Bestemmingsplan Spankeren 2017, locatie Landweg tussen nummer 2 en 4 Toelichting Bijlagen (21.73)
Tekst van het document
Onderzoeksvragen definitieve opgraving • • •
• • •
• • •
•
Wat is de aard van de vondsten en de verspreiding per vondstcategorie, per periode en naar hun relatie met de grondsporen/structuren? Wat is de vermoedelijke begrenzing van de vindplaats(en)? Wat is de aard en spreiding van de sporen? Zijn er structuren te herkennen? Wat is de datering van de structuren? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen met vergelijkbare structuren elders in het Utrechts-Gelders zandgebied? Zijn er naast sporen van bewoning (paalkuilen, afvalkuilen, waterputten etc.) ook andere resten te herkennen? Wat is de spreiding van de sporen per periode? Zijn er meerdere fasen van bewoning aan te wijzen? Is er sprake van een continuïteit in de bewoningsgeschiedenis van de onderzoekslocatie? En zo ja, tussen welke perioden is er sprake van bewoningscontinuïteit? Hoe verhoudt zich de locatie tot het landschap? Wat is de relatie met vindplaatsen in de directe omgeving? Zijn er activiteitenzones aan te wijzen?
Aan de beantwoording van welke NOaA 2.0-onderzoeksvragen kan dit onderzoek een bijdrage leveren? Wat is deze bijdrage, per onderzoeksthema?
3
2.
Vooronderzoek
Het vooronderzoek voor het onderzoek aan de Landweg 4 te Spankeren bestaat uit een bureau- en inventariserend veldonderzoek van de Spankerense Enk (zie Schuurman en Willemse 2008), een verkennend veldonderzoek van de bebouwde kom van Spankeren (zie Willemse 2005) en het Programma van Eisen opgesteld voor het onderzoek (zie Rap 2019). Ook is voor dit onderzoek ook gebruik gemaakt van de informatie van het archeologisch onderzoek aan de Van Rensselaerweg 2 (zie Pronk 2017 en Veenstra 2018). De gebruikte bronnen voor dit hoofdstuk zijn opgenomen aan het einde van dit rapport. Voor de paragraaf over de fysische geografie zijn kaarten van de bodem, de geologie, geomorfologie en de fysische geografie geraadpleegd, evenals het Actueel Hoogtebestand Nederland. De archeologische informatie komt vooral uit ARCHIS 3, het archeologisch registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Deze databank is toegankelijk voor organisaties die werkzaam zijn in de archeologie. Hier kunnen vondstmeldingen, waarnemingen en archeologische terreinen worden ingezien. Het bevat een GIS-systeem waarin de archeologische kaart en aardkundige kaarten geraadpleegd kunnen worden. Een andere bron is Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK), een dienst van de overheid met open-datasets van actuele geo-informatie.
Voor de paragraaf over de historische geografie is onder meer gebruik gemaakt van historische kaarten en de website van Topotijdreis (www.topotijdreis.nl). Hierop zijn historische-topografische kaarten in te zien.
4
2.1 Fysische geografie De hoogte in het plangebied is circa 12 meter boven NAP (zie Figuur 2). Op zowel de bodemkaart als de geomorfologische kaart is het terrein niet gekarteerd vanwege bebouwing. Extrapolatie van de omliggende gebieden op de bodemkaart leidt tot een bodem-classificatie als hoge zwarte enkeerdgronden met grof zand (code gzEZ30). Op de geomorfologische kaart bestaat het omliggende gebied uit een daluitspoelingswaaier (code 4G21). Bij eerder onderzoek is het landschap en de bodem in en om Spankeren al uitvoerig besproken. De relevante informatie over de bodem en het landschap uit de eerdere onderzoeken wordt hieronder weergegeven. “Het plangebied ligt op de oostelijke helft van een overgangszone tussen de hoog opgestuwde, rivierafzettingen ten westen van Dieren (de stuwwal van de zuidoostelijke Veluwe), het zuidelijk daarvan gelegen rivierdal van de IJssel en het noordelijk daarvan gelegen dekzandgebied van het Soerensche Broek. Deze overgangszone bestaat uit sneeuwsmeltwater- en daluitspoelingswaaierafzettingen (relatief heterogene, pleistocene afzettingen van al dan niet grindrijk stuwwalmateriaal vermengd met dekzand en/of löss), waarin in het Holoceen veld- en moderpodzolen zijn ontstaan.” (Pronk 2017, p.
9) “Uit het booronderzoek bleek dat rondom het plangebied een bodemopbouw aanwezig is bestaande uit bouwvoor met daaronder een esdek (bestaand uit plaggen). Hieronder is een oudere akkerlaag aanwezig, gevolgd door een BC- en C-horizont. Deze lagen bestaan uit matig fijn, matig siltig zand. In de boringen rondom het plangebied (nummers. 230, 419421; Schuurman & Willemse 2008) werden in de bouwvoor, het esdek en de akkerlaag archeologische indicatoren aangetroffen. Het esdek en de akkerlaag bieden goede bescherming voor archeologische resten in de podzolbodem daaronder.” (Rap 2019, p. 5)
5
Figuur 2.
Spankeren, Landweg 4: hoogtekaart van de omgeving van Spankeren en het plangebied. Het plangebied litg in de overgangszone tussen de hogere gronden van de Veluwe in het westen en het lager stroomgebied van de IJssel. Bron: Actueel Hoogtebestand Nedederland.
6
2.2
Archeologie
De archeologische waarden in de omgeving zijn zowel in het vooronderzoek als in het Programma van Eisen besproken en worden hieronder kort vermeld. In Figuur 3 zijn de locaties van het AMK-terrein (12704), de onderzoeksmeldingen en de vondstmeldingen weergegeven. Een korte omschrijving van de de archeologische waarde, inclusief een referentie, staat in Tabel 2. “De directe omgeving van onderhavig plangebied was waarschijnlijk vanaf het Mesolithicum continu bewoond, getuige het grote aantal vindplaatsen vanaf die periode. Deze maken deel uit van een terrein van hoge archeologische waarde (CMA-code 33G015, monumentnummer 12704). Het betreft vuurstenen artefacten uit het Mesolithicum en/of Neolithicum en scherven aardewerk uit de Bronstijd en/of IJzertijd en de Late Middeleeuwen, gevonden bij booronderzoek en oppervlaktekarteringen op de Spankerense Enk. Buiten het AMK-terrein zijn ook vindplaatsen bekend uit dezelfde perioden, waaronder een geslepen bijl van kwartsitische zandsteen uit de periode Midden Neolithicum tot en met Bronstijd (ARCHIS-vondstmeldingsnummer 402484). Tijdens het booronderzoek (Schuurmans & Willemse, 2008) is een groot aantal waarnemingen toegevoegd, die vooral bestaan uit prehistorisch en middeleeuws aardewerk en prehistorische vuurstenen artefacten.” (Pronk 2017, p. 9).
