CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage-1-landelijk-rapport-kinderopvang-2020

Raadsvergadering 27 september 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Jaarverantwoording Toezicht en handhaving kinderopvang 202139.069 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

bso

vgo

gob

Aangemeld

486

599

4.454

29

Ingeschreven

471

564

4.377

24

Percentage ingeschreven

97%

94%

98%

83%

Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

Net zoals eerdere jaren worden vrijwel alle (98 procent) voorzieningen voor gastouderopvang die zich aanmelden ingeschreven. Vanaf 2020 zijn gemeenten gaan werken met Streng aan de Poort bij voorzieningen voor gastouderopvang. Mogelijk is Streng aan de Poort nog niet overal ingevoerd vanwege de coronamaatregelen: in de vragenlijst geven meerdere gemeenten en GGD’en aan dat (de intensivering van) het toezicht op de gastouderopvang geen prioriteit heeft gekregen. Uit een rapport over de ervaringen met de intensivering van het toezicht op de gastouderopvang4 komt echter naar voren dat 21 van de 22 GGD’en die deelnamen aan dat onderzoek wel met Streng aan de Poort bij voorzieningen voor gastouderopvang zijn gaan werken.

4 GGD GHOR Nederland (2020c). Rapport ervaringen intensivering gastouderopvang 2020.

4.3 Risicoprofielen Het toezicht in de kinderopvang is risicogestuurd. Dat houdt in dat de GGD minder intensief toezicht houdt bij kindercentra en gastouder­ bureaus waar geen zorgen bestaan over de kwaliteit van de kinderopvang, en intensiever bij voorzieningen waar wel zorgen over zijn. De GGD stelt voor elk kindercentrum en gastouderbureau minstens een keer per jaar een risicoprofiel op aan de hand van zeven risico-indicatoren. Elk nieuw kindercentrum en gastouderbureau krijgt na twee jaarlijkse onderzoeken (het onderzoek na registratie en het eerste reguliere jaarlijkse onderzoek) een risicoprofiel toegewezen. Voorzieningen krijgen een groen risicoprofiel als er geen reden tot zorg is over de actuele situatie of over de nabije toekomst. De kleuren geel, oranje en rood worden gebruikt naarmate de GGD het risico op tekortkomingen hoger inschat. Aan de hand van het risicoprofiel wordt de inspectie bij de kinderopvangvoorziening gepland: de kleur bepaalt mede de omvang en invulling van het volgende onderzoek. Bij voorzieningen voor gastouderopvang wordt niet gewerkt met een risicoprofiel. Voorzieningen voor gastouderopvang worden niet jaarlijks maar steekproefsgewijs onderzocht.

Het instrument risicoprofiel zoals toegepast bij kindercentra en gastouderbureaus lijkt hiervoor ook niet geschikt, omdat het risicoprofiel vanwege de lagere frequentie van bezoek mogelijk weinig zegt over de actuele situatie. Meer dan de helft van de kinderopvangvoorzieningen heeft eind 2020 een groen risicoprofiel (zie figuur 4.3a).5 Bij kinderdagverblijven gaat het om 58 procent van de voorzieningen, bij buitenschoolse opvangvoorzieningen om 59 procent en bij gastouderbureaus om 66 procent. Deze percentages liggen in 2020 iets hoger dan in 2019 (54 procent bij kinderdagverblijven, 56 procent bij buitenschoolse opvangvoorzieningen en 62 procent bij gastouderbureaus). In 2020 is echter bij lang niet alle voorzieningen een jaarlijks onderzoek 5 Één GGD maakt geen gebruik van registratie van risicoprofielen in de GIR. Het landelijk beeld is dus niet volledig.

1 2 3 4 5 6 7 8

51 uitgevoerd, en bij de uitvoering is prioriteit gegeven aan voorzieningen met een zwaarder risicoprofiel (zie hoofdstuk 5, ’Toezicht’). Hierdoor zijn de risicoprofielen in 2020 niet voor alle voorzieningen geactualiseerd. Figuur 4.3a Indeling voorzieningen naar risicoprofiel, december 2020 100%

80%

58%

60%

33%

33%

4

40%

6% 0%

2 3

66%

60%

20%

1

3%

kdv

5% bso

25%

2%

6% gob

3%

5

Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

6 7 8

52 1

5

3

Toezicht

4

2

5 6 7 8

53 In dit hoofdstuk geven we een beeld van de uitvoering en resultaten van het toezicht op de kinderopvang. Het toezicht op de kinderopvang wordt uitgevoerd door de GGD, in opdracht van de gemeente. De GGD-toezichthouder beoordeelt of de kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang (Wko). De kwaliteitseisen zijn uitgewerkt in het toetsingskader. We geven in dit hoofdstuk een beeld van de uitvoering van het toezicht. Daarnaast gaan we in op de beoordeling van voorwaarden bij kinderdag­ verblijven, buitenschoolse opvangvoorzieningen, gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang.

in 2020 en het toezicht inhoudelijk vaak is aangepast, is een vergelijking met voorgaande jaren niet te maken. • De verplichte voorwaarden bij kindercentra worden, als er een jaarlijks onderzoek heeft plaatsgevonden in 2020, vrijwel altijd beoordeeld. Hierbij hebben GGD’en problemen ondervonden met het beoordelen van de pedagogische praktijk, aangezien locatiebezoeken een groot deel van het jaar niet mogelijk waren en via beeldbellen onvoldoende informatie verzameld kon worden.

5.1 Samenvatting

• De meeste voorwaarden in het kader van de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang (IKK) zijn in 2020 in dezelfde mate beoordeeld als in 2019. De meeste tekortkomingen zijn geconstateerd op de voorwaarden aan de pedagogisch beleidsmedewerker. Verder worden relatief veel tekortkomingen geconstateerd op de voorwaarde dat er een veiligheids- en gezondheidsbeleid moet zijn dat uitgevoerd wordt, en dit beleid moet een plan van aanpak bevatten met maatregelen om grote risico’s tegen te gaan.

• Door de coronamaatregelen zijn er in 2020 een stuk minder onderzoeken uitgevoerd dan gepland. Afhankelijk van het type opvang is 57 tot 75 procent van de jaarlijkse onderzoeken uitgevoerd. Gemeenten en GGD’en hebben veelal op advies van GGD GHOR Nederland en VNG Handhaving in 2020 prioriteiten gesteld bij de uitvoering van het toezicht. Hierdoor zijn relatief veel meer voorzieningen met een zwaar(der) risicoprofiel onderzocht.

• Over het algemeen zijn de aanvullende voorwaarden1 bij kindercentra (kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang) in 2020 een stuk minder vaak beoordeeld dan in 2019. Een deel van de GGD’en geeft aan dat ze, als gevolg van de coronacrisis en de daarop gemaakte prioriteringen, minder kwaliteitseisen hebben beoordeeld tijdens een onderzoek. Deze afname zien we dus terug bij de beoordeling van de aanvullende voorwaarden.

• Ook de grootte van de steekproef bij voorzieningen voor gastouderopvang is in 2020 flink afgenomen ten opzichte van 2019. In 2020 is 11 procent van de voorzieningen voor gastouderopvang onderzocht, tegenover 19 procent in 2019.

• Bij gastouderbureaus worden minder vaak tekortkomingen geconstateerd dan bij kindercentra en voorzieningen voor gastouderopvang. De meeste tekortkomingen worden geconstateerd op de voorwaarden dat de houder van het gastouderbureau jaarlijks de veiligheids- en gezondheidsrisico’s

Vervolgens belichten we de inzet van en het herstel na een herstelaanbod. Het doel van herstelaanbod is om geconstateerde tekortkomingen binnen een onderzoekstraject te laten herstellen. Tot slot geven we een overzicht van onderzoeken die hebben geresulteerd in een handhavingsadvies aan de gemeente.

• Bij 22 tot 36 procent van de jaarlijkse onderzoeken worden een of meer tekortkomingen geconstateerd, afhankelijk van het type opvang. Doordat slechts een deel van de voorzieningen is bezocht

1 Onder aanvullende voorwaarden wordt verstaan alle voorwaarden die niet verplicht zijn én niet behoren tot de IKK-voorwaarden.

