Bijlage 2 - Rheden 2016 locatie Dorpsstaat 49a en omgeving_Toelichting
Tekst van het document
38 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Conclusie Het aspect groen vormt geen belemmering voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan
39 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
4.5
Water Inleiding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het noodzakelijk dat gebiedseigen water zo lang mogelijk in het gebied zelf blijft. Dit gebeurt door middel van het scheiden van afvalwater en het relatief schone hemelwater (regen) dat op verhardingen valt zoals bijvoorbeeld de wegen en daken. Dat wordt ook wel afkoppelen genoemd. Het ingezamelde afvalwater dient te worden afgevoerd naar het gemeentelijk rioolstelsel waarna het vervolgens naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie
wordt
afgevoerd. Het effluent van de zuiveringsinstallatie loost uiteindelijk op de IJssel. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via het verplichte 'watertoetsproces'. Het watertoetsproces is sinds 1 januari
2003
verplicht
als
het
gaat
om
een
functieverandering
en/of
bestemmingswijziging. In dit proces worden de relevante specialisten op het gebied van de waterhuishouding geraadpleegd. Zij beoordelen de wateraspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Doel van dit watertoetsproces is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Op basis van informatie en randvoorwaarden, het waterbeleid en bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een 'Waterparagraaf'. Deze waterparagraaf moet worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Het beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstige watersysteem in het betreffende gebied. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder(s). Kader Op
verschillende
bestuursniveaus
zijn
er
beleidsnota's
aangaande
de
waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De Kaderrichtlijn stelt kwaliteitseisen, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Rijk De
Waterwet,
die
in
werking
is
getreden
in
2009, regelt
het
beheer
van
oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 28 maart 2022 is het Nationaal Water Programma 2022-2027 vastgesteld. Voor het waterbeleid is het NWP 40 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw
ontwikkeld
beleid
vast.
Belangrijke
onderdelen
van
het
NWP
zijn
de
stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: Een veilige en klimaatbestendige delta Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
In Nederland komen veel opgaven voor de leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt. Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en beheer opgenomen. Per 1 januari 2008 is de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken van kracht. Daarin is vastgelegd dat primair de eigenaar verantwoordelijk is voor de verwerking van hemelwater dat op zijn perceel valt. Dit houdt in dat, indien dat mogelijk is, het water geïnfiltreerd moet worden in de bodem, of met toestemming van de waterbeheerder wordt geloosd op oppervlaktewater. Er worden door middel van verordeningen en regels nadere eisen en randvoorwaarden aan de verwerking gesteld. Gemeente Het huidige Water Taken Plan Olburgen (WTPO) heeft een planperiode van 2023 tot en met 2027 Met dit WTPO voldoet de gemeente Rheden aan de planverplichting voor de rioleringszorg die rechtstreeks voortkomt uit de Wet milieubeheer. In dit plan heeft de gemeente samen met o.a. de Waterschappen Rijn en IJssel / Vallei en Veluwe het water- en rioleringsbeleid vastgelegd. De strategie bij de inzameling van afvalwater is afgestemd op rijks- en provinciaal beleid. Ook de zorgplicht voor afstromend hemelwater en grondwater, binnen het stedelijke gebied, zijn geborgd in het WTPO.
Het beleid omtrent lozing van hemelwater is aangegeven in de 'Verordening afvoer hemelwater en grondwater Rheden' en het Activiteitenbesluit. Slechts indien geen voorziening op het eigen terrein mogelijk is, kan van deze verplichting ontheffing worden verleend. In dit plan worden ondergrondse voorzieningen toegestaan voor het bergen van hemelwater. Binnen de meeste bestemmingen kunnen wadi's en andere infiltratievoorzieningen worden aangelegd. In de onderstaande tabel wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige aspecten voor het bestemmingsplan relevant zijn. Na de tabel volgt een toelichting op de relevante aspecten. In die gevallen dient te worden aangetoond dat er geen negatieve of verstorende gevolgen zijn te verwachten voor het watersysteem. Door een geohydrologische onderzoek, met een onderzoek naar de grondzettingen en waterdoorlatendheid kunnen de effecten worden bepaald. Zowel de situatie tijdens de uitvoering als de definitieve situatie moeten aan de orde komen.
41 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
waterhuishoudkundig aspect
relevant
omschrijving
1. veiligheid
nee
In het plangebied liggen geen gronden die behoren tot zomer- en/of winterbed van de IJssel. De Beleidslijn grote rivieren (2006) is niet aan de orde.
2. wateroverlast
nee
In het plangebied bevinden zich geen natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en/of overstromingsvlaktes.
3. riolering
ja
Vuilwater dient te worden afgevoerd middels de gemeentelijke riolering. Voorkomen dient te worden dat schoon regenwater wordt afgevoerd
via
het
(vuilwater)riool
(vasthouden-bergen-afvoeren). 4. watervoorziening
nee
Het plan ligt niet in een beschermingsgebied voor drinkwaterwinning. Het plangebied is ongeschikt voor regionale seizoensberging.