“Net ten oosten van het plangebied (Figuur 3) zijn tijdens het booronderzoek van RAAP middeleeuws aardewerk, prehistorisch aardewerk en vuurstenen artefacten gevonden (boringen 45-47; Schuurman & Willemse 2008). Verder zijn er twee archeologische onderzoeken die specifiek benoemd dienen te worden. Allereerst een archeologische begeleiding circa 150 meter ten zuiden van het plangebied (zaaknummer 2142225100; Schabbink & Willemse 2008). Deze ligt tevens binnen 'vindplaats 5' in het booronderzoek van RAAP (zaaknummer 2108010100; Schuurman & Willemse 2008). Bij de begeleiding werden zowel grondsporen aangetroffen als vondsten gedaan uit de periode neolithicum t/m late middeleeuwen. Hieruit blijkt dat zich in vindplaats 5 wel degelijk archeologische resten bevinden die behoudenswaardig zijn. Mogelijk loopt deze vindplaats door in het plangebied. Daarnaast is circa 300 meter ten westen van het plangebied in 2018 een opgraving uitgevoerd door De Steekproef bv (zaaknummer 4617546100; Veenstra 2018). Hierbij zijn een zespalige spieker gevonden en mogelijk een deel van een huisplattegrond. Op basis van het aardewerk dat in de sporen is gevonden zijn deze voorlopig gedateerd in de vroege bronstijd en de ijzertijd.” (Rap 2019, p. 6).
7
Figuur 3.
Spankeren, Landweg 4: locatie van de bekende archeologische waarden in het gebied. Ten oosten van het plangebied zijn drie overlappende onderzoeken uitgevoerd, alleen de nummer van het booronderzoek (2467669100) is zichtbaar. Na het booronderzoek werd op dezelfde locatie nog een proefsleuvenonderzoek (3995175100) en een opgraving (4617546100) uitgevoerd. Bron: Archis 3.
8
Tabel 2: Spankeren, Landweg 4: archeologische waarden rondom het plangebied. Voor de locatie zie Figuur 3. Zaaknummer
Omschrijving
Datering
Het Loo, De Peppel, Kerkweg. Aaneengesloten zone met een hoge dichtheid aan archeologische resten (palimpsest). De vondstlagen worden afgedekt door een meer dan 40 cm dik plaggendek en lijken daardoor goed geconserveerd te zijn.
Mesolithicum – ijzertijd, Late middeleeuwen.
2108010100
Meerdere vondsten gedaan bij de verkenning van de Spankerensche Enk, o.a. aardewerk en vuursteen.
Mesolithicum – nieuwe tijd.
2142225100
Begeleiding, onder de es zijn sporen uit de ijzertijd gevonden. Ook aardewerk uit de bronstijd en late middeleeuwen – nieuw tijd.
Bronstijd – nieuwe tijd.
3206217100
Verspreid over het terrein werd bij een booronderzoek onder meer aardewerk en vuursteen aangetroffen.
Mesolithicum – late middeleeuwen.
3995175100
Bij een proefsleuvenonderzoek werden sporen en aardewerk aangetroffen.
Bronstijd – ijzertijd.
AMK-terreinen 12704
vondstmeldingen
onderzoeksmeldingen 2108010100
Archeologische verkenning van de Spankerensche Enk via booronderzoek. Meerdere vindplaatsen uit de periode mesolithicum tot late middeleeuwen werden aangetroffen. Schuurman en Willemse 2008.
2142225100
Archeologische begeleiding/opgraving van bergbezinkbassin. Sporen en vondsten gedaan uit de ijzertijd tot nieuwe tijd. Schabbink en Willemse 2008.
2305651100
Briefrapport Zuthpensestraat 45. Onderzoeksgebied al opgenomen in onderzoek van Schuurman en Willemse uit 2008. Van Putten 2010.
2467669100
Booronderzoek van Rensselaerweg 2. Vervolg naar proefsleuven. Goossens 2015.
3995175100
Proefsleuvenonderzoek van Rensselaerweg 2. Zelfde locatie als 2467669100. Vervolg naar definitieve opgraving. Pronk 2017
4617546100
Opgraving van Rensselaerweg 2. Zelfde locatie als 2467669100 en 3995175100. Resten uit de ijzertijd. Veenstra 2018.
4042631100
Bureauonderzoek en bouwhistorischonderzeok aan de Petruskerk. Van den Bosch 2017.
9
2.3
Historische geografie
“In het begin van de 19e eeuw bestond Spankeren uit een kerk (11e eeuw) en 23 woningen, die beschouwd kunnen worden als de oudste woonlocaties van het dorp (Schuurman & Willemse 2008). Na de aanleg van het Apeldoornsch Kanaal in 1869 duurde het nog enkele decennia voordat de eerste bedrijven zich daar vestigden. De eerste grootschalige bedrijfsbebouwing aan de Spankerense zijde van het Apeldoornsch Kanaal dateert uit 1916. De ontwikkelingen in de dorpskern zijn ook na de Tweede Wereldoorlog bescheiden gebleven.” (Willemse 2005, p. 37). “Op de kadastrale kaart van 1811-1832 was het plangebied in gebruik als bouwland van de Pastorij van Spankeren. Ook op kaartmateriaal van later in de negentiende en twintigste eeuw is het terrein in gebruik als bouwland of tuin. In de loop van de tijd worden er steeds meer huizen langs de Landweg gebouwd.” (Rap 2019, p. 5). In het plangebied is geen historische bebouwing bekend. Op de historisch-topografische kaarten is vanaf de jaren zeventig in het noordelijk deel van het plangebied een bijgebouw te zien (zie Figuur 4).
10
Figuur 4.
Spankeren, Landweg 4: historisch-topografische kaarten vanaf 1905. De ontwikkeling in de kern van het dorp zijn erg bescheiden. Bron: www.topotijdreis.nl.
11
2.4
Archeologische verwachting (naar Rap 2019, pp. 6-7)
Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Het is onbekend of er een vindplaats is. Binnen het plangebied zijn geen vondsten gedaan; mogelijk behoort het plangebied tot een vindplaats daterend van het neolithicum t/m de late middeleeuwen (Schuurman & Willemse 2008; Schabbink & Willemse 2008). Zowel eerdere als latere perioden worden niet uitgesloten. Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) Het is onbekend of er een vindplaats is. Mogelijk is er in het plangebied een deel van een grotere vindplaats aanwezig, die zich uitstrekt tot buiten de grenzen van het plangebied. Structuren en sporen Het is onbekend of er een vindplaats is. Eventuele grondsporen kunnen worden verwacht in de top van de C-horizont. Dergelijke sporen kunnen deel uitmaken van structuren zoals huisplattegronden of spiekers, maar ook de restanten zijn van afvalkuilen, waterputten of greppels. Ook is er een kans op urnen en grafstructuren. Anorganische artefacten Vondsten uit het plangebied zullen hoogstwaarschijnlijk dateren uit de perioden mesolithicum tot en met de middeleeuwen. Verwachte anorganische artefacten zijn voornamelijk aardewerk, maar ook met bewerkt (vuur)steen, keien, verbrande leem en mogelijk metalen voorwerpen (alleen in zuurstofarme context) moet rekening worden gehouden.
Organische artefacten Organische artefacten kunnen bestaan uit houtskool of uit bot-, hoorn- en houtresten die zich onder de waterspiegel bevinden (bv. in diepere sporen zoals waterputten). De verwachting voor niet verbrand organisch materiaal is gezien de bodemsoort (zand) laag. Verbrand organisch materiaal kan bewaard gebleven zijn. Archeozoölogische , botanische en fysisch antropologische resten Verbrande mensen- en dierenbotten, macroresten (bv. verkoolde zaden en granen) of botten / macroresten / pollen die zich onder de waterspiegel bevinden (bv. in diepere sporen zoals waterputten) zullen bewaard zijn gebleven. De verwachting voor nietverbrande of in droge context bewaarde paleo-ecologische resten is, gezien de bodemsoort, laag. Motivatie Het plangebied ligt op een AMK-terrein. Binnen dit terrein zijn meerdere archeologische vindplaatsen bekend daterend van het mesolithicum t/m de late middeleeuwen. Ook binnen het plangebied kunnen archeologische waarden aanwezig zijn. Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen Eventuele vondsten kunnen zich voordoen vanaf het esdek onder de bouwvoor. Ook in de oude akkerlaag daaronder kunnen zich artefacten bevinden. Eventuele archeologische sporen zullen zich waarschijnlijk aftekenen in de top van de C-horizont.