1 2 3 4 5 6 7 8

54 bij een voorziening voor gastouderopvang inventariseert, en dat elke voorziening voor gastouderopvang in ieder geval tweemaal per jaar wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker. Bij deze tekortkomingen wordt in de meeste gevallen geen handhavings­ advies gegeven, doordat het tweemaal per jaar bezoeken van de gastouder door de coronamaatregelen niet altijd mogelijk is geweest. • Ook bij gastouderbureaus zien we een afname van de mate van beoordelen van de aanvullende voorwaarden ten opzichte van 2019, maar deze afname is een stuk minder sterk dan bij kindercentra. • Bij voorzieningen voor gastouderopvang worden de meeste tekortkomingen geconstateerd op de voorwaarden dat de voorziening is voorzien van voldoende en goed functionerende rookmelders, de risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid en het plan van aanpak voor veiligheids- en gezondheidsmaatregelen. Wat betreft de voorwaarden van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling worden bij voorzieningen voor gastouder­ opvang minder tekortkomingen geconstateerd dan in 2019. • De inzet van herstelaanbod bij kindercentra bij onderzoeken met tekortkomingen is vergelijkbaar met 2019 (50 en 51 procent). Bij gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang zien we een stijging van de inzet van herstelaanbod tot respectievelijk 58 en 77 procent bij onderzoeken met tekortkomingen.

• De mate van inzet van herstelaanbod verschilt fors per GGD-regio. In 2020 loopt de inzet van herstelaanbod bij tekortkomingen binnen GGD-regio’s uiteen van 18 tot 72 procent. • Afhankelijk van het type opvang herstelt 90 tot 99 procent van de tekortkomingen na herstelaanbod. Hiermee lijkt het herstelaanbod een effectief instrument voor herstel van tekortkomingen, nog voordat het inspectierapport wordt vastgesteld.

• In 2020 zijn er een stuk minder onderzoeken met een handhavings­ advies dan in 2019. Zowel het relatieve aantal (percentage) als het absolute aantal (aantal onderzoeken) is afgenomen ten opzichte van 2019. Deels is dit te verklaren door de verdere toename van de inzet van herstelaanbod bij gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang, en de werkwijze om geen handhavings­ advies te geven wanneer er verzachtende omstandigheden waren door corona.

5.2 Uitvoering jaarlijkse onderzoeken Het jaar 2020 was door de uitbraak van de coronacrisis een uitzonderlijk jaar, dat zien we ook terug in de uitvoering van het toezicht op de kinderopvang. In 2020 zijn beduidend minder onderzoeken bij kindercentra en gastouderbureaus uitgevoerd dan in voorgaande jaren (zie figuur 5.2a). In een regulier jaar worden, conform regelgeving, vrijwel alle kindercentra en gastouderbureaus geïnspecteerd door de toezichthouder. In 2020 is dat gebeurd bij 57 tot 75 procent van de voorzieningen. Er zijn echter grote verschillen tussen GGD’en in het percentage uitgevoerde onderzoeken in 2020. Gemiddeld is bij kindercentra en gastouderbureaus 61 procent van de jaarlijkse onderzoeken uitgevoerd, maar dit loopt uiteen van 29 tot 99 procent voor de verschillende regio’s. Deze verschillen komen voort uit de mate waarin per regio GGD-toezichthouders werden ingezet op andere GGD-terreinen, zoals bij de uitbreiding van de testcapaciteit voor coronatesten. Ook de keuzes in prioritering van de uitvoering van de onderzoeken hebben een rol gespeeld bij de totstandkoming van deze verschillen.

1 2 3 4 5 6 7 8

55 Figuur 5.2a Percentage jaarlijkse onderzoeken uitgevoerd bij kindercentra en gastouderbureaus, 2018-2020 100%

98% 99%

98% 98%

96% 97%

testen. In fase 4, vanaf 16 december, was er opnieuw een sluiting van de kinderopvang, waardoor de onderzoeken weer gestopt moest worden.

1

In de periodes (fase 1, 2 en 4) waarin noodopvang is georganiseerd, hebben gemeenten wel toezicht laten uitvoeren op voorzieningen die noodopvang boden. Dit gebeurde aan de hand van ‘vinger aan de pols’-gesprekken en signaalgestuurd toezicht. Deze vormen van toezicht zijn besproken in hoofdstuk 2.

2

50%

Figuur 5.2b Aantal uitgevoerde jaarlijkse onderzoeken per week, voor alle typen kinderopvang en gastouderbureaus, 2020

3

40%

300

90% 80%

75%

70%

64% 57%

60%

fase 0

fase 1

fase 2

fase 3

fase 4

30%

4

250

20% 10%

200

0%

kdv 2018

bso 2019

5

gob 2020

Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

Als we naar de uitvoering van onderzoeken gedurende het jaar 2020 kijken, zien we duidelijk de invloed van de coronamaatregelen op het toezicht (zie figuur 5.2b). In hoofdstuk 1, en in het bijzonder in figuur 1.2a, worden de verschillende fasen uitgebreid toegelicht. In fase 0, de periode tot 16 maart 2020, werden de onderzoeken uitgevoerd zoals in een regulier jaar. Er golden toen nog geen specifieke coronamaatregelen voor de kinderopvang in Nederland. In fase 1, van 16 maart tot 11 mei, was de kinderopvang grotendeels gesloten. Er konden in deze periode geen onderzoeken worden uitgevoerd. Vanaf fase 2 werd het reguliere toezicht weer opgestart. In veel GGD-regio’s was echter beperkte capaciteit beschikbaar, doordat GGD-toezichthouders werden ingezet op andere GGDterreinen, zoals bij de uitbreiding van de testcapaciteit voor corona­

150

6

100

50

0

1

3 kdv

5

7

9 bso

11 13 15 17 19 21 23 25 27 29 31 33 35 37 39 41 43 45 47 49 51 53 gob

Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

7

vgo

8

56 Het is duidelijk dat de coronamaatregelen invloed hebben gehad op de uitvoering van het toezicht in 2020. Slechts een derde (34 procent) van de GGD’en is van mening dat de kwaliteit van de kinderopvang in 2020 voldoende geborgd is door het toezicht. Gemeenten en GGD’en hebben in 2020 prioriteiten gesteld bij de uitvoering van het toezicht. Hierdoor zijn relatief veel meer voorzieningen met een zwaarder risicoprofiel onderzocht. Dit zien we terug in de uitgevoerde onderzoeken. In 2020 is 87 procent van de rode voorzieningen, 82 procent van de oranje voorzieningen, 59 procent van de gele voorzieningen en 46 procent van de groene voorzieningen onderzocht. Er zijn dus relatief veel meer jaarlijkse onderzoeken uitgevoerd bij voorzieningen met een zwaarder risicoprofiel. Deze voorzieningen zijn niet altijd zo uitgebreid onderzocht als gebruikelijk is bij dat risicoprofiel: soms zijn de inspecties uitgevoerd zoals dat gebeurt bij groene inspecties. In hoofdstuk 3 worden de prioriteiten en keuzes die gemeenten en GGD’en hebben gemaakt bij het oppakken van het reguliere toezicht besproken.

5.2.1 Steekproef bij voorzieningen voor gastouderopvang Bij voorzieningen voor gastouderopvang wordt een deel van de voorzieningen onderzocht met een steekproefonderzoek. De grootte van de steekproef is in 2020 flink afgenomen ten opzichte van het jaar ervoor. In 2020 is 11 procent van de voorzieningen voor gastouder­ opvang onderzocht, terwijl dit in 2019 is gebeurd bij 19 procent van de voorzieningen. Toch is de steekproef in 2020 met gemiddeld 11 procent nog steeds ruim boven de norm van 5 procent.

met als gevolg een flinke afname van de steekproefomvang in 2020. Ruim een derde van de gemeenten en ruim twee derde van de GGD’en geeft in de vragenlijsten over de coronamaatregelen aan dat ze bij het prioriteren van de onderzoeken in 2020 besloten hebben de steekproef bij voorzieningen voor gastouderopvang te verkleinen. Bovendien geeft een derde van de gemeenten en bijna de helft van de GGD’en aan dat de onderzoeken vaker aangekondigd uitgevoerd zijn. Ruim een derde van de GGD’en geeft bovendien aan dat ze verwachten dat de steekproef ook in 2021 lager zal zijn dan voor de coronacrisis. We zien echter dat niet alle gemeenten deze norm gehaald hebben (zie tabel 5.2a). In 2019 hadden slechts 3 gemeenten een steekproefomvang van minder dan 5 procent, in 2020 gaat het om 39 gemeenten. Vooral de groep gemeenten die 30 procent of meer onderzocht heeft, is flink gekrompen. In 2019 ging het om 71 gemeenten, in 2020 waren dat er slechts 27. Ruim 70 procent van de gemeenten heeft in 2020 een kleinere steekproef voorzieningen voor gastouderopvang onderzocht dan in 2019. Tabel 5.2a Steekproefomvang voorzieningen voor gastouderopvang per gemeente, 2020

