CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Vof van der Weele (21.04)

Raadsvergadering 23 februari 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Havikerwaard 49, De Steeg (21.04)14.476 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Uitbreiding bedrijfslocatie Vof van der Weele Havikerwaard 49 te De Steeg

Opdrachtgever Naam

:

vof v.d. Weele

Postadres

:

Havikerwaard 49 (6994JH) De Steeg

Bezoekadres

:

Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle

Postadres

:

Postbus 432, 8000 AK Zwolle

Datum

:

1 december 2020

Status

:

definitief

Projectnummer

:

6610383356

Projectleider Telefoon

: :

G.J. Festen 088 236 82 36

E-mail

:

info@rombou.nl

Rombou

Boerderij Havikerwaard 49 te De Steeg

2

Inhoudsopgave

1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING Aanleiding Plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

5 5 5 7 9

2 2.1 2.2 2.3 2.4

PLANBESCHRIJVING Huidige situatie Beoogde situatie Bij het plan behorende vergunningen Inrichtingsplan erf

10 10 11 12 13

3 3.1 3.2 3.3 3.4

BELEIDSKADERS Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Structuurvisie

15 15 16 18 21

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Milieuzonering Bodem Geluid Geur Luchtkwaliteit Externe veiligheid Kabels en leidingen en straalpaden Water Natuurbescherming Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en parkeren

25 25 26 27 27 27 29 30 30 32 35 39

5 5.1 5.2

UITVOERBAARHEID Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

40 40 40

BIJLAGEN:

41

3

Bijlagen: 1. Milieutekening beoogde situatie 2. Natuurvergunning dd 2018 09 12 3. Natuurvergunning Aerius berekening 4. Wbr beschikking 2019 10 27 5. Wrs beschikking 2019 09 10 6. Tekening bouwaanvraag 7. Tekening uitbreiding kapschuur 8. Tekening uitbreiding sleufsilo 9. Inschrijving beperkingen register Havikerwaard 49 10. Principebesluit gemeente Rheden 11. Besluit inzake noodzaak Mer 12. Inpassingsplan Havikerwaard 49 13. QuickScan flora fauna 14. Tekening vergroting terp 15. Archeologisch onderzoeksrapport 16. Overzicht toename verhard oppervlak 17. Voortoets stikstof inclusief 2 Aerius berekeningen

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Havikerwaard 49 te De Steeg is een agrarisch bedrijf gevestigd. Het betreft een grondgebonden melkveehouderij met akkerbouw. De bedrijfslocatie ligt op een watervrije ophoging in de uiterwaarden van de IJssel. Mede vanwege de in gang gezette bedrijfsopvolging worden investeringen gedaan in de melkveehouderij. In 2012 is de ligboxenstal vervangen door een nieuwe moderne emissiearme ligboxenstal. Naast de ligboxenstal staat een jongveestal. Deze jongveestal wil men vervangen door een grotere jongvee stal met tevens extra ruimte voor ‘droge’ melkkoeien. In het vigerende bestemmingsplan Landelijk Gebeid geldt voor agrarische bedrijven in de uiterwaarden een maximaal bouwoppervlak. Voor dit bedrijf bedraagt de in het plan opgenomen maximale bebouwing 2.500 m2. Daarnaast worden grotere uitbreidingen getoetst aan de beleidsrichtlijn Grote Rivieren. In de voorliggende situatie is vanuit Rijkswaterstaat Oost Nederland voor de beoogde vergroting van het bebouwd oppervlak en de watervrije ophoging reeds een watervergunning verleend. Het voorliggende initiatief heeft een ruimtelijke impact en draagt bij aan het versterken van de pandbouw als landschappelijke drager van het gebied. Middels een planologische procedure voor het afwijken van het bestemmingsplan kan een Omgevingsvergunning worden verleend voor het uitbreiden van het bebouwd oppervlak.

Op 11 oktober 2018 heeft de gemeente middels een principebesluit aangegeven medewerking te willen verlenen aan de voorliggende vergroting van het bedrijfsoppervlak. Het principebesluit is bijgevoegd als bijlage. 1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Havikerwaard 49 te De Steeg in het buitengebied van de gemeente Rheden. De locatie ligt op circa 2,3 km ten Westen van Doesburg en ten zuidoosten van De Steeg en 3,4 km ten oosten van Rheden.

5

Figuur 1: globale ligging plangebied in de omgeving.

In de onderstaande afbeelding is het beoogde plangebied weergegeven. Een (milieu) tekening op schaal is bijgevoegd als bijlage.

Figuur 2: afbeelding plangebied

6

1.3 Vigerend bestemmingsplan De gronden aan de Havikerwaard 49 maken onderdeel uit van het bestemmingsplan Landelijk Gebied, van de gemeente Rheden, vastgesteld op 27 januari 2009. De aangewezen gronden zijn bestemd als agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden. De op de plankaart aangegeven gronden zijn in hoofdzaak bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven waarbij rekening wordt gehouden met landschappelijke en natuurwaarden.

Figuur 3: uitsnede plankaart bouwvlak locatie.

De locatie heeft een bouwvlak dat gedeeltelijk buiten de watervrije ophoging ligt. Tevens is op de plankaart een maximale maatvoering (2.500 m2) van het bebouwd oppervlak weergeven. De watervergunning met watervrije ophoging is bijgevoegd als bijlage. Op grond van de waardenkaarten zijn aanvullende bestemmingen en aanduidingen opgenomen. Hieronder zijn de uitsnede van de verschillende waarden kaarten weergegeven die van toepassing zijn op het plangebied.

Figuur 4: uitsnede waarde kaart cultuurhistorie

De woning van de boerderij is aangewezen als gemeentelijk monument.

7

Figuur 5: uitsnede waardenkaart landschap

De locatie is gelegen in de uiterwaarden van de IJssel het zogenaamde IJsseldal. De naastgelegen weilanden worden door het plan aangemerkt als ‘waarde volle open ruimte’.

Figuur 6: uitsnede waardenkaart natuur en milieubeschermingsgebieden

In de nabijheid van het bedrijf is een gedeelte van de Uiterwaarden IJssel aangewezen als Vogelrichtlijngebied en foerageergebied voor weidevogels. Het vogelrichtlijngebied maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied Rijntakken (Uiterwaarden IJssel).

Figuur 7: uitsnede milieu zoneringskaart 3

Op de milieu zoneringskaart is de omgeving van het bedrijf aangeduid als landelijk gebied.