5. volksgezondheid
nee
Binnen
het
plangebied
is
geen
oppervlaktewater aanwezig. 6. bodemdaling
nee
In het plangebied gaat het hoofdzakelijk om zandige
ondergrond. Eventuele
zettingen
zijn niet relevant. 7. grondwateroverlast
nee
8. oppervlaktewaterkwaliteit
nee
In het gebied is geen grondwateroverlast bekend. In de
omgeving
van het plangebied
is
oppervlaktewater aanwezig. De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt niet (negatief) beïnvloed wanneer voorliggend plan wordt gerealiseerd. 9. grondwaterkwaliteit
nee
Binnen
het
plangebied
ligt
grondwater-beschermingsgebied drinkwatervoorziening voor
een
of
(kwelafhankelijk)
voor
geen een
infiltratiegebied natuurgebied,
gezien er geen verontreinigende activiteiten plaatsvinden. Regenwater wordt gescheiden afgevoerd. 10. verdroging
nee
11. natte natuur
nee
12. inrichting en beheer
ja
In de omgeving is geen gebied aangemerkt als (gering) verdroogd. Het plangebied grenst niet aan een gebied met kwalafhankelijke land- en waternatuur. Het plangebied betreft deels gronden in particulier eigendom en deels gronden in eigendom van de gemeente Rheden.
Ad 3 Riolering In het plangebied wordt afvalwater ingezameld en afgevoerd via riolering. Voor afvoer van afvalwater naar de openbare riolering is de gemeentelijke aansluitverordening van toepassing. De riolering in het gebied moet het afvalwater doelmatig inzamelen en afvoeren. Grote toename
van afvalwater / droogweerafvoer (dwa) wordt niet
verwacht. Rond het plangebied is een gemengd rioolstelsel aanwezig. Bij nieuwe 42 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
ontwikkelingen provinciale
moet
met
beslisboom
hemelwater
hemelwater
worden
(waarbij
omgegaan
de
volgorde
overeenkomstig vasthouden,
de
bergen,
afvoeren wordt gehanteerd). Het hemelwater en huishoudelijk afvalwater dient van elkaar gescheiden te blijven. Zie ook de gemeentelijke verordening 'Afvoer hemelwater en grondwater Rheden'. Hemelwater kan infiltreren in de bodem. Het is niet toegestaan hemel-, grondwater af te voeren via het gemengde riool. Ter voorkoming van bodem- en/of grondwaterverontreiniging moeten uitlogende en verontreinigende materiaaltoepassingen vermeden worden. Aangezien het onderhavige plan een herziening van het bestemmingsplan voor een bestaand gebied betreft, zal uit onderzoek moeten blijken welke riolerings- en/of afkoppelmaatregelen mogelijk zijn. Ad 12 Inrichting en beheer De gemeente stelt eisen en voorwaarden aan de inrichting van de gronden. Watertoets Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de watertoets uitgevoerd. Het resultaat van de watertoets is bijgevoegd als Bijlage 11. Op basis van de watertoets blijkt dat het plan van invloed kan zijn op de waterhuishouding en dat de normale procedure doorlopen kan worden. Daarom is contact opgenomen met Waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap geeft aan dat in het plan de nieuwe bebouwing nagenoeg dezelfde oppervlakte aan verharding lijkt te krijgen in vergelijking met de huidige situatie. Als er in de huidige situatie geen knelpunten zijn t.a.v.
wateroverlast, zal dat bij een gelijkblijvende of verkleinde verharde oppervlakte ook niet optreden. De bestaande sportschool en buitenschoolse opvang beslaan een oppervlak van ca. 1400 m2. Het nieuwe appartementencomplex zal een oppervlakte beslaan van ca. 960 m2. De nieuwe twee-onder-een-kapwoning zal een oppervlak beslaan van ca. 210 m2. Het oppervlak aan bebouwing neemt derhalve af met ca. 230 m2. Voorts geldt in de nieuwe situatie het volgende wat betreft oppervlakte verharding ter hoogte van het appartementencomplex. Rijbaan 890 m2 Parkeren 435 m2 Halfverharding wandelpad 175 m2
De gemeente
eist op basis van de 'Wet gemeentelijke
'hemelwaterverordening'
dat
hemelwater
niet
mag
watertaken' en haar
worden
afgevoerd
via
de
gemeentelijke riolering en ter plaatse wordt verwerkt. Bijvoorbeeld via infiltratie in de bodem. Het hemelwater en huishoudelijk afvalwater dienen gescheiden te blijven. Vuilwater dient te worden afgevoerd middels het gemengde rioolstelsel van de kern Rheden. De eigenaar is verantwoordelijk voor het (blijvend) functioneren van de infiltratievoorziening. Geohydrologisch onderzoek Ten aanzien van het mogelijk optreden van wateroverlast is tevens een onderzoek geohydrologie uitgevoerd welke is bijgevoegd als Bijlage 7. Uit de bodemopbouw, 43 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
ligging van het maaiveld ten opzichte van het NAP wordt geconcludeerd dat er geen risico te verwachten is als gevolg van kwel op de planlocatie. Conclusie Vanuit het aspect water zijn voor het waterschap en de gemeente Rheden geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.6
Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Beoordeling Volgens
het
bestemmingsplan
‘Archeologie’
(vastgesteld
15-04-2014)
van
de
gemeente Rheden geldt voor het noordwestelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en geldt voor het zuidoostelijke deel geen dubbelbestemming archeologie. Dit betekent voor het noordwestelijke deel dat bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m en over een oppervlak groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek nodig is. Voor het zuidoostelijke deel is volgens het bestemmingsplan geen onderzoek nodig zijn, maar kijkend naar de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart, ligging binnen kern historische nederzetting, is ook voor dit gebied onderzoek nodig. Aangezien de hiervoor genoemde ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Door KSP Archeologie is een archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek) verkennende fase uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Samengevat volgt hieruit het navolgende. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.