In de boringen rondom het plangebied (Schuurman & Willemse 2008) waren de lagen aanwezig respectievelijk op een diepte van circa 35 centimeter, 55 centimeter en 90 centimeter 12
onder maaiveld. Gaafheid en conservering Het is onbekend of er een vindplaats is. Gezien de conditie van bodemprofielen aangrenzend aan het plangebied (Schuurman & Willemse 2008) kunnen eventuele archeologische sporen in goede staat verkeren. De organische conservering is, gezien het bodemtype (zand), naar verwachting laag. Er is geen “Bijlage verwachte vondstaantallen” toegevoegd aan dit PvE. Er zijn uit de omgeving zowel onderzoeken bekend met relatief weinig vondsten (Veenstra 2018) als met relatief veel vondstmateriaal (Schabbink & Willemse 2008).
2.5
Archeologisch Beleid
Op de internetpagina over bestemmingsplannen (www.ruimtelijkeplannen.nl) is te zien dat er het plangebied in een zone ligt met dubbelbestemming Waarde archeologie 1. In deze zone geldt dat bij bouwwerken groter dan 100 m2 en bodemingrepen dieper dan 30 centimeter, archeologische onderzoek verplicht is. Het plangebied ligt zowel in een AMK-terrein als een in een onderzoeksterrein waar, in de nabij omgeving van het plangebied, een vindplaats is vastgesteld (zie Schuurman & Willemse 2008). Omdat zowel de oppervlakte norm als de diepte van de bodemingrepen de vrijstellingsnorm overschrijden is op 24 juni 2019 een archeologisch onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek met een doorstart naar een definitieve opgraving uitgevoerd.
13
3.
Veldonderzoek
3.1
Werkwijze
Het veldwerk is op 24 juni 2019 uitgevoerd onder extreem warme omstandigheden (35ºC). Er is gewerkt conform BRL 4000, protocol 4003: IVO-P en 4004 Opgraven. Het onderzoek werd gestart met het aanleggen van één proefsleuf (circa 72 m 2). Omdat binnen de proefsleuf sporen werden aangetroffen werd in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid direct een doorstart gemaakt om het hele bouwoppervlak op te graven (zie Figuur 6). Vanwege de logistieke uitdaging (boomstronken en daardoor beperkte ruimte voor de kraan en stort) moest dit vroegtijdig worden besloten om het werk soepel te laten verlopen (zie Figuur 5). De proefsleuf werd uitgebreid waarbij het totaal opgegraven deel op 140m2 uitkwam. De werkput werd gegraven met een graafmachine met een gladde bak. De graafwerkzaamheden werden uitsluitend uitgevoerd bij aanwezigheid en op aanwijzing van een senior KNA-archeoloog. Het pakket boven de C-horizont werd in lagen van vijf tot tien centimeter afgegraven waarbij gelet is op vondstconcentraties en (doorschemerende) grondsporen. Er werd één leesbaar vlak aangelegd in de top van de C-horizont. Tijdens de aanleg van de vlakken werd de grond (ook de stort) met een metaaldetector onderzocht. De vlakken en sporen zijn digitaal ingemeten met een RTK-GPS. Alle archeologische sporen zijn gefotografeerd, ingemeten en getekend.
Vanwege de doorstart naar een definitieve opgraving werden alle sporen afgewerkt en zijn deze doorzocht op vondsten. Voor de bodemopbouw is één profielkolom gedocumenteerd (gefotografeerd en getekend).
Figuur 5.
Spankeren, Landweg 4: tussen de boomstronken in wordt er gestart met de aanleg van de proefsleuf. 14
Figuur 6.
Spankeren, Landweg 4: de locatie van de proefsleuf (geel) binnen het plangebied waar het onderzoek mee start. Omdat er sporen werden aangetroffen in de proefsleuf werd er direct een doorstart gemaakt naar een definitieve opgraving van het te bebouwen gebied (blauw).
15
3.2
Resultaten
Bodemopbouw Om de bodemopbouw van het gebied te onderzoeken is in het zuidwesten van de werkput een profielkolom gedocumenteerd. In het profiel zijn vier lagen te onderscheiden (zie Figuur 7). De toplaag bestaat uit wit bestratingszand. Daaronder bevindt zich het donkerbruine esdek. De top van dit esdek toont sporen van recente verploeging. Vanaf circa 50 centimeter onder het maaiveld ligt het onaangetaste esdek. Deze laag is ook lichter van kleur. De C-horizont ligt direct onder het esdek vanaf ongeveer 70 centimeter onder het maaiveld.
Figuur 7.
Spankeren, Landweg 4: profiel aan de westzijde van de werkput. Vier lagen zijn te onderscheiden: bestratingszand, esdek (deels verploegd), onaangetast esdek en de Chorizont.
Sporen Tijdens het onderzoek zijn vier sporen vastgelegd. Spoor 1 is vermoedelijk een prehistorische greppel. De greppel begint tussen twee verstoringen in (veroorzaakt door het verwijderen van een zwembad, zie Figuur 6) en buigt richting het noorden af de putwand in. De greppel is circa 60 centimeter breed en is circa 950 centimeter lang. Het diepste punt van de greppel was 20 centimeter onder het vlak. De greppel is in zijn geheel doorgespit, maar er zijn geen vondsten gedaan (zie Figuur 8). Spoor 2 bleek na het couperen een natuurlijke verkleuring te zijn. Spoor 3 daarentegen bleek nog de onderkant van een paalgat te zijn. De afmetingen waren 71 bij 44 centimeter en de diepte was circa 8 centimeter. In dit spoor werden ook geen vondsten gedaan. In het noorden van de werkput lag spoor 4. Dit spoor is geïnterpreteerd als een (recente) sloot. Met een breedte van 143 centimeter liep deze door de put van het noordoosten naar het zuidwesten. Op basis van recent materiaal, zoals plastic, is de demping van de sloot als recent gedateerd. 16
Figuur 8.
Spankeren, Landweg 4: spoor 1, een prehistorische greppel onder het esdek. De afwezigheid van archeologisch materiaal in de greppel maakt een precieze datering niet mogelijk
Vondsten Er is één vondst gedaan tijdens het veldwerk. De vondst werd gedaan in het esdek tijdens het aanleggen van het vlak op circa 12 meter (gemeten vanuit het zuidoosten). Het betreft een roodbakkend stuk aardewerk dat gedetermineerd kan worden als een voet van een grape: een kookpot. Aan de onderzijde zijn nog roetresten zichtbaar. De binnenzijde is bedekt met loodglazuur. Dit type aardewerk heeft een datering van de 15 e tot de 17e eeuw.
Figuur 9.
Spankeren, Landweg 4: vondst 1, een voet van een grape. De binnenzijde (links) is bedekt met loodglazuur. Aan de buitenzijde (rechts) zijn nog (zwarte) roetresten te zien.
17
4.