8

1.4 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige en de beoogde situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

9

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De vof Van der Weele exploiteert aan de Havikerwaard 49 een agrarisch bedrijf gericht op melkvee en akkerbouw. Het bedrijf is gelegen op een watervrije ophoging in de IJsseluitwaarden nabij Rheden. Alle bedrijfsgebouwen staan op de terp. De boerderij maakt onderdeel uit van het landgoed Middachten en de aansluitende landgoederenstructuur. Alle wijzigingen gaan in overleg met het landgoed Middachten. Ook qua kleurstelling van uitvoering van de bouwwerken wordt aangesloten bij de zogenaamde Middachten kleurstelling. In het kader van de beoogde bedrijfsopvolging is Rik van der Weele toegetreden tot de vof. In 2012 is de huidige ligboxenstal gerealiseerd. In de onderstaande tabel is de vergunde veebezetting weergegeven. Stal

Diersoort

Rav-code

Aantal

B D

jongvee jongvee melkkoeien fokstier melkkoeien melkkoeien overig vee

A 3.100 A 3.100 A 1.100 A 7.100 A 1.13 A 1.100 A 7.100 Totaal

80 57 27 1 165 7 34

E H

Ammoniak kg NH3 /pl kg NH3/jaar 4,400 352,0 4,400 250,8 13,000 351,0 6,200 6,2 6,000 990,0 13,000 91,0 6,200 210,8 2.251,8

Tabel 1: vergund aantal dieren en ammoniakemissie in vigerende situatie

Figuur 8: opname bedrijfssituatie Havikerwaard 49

10

2.2

Beoogde situatie

De voorliggende uitbreiding van het bedrijf heeft betrekking op: ○ Het vergroten van de terp ○ Realiseren van sleufsilo’s ○ Realiseren jongveestal ○ Uitbreiden werktuigenberging (2 *5 m)

Figuur 9: beoogde wijzigingen

In de onderstaande tabel is van de beoogde gebouwen het bebouwd oppervlak weergegeven. De nummering van de gebouwen komt overeen met de milieutekening. Gebouw

Aanduiding op milieutekening

M2 beoogd

Woning

A

170

Kalverstal

B

443

Jongveestal

D

756

Ligboxenstal

E

1.711

Opslagloods

G

130

Kapschuur

H

430

Aardappelloods

K

326

Totaal

3.966

Tabel 2: Tabel beoogd bebouwd oppervlak gebouwen.

De toename boven 2.500 m2 is in strijd met de regels van het vigerende bestemmingsplan. In het vigerende bestemmingsplan zijn de bestaande gebouwen opgenomen als leidraad voor de maximale maatvoering. Burgemeester en wethouders kunnen een vrijstelling verlenen tot maximaal 10% van het bebouwd oppervlak. Grotere bedrijfsuitbreiding worden tevens getoetst door Rijkswaterstaat Oost Nederland. Voor de beoogde uitbreiding is door RWS een watervergunning verleend. De uitbreiding wordt binnen het bouwvlak gerealiseerd. Middels een inpassingplan wordt de landschappelijke inpassing van de te realiseren uitbreiding gewaarborgd.

11

2.3 Bij het plan behorende vergunningen Voor de uitwerking van het voorliggende plan zijn de onderstaande vergunningen benodigd: • Vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming • Watervergunning • Omgevingsvergunning milieu • Omgevingsvergunning bouwen • Omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels • Sloopvergunning (melding) Watervergunning Op 27 oktober 2009 is een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr) verleend voor: • Vergroten van de watervrije ophoging • Vergroten werktuigenberging • Realiseren ligboxenstal • Verplaatsen kuilvoer opslag Op 22 mei 2018 is een watervergunning verleend voor het vergroten van de watervrije ophoging voor het realiseren van extra ruwvoeropslag en het vergroten van de jongveestal. De beide watervergunningen zijn bijgevoegd als bijlage. Omgevingsvergunning Voor de vergroting van de werktuigenberging is nog geen omgevingsvergunning bouwen verleend. De aanvraag voor het realiseren van de werktuigenberging maakt onderdeel uit van de aanvraag voor het planologisch afwijken van de regels, tevens wordt de omgevingsvergunning voor het realiseren van de jongveestal en ruwvoeropslag aangevraagd. Voor het slopen van de huidige jongveestal wordt een melding gedaan voordat er met de sloopwerkzaamheden wordt begonnen.

Wet natuurbescherming Op 9 september 2015 is voor de activiteiten van het bedrijf een vergunning verleend in het kader van de Natuurbeschermingswet. Voor de beoogde verandering en vergroting van de jongveestal is een nieuwe vergunning nodig is het kader van de Wet natuurbescherming. Op 20 maart 2018 is de benodigde vergunning aangevraagd en op 6 september 2018 is de betreffende vergunning verleend. Milieu Milieumelding Voor de vigerende activiteiten is op 8 maart 2012 een melding gedaan binnen de werkingssfeer van het activiteitenbesluit voor het houden van 164 melkkoeien en 79 stuks jongvee. Vergunningplicht Naar aanleiding van de ingediende aanmeldingsnotitie m.e.r. beoordeling heeft Burgemeester en wethouders op 22 mei 2018 besloten dat een milieueffectrapportage vanwege de uitbreiding van de veehouderij niet noodzakelijk is.

12

Bedrijven met meer dan 200 melkkoeien en of 340 stuks jongvee vallen onder de vergunningplicht van de Wet milieubeheer. De beoogde situatie valt derhalve onder de vergunningplicht. De aanvraag voor de activiteiten maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning bouwen en afwijken. Eerder genomen besluiten en gedane meldingen 08- 03-2012

Melding Besluit Landbouw milieubeheer voor 164 melkkoei-

B&W Rheden

en en 79 jongvee. 10-09- 2015

Beschikking Wet beheer Rijkswaterstaat werken (vigerende

RWS Oost Nederland

situatie) 12-09-2018

Beschikking WRS voor beoogde situatie

26-05-2015

Natuurbeschermingswet vergunning

RWS Oost Nederland GS Gelderland

12-09- 2018

Beschikking Wnb voor beoogde situatie

GS Gelderland

22-05-2018

Besluit beoordeling noodzaak milieueffectrapport.