2 3 4 5

Aantal gemeenten Minder dan 5 procent

39

5 tot 30 procent

289

30 procent of meer

27

Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

Het hogere percentage steekproefonderzoeken in 2019 was het resultaat van verschillende inspanningen om het toezicht op de gastouderopvang te intensiveren. De steekproef steeg toen van 14 procent in 2018 naar 19 procent in 2019. De meeste gemeenten en GGD’en hadden ook voor 2020 intensiveringsafspraken gemaakt, maar vanwege de coronacrisis is daar in veel gevallen van afgezien,

1

6 7 8

57 5.3 Resultaten jaarlijkse onderzoeken

uitspraken te doen over trends ten opzichte van voorgaande jaren als het gaat om het percentage onderzoeken met tekortkomingen. Er zijn in 2020 prioriteiten gesteld voor wat betreft welke onderzoeken uitgevoerd moesten én konden worden, waarbij relatief meer onderzoeken zijn uitgevoerd bij voorzieningen met een zwaarder risicoprofiel (zie ook paragraaf 5.2, ‘Uitvoering jaarlijkse onderzoeken’). Bij voorzieningen met een zwaarder risicoprofiel worden vaker tekortkomingen geconstateerd dan bij voorzieningen met een groen of oranje risicoprofiel. Daarnaast zijn de onderzoeken

De resultaten van de jaarlijkse onderzoeken in 2020 geven een vergelijkbaar beeld met 2019 (zie figuur 5.3a). Bij 22 tot 36 procent van de jaarlijkse onderzoeken worden een of meer tekortkomingen geconstateerd, afhankelijk van het type opvang. Bij kinderdag­ verblijven is dit percentage met 36 procent het hoogst, bij voorzieningen voor gastouderopvang met 22 procent het laagst. Door de bijzondere situatie in 2020 is het niet mogelijk om geldige

45%

35%

39% 35%

2 3

Figuur 5.3a Percentage jaarlijkse onderzoeken met tekortkomingen, 2018-2020

40%

1

4

36% 33% 31% 29%

30%

25%

25%

26%

25% 23%

22%

5

20% 15%

6

12%

10%

7

5% 0%

kdv

bso 2018

Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

2019

gob 2020

vgo

8

58 die gedaan zijn op een andere manier uitgevoerd dan in een regulier jaar. Zo zijn er minder aanvullende voorwaarden beoordeeld (zie 5.4.3, ‘Beoordeling aanvullende voorwaarden bij kindercentra’).

5.4 Toezicht kindercentra Bij kindercentra (kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang) vindt in principe jaarlijks een onderzoek plaats. Elk nieuw kindercentrum krijgt na twee jaarlijkse onderzoeken (het onderzoek na registratie en het eerste reguliere jaarlijks onderzoek) een risicoprofiel toegewezen (zie ook paragraaf 4.3, ‘Risicoprofielen’). De omvang van het jaarlijks onderzoek is mede afhankelijk van het risicoprofiel van de voorziening. Er gelden een aantal verplicht te toetsen voorwaarden, de minimale inspectieactiviteit genoemd. Het onderzoek kan uitgebreid worden met aanvullende voorwaarden.

5.4.1 Beoordeling verplichte voorwaarden bij kindercentra Bij kindercentra bestaat de minimale inspectieactiviteit uit acht verplicht te toetsen voorwaarden2 (zie tabel 5.4a), die tijdens het jaarlijks onderzoek worden beoordeeld. Deze voorwaarden gaan over het pedagogisch klimaat en over personeel en groepen. Bij het pedagogisch klimaat gaat het om het pedagogisch beleid en om de pedagogische praktijk op de voorziening. Bij personeel en groepen gaat het om de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en het Personenregister Kinderopvang (PRK), opleidingseisen, het aantal beroepskrachten en stabiliteit van de opvang voor kinderen. Bij kinderdagverblijven die voorschoolse educatie (ve) aanbieden, worden daarnaast ook nog vijftien verplichte voorwaarden aan ve beoordeeld (zie hoofdstuk 7, ‘Voorschoolse educatie’).

2 De verplichte voorwaarden zijn afgeleid uit de verplichte onderwerpen uit de Beleidsregel werkwijze toezichthouder kinderopvang.

De acht verplichte voorwaarden worden, als er een jaarlijks onderzoek heeft plaatsgevonden in 2020, vaak beoordeeld (in 86 tot 98 procent van de onderzoeken). De voorwaarden aan het pedagogisch klimaat worden in 2020 iets minder vaak beoordeeld dan in 2019. In 2019 werden deze voorwaarden bij 93 tot 99 procent van de onderzoeken beoordeeld, in 2020 is dit iets afgenomen naar 89 tot 90 procent. Deze afname is een gevolg van het advies om onderzoeken waar mogelijk zonder locatiebezoek te laten plaatsvinden (dit advies gold vanaf 11 mei, toen de kinderopvang na de eerste lockdown weer openging). Zonder locatiebezoek is het niet altijd mogelijk om een goede inschatting te maken van het pedagogisch klimaat van een voorziening, waardoor deze voorwaarden minder vaak zijn meegenomen in het onderzoek. In de vragenlijsten over de coronamaatregelen geven GGD’en aan dat het bij een onderzoek op afstand lastig of zelfs helemaal niet mogelijk is om het pedagogisch klimaat te beoordelen. We zien echter dat niet alle GGD’en deze voorwaarden minder vaak beoordelen in 2020. De voorwaarde dat er een pedagogisch beleidsplan is en dat er conform dat plan gehandeld wordt (voorwaarde 2.1.1) wordt door twee GGD’en minder vaak (19 procent en 73 procent) beoordeeld. De overige GGD’en beoordelen deze voorwaarde bij 89 tot 100 procent van de jaarlijkse onderzoeken.

De voorwaarde dat er verantwoorde kinderopvang wordt geboden (voorwaarde 2.2.1) wordt door acht GGD’en minder vaak beoordeeld. Eén GGD beoordeelt deze voorwaarde bij 29 procent van de onderzoeken, zeven GGD’en bij 71 tot 88 procent, en de overige achttien GGD’en bij 95 tot 100 procent van de jaarlijkse onderzoeken. In het ‘Landelijk Rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang 2019’ rapporteerden wij dat de voorwaarde aan de opleiding van pedagogisch beleidsmedewerkers (voorwaarde 3.2.2) relatief weinig (bij 64 procent van de onderzoeken) werd beoordeeld. In 2020 wordt deze voorwaarde bij 86 procent van de onderzoeken beoordeeld. Ondanks dat het daarmee nog steeds de minst beoordeelde verplichte

1 2 3 4 5 6 7 8

59 Tabel 5.4a Beoordeling en tekortkomingen minimale inspectieactiviteit bij kindercentra, 2020 % (b)

% (t)

1

Pedagogisch klimaat 2.1.1

Er is een pedagogisch beleidsplan en er wordt conform het pedagogisch beleidsplan gehandeld.

89%

3%

2.2.1

Er wordt verantwoorde kinderopvang geboden.

90%

1%

Personeel en groepen 3.1.1

de houder van de kinderopvangvoorziening en beroepskrachten zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.

98%

4%

3.1.2

de houder van de kinderopvangvoorziening draagt zorg voor de koppeling in het PRK.

96%

6%

3.2.1

Beroepskrachten beschikken over een passende opleiding.

98%

1%

3.2.2

Pedagogisch beleidsmedewerkers beschikken over een passende opleiding.

86%

2%

3.3.1

De houder van een kindercentrum zet voldoende beroepskrachten in voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen (beroepskracht-kindratio).

98%

4%

3.5.1

De opvang vindt plaats in stam-/basisgroepen.

98%

3%

2 3 4

% (b) = percentage jaarlijkse onderzoeken waarbij deze voorwaarde is beoordeeld. % (t) = percentage geconstateerde tekortkomingen ten opzichte van alle beoordelingen van deze voorwaarde. Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

voorwaarde is, wordt de opleiding van de pedagogisch beleidsmedewerker in 2020 dus veel vaker beoordeeld dan in 2019. Dit was ook de verwachting, aangezien een aantal GGD’en 2019 als overgangsjaar zag voor deze voorwaarde. Zij waren dus voornemens deze in 2020 wel mee te nemen in het toezicht. Ook hier zien we echter grote verschillen tussen de GGD-regio’s. Twee GGD’en beoordelen deze voorwaarde minder vaak (19 procent en 74 procent), in de overige GGD’en ligt het percentage met 86 tot 99 procent een stuk hoger. Net als in 2019 worden de meeste tekortkomingen geconstateerd bij de voorwaarde aan registratie en koppeling in het Personenregister Kinderopvang (PRK, 6 procent tekortkomingen). Daarnaast worden tekortkomingen geconstateerd bij de voorwaarde dat zowel de houder van de kinderopvangvoorziening als beroepskrachten in het

bezit moeten zijn van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG, 4 procent tekortkomingen) en bij de voorwaarde dat er voldoende beroepskrachten worden ingezet voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen (4 procent tekortkomingen). Bij de andere verplichte voorwaarden worden minder tekortkomingen geconstateerd (1 tot 3 procent).