Waardestelling
Het doel van het proefsleuvenonderzoek was om te beoordelen of in plangebied Landweg 4 te Spankeren archeologische waarden zijn en of deze behoudenswaardig waren. Voor de onderzoekslocatie is middels een scoretabel een waardering opgesteld (zie Tabel 3). In de scoretabel worden beoordelingen gegeven voor de onderdelen fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. Op basis van de scores wordt een vindplaats behoudenswaardig bevonden of niet. De aangetroffen archeologische sporen bereiken een totale score van 5 op de fysieke kwaliteit van de vindplaats. Dit vanwege de goede conservering en middelmatige gaafheid. Onder het esdek zijn de sporen goed bewaard. Op de inhoudelijke kwaliteit wordt een score van 7 gehaald. Op zeldzaamheid, informatiewaarde en representativiteit wordt middelmatig gescoord en op de ensemble waarde laag. Een zeer minimaal aantal sporen biedt inhoudelijk weinig houvast. Over de aanwezigheid van een archeologische vindplaats kan echter niet getwijfeld worden. De totale scores die bereikt zijn, waren voldoende om de vindplaats behoudenswaardig te achten en een doorstart naar een definitieve opgraving was gerechtvaardigd. Tabel 3. Spankeren, Landweg 4: Scoretabel waardestelling van de vindplaats bij het proefsleuvenonderzoek. Waarden
Criteria
Scores hoog
Beleving
Fysieke kwaliteit
laag
Schoonheid
wordt niet gescoord
Herinneringswaarde
wordt niet gescoord
Gaafheid
totale score
2
Conservering Inhoudelijke kwaliteit
middel
≥5 behoudenswaardig 5
3
Zeldzaamheid
2
Informatiewaarde
2
Ensemblewaarde
≥7 behoudenswaardig
1
Representativiteit
2
18
7
5.
Conclusie
5.1 Beantwoording onderzoeksvragen Onderzoeksvragen proefsleuvenonderzoek ● Wat is de stratigrafie en graad van gaafheid van de bodem? De top van de bodem bestaat uit bestratingszand of een bouwvoor. Hieronder ligt het esdek. De top van het esdek is aangetast door verploeging. Het onderste deel van het esdek is nog intact. Onder het esdek ligt de C-horizont bestaande uit fijn dekzand. Archeologische grondsporen zijn nog bewaard in de C-horizont. ● Is er sprake van (een) archeologische vindplaats(en) en zo ja wat is de (horizontale en verticale) begrenzing? De aanwezigheid van twee archeologische sporen onder het esdek tonen een vindplaats aan. De omvang ervan kan echter niet worden vastgesteld, omdat het onderzoek maar een klein deel van de vindplaats heeft opgegraven. ● Wat is de aard en ouderdom van de sporen; zijn er structuren te herkennen? Er zijn een paalgat en een greppel aangetroffen onder het esdek. Vermoedelijk zijn dit prehistorische sporen. Een derde spoor bleek natuurlijk te zijn en het vierde spoor was en recent gedempte sloot. ● Wat is de gaafheid van de sporen? Onder het esdek zijn de archeologische grondsporen goed bewaard gebleven. ● Wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke vondsttypen of vondstcategorieën behoren zij? Er is één vondst gedaan. Het betreft een aardewerkenvoet van een grape uit de 15 e tot 17e eeuw.
De vondst is afkomstig uit het esdek en kan niet gerelateerd worden aan sporen. ● Zijn er in binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig anders dan scherven aardewerk, zoals grondsporen (paalkuilen, etc.), houtskoolconcentraties, vondstconcentraties, etc.? Er zijn twee archeologische grondsporen aangetroffen. Zie boven. ● Zijn de aangetroffen vindplaats(en) behoudenswaardig? De fysieke kwaliteit van de sporen was zodanig dat de vindplaats behoudenswaardig werd geacht. Een doorstart naar een definitieve opgraving van het te bebouwen gebied werd direct uitgevoerd. Onderzoeksvragen definitieve opgraving ● Wat is de aard van de vondsten en de verspreiding per vondstcategorie, per periode en naar hun relatie met de grondsporen/structuren? Er is één vondst gedaan. Het betreft een aardewerkenvoet van een grape uit de 15 e tot 17e eeuw. De vondst is afkomstig uit het esdek en kan niet gerelateerd worden 19
aan sporen. ● Wat is de vermoedelijke begrenzing van de vindplaats(en)? De greppel (spoor 1) gaat in noordelijke richting verder en vermoedelijk ook verder naar het zuiden. Een begrenzing van de vindplaats is niet vast te stellen. ● Wat is de aard en spreiding van de sporen? Zijn er structuren te herkennen? Wat is de datering van de structuren? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen met vergelijkbare structuren elders in het Utrechts-Gelders zandgebied? Er is één paalgat en één greppel aangetroffen. Structuren zijn niet herkend en er zijn geen vondsten gedaan in de sporen waardoor een datering niet is te geven. De ligging onder het esdek doet vermoeden dat de sporen prehistorisch zijn. De twee overige sporen bestonden uit een natuurlijke vlek en een recent gedempte sloot. ● Zijn er naast sporen van bewoning (paalkuilen, afvalkuilen, waterputten etc.) ook andere resten te herkennen? Een deel van een greppel is in het zuidelijk deel aangetroffen. De greppel is in het zuiden onderbroken door de verstoring van het verwijderde zwembad. Halverwege de oostzijde van de werkput verlaat de greppel de put. ● Wat is de spreiding van de sporen per periode? Zijn er meerdere fasen van bewoning aan te wijzen? De sporen zijn vermoedelijk ouder dan het esdek en zijn waarschijnlijk prehistorisch.
● Is er sprake van een continuïteit in de bewoningsgeschiedenis van de onderzoekslocatie? En zo ja, tussen welke perioden is er sprake van bewoningscontinuïteit? Er is onvoldoende informatie om iets over bewoningscontinuïteit te zeggen. ● Hoe verhoudt zich de locatie tot het landschap? Net als in de omgeving is in het plangebied het dekzand afgedekt door een pakket bestaande uit een esdek. De top van dit esdek is aangetast door (recente) verploeging. ● Wat is de relatie met vindplaatsen in de directe omgeving? Er zijn te weinig tastbare archeologische resten om iets te zeggen over mogelijke relaties met andere vindplaatsen. ● Zijn er activiteitenzones aan te wijzen? Activiteitenzones kunnen niet worden aangewezen. ● Aan de beantwoording van welke NOaA 2.0-onderzoeksvragen kan dit onderzoek een bijdrage leveren? Wat is deze bijdrage, per onderzoeksthema? De informatie die uit de onderzoek kan worden vergaard is minimaal en kan geen toevoeging leveren aan de onderzoeksthema's van de NoaA 2.0.
20
5.2 Selectie advies (dhr. J.B. Veenstra MA, senior KNA-archeoloog) In plangebied Landweg 4 te Spankeren is op 24 juni 2019 een proefsleuf gegraven. Het aantreffen van archeologische grondsporen was aanleiding om direct een doorstart te maken naar een definitieve opgraving van het te bebouwen gebied waar de bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het opgegraven deel van het plangebied werd hierdoor verdubbeld naar circa 140m 2. Tijdens het onderzoek zijn twee archeologische grondsporen opgegraven. De grondsporen onder het esdek tonen een vindplaats aan in het plangebied. De datering van de grondsporen is echter niet bekend. Eén vondst afkomstig uit het esdek is gedaan tijdens het aanleggen van de werkput. Voorgesteld wordt om de vondst te deponeren (zie Tabel 4). De archeologische resten van de vindplaats zijn binnen het te bebouwen gebied, waar de bodemingrepen gepland zijn, gedocumenteerd en vastgelegd. In het omliggende terrein van het plangebied, waar geen bodemingrepen zijn gepland, is geen gravend onderzoek uitgevoerd. Er is nog een hoge verwachting om meer archeologische sporen aan te treffen in het plangebied. Mochten er in de toekomst nog bodemingrepen in het plangebied worden uitgevoerd, dan wordt geadviseerd om direct gravend archeologisch onderzoek uit te laten voeren om de verdere omvang en aard van de vindplaats te bepalen.