Op basis van de landschappelijke ligging op een daluitspoelingswaaier afgedekt door een plaggendek en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling (ligging binnen de historische kern) een hoge verwachting aan het plangebied toegekend. Het potentiële archeologische sporenniveau wordt onder het plaggendek verwacht vanaf 50 cm -mv in de top van de C-horizont. Aangezien de geplande ingrepen tot ca. 100 cm -mv reiken worden eventueel aanwezige vindplaatsen bedreigd.
44 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende
fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat het
plangebied op een daluitspoelingswaaier ligt, die is afgedekt door een enkeerdgrond. De oorspronkelijke podzolbodem is verdwenen, maar het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont is nog intact aanwezig vanaf een diepte van 80-160 cm -mv. Aangezien de top van de pleistocene riviervlakte onder de daluitspoelingswaaier niet is aangeboord en buiten het bestek van het huidige onderzoek valt (wordt niet bedreigd
door
de
ingrepen),
blijft
de
onbekende
verwachting
voor
vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum voor dit niveau
gehandhaafd.
Wat
de
daluitspoelingswaaier
betreft
is
de
middelhoge
verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum naar laag bijgesteld. De hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) blijft op grond van het veldonderzoek gehandhaafd evenals de middelhoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Op grond van de verstoringen van de bodem door de bestaande bebouwing in het noordwestelijke deel van het plangebied en de intactheid van de C-horizont in dit deel van het plangebied wordt het potentiële archeologische niveau buiten de bebouwing bedreigd als daar de ingrepen dieper reiken dan 100 cm -mv. Binnen het bebouwde deel zijn er aanzienlijke zones waar de bodem tot grote diepte (180-240 cm -mv) is verstoord en geen archeologische resten meer worden verwacht. Daarnaast zijn er ook grote delen waar de verstoring van de bodem door de bebouwing niet meer dan 85-100 cm -mv bedraagt. Als in deze delen de bodem voor de nieuwbouw dieper dan 85-100 cm -mv worden verstoord, dan wordt het archeologische niveau bedreigd. In het zuidoostelijke deel van het plangebied wordt het potentiële archeologische niveau bedreigd als daar de ingrepen voor de nieuwbouw dieper reiken dan 80 cm -mv.
Indien de ingrepen voor de nieuwbouw dieper reiken dan hierboven is aangegeven, adviseert KSP Archeologie een archeologische vervolgonderzoek. Als de ingrepen deze grenzen niet overschrijden is er geen vervolgonderzoek nodig. Conclusie Nu de exacte ingrepen voor de nieuwbouw nog niet bekend zijn is de bestaande archeologische dubbelbestemming in onderhavig plan overgenomen. Mochten de ingrepen de in het archeologisch onderzoek genoemde grenzen overschrijden zal voorafgaand archeologisch vervolgonderzoek plaatsvinden.
4.7
Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld
die
cultuurhistorisch
van
belang
zijn.
Zij
vertellen
iets
over
de
ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel
3.1.6,
vijfde
lid,
onderdeel
a
opgenomen
dat
een
bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 45 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Beoordeling De bebouwing op planlocatie zelf kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is ook niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende
bestemmingsplan. Wél vindt onderhavige
ontwikkeling
plaats
in een
cultuurhistorisch waardevol en gevoelig gebied. Zo grenst het plangebied aan de rijksmonumentale Mauritiuskerk. Een historische beschrijving van de Mauritiuskerk en De Cirkel is opgenomen als Bijlage 9. Daarnaast is de historische ontwikkeling van het plangebied beschreven in paragraaf 2.1. Vanuit erfgoed zijn er geen bezwaren tegen de voorgestelde ontwikkeling. Op de locatie zijn geen cultuurhistorische waarden meer aan te treffen. Wel geldt dat de nieuwe ontwikkeling de beleving van de kerk en zijn omgeving niet negatief mag beïnvloeden. Zodoende is met onderhavige ontwikkeling uitvoerig aandacht besteed in de uitwerking van de volumes en de architectuur. Een en ander in samenspraak met de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Mede ten behoeve van voorgaande is tevens is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (Bijlage 1). Conclusie Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast.
4.8
Luchtkwaliteit Kader Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Bij bepaalde nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden, mits de omvang onder het maximum van 1.500 woningen (netto) blijft met minimaal 1 ontsluitingsweg. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. Beoordeling De ontwikkeling van het nieuwe appartementencomplex kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIMB niet noodzakelijk. Er hoeft niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Luchtkwaliteit ter plaatse
46 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden
en
de
advieswaarden.
De
kaarten
met
concentratie
luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de Atlas Leefomgeving van het RIVM. Stof
Jaar 2021
Grenswaarde
Advieswaarde
NO2
13,8 µg/m3
40 µg/m3
10 µg/m3
PM10
16,4 µg/m3
40 µg/m3
15 µg/m3
PM2,5
9,7 µg/m3
20 µg/m3
5 µg/m3
Tabel: Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit (bron: Atlas Leefomgeving) Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en
PM2,5, maar nog
wel net boven
deze
advieswaarden. Deze
advieswaarden liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. Conclusie Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
4.9
Verkeer en parkeren Landelijk geldt voor de parkeernormen en de verkeersgeneratie de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. De gemeente Rheden heeft echter ook de 'Nota Parkeernormen Rheden 2015' opgesteld. Deze Parkeernota is vastgesteld door de gemeenteraad van Rheden op 28 mei 2015.