5.4.2 Beoordeling IKK-voorwaarden bij kindercentra Naast de verplichte voorwaarden gelden bij kindercentra ook nog negentien IKK-voorwaarden (zie tabel 5.4b). Deze voorwaarden zijn geen onderdeel van de minimale inspectieactiviteit, maar worden vaak risicogericht beoordeeld.

5 6 7 8

60 Tabel 5.4b Beoordeling en tekortkomingen IKK-voorwaarden bij kindercentra, 2020 % (b)

% (t)

1

Pedagogisch klimaat 2.1.2

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan aspecten van verantwoorde dagopvang.

26%

2%

2.1.3

Het pedagogisch beleidsplan bevat concrete beschrijving van de wijze waarop de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd en gestimuleerd (plus het delen van informatie met derden).

25%

3%

2.1.4

Het pedagogisch beleidsplan bevat concrete beschrijvingen van de wijze waarop de mentor bekend gemaakt wordt aan ouders en kind en het delen van informatie met ouders.

25%

2%

23%

7%

3.2.2a Pedagogisch beleidsmedewerkers beschikken over passende opleiding.

86%

2%

3.3.1 de houder van de kinderopvangvoorziening zet voldoende beroepskrachten in voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen (beroepskracht-kindratio).

98%

4%

3.3.3 Maximaal een derde van de beroepskrachten is een stagiair of beroepskracht in opleiding.

18%

6%

2.1.7 In het pedagogisch beleidsplan is beschreven wanneer eventueel van de beroepskracht-kindratio wordt afgeweken. Personeel en groepen

a

3.4.1

De pedagogisch beleidsmedewerker wordt voldoende ingezet (minimaal aantal uren bepaald op grond van de rekenregels in het Besluit kwaliteit kinderopvang).

50%

7%

3.4.2

Bij houders met >1 kindercentrum: de houder bepaalt jaarlijks hoe de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker wordt verdeeld over de voorzieningen en legt dit schriftelijk vast.

51%

10%

3.5.3

Er wordt voldaan aan het vaste-gezichtencriterium voor nuljarigen.

21%

4%

31%

2%

4.1.1 Er is een veiligheids- en gezondheidsbeleid en dit beleid wordt uitgevoerd.

43%

8%

4.1.2 Het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt geactualiseerd.

30%

4%

33%

1%

30%

5%

b

3.5.6 Elk kind heeft een mentor. 3.5.2 Veiligheid en gezondheid

4.1.3

Er is een beschrijving van de wijze waarop de houder zorg draagt voor het veiligheids- en gezondheidsbeleid. Dit is een continu proces van het vormen, implementeren, evalueren en actualiseren van beleid.

4.1.4 De grote risico’s in het veiligheids- en gezondheidsbeleid zijn concreet beschreven. % (b) = percentage jaarlijkse onderzoeken waarbij deze voorwaarde is beoordeeld. % (t) = percentage geconstateerde tekortkomingen ten opzichte van alle beoordelingen van deze voorwaarde. a: Deze voorwaarden behoren tot de minimale inspectieactiviteit. b: Deze voorwaarde geldt alleen voor kdv.

2 3 4 5 6 7 8

61 % (b)

% (t)

4.1.5 Er is een plan van aanpak in het veiligheids- en gezondheidsbeleid aangaande maatregelen tegen grote risico’s die op termijn worden/zijn genomen.

31%

8%

4.1.6 De wijze waarop kinderen wordt geleerd om te gaan met kleine risico’s is beschreven.

29%

<1%

31%

2%

41%

6%

4.1.7

De wijze waarop de houder veiligheids- en gezondheidsbeleid inzichtelijk maakt voor beroepskrachten (in opleiding), stagiairs, vrijwilligers en ouders is beschreven.

4.1.9 Er is altijd een volwassene met een kinder-EHBO-diploma aanwezig. % (b) = percentage jaarlijkse onderzoeken waarbij deze voorwaarde is beoordeeld. % (t) = percentage geconstateerde tekortkomingen ten opzichte van alle beoordelingen van deze voorwaarde. a: Deze voorwaarden behoren tot de minimale inspectieactiviteit. b: Deze voorwaarde geldt alleen voor kdv. Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

De meeste IKK-voorwaarden zijn bij de onderzoeken in 2020 in dezelfde mate beoordeeld als bij de onderzoeken in 2019. Bij het domein veiligheid en gezondheid zien we wel een afname. In 2019 werden deze voorwaarden bij 35 tot 52 procent van de onderzoeken beoordeeld, in 2020 is dit gedaald naar 29 tot 43 procent. Er zijn echter ook voorwaarden die in 2020 juist vaker zijn beoordeeld dan in 2019. Dit zien we terug bij de voorwaarden voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker (3.4.1 en 3.4.2). In 2019 werden deze voorwaarden relatief weinig beoordeeld (respectievelijk bij 20 en 29 procent van de jaarlijkse onderzoeken), in 2020 is dit gestegen naar 50 tot 51 procent. De voorwaarden voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker zijn in 2019 ingegaan. Een aantal GGD’en behandelde 2019 als een overgangsjaar en was voornemens deze voorwaarden na dit eerste jaar te gaan beoordelen. Dit zien we duidelijk terug aan de mate van beoordelen. De meeste tekortkomingen worden geconstateerd op de voorwaarden die worden gesteld aan de pedagogisch beleids­ medewerker. Bij 7 tot 10 procent van de beoordelingen wordt een tekortkoming op deze voorwaarden geconstateerd. In 2019, toen de voorwaarden dus ook minder vaak beoordeeld werden, ging het

nog om 2 tot 3 procent van de beoordelingen. Volgens GGDtoezichthouders zijn de voorwaarden voor de pedagogisch beleidsmedewerker niet duidelijk geformuleerd, dit geldt voor zowel houders van kinderopvangvoorzieningen als voor henzelf.3 De voorwaarden zijn onduidelijk voor houders wat betreft de coaching die zij moeten vormgeven en hoe zij de inzet van de pedagogisch coach moeten verantwoorden. Daarnaast is het voor GGD-toezichthouders lastig te bepalen welke vormen van coaching goedgekeurd mogen worden. Zij mogen alleen een oordeel geven over de vormgeving van het coachen zoals dit op papier staat, en niet over hoe dit in de praktijk gebeurt. Verder zien we relatief veel tekortkomingen op de voorwaarde dat er een veiligheids- en gezondheidsbeleid moet zijn en dat dit beleid wordt uitgevoerd (voorwaarde 4.1.1, 8 procent tekortkomingen), en dat dit beleid een plan van aanpak voor maatregelen tegen grote risico’s moet bevatten (voorwaarde 4.1.5, 8 procent tekortkomingen). Bij beide voorwaarden zagen we in 2019 hetzelfde beeld (respectievelijk 8 en 7 procent tekortkomingen).

3 Bureau Bartels (2021). Monitor Wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang (IKK), eindmeting, uitgebracht in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

1 2 3 4 5 6 7 8

62 5.4.3 Beoordeling aanvullende voorwaarden bij kindercentra Naast de verplichte voorwaarden en de IKK-voorwaarden, kunnen – als de GGD-toezichthouder mogelijke risico’s ziet – aanvullende voorwaarden worden beoordeeld bij het jaarlijkse onderzoek. Deze voorwaarden zijn geen onderdeel van de minimale inspectieactiviteit. Bij kinderdagverblijven gaat het om 50 aanvullende voorwaarden4, bij buitenschoolse opvang om 48 voorwaarden.5 De mate waarin deze aanvullende voorwaarden worden meegenomen bij jaarlijkse onderzoeken hangt samen met de voorgeschiedenis van de voorziening, de afspraken met de gemeente en het risicoprofiel van de voorziening. Bij voorzieningen met een groen risicoprofiel worden de aanvullende voorwaarden het minst vaak beoordeeld (<1 tot 11 procent). De mate van beoordelen loopt op bij verzwaring van het risicoprofiel (geel <1 tot 25 procent, oranje <1 tot 56 procent en rood <1 tot 75 procent). Over het algemeen worden de aanvullende voorwaarden in 2020 minder vaak beoordeeld dan in 2019 (1 tot 38 procent bij groen, 1 tot 60 procent bij geel, 4 tot 75 procent bij oranje en 5 tot 82 procent bij rood). In de vragenlijsten aan de GGD’en (zie hoofdstuk 3, ‘Toezicht en handhaving weer opgestart’) geven 10 van de 26 GGD’en aan dat ze, als specifieke keuze vanwege de coronacrisis, minder kwaliteitseisen hebben beoordeeld tijdens een onderzoek.