Tabel 4. Voorstel voor de te deponeren vondst (opgesteld door senior KNA-archeoloog dhr. J.B. Veenstra MA). Categorie
Totaal
Omschrijving
Aardewerk
1
Totaal
1
Voorgesteld deponering
Voet van een grape, 15 tot 16 eeuw e
e
1 1
21
Literatuur AHN-Viewer. www.AHN.nl. Actueel Hoogtebestand Nederland. Rijkswaterstaat, Adviesdienst Geo-informatie en ICT. Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Blad 30 West. Rheden. Stichting voor Bodemkartering. Wageningen, 1979. Bosch, van den, J.E. 2017. Archeologisch Bureauonderzoek en Bouwhistorisch onderzoek Petruskerk, Kerkweg 2, Spankeren, Gemeente Rheden. SOB Research-rapport 2491-1703. SOB Research, Heinenoord. Centraal Archeologisch Archief (CAA) en Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) [ARCHIS]. Geomorfologische Kaart van Nederland. Schaal 1:50.000. Goossens, E. 2015. Plangebied Albany Locatie Gemeente Rheden Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek). RAAP-Notitie 5248. RAAP, Weesp HISGIS. www.hisgis.nl Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1. www.SIKB.nl. Centraal College van Deskundigen Archeologie. Opentopo. www.opentopo.nl Pronk, E.C. 2017. Van Rensselaerweg 2 in Spankeren, gemeente Rheden; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek proefsleuven. RAAP-rapport 3143. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Publieke Dienstverlening op de Kaart. www.pdok.nl Putten, van, M.J. 2010. Briefrapport Herberg de Luchte, Zutphensestraatweg 45, Spankeren. BAAC rapport V-10.0333. BAAC, 's Hertogenbosch. Rap, R. 2019.
Spankeren, Landweg naast 4 Gemeente Rheden (Gld.) Programma van Eisen Proefsleuvenonderzoek IVO-P & Definitieve Opgraving. Steekproefrapport 2019-04/01. De Steekproef, Zuidhorn. Ruimtelijke plannen. www.ruimtelijkeplannen.nl Schabbink, M. & N.W. Willemse. 2008. Bergbezinkbassin Spankeren, gemeente Rheden: Derfinitief archeologisch onderzoek: opgraving met beperkingen. RAAP-rapport 1740. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Schuurman, E.I. & N.W. Willemse. 2008. Plangebied Spankerense Enk, gemeente Rheden; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkenning, kartering en waardering). RAAPrapport 1348. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Veenstra, J.B. 2018. Spankeren, Van Rensselaerweg 2; Gemeente Rheden (Gld.), Evaluatie- en Selectierapport. Steekproefrapport 2018-07/05. De Steekproef bv, Zuidhorn. Willemse, N.W., 2005. Bebouwde kommen gemeente Rheden: Velp, Rheden, De Steeg, Ellecom, Dieren, Spankeren en Laag Soeren; een inventariserend archeologisch veldonderzoek (verkenning). RAAP-rapport 1071. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Willemse, N.W. & J.A.T. Wijnen, 2012. Archeologie in de gemeente Rheden: actualisatie archeologische kaarten. RAAP-rapport 2534. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.
Lijst van figuren Figuur 1. Uitsnede van de topografische kaart. Figuur 2. Hoogtekaart van de omgeving van Spankeren. Figuur 3. Archeologische waarden in de omgeving Figuur 4. Historisch-topografische kaarten van 1905, 1935, 1969 en 1984. Figuur 5. Aanvang aanleggen proefsleuf. Figuur 6. Locatie proefsleuf en te bebouwen gebied. Figuur 7. Foto profiel 1. Figuur 8. Coupefoto spoor 1. Figuur 9. Foto vondst 1.
Lijst van tabellen Tabel 1. Tabel 2. Tabel 3. Tabel 4.
Adminstratieve gegevens. Archeologische waarden in de omgeving. Scortetabel waardestelling. Voorstel deponering vondst.
Appendix I: Archeologische periodes paleolithicum: paleolithicum vroeg: tot 300.000 BP paleolithicum midden: 300.000 - 35.000 BP paleolithicum laat: 35.000 BP - 8.800 vC paleolithicum laat A: 35.000 - 18.000 BP paleolithicum laat B: 18.000 BP - 8.800 vC mesolithicum: mesolithicum vroeg: 8.800 - 7.100 vC mesolithicum midden: 7.100 - 6.450 vC mesolithicum laat: 6.450 - 4.900 vC neolithicum: neolithicum vroeg: 5.300 - 4.200 vC neolithicum vroeg A: 5.300 - 4.900 vC neolithicum vroeg B: 4.900 - 4.200 vC neolithicum midden: 4.200 - 2.850 vC neolithicum midden A: 4.200 - 3.400 vC neolithicum midden B: 3.400 - 2.850 vC neolithicum laat: 2.850 - 2.000 vC neolithicum laat A: 2.850 - 2.450 vC neolithicum laat B: 2.450 - 2.000 vC bronstijd: bronstijd vroeg: 2.000 - 1.800 vC bronstijd midden: 1.800 - 1.100 vC bronstijd midden A: 1.800 - 1.500 vC bronstijd midden B: 1.500 - 1.100 vC bronstijd laat: 1.100 - 800 vC
pleistoceen: 2,5 miljoen - 10.000 BP elsterien 475.000 - 410.000 BP saalien 200.000 - 130.000 BP weichselien 116.000 - 10.000 BP holoceen: 10.000 - heden vC = voor Christus nC = na Christus BP = before present; present = 1950
ijzertijd: ijzertijd vroeg: 800 - 500 vC ijzertijd midden: 500 - 250 vC ijzertijd laat: 250 - 12 vC romeinse tijd: romeinse tijd vroeg: 12 vC - 70 nC romeinse tijd vroeg A: 12 vC - 25 nC romeinse tijd vroeg B: 25 - 70 nC romeinse tijd midden: 70 - 270 nC romeinse tijd midden A: 70 - 150 nC romeinse tijd midden B: 150 - 270 nC romeinse tijd laat: 270 - 450 nC romeinse tijd laat A: 270 - 350 nC romeinse tijd laat B: 350 - 450 nC middeleeuwen: middeleeuwen vroeg: 450 - 1.050 nC middeleeuwen vroeg A: 450 - 525 nC middeleeuwen vroeg B: 525 - 725 nC middeleeuwen vroeg C: 725 - 900 nC middeleeuwen vroeg D: 900 - 1.050 nC middeleeuwen laat: 1.050 - 1.500 nC middeleeuwen laat A: 1.050 - 1.250 nC middeleeuwen laat B: 1.250 - 1.500 nC nieuwe tijd: nieuwe tijd A: 1.500 - 1.650 nC nieuwe tijd B: 1.650 - 1.850 nC nieuwe tijd C: 1.850 – heden
Algemeen Steentijd (tot 2000 vC) De steentijd is opgedeeld in het paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Het paleolithicum (oude steentijd) wordt vooral gekenmerkt door de ijstijden. Na het laatpaleolithicum verbetert het klimaat. Vindplaatsen uit het late paleolithicum zijn vooral te herkennen aan concentraties vondstmateriaal (bewerkt en/of verbrand vuursteen, houtskool) met weinig en moeilijk te herkennen grondsporen zoals kuilen, paalgaten en houtskoolconcentraties die mogelijk wijzen op haardplaatsen. Vondsten uit het mesolithicum of midden steentijd, gekenmerkt door sporen en vondsten van rondtrekkende jagers en verzamelaars, bestaan voornamelijk uit bewerkt vuursteen, verbrande hazelnootdoppen en houtskoolfragmenten. Mesolithische grondsporen zijn vooral oppervlakte-haarden en haardkuilen. In een natte omgeving kunnen ook werktuigen van gewei of hout bewaard zijn gebleven. Voorbeelden hiervan zijn geweibijlen, bogen, visfuiken, etc. In het neolithicum (nieuwe steentijd) werden dieren gehouden en in het neolithicum werd eveneens akkerbouw bedreven. Grondsporen uit deze periode kunnen bestaan uit paalgaten van bijvoorbeeld boerderijen, resten van beschoeiingen, greppels, (afval)kuilen en haardplaatsen. Aardewerk komt in deze tijd voor, evenals bewerkt (vuur)steen en geslepen bijlen.