B&W Rheden

11-10-2018

Principebesluit medewerking beoogde uitbreiding

B&W Rheden

Tabel 3: overzicht vigerende vergunningen en besluiten

2.4 Inrichtingsplan erf De uitbreidingsplannen worden gerealiseerd op het bestaande erf. Het volledige erf ligt ten noorden van de erfontsluitingsweg (Havikerwaard). Door de aanwezige erfbeplanting is er weinig zichtbaar vanaf de openbare weg. Een bestaande zomereiken laanbeplanting schermt het erf aan de oostzijde af en aan de westzijde een meidoorn scheerhaag en acht solitaire zomereiken aangeplant. Het huidige erf is fraai ingepast. Oud loofhout aan de oost- en zuidzijde ontnemen het zicht op het erf vanaf de Havikerwaard en het erf wordt aan de oostzijde omzoomd door een jonge meidoornhaag en acht jonge zomereiken laanbomen. Het erf wordt aan de noordzijde omzoomd door hoge opgaande loofhoutbeplanting. De nieuw te bouwen stal wordt ten noorden van de bestaande stal gebouwd en de voeropslag wordt aan de oostzijde van het erf gesitueerd. Deze beide nieuwe elementen zijn uitsluitend zichtbaar vanaf de Havikerwaard, wanneer men in westelijke richting kijkt. Bestaande beplanting en bebouwing ontnemen het zicht op deze nieuwe elementen vanuit andere zichtpunten.

Figuur 10: uitwerking landschappelijke inpassing Havikerwaard 49

13

De nieuwe stal wordt parallel aan de bestaande gebouwd en valt weg tegen de reeds aanwezige bebouwing op het erf, waaronder de boerderij. De voeropslag bestaat uit twee kuilvoerplaten. Deze zijn laag en nauwelijks zichtbaar vanaf de openbare weg. Ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit worden parallel aan de lange zijde van de voeropslagen fruitbomen aangeplant.

14

3 Beleidskaders Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op beleidskaders. Achtereenvolgens wordt ingegaan op het rijks, provinciaal, (regionaal) en gemeentelijk beleid, welke een relatie hebben met het plangebied. 3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland dient met de nieuwe structuurvisie gekeerd te worden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte richt zich op de volgende 13 nationale belangen: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1) Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren; 2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4) Efficiënt gebruik van de ondergrond.

Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid 5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; 6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; 7) Het in standhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit en leefomgeving 8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s; 9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;

15

11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Toetsing Het voorliggende plan behoort niet tot 1 tot 13 belangen waarvoor de decentrale overheid geen beleidsvrijheid hebben. Nu de watervergunning en de natuurvergunning voor het voorliggende plan reeds zijn verleend en de uitbreiding wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak is de gemeente Rheden het bevoegd gezag inzake de voorliggende aanvraag. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarin rijksregels ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn verzameld, een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat onder andere om de Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen. Toetsing Het Barro bevat geen relevante regels die invloed uitoefenen op het onderhavige plan. Conclusie Het initiatief voldoet aan het Rijksbeleid. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Op 9 juli 2014 is de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de maatschappelijke opgaven in Gelderland. Deze opgaven zijn ontstaan in gesprekken tussen overheden, organisaties en particulieren. Het gaat over steden en dorpen, natuur, landbouw, water, energie enz. In deze paragraaf worden de doelen uit de omgevingsvisie nader beschreven. Een toetsing aan de regels uit de omgevingsverordening wordt in de volgende paragraaf uitgevoerd. In de omgevingsvisie wordt ook het beleid ten aanzien van het Gelders Natuur Netwerk, de Groene Ontwikkelingszone en de Natura 2000-gebieden toegelicht. Deze worden individueel behandeld in hoofdstuk 4. 3.2.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland Het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving is opgenomen in de Omgevingsvisie Gelderland. Dit beleid werkt via de Omgevingsverordening Gelderland door in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Recent zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening integraal geactualiseerd en geformuleerd in de geest van de toekomstige Omgevingswet. Deze wijziging is op 1 maart 2019 in werking getreden.

16

3.2.3 Plussenbeleid Hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening bevat regel met betrekking tot de ruimtelijke inrichting. Artikel 2.31 bevat instructieregels voor een niet-grondgebonden veehouderij(tak). Uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij is slechts mogelijk als de uitbreiding voldoet aan de door het gemeentebestuur in overeenstemming met de provinciale Handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels. Het Plussenbeleid biedt bestaande niet-grondgebonden bedrijven ruimte om zich duurzaam te ontwikkelen. Bij elke uitbreiding moeten plusmaatregelen worden getroffen. Met plusmaatregelen worden aanvullende maatregelen van ruimtelijke kwaliteit op het gebied van milieu, landschappelijke inpassing en/of fysieke maatregelen op het gebied van dierwelzijn bedoeld. Deze maatregelen bestaan naast de wettelijke eisen en andere voorwaarden zoals een goede landschappelijke inpassing op basis van provinciaal en gemeentelijk beleid. Het Plussenbeleid moet worden toegepast bij vaststelling van een bestemmingsplan en bij omgevingsvergunningen waarmee van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken (buitenplans). Het Plussenbeleid geldt niet voor uitbreidingen die kunnen worden gerealiseerd binnen het vigerende bestemmingsplan, inclusief de binnenplanse afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.

Gemeenten moeten het bestemmingsplan uiterlijk in 2027 in overeenstemming brengen met het Plussenbeleid. Toetsing Het voorliggende initiatief heeft betrekking op een grondgebonden veehouderij en betreft het vervangen en vergroten van de jongveestal op het bestaande erf, vergroten van de werktuigenberging en het aanleggen van sleufsilo’s. De voorgenomen beoogde uitbreiding wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak. Het bedrijf voorziet in iets meer dan 80% in de eigen ruwvoer behoefte. Voor deze activiteit is het “Plussenbeleid” niet van toepassing. Er is geen sprake van ontwikkeling van glastuinbouw of een geitenhouderij. Verder worden er geen regels gesteld in de verordening. Conclusie Het plan voldoet aan het provinciaal beleid. 3.2.4 Water In de omgevingsverordening Gelderland is een paragraaf opgenomen specifiek over water, de waterverordening. Het doel van deze waterverordening is het waterbeheer te ondersteunen. In artikel 3.5.2 wordt hierbij de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders aangestipt. Zij, ''dragen zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater.

Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater, en het afvoeren naar een zuivering technisch werk.''. De locatie is gelegen in het werkgebied van het Waterschap Rijn IJssel. Conclusie In het voorliggende plan is sprake van een geringe toename van het verhard oppervlak en wordt geen extra oppervlaktewater gerealiseerd, derhalve vormen de regels van het waterschap geen belemmering voor de uitvoering van het voorliggende project.

17

3.2.5

Groene ontwikkelingszone

Het gebied is aangeduid als 'Groene ontwikkelingszone'. De Groene Ontwikkelingszone (GO) heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Het onderhavige plangebied is aangeduid als Groene Ontwikkelingszone. Tot de kernkwaliteiten voor natuur en landschap van de Groene Ontwikkelingszone in de Havikerwaard en Fraterwaard behoren onder andere: openheid, leefgebied das en steenuil en andere beschermde soorten, rust, ruimte en donkerte.