Deze afname zien we terug bij de beoordeling van de aanvullende voorwaarden. De aanvullende voorwaarde die in 2020 het vaakst wordt beoordeeld gaat over het pedagogisch beleidsplan. Bij 30 procent van de jaarlijkse onderzoeken bij kindercentra wordt beoordeeld of in het pedagogisch beleidsplan is beschreven wat de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw is bij de stam- of basisgroepen. In 2019 werd deze voorwaarde in dezelfde mate beoordeeld (29 procent). Bij 11 procent van de beoordelingen in 2020 wordt hier een tekortkoming op geconstateerd. In 2019 was dat bij 10 procent van de beoordelingen. 4 GGD GHOR Nederland (2020d). Model Inspectierapport kdv. 5 GGD GHOR Nederland (2020e). Model Inspectierapport bso.

Bij zowel kinderdagverblijven als buitenschoolse opvang is dit de aanvullende voorwaarde met de meeste tekortkomingen. Daarnaast zien we relatief veel beoordelingen van de voorwaarde dat de houder van een kinderopvangvoorziening de kennis en het gebruik van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling bevordert. Deze voorwaarde werd in 2020 bij 28 procent van de onderzoeken beoordeeld. In 2019 werd deze voorwaarde bij maar liefst 56 procent van de onderzoeken beoordeeld. Bij 3 procent van de beoordelingen wordt een tekortkoming geconstateerd. Dit is relatief even vaak als in 2019. Bij kinderdagverblijven zien we bovendien dat er aandacht is voor de voorwaarden die worden gesteld aan de stabiliteit van de opvang voor kinderen. Bij 30 procent van de onderzoeken is beoordeeld of is voldaan aan het vaste-gezichtencriterium voor kinderen van één jaar of ouder. Bij 29 procent van de onderzoeken is beoordeeld of de houder van een kinderopvangvoorziening aan de ouders en het kind meedeelt tot welke stamgroep het kind behoort en welke beroepskracht op welke dag aan de stamgroep is toegewezen. In 2019 werden deze voorwaarden bij 33 tot 34 procent van de jaarlijkse onderzoeken beoordeeld.

Er worden weinig tekortkomingen op deze voorwaarden geconstateerd: respectievelijk bij 3 en 1 procent van de beoordelingen bij de jaarlijkse onderzoeken in 2020, en bij respectievelijk 2 en 1 procent in 2019. Deze voorwaarden gelden niet voor de buitenschoolse opvang. Relatief worden de meeste tekortkomingen op aanvullende voorwaarden geconstateerd op de voorwaarde dat de houder van de kinderopvangvoorziening wijzigingen doorgeeft aan het college voor burgemeester en wethouders. Bij 16 procent van de beoordelingen wordt een tekortkoming geconstateerd. Deze voorwaarde wordt echter weinig beoordeeld: slechts bij 3 procent van de jaarlijkse onderzoeken. In 2019 zagen we hetzelfde beeld en gaven we aan dat deze voorwaarde alleen wordt beoordeeld wanneer er wijzigingen

1 2 3 4 5 6 7 8

63 zijn, en dat de GGD-toezichthouder deze voorwaarde waarschijnlijk voornamelijk zal beoordelen als hij een mogelijke tekortkoming ziet. Ook op de voorwaarde dat de houder personeel en ouders informeert over het inspectierapport worden relatief veel tekortkomingen geconstateerd. Deze voorwaarde wordt bij 21 procent van de onderzoeken beoordeeld, en bij 10 procent van de beoordelingen wordt een tekortkoming geconstateerd. Als er in 2020 een jaarlijks onderzoek heeft plaatsgevonden, zien we dat zowel de verplichte voorwaarden als de IKK-voorwaarden zeer regelmatig zijn meegenomen in de beoordeling. De aanvullende voorwaarden zijn echter veel minder vaak meegenomen dan in 2019. Als het onderzoek is ingeperkt als gevolg van de coronacrisis en de daarop gemaakte prioriteringen, gaat het in de meeste onderzoeken om de aanvullende voorwaarden die niet zijn meegenomen.

5.5 Toezicht op gastouderbureaus Net als kindercentra worden gastouderbureaus jaarlijks onderzocht, waarbij na twee jaarlijkse onderzoeken (het onderzoek na registratie en het eerste reguliere jaarlijkse onderzoek) een risicoprofiel wordt toegekend (zie ook paragraaf 4.3, ‘Risicoprofielen’). Naast de minimale inspectieactiviteit bij gastouderbureaus kan het onderzoek, vaak afhankelijk van het risicoprofiel, uitgebreid worden met aanvullende voorwaarden.

5.5.1 Beoordeling verplichte voorwaarden bij gastouderbureaus Bij gastouderbureaus bestaat de minimale inspectieactiviteit uit 22 verplicht te toetsen voorwaarden (zie tabel 5.5a). Deze worden vrijwel altijd beoordeeld (91 tot 100 procent), op twee voorwaarden die betrekking hebben op de administratie van het gastouderbureau na (voorwaarden 6.2.2 en 6.2.3, respectievelijk 60 en 65 procent). Dit zijn voorwaarden die pas beoordeeld kunnen worden wanneer een

gastouderbureau een oudercommissie heeft ingesteld. Als er geen oudercommissie is, zullen deze voorwaarden dus niet beoordeeld worden. Dit verklaart het lagere percentage. Bij gastouderbureaus worden minder vaak tekortkomingen geconstateerd dan bij kindercentra en voorzieningen voor gastouderopvang (zie ook paragraaf 5.3, ‘Resultaten jaarlijkse onderzoeken’). De meeste tekortkomingen worden geconstateerd op de voorwaarde dat de houder van het gastouderbureau jaarlijks de veiligheids- en gezondheidsrisico’s bij een voorziening voor gastouderopvang inventariseert (4.1.2). Ook op de voorwaarde dat elke voorziening voor gastouderopvang in ieder geval tweemaal per jaar wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker (6.1.6), worden relatief vaak tekortkomingen geconstateerd. Bij beide voorwaarden gaat het om 8 procent van alle beoordelingen. Dit is een toename ten opzichte van het jaar ervoor, toen ging het om respectievelijk 3 en 6 procent van de beoordelingen. Mogelijk heeft deze toename te maken met corona, aangezien het tweemaal per jaar bezoeken van de gastouder hierdoor niet altijd mogelijk was. Als er een tekortkoming op een van deze voorwaarden is geconstateerd, volgt bij 73 procent van die onderzoeken geen handhavingsadvies6.

De GGD-toezichthouder had vanwege de coronacrisis de mogelijkheid om vanwege verzachtende omstandigheden geen handhavingsadvies te geven als de tekortkoming het gevolg was van de corona­ maatregelen en de houder van het gastouderbureau kon aantonen dat al het mogelijke gedaan is om aan de eis te voldoen (zie ook paragraaf 5.8.1, ‘Jaarlijkse onderzoeken met handhavingsadvies’). Verder worden er, net als bij kindercentra, relatief vaak tekort­ komingen geconstateerd op de koppeling in het PRK (3.1.2, 6 procent tekortkomingen). Er is echter wel sprake van een lichte afname ten opzichte van 2019: toen werd nog bij 7 procent van de beoordelingen een tekortkoming geconstateerd. Ook bij de voorwaarde dat de 6 Hierbij zijn alleen onderzoeken meegenomen waar dit de enige tekortkoming binnen het onderzoek was.

1 2 3 4 5 6 7 8

64 Tabel 5.5a Beoordeling en tekortkomingen minimale inspectieactiviteit gob, 2020 % (b)

% (t)

98%

<1%

3.1.1 De houder en alle bij de onderneming werkzame personen zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag.

100%

1%

3.1.2 De houder draagt zorg voor de koppeling in het PRK.

99%

6%

3.1.3 De werkzaamheden vangen aan na inschrijving en koppeling in het PRK.

92%

2%

3.2.1 De houder begeleidt en bemiddelt aangesloten gastouders.

98%

0%

4.1.1 De houder zorgt ervoor dat elke voorziening voor gastouderopvang handelt volgens de opgestelde risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid.

100%

<1%

4.1.2 De houder inventariseert jaarlijks de veiligheids- en gezondheidsrisico’s bij een voorziening voor gastouderopvang.