4.9.1 Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Dorpsstraat en de Laakweg. De Dorpsstraat is op dit deel een 30 km/u weg en de Laakweg is een 50 km/u weg. De Dorpstraat ontsluit zich met de Groenestraat aan de zuidzijde en gaat over in de Apollostraat (50km/u) aan de noordzijde. De Laakweg wordt ontsloten door de Oranjeweg (50 km/u). De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie
'CROW
381
Toekomstbestendig
parkeren'
uit
2018.
In
de
'Nota
Parkeernormen Rheden 2015' wordt de gemeente als geheel aangewezen als 'rest bebouwde kom' wat betreft de stedelijke zone en categorie 3 'matig stedelijk' op het gebied van stedelijkheidsgraad. In de huidige situatie bevindt zich op de planlocatie een sportschool en een buitenschoolse opvang. De berekening van de verkeersgeneratie is weergegeven in onderstaande tabel. De norm voor een fitnesstudio/sportschool bedraagt maximaal 37,9 mvt / 100 m2 bvo en van een kinderopvang (crèche) maximaal 37,7 mvt / 100 m2 47 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
bvo. Worst-case is de norm van een sportschool aangehouden. Functie
Norm/eenheid
Eenheid
Maximale verkeersgeneratie
Sportschool +
37,9 mvt /100
1400 m²
530,6 mvt/etmaal
buitenschoolse opvang
bvo m²
-
530,6 mvt/etmaal
(uitgaande van fitnesstudio/sportschool) Totaal
-
Tabel: Verkeersgeneratie huidige situatie In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende werking op dezelfde manier te bepalen. Dan bevinden zich op de planlocatie een appartementencomplex met 24 woningen
en
een
twee-onder-een-kapwoning.
De
berekening
van
de
verkeersgeneratie is weergegeven in onderstaande tabel. Functie
Norm/eenheid
Eenheid
Maximale verkeersgeneratie
Appartementen (koop,
5,3 mvt / woning
19
100,7 mvt/etmaal
appartement, goedkoop) Appartementen (koop,
woningen 7,5 mvt / woning
5 woningen 37,5 mvt/etmaal
Twee-onder-een-kapwo 8,2 mvt / woning
2 woningen 16,4 mvt/etmaal
appartement, duur) ning (koop, huis, twee-onder-een-kap) Totaal
-
-
154,6 mvt/etmaal
Tabel: Verkeersgeneratie gewenste situatie De verkeersgeneratie neemt met onderhavig initiatief af met 376 mvt/etmaal en vormt derhalve geen belemmering voor het voorgenomen plan.
4.9.2 Parkeren Voor het benodigd aantal parkeerplaatsen is gekeken naar de Nota Parkeernomen Rheden 2015. Zo nodig is naar boven afgerond. In de gewenste situatie bevinden zich op
de
planlocatie
een
appartementencomplex
met
24
woningen
en
een
twee-onder-een-kapwoning. De berekening van de parkeerbehoefte is weergegeven in onderstaande tabel. Functie
Norm/eenheid
Eenheid
Parkeernorm (afgerond)
Appartementen
1,4 pp / woning
24 woningen 34 pp
1,6 pp / woning
2 woningen
4 pp
-
-
38 pp
(Eengezinswoning, rijwoning, appartement) Twee-onder-een-kapwoning (Vrijstaande woning, 2 onder 1 kapwoning) Totaal
Tabel: Parkeerplaatsen gewenste situatie Het bezoekersaandeel binnen deze norm van 1,4 bedraagt 0,4 pp per woning en zal vrij toegankelijk moeten zijn zonder beperkingen. De 48 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
aanvrager moet bij de
omgevingsvergunningaanvraag aangeven (met bijvoorbeeld een overeenkomst) hoe hij het vereiste aantal parkeerplaatsen beschikbaar stelt In de omgevingsvergunning zullen nadere voorwaarden gesteld worden aan het beschikbaar
stellen
en
bereikbaar
zijn
en
in
stand
houden
van
de
parkeervoorzieningen. Aanwezig aantal parkeerplaatsen In de bestaande omgeving zijn voor de bestaande bewoners aan de westzijde op gemeente grond gelegen 2 parkeervakken aanwezig. Ook aan de zijde van de kerk liggen 8 bestaande parkeervakken op grond van de gemeente. Deze openbare parkeervakken zijn met toestemming van de gemeente op kosten van de sportschool op gemeentegrond aangelegd. De gemeente wil haar medewerking verlenen om deze vakken op deze locatie wederom in te zetten om dit bouwplan te kunnen realiseren. Op basis van de Nota parkeernormen dienen er 34 plus 2 parkeerplaatsen, wat maakt 36 parkeerplaatsen, aanwezig te zijn waarvan er 12 (10 bezoekersaandeel en 2 bestaande parkeervakken aan de westzijde) vrij toegankelijk voor bezoekers van de bestaande woningen en nieuwe inwoners te hebben en te houden. Het plan beschikt in de voorliggende plannen over 37 parkeerplaatsen en daarmee kan het plan in de eigen parkeerbehoefte voorzien. De 12 parkeervakken moeten na realisatie allemaal op gemeentegrond komen te liggen en via openbare grond bereikbaar zijn. Dit om het toekomstig vrije gebruik te waarborgen. Voor de twee-onder-een-kapwoning zullen in de nadere uitwerking van het bouwplan 2 parkeerplaatsen per woningen worden gerealiseerd, waarmee hier ook aan de parkeerbehoefte zal worden voldaan.
4.9.3 Conclusie Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt opgelost door overdracht van een 12 tal parkeerplaatsen ten behoeve bezoekers. Daarnaast neemt de verkeersgeneratie in het voorgenomen plan af ten opzichte van de huidige situatie. Daarom vormt het aspect verkeer geen belemmering voor de voorgenomen situatie.