Figuur 11: Gelders natuurnetwerk.

Toetsing Het gaat hier om ontwikkeling binnen een bouwvlak op een locatie die al goed is ingepast. Aangezien een van de kernkwaliteiten van dit landschap de openheid is van de hoger gelegen stroomruggronden van de uiterwaarden van de IJssel, waarop de erven als een soort opgehoogde eilanden met bebouwing en beplanting aanwezig zijn, is het niet passend om heel veel extra beplanting toe te voegen voor een landschappelijke inpassing van dit erf. In het inpassingsplan (bijlage 12) zijn maatregelen opgenomen waarmee de kwaliteit van het gebied wordt versterkt. 3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Bestemmingsplan landelijk gebied Het vigerende bestemmingsplan Landelijk gebied gemeente Rheden is vastgesteld op 27 januari 2009. De gemeente Rheden bevindt zich aan de rand van de zuidelijke Veluwezoom, op de overgang van het stuwwallen- en rivierenlandschap.

18

Figuur 12: Afbeelding kenmerkende gebieden gemeente Rheden, met aanduiding ligging Havikerwaard 49

Het IJsseldal kenmerkt zich door een overwegend open, en op sommige plaatsen kleinschalig agrarisch landschap, met door dijken beschermde oeverwallen en komgebieden. In Rheden liggen uiterwaarden die een belangrijke betekenis hebben voor de natuur, evenals een waterbergende functie voor de rivier. De IJssel zelf kent een hoge, zij het aan banden gelegde, dynamiek waarbij helemaal vrij meanderen niet mogelijk is. In de jaren ´93, ´95 en ´96 van de vorige eeuw zijn grote overstromingen geweest in de riviergebieden van Nederland en andere landen van de EU. Men is toen tot de conclusie gekomen dat waterbeheer op een andere manier ingevuld moet worden. Voor niet-riviergebonden activiteiten geldt een “nee tenzij” toetsingsregime waarbij geldt dat ze in principe niet mogelijk zijn tenzij vooraf aangetoond kan worden dat een van de volgende situaties aan de orde is: ○ een groot openbaar belang en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed gerealiseerd kan worden; ○ een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit redelijkerwijs niet buiten het rivierbed gerealiseerd kan worden; ○ een functieverandering binnen de bestaande bebouwing; ○ of een activiteit die per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie.

Voor dit bestemmingsplan is met name van belang dat er een beschermingsregime is opgenomen die voorkomt dat er strijdigheden met de beleidslijn optreden. In dit bestemmingsplan is ervoor gekozen om aan het bouwvlak van grondgebonden agrarische bedrijven een maximum bebouwd oppervlak toe te kennen (op basis van 1997 en de sindsdien verleende bouwvergunningen). Vrijstelling kan verleend worden voor uitbreiding van 10% van het bestaande vergunde oppervlak. Toetsing Op de plankaart is voor de voorliggende locatie een maximaal bebouwd oppervlak van 2.500 m2 opgenomen. De uitbreiding in het voorliggende plan bedraagt meer dan 250m2. Op grond van het vigerende bestemmingsplan kan er geen vrijstelling worden verleend. In de voorliggende situatie is sprake van een uitbreiding vanwege zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor de het grondgebonden agrarisch bedrijf. Immers de jongvee opfok en het houden van vee is de basis van dit bedrijf. Om logistieke en veterinaire redenen is het noodzakelijk om het jongvee op de thuis locatie te huisvesten. De activiteit opfokken en houden van

19

vee is niet deelbaar. Vandaar dat Rijkswaterstaat hiervoor op 10 september 2015 een vergunning heeft verleend voor het vergroten van de watervrije ophoging. 3.3.2 Ontwerp Omgevingsvisie Op 19 maart 2019 heeft de gemeente Rheden de Ontwerp omgevingsvisie ter inzage gelegd. Deze omgevingsvisie zal als structuurvisie worden vastgesteld. In de omgevingsvisie worden per deelgebied gebiedsplannen geformuleerd. De voorliggende locatie is gelegen in het deelgebied ‘DE STEEG TOT DIEREN’.

Figuur 13: Bron omgevingsvisie deelgebieden

De landbouw is een relatief kleine sector met ongeveer 40 ondernemers. De boeren in het gebied zijn jong, er zijn weinig stoppers waardoor de gronddruk erg hoog is. Een complicerende factor in de bedrijfsvoering is dat er veel grootgrondbezit in de gemeente is waardoor er veel grond gepacht wordt. Dat maakt investeringsbeslissingen lastiger. De landbouwsector verandert sterk. In hoofdlijnen zijn er de volgende richtingen waarin een bedrijf zich kan ontwikkelen: ○

○

○

Schaalvergroting. De ondernemer investeert in een groter grondoppervlak, het wordt fysiek een groter bedrijf. In ons gebied is dit lastig, er zijn weinig stoppers (die grond verkopen) en een flink deel van de grond komt nooit te koop omdat dit onderdeel is van een landgoed. Waardeverhoging en ketenverlenging. De ondernemer investeert in producten die een hoger rendement opleveren (tuinbouw, biologische landbouw, bijzondere rassen), investeert in de reguliere ‘keten’ (gaat bijvoorbeeld ook verpakken) of ontwikkelt een heel eigen, lokale productketen (bijvoorbeeld een slagerij-boerderij) of productiekringloop. Als gevolg van waardeverhoging worden bouwvlakken soms complexer en uitgebreider, zijn er meer verschillende functies en vaak ook meer werknemers en verkeersbewegingen. Verbreding. De ondernemer gaat het bedrijf gebruiken als ‘decor’ voor andere economische takken van sport. Het wordt bijvoorbeeld een zorgboerderij of een manege.

Het landschap ‘De Steeg tot Dieren’

20

Hierbij zijn de bestaande opgaven vertrekpunt: duurzame grondgebonden landbouw, verbeteren kwaliteit en waterhuishouding van beken en natuurgebieden, robuust ecologisch verbinden van Veluwe-IJssel, ruimte voor economische dragers op landgoederen, versterken recreatieve beleving, ruimte voor dynamische riviernatuur en een veilige rivierafvoer.