Metaaltijden (2000-12 vC) In de bronstijd en ijzertijd kwam bemesting en wisselbouw binnen de akkerbouw voor. Sporen uit de bronstijd en ijzertijd kunnen bestaan uit kuilen, paalgaten van boerderijplattegronden, bijgebouwen of spiekers, waterkuilen of -putten, erf- of akkerafscheidingen en sporen van akkerbewerking zoals de kruiselings getrokken voren van een eergetouw. Houtskool kan duiden op de aanwezigheid van haarden voor voedselbereiding of het bakken van aardewerk. Ook kunnen er restanten gevonden worden die duiden op metaalbewerking, zoals stukken ovenwand, brons- of ijzerslakken, sintels, mallen, smeltkroezen, metaal bedoeld voor omsmelten, etc. Vondsten kunnen verder bestaan uit bijvoorbeeld metalen voorwerpen of voorwerpen van aardewerk zoals vaatwerk, maar ook slingerkogels, rammelaars, spinklosjes en weefgewichten. Romeinse tijd (12 vC-450 nC) In de Romeinse tijd vormde de Rijn de noordelijke grens van het Romeinse rijk. Langs deze grens, de limes, werden grensposten, nederzettingen en wegen gebouwd. In het noorden van Nederland zijn ook Romeinse vondsten gedaan, maar dit zijn voornamelijk losse vondsten als Romeinse munten, mantelspelden en scherven Romeins aardewerk. Middeleeuwen en nieuwe tijd (450 nC-heden) Na een afname in de bevolkingsdichtheid aan het einde van de Romeinse tijd en de periode erna, steeg deze weer in het begin van de middeleeuwen.
Vondsten uit de middeleeuwen en later bestaan voornamelijk uit scherven aardewerk, waaronder importaardewerk, munten en metalen voorwerpen (zoals mantelspelden, spijkers), resten van aardewerkproductie, metaalbewerking, wolbewerking etc. Belangrijke gebouwen (bijvoorbeeld kerken en borgen) werden van baksteen / kloostermoppen gebouwd.
Appendix II: Alle-sporenkaart
452505 452485
204885
452505
204905
452485
204885
204905
N Sloot Recent
Greppel
Paalgat/kuil
Natuurlijke vlek
Recente verstoring
Werkput
1 1 1 1
60 brgr 118 lbrgr 44 dbr 143 lbr
20 8 12
24-06-19 Greppel 24-06-19 Natuurlijk 24-06-19 Paalgat 24-06-19 Recente Sloot
1 1 1
Opmerkingen
Datering
Vondst nr
Structuur
Ident. Aan
NW-ZO NW-ZO nvt O-W NO-ZW
Tek. nr
ZS2 ZS2 ZS2 ZS2
Interpretatie
Datum (coupe)
Diepte (cm)
Vulling nr
Kleur
Breedte 950 140 71
Richting coupelijn
1 1 1 1
Textuur
1 2 3 4
Lengte
Vlak nr
Put nr
Spoor nr
Appendix III: Sporenlijst
1 1 1 12m KER AV
Opmerkingen (datering)
Datum
Tek. Nr
Verzamelwijze
Materiaal
Puntlocatie
Profiel/laag
Vulling nr
Soort Spoor
Spoor nr
Vlak nr Vak nr
Put nr
Vondst nr
Appendix IV: Vondstlijst
24-06-19 Gemeten vanaf ZO. Roodbakkend grape poot met loodglazuur, 16e/17e eeuw
Appendix V: Beoordelingsrapport
Gemeente Rheden Ter attentie van dhr. M. Andela
Betreft: Toetsing rapport Datum: 14 augustus 2019
Voorliggend adviesverzoek De adviesaanvraag betreft het toetsen van een rapport. Heul, J.S. van der & J.B. Veenstra, 2019: Spankeren, Landweg 4 Gemeente Rheden (Gld). Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek middels Proefsleuven (IVO-P) en doorstart naar definitieve opgraving (DO), Steekproefrapport 2019-05/16 Bij de beoordeling is de KNA en het PvE leidend.
Opmerkingen -Geen-
Conclusie en advies Het rapport voldoet aan de gestelde eisen en kan definitief worden gemaakt. Tijdens het onderzoek zijn twee archeologische grondsporen opgegraven. De grondsporen onder het esdek tonen een vindplaats aan in het plangebied. De datering van de grondsporen is echter niet bekend. De archeologische resten van de vindplaats zijn binnen het te bebouwen gebied, waar de bodemingrepen gepland zijn, gedocumenteerd en vastgelegd. In het omliggende terrein van het plangebied, waar geen bodemingrepen zijn gepland, is geen gravend onderzoek uitgevoerd. Er is nog een hoge verwachting om meer archeologische sporen aan te treffen in het plangebied. Mochten er in de toekomst nog bodemingrepen in het plangebied worden uitgevoerd, dan wordt geadviseerd om direct gravend archeologisch onderzoek uit te laten voeren om de verdere omvang en aard van de vindplaats te bepalen.
Appendix V: Beoordelingsrapport
Het opgegraven deel / te bebouwen gebied (zie afbeelding) kan worden vrijgegeven voor de beoogde ontwikkeling. Hoogachtend,
Drs. J. Habraken Regioarcheoloog gemeente Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort en Zevenaar Eusebiusbuitensingel 53 Postbus 9200 6800 HA Arnhem Tel: 026-3773239 of 06-37314636
Quickscan Wet natuurbescherming
Tussen Landweg 2 en 4 te Spankeren J. Verheul
Projectadviseur B. Wijnoltz MSc
Kwaliteitscontrole door: N. Kroese BSc
06-49958128 bianca@habitus.nl
Kwaliteitscontrole op datum: 7 mei 2019
Rapportage B. Wijnoltz MSc
Paraaf
Veldwerk B. Wijnoltz MSc Documentcode JVER2019-1-RAP1 In opdracht van dhr. J. Verheul Organisatie N.v.t.
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport (inclusief foto’s) is enkel toegestaan onder vermelding van de bron en na toestemming van de eigenaar (opdrachtgever). Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Habitus natuur & landschap geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of door toepassing van de adviezen.