4.10 Externe veiligheid Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van 49 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de
(aanpassing)
Regeling
Bouwbesluit
(veiligheidszone
en
plasbrandaandachtsgebied). Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Beoordeling Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een beoordeling gemaakt van de EV-situatie.
50 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Figuur: Uitsnede provinciale risicokaart locatie met aanduiding ligging plangebied Rondom het plangebied zijn de volgende externe veiligheidsrisicobronnen relevant:
De beoordeling van externe veiligheid wordt uitgevoerd voor twee risiconormen, namelijk het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een Bevi inrichting, transportroute
en
hogedruk aardgastransportleiding.
Dit vormt geen
belemmering voor de realisatie van het plan. Groepsrisico Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de provinciale weg A348. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied van deze risicobron invloed op de hoogte van het groepsrisico. Uit het rapport ‘’Verkenning transport van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen’, d.d. 25 november 2015 blijkt dat het groepsrisico zich 51 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
beneden de 0,1 maal de orientatiewaarde bevindt (zogenaamd verwaarloosbaar groepsrisico). Wel neemt het aantal personen toe, maar doordat de afstand tussen de risicobron en ontvanger minimaal 90 meter is en het groepsrisico zo laag is, kan gesteld worden dat het nimmer met 10% of meer zal toenemen. Hierdoor volstaat een beperkte verantwoording groepsrisico, conform wetgeving. Ditzelfde geldt ook voor de spoorlijn Arnhem -Zutphen. Maar dan omdat de afstand tussen het plangebied en de risicobron groter dan 200 meter is. Hierdoor hoeft in beide gevallen niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden verricht worden: Conform de motivatie onderdelen van Bevt artikel 7 en 9 moet het groepsrisico worden verantwoord; Er moet advies worden aangevraagd bij de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM). Advies VGGM De VGGM heeft advies uitgebracht omtrent onderhavig plan (kenmerk 2023-006549).
In het kader van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid wordt geadviseerd om bij de uitwerking van de plannen: Bouwkundige- en ontwerptechnische maatregelen te treffen die de effecten van hittestraling en een eventuele drukgolf beperken; Het trappenhuis van het appartementengebouw aan de veilige zijde van het gebouw te realiseren, waardoor het gebouw zelf bescherming biedt tegen de hittestraling; Rekening te houden met vluchtroutes die van de risicobron (in dit geval de IJssel en Rijksweg A348) af gericht zijn; (Technische) maatregelen te treffen om het gebouw of delen daarvan luchtdicht af te kunnen sluiten om een veilige schuilmogelijkheid te creëren ingeval van een toxische wolk; Toekomstige bewoners te informeren over de risico’s van een incident met gevaarlijke stoffen en bijbehorende handelingsperspectieven. Risicocommunicatie draagt bij aan de mate van zelfredzaamheid. Risicobronnen In de omgeving van het plan bevinden zich de risicobronnen: Rijksweg A348; Spoor Arnhem – Zutphen; Rivier de IJssel; Aardgastransportleidingen; Milieu belastende
activiteiten: gasontvangstation
N-053 en
Facility Services
Haveland. Relevante scenario’s Ingeval van een incident (waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken) kunnen de scenario’s explosie, plasbrand, fakkelbrand en toxische wolk optreden. De rijksweg A348 is niet als basisnet aangemerkt. Echter worden over deze weg conform de 52 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
tellingen
van het RIVM regelmatig
gevaarlijke
stoffen
(brandbaar vloeistof en
brandbaar gas) getransporteerd Gelet op de afstand tot de genoemde risicobronnen zijn de scenario’s explosie en toxische wolk relevant. De kans op het optreden van dergelijke scenario’s is klein, maar niet uit te sluiten. Rampbestrijding Bij een incident waarbij een tankwagen (wegvervoer) met een brandbaar gas als gevolg van bijvoorbeeld een aanrijding aangestraald wordt door een brand die in de directe nabijheid is ontstaan kan een explosie plaatsvinden wanneer de tankwagen bezwijkt. Zolang de ketel nog niet bezweken is, is de inzet van de brandweer gericht op
de
bron
om
een
explosie
te
voorkomen.
Wanneer
de
explosie
heeft
plaatsgevonden richt de brandweer zich op de effecten zoals het redden van slachtoffers, het blussen van secundaire branden en het stabiliseren van beschadigde constructies. Een effectieve bestrijding van een dergelijk incident staat of valt met een goede
bereikbaarheid
van
de
incidentlocatie
en
de
aanwezigheid
van
een
bluswatervoorziening met voldoende capaciteit. Door een scheur die als gevolg van bijvoorbeeld een aanrijding in een tankwagen (wegvervoer) of ketelwagon (spoorvervoer) is ontstaan kan een toxische stof uitstromen die zich in dampvorm met de wind mee verspreidt. De bestrijding van het scenario toxische wolk richt zich met name op het reduceren van de schadelijke effecten door deze neer te slaan en/of verdunnen van de toxische wolk in de nabijheid van de bron en het stoppen van de uitstroom. Dit biedt geen garantie dat een toxische wolk niet tot over het plangebied reikt. Zelfredzaamheid Het plan leidt tot een toename van het aantal aanwezigen (voornamelijk in de nachtelijke uren). Het ligt in de verwachting dat deze personen zichzelf bij een (dreigend) incident in veiligheid kunnen brengen mits zij geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd zijn. Dit is echter afhankelijk van de afstand tot het incident en de snelheid waarin een dreigende explosie scenario zich kan ontwikkelen. Hierbij geldt: hoe groter de afstand tot het incident hoe groter de kans op overleven. Daarbij wil ik aantekenen dat deze insteek van woningbouw maakt dat de woningen in gebruik kunnen zijn tot en met het overlijden van een bewoner. Deze bewoners kunnen tegen die tijd minder/niet zelfredzaam zijn. Het plangebied ligt binnen de effectafstanden van het scenario explosie waarbij doden te verwachten zijn.