Toetsing In de voorliggende situatie is sprake van een natuurlijk bedrijfsopvolging. Het bedrijf maakt onderdeel uit van het landgoed ‘Middachten’. Het betreft een grondgebonden agrarische bedrijf met melkkoeien en akkerbouw. De nieuwe jongvee stal vervangt de huidige verouderde jongveestal. Er is sprake van een beperkte schaap vergroting. Een versterking van de bedrijfsvoering en continuïteit door de nieuwe doelmatigere stal voor jongvee. Ook na het realiseren van de nieuwe jongveestal is er sprake van grondgebonden agrarisch bedrijf. Het bedrijf beschikt over voldoende grondareaal voor de teelt van eigen ruwvoer, beweiden en bemesten. Er is in de voorliggende situatie sprake van een duurzame grondgebonden veehouderij. De grondgebonden veehouderij draagt bij een de recreatieve beleving van het gebied. De nieuwe jongveestal jongveestal en uitbreiding van de terp tbv ruwvoer opslag vormt geen belemmering voor de doorstroom van rivierwater niet tijdens perioden van hoogwater. Conclusie Het voornemen is niet in strijd met de ontwikkelingsrichting van het deelgebied ‘DE STEEG TOT DIEREN’.

3.4

Structuurvisie

3.4.1 Welstandsnota Rheden Op 30 mei 2017 is de welstandsnota Rheden vastgesteld. De Welstandsnota is een nota waarbij de gemeente, ondernemers en inwoners gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving. Daarom zet deze nota in op een hoog toetsingsniveau daar waar de verschijningsvorm van een bouwwerk en de wijze waarop dat is ingepast in de omgeving van groot algemeen belang is. Daar waar het mogelijk is geeft de nota ruimte voor de eigen verantwoordelijkheid van de ondernemer en inwoner om de verschijningsvorm van een bouwwerk vorm te geven en een uitbreiding van de welstandsvrije gebieden. In de nota wordt gewerkt met een vijftal thema’s waaronder “boeren erven in het buitengebied”. Door verschillende ontwikkelingen in de agrarische sector zijn sommige boeren genoodzaakt hun bedrijf te beëindigen. Een mogelijke nieuwe invulling kan het oprichten van één of meerdere woningen zijn. Zo kan de karakteristiek van het boerenerf met meerdere gebouwen behouden blijven zonder dat verpaupering van ongebruikte opstallen ontstaat. Aandachtspunten

De bouw van een woning op een erf zal zodanig moeten plaatsvinden dat dit een meerwaarde oplevert voor het boerenerf in zijn totaliteit. Niet-karakteristieke opstallen worden verwijderd, waar een woning voor in de plaats kan komen. Ook kunnen in het oude schuurgedeelte één of meer wooneenheden worden gerealiseerd. De aankleding en inrichting van het erf met karakteristieke beplanting is een aandachtspunt.

21

Bebouwing en omgeving ○ Bij de groepering van gebouwen wordt ingespeeld op de karakteristieken van het aanwezige landschap. Hierbij wordt gelet op de volgende aspecten: • landschapstype; • schaal van het gebied; korrelgrootte van de bebouwing; • verkavelingspatroon/erfinrichting; • richtingen daarvan in het landschap; • zicht op het bouwperceel vanuit de omgeving; • hoogteverschillen en topografische beperkingen. ○ ○ ○

De afzonderlijke gebouwen vormen qua oriëntatie en massa een samenhangend ensemble. De boerderij manifesteert zich als hoofdgebouw. Bedrijfsgebouwen en bijkomende objecten of bijbehorende bouwwerken worden, afhankelijk van de oorspronkelijke situatie, aan de weg geplaatst of teruggelegd ten opzichte van het woongedeelte of geïntegreerd in de bebouwing.

Massa en vorm ○ Bouwmassa’s worden gekenmerkt door eenduidige rechthoekige basis en een enkelvoudige kapvorm met een steile dakhelling en lage gootlijn. ○ Grotere bebouwingselementen voorzien van een geleding in massa, zodat zij qua schaal aansluiten bij de bestaande bebouwing.

Toetsing De uitbreiding sluit qua oriëntatie en massa aan op het aanwezige ensemble van gebouwen. De boerderij blijft aanwezig als hoofdgebouw en de nieuwe bebouwing wordt geïntegreerd binnen de bestaande bebouwing. Bouwmassa’s worden gekenmerkt door rechthoekige basis en enkelvormige kap. Tevens wordt de jongveestal uitgevoerd met een geleding in de massa, zodat dit een geheel vormt met de bestaande bebouwing (ligboxenstal). Conclusie Middels het inpassingsplan wordt aangesloten op de landschappelijke kenmerken van de omgeving. De bouwwerken worden gerealiseerd op de terp binnen het bouwvlak. In de jongveestal is een geleding in massa waardoor wordt aangesloten op de bestaande bebouwing. Op 13 september 2018 is de beoogde situatie voorgelegd aan de cultuurhistorische en welstandscommissie. Hun opmerkingen mbt de uitvoering van de geleding zijn meegenomen bij de gevel uitwerking van de bouwwerken. De beoogde uitbreiding past binnen het criteria van de Welstandnota Rheden. 3.4.2 Archeologie Voor het buitengebied van de gemeente Rheden is op 15 april 2015 een zgn. parapluplan Archeologie vastgesteld. In dit bestemmingsplan staan regels over archeologie.

Op 26 februari 2013 heeft de gemeenteraad van Rheden de geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart met toelichting vastgesteld, ter vervanging van de verwachtings- en advieskaart die op 28 juni 2008 is vastgesteld (bijl. van archeologienota Uitgediept). In hoofdstuk 3 is dit beleid nader toegelicht. In de wat oudere geldende bestemmingsplannen is het verouderde archeologiebeleid uit 2008 verwerkt of is het nog niet verankerd.

22

Het voorliggende bestemmingsplan is een zogenoemd 'paraplu-bestemingsplan'. Een 'parapluplan' is een bestemmingsplan waarbij in één keer een aantal bestemmingsplannen gedeeltelijk wordt herzien. Zo'n plan biedt dus de mogelijkheid om in meerdere plannen een regeling op te nemen over een specifiek onderwerp, in dit geval over archeologie. Bijkomend voordeel is dat met de vaststelling van dit plan de wijze waarop met archeologie wordt omgegaan voor de gehele gemeente volgens dezelfde systematiek is vastgelegd. Behalve het aspect archeologie worden nog twee andere onderdelen in dit bestemmingsplan geregeld. In het plan is de mogelijkheid om af te wijken van de in bestemmingsplan Landelijk Gebied opgenomen ten aanzien van de maximale hoogte bij herbouw van historische bouwwerken en bij plaatsing van hekken op buitenplaatsen. Op grond van dit plan zijn de is het erf van de boerderij aangeduid als Waarde-archeologie 1 of 3. Voor gronden met de aanduiding Waarde-Archeologie 1 geldt dat voor ruimtelijke ingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld en groter dan 100 m2 dat middels dat middels een onderbouwing moet worden aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord. Voor de gronden met de aanduiding Waarde-archeologie 2 geldt een oppervlakte eis van 2.500 m2.