99%

8%

100%

<1%

6.1.6 Elke voorziening voor gastouderopvang wordt in ieder geval tweemaal per jaar bezocht door een bemiddelingsmedewerker.

98%

8%

6.1.7 De houder evalueert jaarlijks de gastouderopvang met vraagouders.

96%

4%

6.2.1 De administratie bevat een overzicht van alle personen die werkzaam zijn bij de onderneming.

98%

<1%

6.2.2 De administratie bevat een overzicht van de omvang en de samenstelling van de oudercommissie.

60%

0%

6.2.3 De administratie bevat een afschrift van het reglement van de oudercommissie.

65%

<1%

6.2.4 De administratie bevat een overzicht van alle bij het gastouderbureau ingeschreven kinderen.

98%

0%

6.2.5 De administratie bevat een overzicht van alle personen die over een VOG moeten beschikken.

98%

2%

6.2.6 De administratie bevat afschriften van alle schriftelijke overeenkomsten met vraagouders.

99%

1%

6.2.7 De administratie bevat bankafschriften van betalingen tussen vraagouder en gastouderbureau.

92%

<1%

6.2.8 De administratie bevat bankafschriften van betalingen tussen gastouderbureau en gastouder.

91%

<1%

1

Pedagogisch beleid 2.2.1 De houder zorgt ervoor dat alle gastouders werken met een pedagogisch beleid dat leidt tot verantwoorde kinderopvang. Personeel

2 3

Veiligheid en gezondheid

4

Ouderrecht 5.1.1 In de overeenkomst met de vraagouder is inzichtelijk hoe de betaalde bedragen worden verdeeld over het gastouderbureau en de gastouder. Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht

% (b) = percentage jaarlijkse onderzoeken waarbij deze voorwaarde is beoordeeld. % (t) = percentage geconstateerde tekortkomingen ten opzichte van alle beoordelingen van deze voorwaarde.

5 6 7 8

65 % (b)

% (t)

6.2.9 De administratie bevat een jaaroverzicht per voorziening voor gastouderopvang.

95%

1%

6.2.10 De administratie bevat een jaaroverzicht per vraagouder.

95%

1%

6.2.11 De administratie bevat een inventarisatie van veiligheid- en gezondheidsrisico´s.

99%

<1%

6.2.12 De administratie is op korte termijn opvraagbaar door de toezichthouder.

99%

<1%

% (b) = percentage jaarlijkse onderzoeken waarbij deze voorwaarde is beoordeeld. % (t) = percentage geconstateerde tekortkomingen ten opzichte van alle beoordelingen van deze voorwaarde. Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

houder van het gastouderbureau jaarlijks de gastouderopvang evalueert met de vraagouders worden relatief vaker tekortkomingen geconstateerd (6.1.7, 4 procent tekortkomingen). Ook hier zien we een afname ten opzichte van het jaar ervoor, toen nog bij 8 procent van de beoordelingen een tekortkoming werd geconstateerd. Op de overige verplichte voorwaarden worden nauwelijks tekortkomingen geconstateerd (0 tot 2 procent).

5.5.2 Beoordeling aanvullende voorwaarden bij gastouderbureaus Naast de minimale inspectieactiviteit kan de GGD-toezichthouder aanvullende voorwaarden beoordelen. Voor gastouderbureaus gelden 44 aanvullende voorwaarden.7 Net als bij kindercentra hangt de mate waarin deze aanvullende voorwaarden worden meegenomen bij jaarlijkse onderzoeken samen met de voorgeschiedenis van de voorziening, de afspraken met de gemeente en het risicoprofiel van de voorziening. De aanvullende voorwaarden worden het minst vaak beoordeeld bij gastouderbureaus met een groen risicoprofiel (3 tot 29 procent), en de mate van beoordelen loopt op bij verzwaring van het risicoprofiel (geel 2 tot 57 procent, oranje 6 tot 85 procent en rood 9 tot 91 procent). Ook bij gastouderbureaus zien we een afname van de mate van beoordelen van de aanvullende voorwaarden ten 7 GGD GHOR Nederland (2020). ‘Model Inspectierapport Gastouderbureau’.

opzichte van 2019 (groen 5 tot 35 procent, geel 10 tot 60 procent, oranje 11 tot 82 procent en rood 24 tot 100 procent), maar deze afname is een stuk minder sterk dan bij kindercentra. Voorwaarden binnen het domein ‘Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht’, specifiek die over de kwaliteitscriteria, worden het vaakst beoordeeld. Deze voorwaarden gaan over de taken die de houder van het gastouderbureau heeft om zorg te dragen voor: • het per voorziening voor gastouderopvang beoordelen hoeveel kinderen en van welke leeftijd verantwoord opgevangen kunnen worden (6.1.1); • het intakegesprek met de gastouder bij de voorgenomen voorziening voor gastouderopvang (6.1.3); • het intakegesprek met de vraagouder (6.1.4); • het koppelingsgesprek tussen vraag- en gastouder (6.1.5). Bij 47 procent van de onderzoeken bij gastouderbureaus worden deze voorwaarden beoordeeld. Bij slechts 1 tot 2 procent van de beoordelingen wordt een tekortkoming geconstateerd. Dit geldt niet voor een laatste voorwaarde aan de kwaliteitscriteria: • het per voorziening voor gastouderopvang jaarlijks toetsen of deze voldoet aan de eisen aan speel- en slaapruimte, buitenspeel­ mogelijkheden, rookmelders en het rookvrij zijn van de voorziening (6.1.8).

1 2 3 4 5 6 7 8

66 Deze voorwaarde wordt iets minder vaak beoordeeld: bij 42 procent van de onderzoeken. Bij 6 procent van deze beoordelingen wordt een tekortkoming geconstateerd. Ook twee voorwaarden die gesteld worden aan de risicoinventarisatie veiligheid en gezondheid worden zeer regelmatig beoordeeld. Het gaat hierbij om de beschrijving van de veiligheidsen gezondheidsrisico’s die de opvang van kinderen met zich meebrengt, en het voor vraagouders inzichtelijk zijn van deze inventarisatie. Deze voorwaarden worden respectievelijk bij 46 en 45 procent van de jaarlijkse onderzoeken beoordeeld. Slechts 1 procent van de beoordelingen resulteert in een tekortkoming. Tot slot wordt de voorwaarde dat vraagouders, gastouders en personeel geïnformeerd worden over het inspectierapport regelmatig beoordeeld: bij 45 procent van de jaarlijkse onderzoeken. Er worden behoorlijk vaak tekortkomingen op deze voorwaarden geconstateerd. Maar liefst 8 procent van de beoordelingen resulteert in een tekortkoming.

5.6 Toezicht op voorzieningen voor gastouderopvang Het totale modelrapport voor voorzieningen voor gastouderopvang bestaat in 2020 uit 26 voorwaarden. Het totaal aantal voorwaarden bij voorzieningen voor gastouderopvang ligt daarmee een stuk lager dan bij kindercentra en gastouderbureaus. Verder geldt voor een steekproefonderzoek bij voorzieningen voor gastouderopvang geen minimale inspectieactiviteit. Aangezien voorzieningen voor gastouderopvang niet jaarlijks bezocht worden, worden bij het steekproefonderzoek de meeste voorwaarden van het toetsingskader beoordeeld. Een GGD-toezichthouder beoordeelt in 2020 gemiddeld 23 voorwaarden per steekproefonderzoek. De 26 kwaliteitseisen voor voorzieningen voor gastouderopvang kunnen geclusterd worden in vijf domeinen (tabel 5.6a). Net als in

2019 zien we dat twee voorwaarden in het domein ‘Eisen aan de gastouder’ beduidend minder vaak beoordeeld worden. Het gaat om de voorwaarden waarbij een recente VOG overhandigd moet worden op verzoek van de toezichthouder of het gastouderbureau (voorwaarden 3.1.3 en 3.1.4). Deze voorwaarden worden bij 20 tot 44 procent van de steekproefonderzoeken beoordeeld. Deze eisen kunnen alleen worden gesteld als de toezichthouder redelijkerwijs mag aannemen dat de oude VOG niet meer geldig is en worden dus alleen in die situaties beoordeeld. Ook de in 2020 toegevoegde voorwaarden aan de naleving van handhaving (voorwaarden 1.2.1 en 1.2.2) worden weinig beoordeeld: slechts bij 2 tot 3 procent van de steekproefonderzoeken. Er worden geen tekortkomingen geconstateerd op deze minder vaak beoordeelde voorwaarden. De meeste tekortkomingen bij voorzieningen voor gastouders worden geconstateerd op de voorwaarde dat de voorziening is voorzien van voldoende en goed functionerende rookmelders (9 procent tekort­ komingen). In 2019 werden op deze voorwaarde ook de meeste tekortkomingen geconstateerd, toen ging het om 8 procent tekortkomingen. Daarnaast zien we ook relatief veel tekortkomingen op de voorwaarde dat er een risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid is, toegespitst op het specifieke opvangadres (voorwaarde 5.1.1).