Indien er een handelingsperspectief is, zal in het geval van een explosie scenario vluchten, dekking zoeken en/of binnenshuis schuilen het aan te bevelen handelingsperspectief zijn. Dit is afhankelijk van de afstand tot het incident en het verloop van het incidentscenario. Hierbij geldt: hoe groter de afstand tot het incident hoe groter de kans op overleven. Het handelingsperspectief bij een toxische wolk is binnenshuis schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren (incl. ventilatieopeningen) en het uitschakelen van de ventilatie- c.q. luchtbehandelingsinstallatie. Brandpreventie eisen Tevens wordt geadviseerd rekening te houden met de brandpreventieve eisen vanuit 53 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
het
Bouwbesluit
2012
(vanaf
1
januari
2024)
het
Besluit
Bouwwerken
en
Leefomgeving). Conclusie Het advies van de VGGM wordt meegenomen in de verdere uitwerking van het bouwplan. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.
4.11 Niet gesprongen explosieven Kader Bij het vervaardigen van bestemmingsplannen wordt zoals is vastgelegd in de Nota standaardplanmethodiek bestemmingsplannen dorpen Rheden 2015 vanwege de gemeentelijke zorgplicht bij het leggen van bouwvlakken in verdachte gebieden een onderzoek gevraagd naar de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. In opdracht van de gemeente is in 2017 een historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van explosieven afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog. Beoordeling Binnen
de
gemeente
oorlogsresten
uit
de
Rheden
liggen
gebieden
Tweede
Wereldoorlog
in
waar de
nog
steeds
ontplofbare
grond
kunnen
zitten.
Bij
graafwerkzaamheden dieper dan 30 centimeter in een verdacht gebied is een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten noodzakelijk. Onderstaand figuur toont een uitsnede van de kaart ontplofbare oorlogsresten van de gemeente Rheden. Het plangebied, evenals de directe omgeving, is hierin niet aangeduid als verdacht gebied. Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is dan ook niet noodzakelijk.
Figuur: Uitsnede kaart ontplofbare oorlogsresten met aanduiding plangebied (bron: gemeente Rheden) Conclusie Het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.
54 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
4.12 Milieuzonering Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele
reeks
van
milieubelastende
activiteiten
(naar
SBI-code
gerangschikt)
richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'.
55 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Tabel: Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige
bedrijven
en/of bedrijvigheid. De
omgeving
van het plangebied
kan
gekarakteriseerd worden als rustig gebied, gelet op de overwegende woonfunctie in de directe omgeving. Onderhavige ontwikkeling ziet op de sloop van de bestaande sportschool en de realisatie
van
een
appartementencomplex
met
24
woningen
alsmede
een
twee-onder-een-kapwoning aan de Laakweg. De huidige gemengde bestemming zal verdwijnen en wordt grotendeels omgezet naar een woonbestemming. De gewenste woonfunctie betreft een milieugevoelige functie, maar geen milieubelastende functie. In de directe omgeving van het plangebied zijn de gronden voornamelijk bestemd voor wonen. Ten zuidwesten van het plangebied en ten oosten van het plangebied zijn de gronden bestemd als zijnde ‘maatschappelijk’ (kerkgebouw) op 40 meter en verder bevindt zich voornamelijk de bestemming ‘wonen’ in de directe omgeving. De eerste bedrijfsbestemming (autobedrijf) ligt op circa 50 meter afstand. Voor zowel het kerkgebouw en het autobedrijf is de richtafstand voor geluid 30 meter. De afstand van de gevel van de kerk tot de nieuwe bebouwing zal meer bedragen dan deze afstand, waardoor hier wederzijds geen belemmeringen ontstaan. Tenslotte liggen in de directe nabijheid van het plangebied verder geen bedrijfsfunctie/-bestemmingen die voor overlast/belemmeringen kunnen zorgen. Conclusie Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling.
56 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
4.13 Milieueffect rapportage Kader De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.
verplicht
is.
Activiteiten,
plannen
en
besluiten
waarvoor
een
m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming
een
passende
beoordeling
moet
worden
gemaakt. Een
passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant
negatieve
effecten
op
Natura
2000-gebieden
kunnen
worden
uitgesloten.
Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.: Voor deze ontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen.
Hierbij
is
de
volgende
activiteit
gevonden
die
mogelijk
m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, te weten: 'D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De
beoogde
ontwikkeling
behelst
de
realisatie
van
een
complex
met
24
appartementen. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e,r,-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld
op
basis
waarvan
beoordeeld
wordt
of
het
noodzakelijk
is
een
milieueffectrapportage op te stellen. Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling. 57 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-m.e.r. als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en ligt op een afstand van circa 250 meter afstand van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' en op circa 890 meter afstand van het Natura 2000-gebied de 'Veluwe'. Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN) en geen deel uit van Gelders Natuurnetwerk of Groene ontwikkelingszone. Ook ligt er geen aanduiding van een Waardevol landschap in de buurt van dit perceel. Het perceel valt binnen de bebouwde kom en die liggen buiten de contour van het Nationaal
Landschap
de
Veluwe,
het
Gelders
Natuurnetwerk
en
de
Groene
Ontwikkelingszone. Het plan maakt ook geen nieuwe functies mogelijk een effect zouden kunnen zijn op de kernkwaliteiten van het GNN of GO. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zijn geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura2000-gebieden te verwachten. Ook tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase zullen niet aan de orde zijn. Significante gevolgen kunnen daarom worden uitgesloten. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: 1. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 en 3 Wet milieubeheer. Hierbij moet rekening worden gehouden met de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. De criteria betreffen: 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; 4. Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing): a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en 58 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
biodiversiteit.