Figuur 14: uitsnede parapluplan Archeologie Rheden (binnen contour waarde Archeologie 1)

Archeologisch onderzoek ligboxenstal Bij de aanvraag om de ligboxenstal te kunnen realiseren is in 2011 archeologisch onderzoek uitgevoerd (Raap-Notitie 3650). Doel van dit onderzoek was allereerst het middels bureauonderzoek verwerven van informatie over bekende en te verwachten archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Het doel van het veldonderzoek was vervolgens die verwachting te toetsen en, voor zover mogelijk, een eerste indruk te geven van de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische vindplaatsen. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen in het plangebied is vervolgens een advies met betrekking tot archeologisch vervolgonderzoek geformuleerd. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold bij de aanvang van het veldonderzoek voor het plangebied een hoge verwachting voor het aantreffen van waardevolle (intacte) archeologische overblijfselen uit de periode Late Middeleeuwen t/m de Nieuwe tijd. Het veldonderzoek heeft deze verwachting niet waar kunnen maken: er zijn in het plangebied namelijk geen vondsten gedaan waaraan een archeologisch belang kan worden toegekend.

Gezien de onderzoeksresultaten en de voorgenomen ingrepen in het plangebied is geconcludeerd dat bij de uitvoering hiervan naar alle waarschijnlijkheid geen archeologische resten zullen worden verstoord. Op basis hiervan wordt aanbevolen geen aanvullend

23

archeologisch vooronderzoek te laten verrichten en het plangebied vrij te geven. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).

Figuur 15: Uitsnede Figuur 4 Boorpunten kaart.

In de voorliggende situatie mag worden aangenomen dat er sprake is van een vergelijkbare situatie op korte afstand tot het onderzoeksgebied. Op grond van de ligging van de boorpunten 1 en 2 mag worden aangenomen dat een nieuw onderzoek geen nieuwe informatie zal opleveren. De onderzoeksplaatsen liggen op de rand van de ligboxenstal en dus ook tegen de rand van de nu te realiseren jongveestal. Gelet op de geringe afstand tot het nieuwe plangebied kan worden aangenomen dat de eerdere boringen voldoende zeggingskracht hebben voor het nieuwe plangebied.

Uitbreiding terp De uitbreiding van de terp bedraagt minder dan 2.500 m2, derhalve is archeologisch onderzoek vanwege de uitbreiding van de terp niet noodzakelijk. Conclusie De bestaande jongveestal inclusief mestputten wordt gesloopt. De nieuwe jongveestal wordt op het achtererf grotendeels gerealiseerd op dezelfde footprint. De ondergrond onder en rondom de jongveestal kan door de werkzaamheden in het verleden worden beschouwd als geroerde bodem. Ook ligt de geplande uitbreiding voor een gedeelte op gronden met de aanduiding Waarde archeologie 2. Uit eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat het niet waarschijnlijk is dat archeologische resten zullen worden verstoord. (zie bijlage). Derhalve heeft een aanvullend archeologisch onderzoek voor het realiseren van de uitbreiding van de jongveestal geen toegevoegde waarde. De uitbreidingen aan de loods bedragen minder dan 100 m2 waarbij alleen de fundering dieper reikt dan 30 cm onder maaiveld. Voor de beoogde uitbreiding van de loods is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Voor de aanleg van de nieuwe sleufsilo’s wordt de ondergrond niet dieper geroerd dan 30 cm onder maaiveld. Voor de beoogde aanleg van de sleufsilo’s is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

24

4 Milieu- en omgevingsaspecten Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Het gaat daarbij (vooral) om de mogelijke effecten van de activiteit dit het plan heeft op de omgeving. Bij deze effectbeschrijving is uitgegaan van de maximale invulling van de ruimte die het plan biedt. 4.1

Milieuzonering

Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ○ het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en ander gevoelige functies; ○ het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Op basis van het Activiteitenbesluit geldt voor de Havikerwaard 49 te De Steeg een minimum afstand van 50 meter die in acht moet worden ten opzichte van gevoelige objecten genomen. Op grond van de VNG brochure gelden voor bedrijfsgebouwen voor het fokken en houden van rundvee (SBI-2008 codering 0414. 0142) de onderstaande richtafstanden

Figuur 4: Richtafstanden o.b.v. VNG brochure "bedrijven en Milieuzonering".

Onderzoek De VNG uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals hiervoor reeds genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen en rol:

25

• •

past de nieuwe functie in de omgeving (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe (interne werking).

Vergunningplicht Per 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit landbouw in werking getreden. Bedrijven waarvan de activiteiten passen binnen de werkingssfeer van dit Besluit vallen onder het Activiteitenbesluit. Naast geur zijn er in het Activiteitenbesluit ook regels opgenomen m.b.t. geluid en fijnstof. Bedrijven die niet passen binnen de werkingssfeer van het besluit vallen onder de vergunningplicht van de Wet milieubeheer. In de voorliggende situatie worden meer dan 200 melkkoeien aangevraagd, derhalve valt het bedrijf onder de vergunningplicht van de wet milieubeheer. De wettelijk in acht te nemen afstanden bedraagt 50 m. Conclusie In het kader van de milieuzonering wordt vooral getoetst aan nieuwe functies en bestemmingen. In het voorliggende Is geen sprake van een nieuwe functie of bestemming. Dichtstbijzijnde gevoelige objecten staan op meer dan 50 meter van de dierverblijven, w Waardoor kan worden gesteld dat de activiteiten geen belemmering vormen voor het gebruik van omliggende gronden en gebouwen. Ook vormt het gebruik van de gebouwen en omliggende gronden geen belemmering voor het voorliggende initiatief Het bedrijf voldoet aan de voorschriften uit de Wet milieubeheer. Voor de beoogde uitbreiding van de activiteiten wordt een nieuwe milieuvergunning aangevraagd. 4.2

Bodem

Wettelijk kader Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is op nationaal niveau vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Er wordt gestreefd naar een duurzaam bodembeheer. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn, dat er geen risico’s zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de beoogde functie(s).