Bij 6 procent van de beoordelingen wordt hierbij een tekortkoming geconstateerd. Dit is minder dan in 2019, toen resulteerde 8 procent van de beoordelingen in een tekortkoming. Ook op de voorwaarde dat er gehandeld wordt volgens de veiligheids- en gezondheidsmaatregelen uit het plan van aanpak worden relatief vaak tekortkomingen geconstateerd, maar ook hier zien we een afname ten opzichte van 2019. In 2019 ging het nog om 6 procent tekortkomingen, in 2020 is dit gedaald tot 4 procent. Tot slot valt op dat er in 2020 relatief minder tekortkomingen worden geconstateerd op de voorwaarden over de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en hoe te handelen bij een vermoeden over

1 2 3 4 5 6 7 8

67 Tabel 5.6a Beoordelingen en tekortkomingen bij vgo, 2020 % (b)

% (t)

72%

1%

1.1.3 De gastouder is niet ontheven uit (ouderlijk) gezag en heeft geen kinderen die onderworpen zijn aan (voorlopige) ondertoezichtstelling.

51%

<1%

1.2.1a De gastouder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn.

3%

0%

1.2.2a De gastouder neemt het door het college opgelegde exploitatieverbod in acht.

2%

0%

96%

2%

3.1.1 Alle personen ouder dan achttien jaar zijn in bezit van een VOG en staan ingeschreven in het PRK.

98%

2%

3.1.2a Alle personen ouder dan achttien jaar zijn in het PRK gekoppeld aan het gastouderbureau.

97%

3%

3.1.3 Op verzoek van de toezichthouder wordt een recente VOG overhandigd van de gastouder en alle personen ouder dan 18 jaar.

44%

1%

20%

0%

3.2.1 De gastouder beschikt over een passende opleiding.

95%

1%

3.2.2 De gastouder beschikt over een certificaat kinder-EHBO.

98%

1%

3.3.1 De Nederlandse taal wordt als voertaal gebruikt.

96%

<1%

4.1.1 Er is voldoende speel- en slaapruimte voor kinderen.

97%

2%

4.1.2 Er zijn voldoende buitenspeelmogelijkheden.

97%

1%

4.1.3 De voorziening is voorzien van voldoende en goed functionerende rookmelders.

95%

9%

4.1.4 De voorziening is ten alle tijden rookvrij.

96%

1%

4.2.1 Er worden maximaal zes kinderen gelijktijdig opgevangen, waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van kinderen.

98%

1%

4.3.1 De gastouder is goed telefonisch bereikbaar.

89%

<1%

Registratie en naleving 1.1.2

Opvang vindt plaats door tussenkomst van een gob en op het adres van de gastouder of vraagouder. De gastouder is niet de (partner van de) ouder van de op te vangen kinderen, is ouder dan 18 jaar en heeft geen personeel in dienst.

Pedagogisch klimaat 2.1.1 De gastouder handelt volgens het pedagogisch beleidsplan wat leidt tot verantwoorde kinderopvang.

1 2 3

Eisen aan de gastouder

3.1.4

Wanneer een toezichthouder vermoedt dat een persoon (vanaf 12 jaar) niet voldoet aan de eisen van een VOG, wordt op verzoek een recente VOG overhandigd.

Accommodatie en inrichting

% (b) = percentage jaarlijkse onderzoeken waarbij deze voorwaarde is beoordeeld. % (t) = percentage geconstateerde tekortkomingen ten opzichte van alle beoordelingen van deze voorwaarde. a: Deze voorwaarden zijn in 2020 nieuw aan het toetsingskader toegevoegd.

4 5 6 7 8

68 % (b)

% (t)

86%

<1%

5.1.1 Er is een risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid toegespitst op het specifieke opvangadres.

96%

6%

5.1.2a De risico-inventarisatie is inzichtelijk voor vraagouders.

95%

3%

5.1.3 Er wordt gehandeld volgens de veiligheids- en gezondheidsmaatregelen uit het plan van aanpak.

92%

4%

5.1.4 Er is een actuele lijst van ongevallen die hebben plaatsgevonden.

85%

<1%

5.2.1 De gastouder heeft kennis over de meldcode en handelt hiernaar.

97%

2%

88%

3%

4.3.2 De gastouder zorgt voor adequate vervanging bij calamiteiten. Veiligheid en gezondheid

5.2.2

De gastouder heeft kennis over de handelswijze wanneer een houder van een gastouderbureau zich schuldig maakt aan mishandeling of een zedenmisdrijf.

% (b) = percentage jaarlijkse onderzoeken waarbij deze voorwaarde is beoordeeld. % (t) = percentage geconstateerde tekortkomingen ten opzichte van alle beoordelingen van deze voorwaarde. a: Deze voorwaarden zijn in 2020 nieuw aan het toetsingskader toegevoegd. Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

mishandeling of zedenmisdrijf (voorwaarden 5.2.1 en 5.2.2). In 2019 werd bij 4 tot 5 procent van de beoordelingen op deze voorwaarden een tekortkoming geconstateerd, in 2020 is dit gedaald naar 2 tot 3 procent tekortkomingen. De kennis over de meldcode lijkt dus verbeterd te zijn.

5.7 Herstelaanbod Vanaf 2019 is de werkwijze herstelaanbod landelijk ingevoerd (zie figuur 5.7a). Het doel van een herstelaanbod is om tekortkomingen nog voor het afsluiten van het inspectietraject te laten herstellen. Zo kan voorkomen worden dat tekortkomingen onnodig lang blijven bestaan, terwijl inzichtelijk blijft op welke voorwaarden tekort­ komingen werden geconstateerd. Het herstelaanbod vervangt het informele instrument overleg en overreding8, wat voorheen door veel GGD’en werd ingezet, maar niet werd geregistreerd in de GIR.

8 Hier wordt specifiek overleg en overreding door de GGD-toezichthouder bedoeld. Overleg en overreding door gemeenten is een handhavingsinstrument dat nog steeds door gemeenten ingezet kan worden.

1 2 3 4 5 6 7 8

69 Figuur 5.7a Schematische weergave inzet herstelaanbod* Jaarlijks onderzoek

Wel tekortkomingen

Geen herstelaanbod

Tekortkoming(en) niet hersteld

Geen tekortkomingen

Wel herstelaanbod

Tekortkomingen deels hersteld

Wel handhavingsadvies

Tekortkoming(en) hersteld

Geen handhavingsadvies

* Inzet herstelaanbod volgens het advies van GGD GHOR Nederland en VNG Naleving. Gemeenten en GGD’en kunnen hiervan afwijken, uitzonderingen worden niet weergegeven in het schema. Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

Uit de evaluatie van het herstelaanbod, uitgevoerd door VNG Naleving en GGD GHOR Nederland9, komt naar voren dat alle GGD’en en bijna alle deelnemende gemeenten met het herstelaanbod werken. Vrijwel alle GGD’en en deelnemende gemeenten geven aan dat het herstelaanbod leidt tot snellere en betere naleving van de kwaliteitseisen. Bovendien geeft een meerderheid van de GGD’en aan dat een herstelaanbod leidt tot een meer actieve houding van houders om te voldoen aan de kwaliteitseisen. GGD’en en gemeenten geven dan ook aan enthousiast te zijn over het herstelaanbod en ermee door te willen gaan. De ervaringen van houders van kinderopvang­ voorzieningen met het herstelaanbod waren geen onderdeel van de 9 VNG Naleving & GGD GHOR Nederland (2021). Verder met Herstelaanbod: Evaluatie van de ervaringen van gemeenten en GGD’en met herstelaanbod.

evaluatie. Naar aanleiding van de resultaten van de evaluatie zien VNG Naleving en GGD GHOR Nederland weinig reden om het herstelaanbod aan te passen. Er worden wel enkele kleine aanpassingen gemaakt om de werkwijze beter aan te laten sluiten bij de praktijk.

1

5.7.1 Inzet herstelaanbod

2

Bij ruim de helft van de onderzoeken met tekortkomingen wordt gebruikgemaakt van het herstelaanbod (zie tabel 5.7a). Bij kindercentra en gastouderbureaus wordt herstelaanbod bij ongeveer de helft van de jaarlijkse onderzoeken met tekortkomingen ingezet (48 tot 58 procent), bij voorzieningen voor gastouderopvang gaat het zelfs om 77 procent.