Correspondentieadres: Tolnasingel 1 / 2411 PV / Bodegraven Kvk-nummer: 61229628 / Btw-nummer: NL854262301B01
Opleverdatum 8 mei 2019
Rekeningnummer: NL14ABNA0494577894 www.quickscan-flora-en-fauna.nl
Quickscan is een merk van Habitus natuur & landschap www.habitus.nl
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
2
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING EN ONDERZOEK 4
2.
PROJECTGEBIED EN WERKZAAMHEDEN 7
3.
RESULTATEN 8
4.
CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN 14
5.
BOVENWETTELIJKE MAATREGELEN 17
BRONNENLIJST 18 BIJLAGEN
19
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
3
1. INLEIDING & ONDERZOEK 1.1 Aanleiding
Dit rapport dient voor de initiatiefnemer als
De opdrachtgever is voornemens een woning te
bewijsstuk dat een ecologische quickscan is verricht.
bouwen binnen het projectgebied. De activiteiten zullen plaatsvinden aan het perceel gelegen
1.3 Criteria
tussen Landweg 2 en Landweg 4 te Spankeren.
Op deze ecologische quickscan zijn de volgende
In paragraaf 2.2 worden de werkzaamheden
criteria van toepassing:
nader beschreven.
•
Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige
De quickscan wordt aangevraagd voor een
ecologen
aanvraag
Rijksdienst voor ondernemend Nederland.
dient
omgevingsvergunning.
onderzocht
te
worden
of
Daarom met
de
•
Het
volgens
onderzoek
is
de
definitie
uitgevoerd
van door
de een
voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling sprake
onafhankelijk adviesbureau. Habitus natuur &
is van overtreding van de geldende natuurwet
landschap verklaart hierbij geen enkel belang
en regelgeving. Indien er geen overtredingen
te hebben bij de uitkomst van het onderzoek.
worden verwacht, kan de ontwikkeling vanuit de
Ook heeft iedere vaste medewerker de
ecologie zonder beperkingen doorgang vinden.
ethische
Indien er vervolgonderzoek wordt geadviseerd,
beloofd hiernaar te handelen.
kan een voorgenomen ontwikkeling doorgaans
•
gedragscode
ondertekend
en
De resultaten zijn op een efficiënte wijze
nog steeds doorgang vinden als een ontheffing
verkregen, dat wil zeggen dat er een adequate
of vergunning kan worden verkregen.
verhouding bestaat tussen kosten in relatie
•
1.2 Doel en centrale vraag In deze ecologische quickscan wordt een voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de Wet
•
natuurbescherming. De centrale vraag luidt: Zijn de voorgenomen werkzaamheden in strijd met de soort- of gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb) of provinciaal beleid? En welke vervolgstappen dienen genomen te worden voor met de uitvoering gestart kan worden?
tot de geleverde resultaten. De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. De conclusie en aanbevelingen (inclusief vervolgstappen)
•
van
het
onderzoek
zijn
duidelijk voor de opdrachtgever. Dit onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum (zie colofon).
Toelichting op de afbeelding Impressie projectgebied: vooraanzicht van het projectgebied, gezien vanaf de weg.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
4
• •
De kwaliteit van het natuuronderzoek kan
1.4.2 Gebiedsbescherming en provinciaal beleid
beoordeeld worden door het bevoegd
Voor gebiedsbescherming wordt getoetst aan de
gezag.
volgende onderdelen van de Wet natuurbescherming:
Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Habitus
• •
Natura 2000-gebieden (artikel 2.7) Bijzondere nationale gebieden.
natuur & landschap. Bekijk deze op https://
•
habitus.nl/EisenEcologischOnderzoek.
Daarnaast wordt getoetst aan provinciaal beschermde
Voor
gebieden,
het
opsporen,
vangen
(met
beschermd
via
de
Wet
Ruimtelijke
toegestane vangmiddelen) of bemachtigen
Ordening. Het betreft gebieden die in de Verordening
van beschermde dier- of plantensoorten is
• • •
een geldige ontheffing aanwezig. 1.4 Reikwijdte
Ruimte zijn aangewezen, zoals: Gelders Natuurnetwerk (GNN) Weidevogelgebieden Natte landnatuur.
Onderstaand is beschreven aan welke wetten, artikelen en aan welk beleid de voorgenomen
Indien uit de toetsing naar voren komt dat er mogelijk
ontwikkeling wordt getoetst in deze quickscan.
sprake is van een overtreding, dan is vervolgonderzoek vaak benodigd. Hierbij valt te denken aan een
1.4.1 Soortbescherming Er
wordt
getoetst
soortgericht aan
de
volgende
een
onderzoek
NNN-toetsing
of
(soortbeschemring) Voortoets
Natura
of
2000
verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming:
(gebiedsbescherming). Deze nadere onderzoeken
•
Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1)
maken geen onderdeel uit van deze quickscan.
•
Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5)
•
Andere soorten (artikel 3.10)
1.5 Werkwijze
•
Zorgplicht (artikel 1.11).
De ecologische quickscan bestaat uit een bureau-
In Bijlage 1 zijn de verbodsartikelen opgenomen.
onderzoek, een veldonderzoek en een toetsing. Daarna
In Bijlage 2 zijn de beschermde soorten te
volgen de conclusie en de aanbevelingen. Hieronder
vinden. De vrijgestelde soorten zijn opgenomen
volgt per onderdeel een toelichting op de methode.
in Bijlage 3.
Toelichting op de afbeelding Impressie projectgebied: In het projectgebied groeien coniferen en andere struiken.
Vrijgestelde soorten worden niet beoordeeld,
1.5.1 Soortbescherming
want door de vrijstelling is er geen kans op het
Als eerste wordt het bureau-onderzoek uitgevoerd.
overtreden van de Wet natuurbescherming
Hieruit volgt een lijst met soorten die in de omgeving
bij de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Wel
aanwezig zijn. Deze lijst is weergegeven in Bijlage 8a en
worden
is een samenstelling van:
maatregelen
voorgesteld
om
met
vrijgestelde soorten rekening te houden. Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
5
• •
Soorten die naar voren komen uit een analyse van de NDFF. Er wordt standaard gekozen voor een
1.5.2 Gebiedsbescherming
tijdreeks van vijf jaar en een afstand van vijf kilometer rond de grens van het projectgebied. Alle
De begrenzingen van beschermde (beleids)gebieden worden via provinciale kaartmachines geraadpleegd,
waarnemingen van soorten met relevant gedrag worden bekeken en beoordeeld.
dit is altijd de meest actuele stand van zaken. Via de website kunnen diverse provinciale kaartmachines
Soorten die niet uit te sluiten zijn op basis van verspreiding. Deze zijn weergegeven met een *. Dit
vlot geraadpleegd worden. De effectbeoordeling voor Natura 2000-gebieden wordt verricht door de
betreft soorten die zeer mobiel zijn (zoals de rivierrombout), vrij algemeen voorkomen (zoals de
effectenindicator in te vullen. Eerst wordt de meest passende activiteit gekozen, daarna beoordeelt de
gewone dwergvleermuis) of soorten waarvan vestiging in de nabije toekomst verwacht wordt (zoals de
ecoloog of de effecten compleet zijn én of een effect relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling. De
bataafse stroommossel).
informatie over de ontwikkeling wordt aangeleverd door de opdrachtgever (zie Bijlage 5). De effectbeoordeling voor Natuurnetwerk Nederland wordt uitgevoerd door te kijken naar de wezenlijke kenmerken en waarden
Na het bureau-onderzoek wordt een veldonderzoek uitgevoerd. Hierbij wordt door een deskundig ecoloog
van een gebied. Indien deze niet bekend of beschreven zijn, worden effecten op het beheertype en/of
onderzocht of er geschikt biotoop aanwezig is voor beschermde soorten. Dit is dus een potentiebepaling en
kenmerkende soorten bepaald. Zo kan altijd een indicatie verkregen worden of de wezenlijke kenmerken
geen onderzoek naar de daadwerkelijke aanwezigheid van soorten. De beoordeling wordt verricht aan de
en waarden aangetast worden. Hierbij wordt op basis van bronnen of expert judgement beoordeeld of een
hand van een lijst met alle beschermde soorten, dus niet alleen de soorten die uit het bureau-onderzoek
effect te verwachten is, omdat deze beoordeling per situatie verschilt.
komen. Er kunnen namelijk altijd soorten in het projectgebied aanwezig zijn, die niet uit het bureau-onderzoek komen. Alle aanwezige biotopen worden geïnventariseerd en op kaart weergegeven.
