uitgebreid bodemonderzoek’ als bedoeld in artikel 4.6.x1,: dan moeten de resultaten van zowel het vooronderzoek als die van het verkennend bodemonderzoek, zoals bedoeld in par. 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ingediend. Toelichting op GOO artikel 5.4.x2b; bodemonderzoek op locatie uitgebreid bodemonderzoek. Op ‘locaties uitgebreid bodemonderzoek’ wordt minimaal een verkennend onderzoek volgens NEN 5740 geëist als bewijsmiddel van de bodemkwaliteit. Van de locaties ‘uitgebreid onderzoek’ is bekend dat er vaak sprake is van een heterogene diffuse verontreiniging. Ook als uit vooronderzoek geen aanwijsbare puntbronnen naar voren zijn gekomen, is een verkennend bodemonderzoek van de bodem op deze locaties vereist.
§ 5.4.x1b Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m3 (ter vervanging van Bruidsschat paragraaf 22.3.7.2 kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit)
Toelichting op Bruidsschat paragraaf 22.3.7.2 en GOO paragraaf 5.4.x1b, Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m³. Deze paragraaf heeft betrekking op graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. Het idee is dat de gemeente de algemene verwijzing naar locaties in het tijdelijke deel van het omgevingsplan via artikel 22.127 op een gegeven moment vervangt door de regels via coördinaten aan specifieke locaties te koppelen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarbij kunnen gemeenten uiteraard de regels voor minder locaties laten gelden (de locaties die niet meer ernstig-geen spoed zijn eraf halen) of juist voor meer locaties laten gelden (wel ernstig en geen spoed, maar eerder geen beschikking afgegeven). En uiteraard kunnen gemeenten daarbij de regel die voor die locaties geldt aanpassen, voor alle locaties, of alleen voor sommige, of elke locatie een eigen op die locatie toegesneden regel.
In het Besluit activiteiten leefomgeving is voorzien in algemene regels voor de milieubelastende activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119) en graven in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120). In het toepassingsbereik van beide milieubelastende activiteiten is aangegeven dat deze alleen van toepassing zijn als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. De achtergrond hiervan is dat het Rijk geen regels wil stellen over kleinschalig grondverzet. Onder de Wet bodembescherming voorzag artikel 28 van de Wet bodembescherming in een meldingsplicht als sprake was van voorgenomen handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging was onder de Wet bodembescherming gedefinieerd als geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd.
In de Circulaire bodemsanering is deze definitie verder uitgewerkt en aangegeven dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. De Wet bodembescherming kende – in tegenstelling tot de milieubelastende activiteiten voor graven in een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit – geen ondergrens voor de omvang van het grondverzet. Deze paragraaf stelt een beperkt aantal bepalingen voor kleinschalig grondverzet (omvang bodemvolume kleiner dan 25 m3) die plaatsvindt op locaties die onder de Wet bodembescherming werden beschouwd als handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze bepalingen komen dus in de plaats van de bepalingen die volgen uit artikel 28 van de Wet bodembescherming. Deze bepalingen zien op een informatieplicht, enkele inhoudelijke regels aan tijdelijke opslag en afvoer van de grond en verplichte milieukundige begeleiding als een in het kader van een eerder uitgevoerde bodemsanering aangebrachte afdeklaag wordt doorgraven.
Deze bepalingen zijn over het algemeen eenvoudig na te leven en leiden met uitzondering van de milieukundige begeleiding bij het doorgraven van een afdeklaag niet of nauwelijks tot extra kosten. Besloten is om geen onderzoeksverplichtingen op te leggen zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Bijlage 5. Artikel 5.4.x3 (Toepassingsbereik) (BS 22.127) 1.
2.
3.
Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodem volume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van: a. locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of b. locaties die zijn aangewezen als “locatie boven de Interventiewaarde bodemkwaliteit” zoals bedoeld in artikel 4.6.X3 Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen. Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
Toelichting bij artikel 22.127 Bruidsschat; Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25 m3; en toelichting op de aanvulling. GOO regels: artikel 5.4.x3 (toepassingsbereik) Eerste lid. Dit artikel heeft betrekking op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is. In artikel 4.6.x3 (GOO regels) zijn locaties aangewezen waarvoor de regels van toepassing zijn zoals beschreven onder paragraaf 5.4.x1b (GOO regels) (kleinschalig graven in bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit). In lid 1a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed).
Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen. In lid 1b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan. NIET VAN TOEPASSING IN ONZE GEMEENTE.
In lid 1c zijn aanvullend locaties aangewezen waarvoor geldt dat de bodemkwaliteit slechter is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Tweede lid De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in Bal artikel 3.178, eerste lid, onder b. Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit.
Bijlage 5.
concept 95% versie Voorbeeldregels bodem omgevingsplan, februari 2023
Derde lid. In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.
Artikel 5.4.x4 (Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit) (BS 22.128) 1.
2. 3.
Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.4.x3 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en c. de verwachte duur van de activiteit. Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.