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Ten behoeve van dit aspect is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. opgesteld. Deze is opgenomen als Bijlage 12. Conclusie De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling, zoals beschreven in de aanmeldnotitie, geven geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.
59 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
60 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Hoofdstuk 5 Juridische aspecten
5.1
Algemeen Een
bestemmingsplan
is
een
juridisch
instrument
waarbij
de
bouw-
en
gebruiksmogelijkheden van de grond en de opstallen zijn vastgelegd. Het plan is voor iedereen juridisch bindend: burger, bedrijf en overheid. In de digitale omgeving zijn de bestemming en de daarbij geldende regels reeds gekoppeld. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van een verbeelding op papier. Nadat op de verbeelding de locatie is opgezocht waarover informatie wordt gewenst, kan in de regels worden nagelezen welke mogelijkheden zijn vastgelegd. Uit het samenstel van de verbeelding en de regels blijkt wat wordt toegelaten. De digitale versie is bindend bij een verschil met de papieren versie. De toelichting is een beschrijving van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt en vervat de resultaten van het overleg met gemeenten, waterschappen en diensten van de provincie en rijk wiens belangen in het plan in geding zijn.
5.2
Procedure bestemmingsplan De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken en het ontwerpbesluit, moet worden gepubliceerd waarbij de gelegenheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Nadat de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van dit bestemmingsplan heeft genomen, ligt het plan wederom ter inzage. Belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, evenals belanghebbenden die niet kunnen worden verweten geen zienswijze
te hebben ingediend, kunnen dan in beroep gaan bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de wijzigingen die bij de vaststelling in het bestemmingsplan zijn aangebracht, kan iedere belanghebbende beroep instellen. De herziening treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als geen beroep is ingesteld. Is wel beroep ingesteld dan treedt de herziening ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak op het beroepschrift.
5.3
Verbeelding en regels De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. Ze moeten in samenhang worden bezien en toegepast. De wijze waarop een bestemmingsplan vorm krijgt, is vastgelegd in landelijke standaarden. 61
Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
5.3.1 Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemmingen de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Ter nadere invulling c.q. verbijzondering van deze bestemmingen is de verbeelding voorzien van aanduidingen. Op basis van de aanduidingen worden functies aan de bestemming toegevoegd of verwijderd, of worden aanwijzingen gegeven ten aanzien van aantallen of maatvoeringen. De verbeelding moet worden bezien in samenhang met de regels. Voor de verdere uitleg hiervan wordt verwezen naar onderstaande uitleg onder 5.3.2.
5.3.2 Regels De planregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken. Deze worden kort beschreven. Daarna volgt een toelichting op de planregels. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald (artikel 2). Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Eerst de bestemmingsregels en vervolgens de dubbelbestemmingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend worden de (eventuele) afwijkingsmogelijkheden ten aanzien van het bouwen en het gebruik omschreven. Daarna de specifieke gebruiksregels en de vergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde (aanlegvergunningenstelsel), voor zover dit aan de orde is. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. Algemene regels In hoofdstuk 3 zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan.
Denk aan de anti-dubbeltelregel en de regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen. Een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is, zoals het woord het al zegt, een mogelijkheid in het bestemmingsplan zelf om af te wijken van de regels uit datzelfde bestemmingsplan. Dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingsmogelijkheden. De (bestemmings)regels moeten altijd in samenhang met de algemene
regels
worden gelezen vóórdat op basis van de bestemmingregels
interpretaties worden verricht. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Hierna worden de bestemmingen uit voorliggend bestemmingsplan toegelicht.
62 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Bestemming Groen Deze bestemming is gegeven aan het (toekomstig) openbaar groen. De gronden zijn bestemd
voor
groenvoorzieningen,
speelvoorzieningen,
waterhuishoudkundige
voorzieningen, hemelwaterinfiltratievoorzieningen en rioleringswerken. Op de gronden mogen uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd. Bestemming Tuin Deze bestemming is gegeven aan de niet openbare voortuinen. De gronden zijn bestemd voor tuinen, waterhuishoudkundige voorzieningen, andere bijbehorende voorzieningen en de ontsluiting van de direct aangrenzende percelen. Op de gronden mogen uitsluitend overige bouwwerken worden gebouwd evenwel met uitzondering van overkappingen. Bestemming Verkeer Wegen zijn ondergebracht in de bestemming Verkeer. Daarmee is de aanwezige verkeersstructuur uitgangspunt. Binnen deze bestemming mag worden geparkeerd. Ook binnen deze bestemming is groen en water mogelijk, echter hier vindt geen borging
plaats
van deze
functies. Op
de
gronden
mogen uitsluitend
overige
bouwwerken worden gebouwd. Bestemming Wonen De bestemming Wonen is aan de te realiseren woningen en bijbehorende erven toegekend. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woningen, een beroep aan huis en overige voorzieningen. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend ter plaatse van een bouwvlak toegestaan. Het maximum aantal wooneenheden en de maximum bouwhoogte zijn aangeduid op de verbeelding. Daarnaast zijn regelingen voor bijgebouwen en overkappingen en overige bouwwerken opgenomen. De realisatie en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is geborgd in de specifieke gebruiksregels als voorwaardelijke verplichting. Bestemming Waarde – Archeologie 1 Deze bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan en afgestemd op de mate waarin archeologische vondsten verwacht kunnen worden.