3

De inzet van herstelaanbod bij kindercentra is vergelijkbaar met 2019 (50 tot 51 procent). Bij gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang zien we een stijging van de inzet van het herstelaanbod. In 2019 werd herstelaanbod ingezet bij 53 procent van de gastouderbureaus en 69 procent van de voorzieningen voor gastouderopvang, in 2020 is dit gestegen tot respectievelijk 58 en 77 procent. Dit komt overeen met de resultaten van de evaluatie van het herstelaanbod, waarin 21 van de 26 GGD’en aangeven dat het toezicht in de coronaperiode geen effect heeft gehad op het wel of niet aanbieden van herstelaanbod. Ook uit de vragenlijst over de coronamaatregelen komt hetzelfde beeld naar voren: geen van de 26 GGD’en geeft aan dat ze bij het prioriteren van de onderzoeken in 2020 besloten hebben minder herstelaanbod in te zetten en 1 GGD gaf aan juist meer herstelaanbod in te hebben gezet.

4 5 6 7 8

70 Tabel 5.7a Inzet van herstelaanbod bij jaarlijkse onderzoeken met tekortkomingen, 2020 kdv

bso

vgo

gob

Totaalaantal onderzoeken met tekortkomingen

2.095

1.263

103

471

Herstelaanbod ingezet

1.002

633

60

364

Op alle tekortkomingen

820

523

45

350

Op deel tekortkomingen

182

110

15

14

Percentage herstelaanbod ingezet

48%

50%

58%

77%

Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2021

of wanneer er geen herstellende maar bestraffende handhaving ingezet zal worden. In deze situaties kan het wenselijk zijn om door het bieden van een herstelaanbod in te zetten op snel herstel voor die tekortkomingen die daar wel voor in aanmerking komen. Herstelaanbod wordt niet aangeboden als daarnaast tekortkomingen met het advies tot handhaven bestaan waarvoor herhaling, ernst of spoed geldt. Een herstelaanbod zorgt namelijk voor het verlengen van het proces, waardoor de gemeente pas later een handhavingsadvies voor de andere tekortkomingen zou ontvangen en de tekortkomingen daardoor dus langer blijven bestaan. Het advies van GGD GHOR Nederland en VNG Naleving is hierop bijgesteld, waarbij aanbevolen is maatwerk toe te passen waar dat wenselijk is. Afstemming tussen GGD en gemeente blijft hierbij van groot belang.

5.7.2 Inzet herstelaanbod en type tekortkomingen Er is een fors verschil in de mate van inzet van herstelaanbod tussen de GGD-regio’s. Het percentage tekortkomingen waarop herstelaanbod is ingezet, loopt uiteen van 18 tot 72 procent. In het ‘Landelijk Rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang 2019’ rapporteerden we dat het advies van GGD GHOR Nederland en VNG Naleving, om het herstelaanbod alleen aan te bieden als dit van toepassing is op alle tekortkomingen binnen een onderzoek, niet altijd opgevolgd wordt. In 2020 zien we dat het inzetten van herstelaanbod op slechts een deel van de tekortkomingen nog iets vaker voorkomt. Net als in 2019 komt dit het vaakst voor bij gastouderbureaus, namelijk bij 25 procent van de onderzoeken (23 procent in 2019). Bij kinderdagverblijven en buitenschoolse opvangvoorzieningen zien we het bij 18 en 17 procent (respectievelijk 17 en 13 procent in 2019), en bij voorzieningen voor gastouderopvang komt dit met 4 procent het minst voor (3 procent in 2019). GGD GHOR Nederland herkent dat GGD’en herstelaanbod aanbieden als niet alle tekortkomingen hiervoor in aanmerking komen. Er blijken echter gegronde redenen te zijn om dit te doen, zoals wanneer er voor de andere tekortkomingen verzachtende omstandigheden gelden,

Herstelaanbod kan op alle typen tekortkomingen ingezet worden, maar dit gebeurt niet in dezelfde mate. Uit de evaluatie van het herstelaanbod10 komt naar voren dat bij een ruime meerderheid van de GGD’en en de helft van de gemeenten niet alle overtredingen in aanmerking komen voor herstelaanbod. Drie voorwaarden worden hierbij het meest genoemd: • de beroepskracht-kindratio (BKR); • de VOG en inschrijving in het PRK; • de pedagogische praktijk. Bij kindercentra wordt met name herstelaanbod ingezet bij tekortkomingen op het pedagogisch beleid (56 procent) en op het veiligheids- en gezondheidsbeleid (42 procent). Vorig jaar zagen we dit ook terug (in 2019 ging het om respectievelijk 55 en 47 procent). Bij tekortkomingen op voorschoolse educatie wordt minder vaak een herstelaanbod gedaan. In 2020 ging het om 33 procent, in 2019 was 10 VNG Naleving & GGD GHOR Nederland (2021). Verder met Herstelaanbod: Evaluatie van de ervaringen van gemeenten en GGD’en met herstelaanbod.

1 2 3 4 5 6 7 8

71 dit nog 41 procent. Net als vorig jaar, en volgens de evaluatie van VNG Naleving en GGD GHOR Nederland, zien we relatief weinig herstelaanbod bij eisen aan de VOG en het PRK (31 procent, in 2019 ging het nog om 38 procent). Bij gastouderbureaus wordt het vaakst een herstelaanbod gedaan op voorwaarde van VOG en PRK (65 procent). Dit is een toename ten opzichte van 2019, toen werd bij 43 procent van deze tekortkomingen een herstelaanbod geboden. Ook in het geval van tekortkomingen in de administratie van het gastouderbureau wordt vaak een herstel­ aanbod gedaan (61 procent), hier zien we ook een stijging ten opzichte van 2019 (36 procent). Net als vorig jaar zien we relatief weinig herstelaanbod bij tekortkomingen op voorwaarden over de kwaliteitscriteria. In 2020 wordt bij 16 procent van deze tekort­ komingen een herstelaanbod geboden, in 2019 ging het nog om 20 procent. Bij voorzieningen voor gastouderopvang wordt zeer vaak (80 procent) een herstelaanbod geboden bij tekortkomingen op de speel- en slaapruimte en buitenspeelmogelijkheid). Dit zagen we vorig jaar ook, toen ging het om 78 procent.

Daarnaast wordt vaak een herstel­ aanbod gedaan bij tekortkomingen op: • de risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid (73 procent in 2020, 65 procent in 2019); • de deskundigheid van de gastouder (68 procent in 2020, 65 procent in 2019); • de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (56 procent in 2020, 49 procent in 2019); • de VOG en PRK (47 procent in 2020, 54 procent in 2019). Bij tekortkomingen op de pedagogische praktijk wordt, net als vorig jaar, minder vaak een herstelaanbod geboden. In 2020 is dat het geval bij 28 procent van de tekortkomingen, in 2019 ging het nog om 32 procent. Dit zien we ook terug bij tekortkomingen op de groepssamenstelling (27 procent in 2020, 26 procent in 2019).

5.7.3 Herstel na herstelaanbod De meeste tekortkomingen worden binnen het onderzoek hersteld na de inzet van een herstelaanbod (zie figuur 5.7b). Afhankelijk van het type opvang herstelt de houder van een kinderopvangvoorziening 90 tot 99 procent van de tekortkomingen. Op basis van de eerdergenoemde uitkomsten van de evaluatie van het herstelaanbod én de hoge herstelpercentages, lijkt het herstelaanbod een effectief instrument om tekortkomingen te herstellen nog voordat het inspectierapport wordt vastgesteld. Vergeleken met vorig jaar zien we een stijging in de herstelpercentages na herstelaanbod. In 2019 ging het om 91 procent van de tekortkomingen bij kinderdagverblijven, buitenschoolse opvangvoorzieningen en gastouderbureaus die werden hersteld, en 97 procent van de tekortkomingen bij voorzieningen voor gastouderopvang. Op het herstelpercentage bij kinderdagverblijven na zien we in 2020 dus een toename van het percentage herstelde tekortkomingen. Of de tekortkoming na herstelaanbod is hersteld is nuttige informatie voor de GGD-toezichthouder. Deze informatie kan gebruikt worden bij het bepalen van het risicoprofiel van een voorziening. Een van de indicatoren in het risicomodel11, nalevingsbereidheid, gaat in op het doel van handhaving en in hoeverre de houder van de kinderopvang­ voorziening, eventueel na handhaving, voldoet aan de kwaliteitseisen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=833d9a31-b328-48f6-a7d4-e503af1787b1