Onderzoek In de voorliggende situatie op een agrarisch bouwvlak een jongveestal, uitbreiding van werktuigenberging en ruwvoersilo’s gerealiseerd. Deze gebouwen en bouwwerken worden gerealiseerd op het vigerende bouwvlak. De veestallen zijn onderkelderd. Het Overige gedeelte van het erf is in gebruik als ruwvoeropslag of erfverharding en een gedeelte van het agrarisch bouwvlak kent een historisch gebruik als weiland. Er worden geen bouwwerken opgericht voor het verblijven van mensen langer dan 2 uur per dag. Conclusie De voorgestane ontwikkeling betreft het realiseren bedrijfsgebouwen en bouwwerken ten behoeve van dieren. Daarom is ter plaatse van deze gebouwen geen bodemonderzoek noodzakelijk.

26

4.3 Geluid Wetgeving De Wet geluidhinder biedt vooral in het ruimtelijk spoor bescherming tegen (spoor)weglawaai en industrielawaai van inrichtingen gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wet geluidhinder worden daarnaast de zogenoemde geluidsgevoelige objecten beschermd tegen geluidshinder. De wet heeft een sterke link met de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onderzoek Bij het wijzigen van de bestemming geldt een onderzoeksplicht voor het aspect geluid. In de voorliggende situatie is er geen sprake van het wijzigen van de bestemming. Het bedrijf blijft agrarisch. De stallen worden natuurlijk geventileerd. Er is geen sprake van een forse toename van het aantal verkeersbewegingen en het aantal vrachtwagenbewegingen bedraagt minder dan 4 stuks per etmaal. Conclusie Op basis van de voorgenomen bedrijfsuitbreiding is er geen sprake van een toenemende geluidsbelasting. Aanvullende akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 4.4

Geur

Wetgeving Bij het voorbereiden en opstellen van een ruimtelijk plan dienen voor wat betreft geurhinder van veehouderijen de volgende vragen te worden beantwoord. • is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? • wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader bij vergunningverlening voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld. In het plan wordt de minimumafstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten in acht genomen. Conclusie In en nabij het plangebied bevindt zich geen belemmerende agrarische bedrijvigheid. 4.5

Luchtkwaliteit

Wetgeving De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van

27

de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld. Hierbij zijn twee sporen te onderscheiden: het creëren van bestemmingen die potentieel bijdragen aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit en het creëren van bestemmingen die gevoelig zijn voor (een slechte) luchtkwaliteit. Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een bestemmingsplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn: ○ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ○ het project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ○ het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging; ○ het project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit ○ of binnen een regionaal programma van maatregelen. Voor projecten waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Dit is geregeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). In de bij het NIBM behorende Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Het voorliggende plan ziet toe op de ontwikkeling van een rundveehouderij. De concentraties verontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn berekend zoals voorschreven in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Dit betekent dat in principe overal buiten de grens van de inrichting voldaan moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In artikel 5.19 lid 2 Wm zijn op deze bepaling enkele uitzonderingen gegeven. Er vindt geen vaststelling van het kwaliteitsniveau plaats op: ○ locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is; ○ terreinen waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen, waar bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 5.6 lid 2 Wm, van toepassing zijn; ○ de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben. De vergunning kan worden verleend als voldaan wordt aan de grenswaarden of als de beoogde verandering niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op grond van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is er sprake van een niet in betekenende mate bijdrage als de 3% grens niet wordt overschreden of als de activiteit in de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is genoemd.

De 3% grens betekent: 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie voor fijn stof. Dit komt overeen met 1,2 µg/m³. Gelet op de aard van het bedrijf, de diercategorieën die worden gehouden en overige bedrijfsactiviteiten is er geen significante uitstoot van fijn stof. Het is daarom meer dan aannemelijk dat de bijdrage van het bedrijf aan de concentratie van fijn stof in de lucht niet zal

28

leiden tot overschrijding van enige grenswaarde. Daarbij is ook de afstand tot de omliggende gevoelige locaties meegewogen. Een nader onderzoek is daarom niet nodig. Conclusie De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 4.6

Externe veiligheid

Wetgeving In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat er rekening wordt gehouden met de invloed van de risicovolle inrichtingen en/of transportroutes op geplande gevoelige objecten. Er wordt voorkomen dat zich (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 10-6 risicocontour van risicovolle inrichtingen/transportroutes bevinden. Onderzoek Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn met name bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen). Inrichtingen In het Bevi zijn grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico (PR). Voor het groepsrisico (GR) is een verantwoordingsplicht opgenomen. Hiermee worden de aan te houden afstanden tussen risicovolle inrichtingen en kwetsbare en beperkte objecten gewaarborgd. In het Bevi is aangegeven welke inrichtingen onder de reikwijdte van het besluit vallen. Het gaat onder andere om LPG-tankstations, bedrijven waar meer dan 10.000 kilo (of liter) verpakte gevaarlijke stoffen met brandbare èn giftige verbindingen in één opslagvoorziening aanwezig zijn, grote ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen.

Ook bedrijven waarop het Besluit risico zware ongevallen 1999 (Brzo'99) van toepassing is, vallen ook onder de reikwijdte van het Bevi. Transport via weg, water en spoor Voor de routering van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Redenen voor routering zijn bijvoorbeeld het omzeilen van kwetsbare situaties als dichte bebouwing, een ziekenhuis of waterwingebied. De meeste provinciale wegen zijn geschikt om in de routering te worden opgenomen. Voorwaarde is wel dat door de gemeente aangewezen routes aansluiten op wegen waar het vervoer van gevaarlijke stoffen ook is toegestaan. In de directe omgeving van het bedrijf ligt geen aangewezen route.

29

Figuur 16: afbeelding Risicokaart met aanduiding ligging bedrijf.

Transport via buisleidingen Vanaf 1 januari 2011 regelt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling de externe veiligheid rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Het Bevb sluit zoveel mogelijk aan bij het Bevi. In de directe nabijheid van het projectgebied liggen geen buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen. Conclusie Gezien de risicokaart van de provincie Gelderland zijn er in de directe omgeving van het projectgebied geen Bevi-inrichtingen aanwezig. In de directe nabijheid van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats en liggen er geen buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen in de directe nabijheid van het projectgebied. 4.7

Kabels en leidingen en straalpaden

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warmwaterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Voor de realisatie van het voorliggende plan is nog geen KLIC-melding uitgevoerd. Initiatiefnemer verwacht niet dat er ter hoogte van de te realiseren gebouwen kabels of leidingen aanwezig zijn. 4.8

Water

Waterparagraaf In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen wordt een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doel-