5.4
Reikwijdte bestemmingsplan Om te beoordelen of een ontwikkeling kan worden gerealiseerd, is het soms niet voldoende om alleen af te gaan op de inhoud van het bestemmingsplan. Ook indien het bestemmingsplan een ontwikkeling toestaat, kan het voorkomen dat andere regelgeving of dat gesloten verdragen de daadwerkelijke uitvoering verhinderen of pas na bijvoorbeeld vergunningverlening of onderzoek mogelijk maken. De kaders die het bestemmingsplan biedt ten aanzien van nieuwe bouwmogelijkheden/bouwplaninitiatieven, bieden geen garantie voor de te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen. Bouwplannen zullen naast de toets aan onderhavig bestemmingsplan tevens worden getoetst aan, en dienen te voldoen aan, zowel het landelijke Bouwbesluit als de bouwverordening (vastgesteld door de gemeenteraad). Waarbij de (onafhankelijke) welstandscommissie adviseert of het bouwplan op basis 63
Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
van de Welstandsnota (vastgesteld door de gemeenteraad) voldoet aan redelijke eisen van welstand.
5.5
Handhaving Het bestemmingsplan maakt op een eenvoudige wijze duidelijk wat is toegelaten en is daarmee goed handhaafbaar. Burgemeester en wethouders kunnen bestuursrechtelijk optreden tegen activiteiten die strijdig zijn met het bestemmingsplan. Daartoe is beleid vastgesteld. Daarnaast kan ook via de strafrechtelijke weg worden opgetreden. Een overtreding van de regels is een strafbaar feit waarop de Wet op de Economische Delicten van toepassing is.
64 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid
Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient de economische uitvoerbaarheid te worden onderzocht in het kader van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien: a. het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, en b. het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is, en c.
het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan het bouwrijp maken, de aanleg van nutsvoorzieningen, en het inrichten van de openbare ruimte en woningbouwcategorieën niet noodzakelijk is, of
d. één van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen van toepassing is, te weten: 1. het totaal der wettelijk te verhalen exploitatiebijdragen bedraagt minder dan € 10.000,00, of 2. er geen verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening aan de orde zijn, of 3. de verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op de nutsvoorzieningen betreffen. De
Wet
ruimtelijke
ordening
kent
voorts
een
regeling
welke
voorziet
in
een
tegemoetkoming in schade indien deze boven het normale maatschappelijke risico uitstijgt.
Burgemeester
en
wethouders
hebben
ter
zake
van
planschade
een
verordening vastgesteld. Beoordeling De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Conclusie Gelet op het vorenstaande is de economische uitvoerbaarheid verzekerd.
65 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
66 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Let op! Hoofdstuk 7 wordt ingevuld door de gemeente.
7.1
Inspraak Kader De gemeente kent op grond van de Gemeentewet een inspraakverordening. Deze verordening verplicht niet tot het geven van inspraak bij de voorbereiding van bestemmingsplannen. Beoordeling Gezien
de
aard
van
onderhavig
bestemmingsplan
waarbij
de
bestaande
mogelijkheden uitgangspunt zijn, de nieuwe ontwikkelingen inzichtelijk zijn en o.a. de wijzigingen in de standaardplanmethodiek in de fase van voorbereiding van het bestemmingsplan bekend zijn gemaakt en ter inzage hebben gelegen, bestaat geen aanleiding om onverplicht inspraak te geven. Conclusie Volstaan is met de wettelijke procedure zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening.
7.2
Vooroverleg Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening wordt vooroverleg gepleegd met de besturen van de betrokken gemeenten, waterschappen en met diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor een goede ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn. Beoordeling Er zal overleg plaatsvinden met Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) en Veiligheids- en Gezondheidsregio
Gelderland-Midden
(VGGM). Eventueel
ook
met
netbeheerder
Liander. Conclusie Opmerkingen vanuit het overleg zullen voor vaststelling van het bestemmingsplan worden gewogen en eventueel leiden tot aanpassingen aan het bestemmingsplan.
67 Rheden 2016, locatie Dorpsstaat 49a en omgeving (ontwerp)
7.3
Zienswijzen Kader Het Besluit ruimtelijke ordening voorziet erin dat, voordat de formele procedure wordt gestart met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, wordt kennis gegeven
van
het
voornemen
om een
bestemmingsplan
te
vervaardigen.
De
vooraankondiging is op …….. geplaatst in de Regiobode, een huis-aan- huisblad. En is daarnaast
gepubliceerd
in
het
elektronische
Gemeenteblad
op
de
website
www.overheid.nl. Deze website is ook bereikbaar via een link op de gemeentelijke website. De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met het ontwerpbesluit is ingevolge de Wet ruimtelijke ordening op ………. bekend gemaakt in de Regiobode, de Staatscourant en in het elektronische Gemeenteblad. Op de gemeentelijke website is voor de in procedure zijnde bestemmingsplannen een link geplaatst die doorleidt naar de officiële bekendmakingen op de website www.overheid.nl.