30

stellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Onderzoek Het bedrijf is gelegen in de uiterwaarden van de IJssel derhalve zowel het waterschap als Rijkswaterstaat het bevoegd gezag bij de beoordeling van ruimtelijke plannen. De initiatiefnemer heeft Rijkswaterstaat geïnformeerd over het plan door het aanvragen van een water vergunning. Rijkswaterstaat heeft voor het voorliggende project op 10 september 2015 een watervergunning verleend (zie bijlage 5). Middels een email van 2 april 2020 aan de heer Peters, juridisch medewerker ruimtelijke ordening van de Gemeente Rheden, heeft Rijkswaterstaat bevestigd akkoord te zijn met de voorgestelde uitbreiding van het bedrijf en de het daarbij behorende vergroting van het verhard oppervlak. De terp is ter plaatse van de nieuwe jongveestal reeds verhard, derhalve is er door de uitbreiding van de jongveestal een geringe toename van het verhard oppervlak. Bedrijfsafvalwater (schoonmaken reinigen melkstal) wordt geloosd in de mestput. De vergroting van de jongveestal leidt niet tot een toename van het reinigingswater. De initiatiefnemer heeft naar aanleiding van het voorliggende plan contact opgenomen met het Waterschap Rijn en IJssel.

Op grond van de regels van het waterschap moet bij een ruimtelijkplan met een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 moet er sprake zijn van een vertraagde afvoer. De toename van het verhard oppervlak bedraagt 783 m2 (zie bijlage 14). De voorliggende situatie is besproken met de heer J. van der Schoot van het Waterschap Rijn en IJssel.

Figuur 17: Uitsnede legger waterschap met aanduiding ligging knijpconstructie

31

Conclusie Rijkswaterstaat heeft op 10 september 2015 een watervergunning verleend voor het vergroten van de terp met betrekking tot de aanleg van extra ruwvoer opslagen en het realiseren van een nieuwe jongveestal op de terp. Voorliggende plan komt overeen met de betreffende watervergunning. Bedrijfswater wordt op het bedrijf verwerkt en opgeslagen. Het voorliggende plan is niet in strijd met de waterbouwkundige doelstellingen van het gebied. Het waterbelang van het Waterschap heeft betrekking waterdoorstroming en berging van het watersysteem. De toename van het verhard bedraagt meer dan 500 m2 waardoor de initiatiefnemer moet zorgdragen voor een vertraagde afvoer van het betreffende hemelwater. Door de ligging van de boerderij zal het water van de uitbreiding van het verhard oppervlak afstromen over de terp. Het hemelwater kan, via het weiland, op deze manier infiltreren in de bodem. Het infiltreren wordt aangemerkt als vertraagde afvoer. Mocht het hemelwater onvoldoende infiltreren, in de bodem op en rond de terp en het hemelwater oppervlakkit tot afstroom komen, dan wordt een knijpconstructie aangebracht in de dam van de kavelsloot, gelegen ten noorden van de boerderij. Deze knijpconstructie bestaat uit een buis met een diameter van 125 mm. De buis wordt 50 cm boven de bodem van de kavelsloot.

Om verstopping te voorkomen wordt een naar beneden gericht bocht op de uiteinden toegepast. De plek van de knijpconstructie is aangegeven in figuur 17.

4.9

Natuurbescherming

4.9.1 Zeer kwetsbare gebieden Wav In de onderstaande figuur zijn de 'zeer kwetsbare gebieden' als bedoeld in de Wav aangegeven. Op circa 2,6 kilometer noord-west van de inrichting ligt een natuurgebied dat door Provinciale Staten van Gelderland is aangewezen als 'zeer kwetsbaar gebied' op grond van de Wet ammoniak en veehouderij.

Figuur 18: Bron atlas van Gelderland, uitsnede kaart ligging plangebied t.ov. kwetsbare gebieden.

Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een kwetsbaar gebied. Het initiatief is niet van invloed op de kernkwaliteiten van de gebieden.

32

4.9.2 Natura 2000 De planlocatie ligt zelf niet in een Natura 2000-gebied. Wel ligt het Natura 2000- gebied Rijntakken (Uiterwaarden IJssel) rondom het bedrijf. De kortste afstand tot het Natura 2000 gebied bedraagt circa 480 meter. De voorgenomen ontwikkeling kan invloed hebben op Natura 2.000-gebieden in de omgeving van het bedrijf.

Figuur 19: bron Atlas van Gelderland ligging Natura 2000 gebied tov het plangebied

Op 12 september 2018 is voor de beoogde activiteiten een vergunning verleend in het kader van de Wet Natuurbescherming. Deze vergunning vervangt de op 9 september 2015 verleende natuurvergunning met zaaknummer 2015-005305. In de onderstaande tabel zijn de dieraantallen en de RAV-codes weergegeven in de beoogde situatie zoals vastgelegd in de Natuurvergunning van 12 september 2018.

Tabel 5: bron Wbn-vergunning 12 september 2018, overzicht vergunde dieren

Conclusie De voorgenomen activiteiten zijn vergund middels een verleende natuurvergunning en vormt derhalve geen belemmering voor het omliggende Natura 2000-gebied.

33

4.9.3 Soortenbescherming De uitbreiding bedrijfsgebouwen wordt gerealiseerd op het erf. De sleufsilo’s komen binnen het bouwvlak op het naast gelegen weiland. Het weiland wordt omgevormd tot watervrije ophoging. Het plangebied behoort tot het functionele leefgebied van sommige grondgebonden zoogdier-, vleermuis, amfibieën- en vogelsoorten. Vogels nestelen in gebouwen en sommige grondgebonden zoogdieren bezetten rust- en voortplantingsplaatsen in het plangebied, maar de meeste soorten benutten het plangebied als foerageergebied en bezetten er geen vaste verblijf- of voortplantingslocaties. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten (zoals het slopen van gebouwen), dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten, die mogelijk een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties.

Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende amfibieën-, vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd. De (beperkte) functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Conclusie Voor het verstoren, verwonden en doden van soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, verwonden en doden’ mits de handelingen in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. In het kader van de algemene zorgplicht hoeven er geen nadere maatregelen genomen te worden.

34

4.9.4 Voortoets Ten behoeve van het project is een Voortoets N-emissie opgesteld. In deze voortoets is behalve naar de stikstofdepositie in de gebruiksfase ook gekeken naar de stikstofdepositie in de sloop-aanlegfase. De conclusie is dat het voorgenomen plan zowel tijdens de sloopaanlegfase als de gebruiksfase (na realisering van de uitbreiding) niet leidt tot significante nadelige effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het natuurgebied. De voortoets met de bijbehorende Aerius-berekeningen is als bijlage toegevoegd. 4.10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=4d0e2001-6f39-4d86-b7e7-278105f32cb5