1.5.3 Toetsing, conclusie en aanbevelingen Nadat alle benodigde informatie over soorten en gebieden is verzameld, wordt getoetst aan de
De beoordeling van de biotopen wordt uitgevoerd op basis van de kennis van de ecoloog, eventueel aangevuld
natuurwet- en regelgeving zoals gespecificeerd in paragraaf 1.4. Dit wordt gedaan door de effecten van
met een literatuurstudie, welke wordt vermeld in de bronnenlijst. Daarnaast wordt gezocht naar individuen,
de werkzaamheden (zie paragraaf 2.2) op de (mogelijk) aanwezige beschermde soorten en gebieden
sporen of verblijfplaatsen van beschermde soorten, zoals (poot)afdrukken, holen, haren, braakballen, wissels
te bepalen. Op basis van de toetsing worden aanbevelingen gedaan. Per mogelijke overtreding wordt
en uitwerpselen. Alle aangetroffen geschikte biotopen, individuen, sporen en verblijfplaatsen worden in het
geadviseerd hoe hiermee omgegaan kan worden. Het uitgangspunt hierbij is dat een overtreding
veld geregistreerd met Waarneming Pro (WrnPro) en in het rapport weergegeven (zie Fig.4. in paragraaf 3.2).
wordt voorkomen (door een aangepaste werkwijze) of pas kan worden begaan na ontvangst van een ontheffing of vergunning. Als een soort mogelijk aanwezig is en overtreding op deze soort niet kan
Als de ecoloog tijdens het veldonderzoek geschikt biotoop heeft gevonden voor een bepaalde soort, maar
worden uitgesloten, dan wordt nader onderzoek geadviseerd. In een enkel geval zal er voldoende
twijfelt of deze soort op de betreffende locatie voor kan komen, dan wordt vastgesteld of de soort wel of niet
informatie aanwezig zijn om direct een ontheffing of vergunning aan te vragen, dan zal uiteraard geen
in het projectgebied voor kan komen door te kijken naar:
nader onderzoek geadviseerd worden.
• • • •
verspreiding dispersie-afstand
1.5.4 Bovenwettelijke maatregelen
mate waarin een soort onderzocht is
Daarnaast worden bovenwettelijke maatregelen voorgesteld, die een bijdrage kunnen leveren aan
aanwezigheid van obstakels.
de biodiversiteit van de leef- en projectomgeving. Deze quickscan is opgesteld om aan de wettelijke
Obstakels kunnen het projectgebied mogelijk isoleren, zoals snelwegen en grote wateren. Het uitsluiten van
eisen uit de geldende natuurwetgeving te voldoen. Echter, ook niet beschermde natuurwaarden zijn
soorten wordt altijd beargumenteerd in Bijlage 8b.
waardevol om te behouden. Er zijn vaak ecologische kansen aanwezig voor een waardevolle verhoging van de plaatselijke biodiversiteit. Biodiversiteitsverhogende maatregelen zijn vaak eenvoudig te realiseren. Wij vinden het belangrijk om ook niet beschermde natuurwaarden en mogelijke ecologische kansen te benoemen. Er wordt altijd een duidelijk onderscheid gemaakt in wettelijke en bovenwettelijke maatregelen. Deze zijn in hoofdstuk 5 te vinden.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
6
2. PROJECTGEBIED & WERKZAAMHEDEN 2.1 Huidige situatie
2.2 Werkzaamheden en planning
Het projectgebied ligt tussen Landweg 2 en Landweg 4 te Spankeren en is gelegen in de provincie
In het projectgebied worden de volgende werkzaamheden uitgevoerd:
Gelderland. De begrenzing van het projectgebied is weergegeven in Figuur 1. In de huidige situatie bestaat
1. verwijderen beplanting;
het projectgebied deels uit struiken en deels uit extensief beheerd grasland. Op de luchtfoto is een
2. bouwrijp maken van het perceel;
gebouw te zien, maar dit is niet meer aanwezig. De ligging van deze percelen zijn weergegeven in Figuur 4. De omgeving van het projectgebied bestaat uit bebouwing, wegen en akkers. De werkzaamheden
3. bouwen van de woning. Een kaart van het projectgebied is weergegeven in Bijlage 4.
beperken zich tot het perceel. Op basis van de aangeleverde informatie (zie Bijlage 5) wordt verwacht dat er geen sterke trillingen maar wel harde geluiden plaats zullen vinden tijdens de werkzaamheden. Er wordt in de uitvoeringsfase mogelijk extra verlichting geplaatst, maar in de realisatiefase wordt er geen extra verlichting geplaatst ten opzichte van de huidige situatie. Er wordt niet gewerkt tussen zonsondergang en zonsopkomst. Er zal geen water onttrokken worden of water worden opgespoten. Er wordt niet in het water of langs de oever gewerkt. Er zullen geen zanddepots ontstaan. De precieze planning van de werkzaamheden is ten tijde van de uitvoering van dit vooronderzoek nog niet bekend, maar deze zullen zo spoedig mogelijk aanvangen. Dit is mede afhankelijk van de vergunningverlening.
Algemene opmerking: Indien er een wijziging plaatsvindt in het plan of de uitvoering, dient de effectbeoordeling opnieuw uitgevoerd te worden. Dit geldt in het bijzonder voor (extra) licht, geluid, trillingen of nachtelijke werkzaamheden. Dit geldt ook in gevallen waarbij het werkterrein groter wordt, werkroutes wijzigen of op andere plekken wordt gewerkt binnen het projectgebied, zoals een watergang, bosschage of oever. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de initiatiefnemer/uitvoerder. Figuur 1: het projectgebied is rood omrand, het gebouw is niet meer aanwezig (PDOK, 2018).
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
7
3. RESULTATEN
3.1 Beschermde gebieden
Tabel 1: afstanden van het projectgebied tot beschermde gebieden
In de provincie Gelderland zijn de volgende beschermde gebieden relevant:
• • • •
Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk (GNN) Weidevogelgebieden Natte landnatuur
In Tabel 1 zijn de afstanden tot deze gebieden benoemd. In de figuren 2 en 3 is de ligging van het projectgebied weergegeven ten opzichte van beschermde gebieden. Binnen het projectgebied bevinden
zich
geen
gebieden
behorend
tot Natura 2000. Binnen het projectgebied
Beschermd gebied
Afstand tot projectgebied (in meters)
Natura 2000-gebied: 'Rijntakken' Habitatsoorten: zie Bijlage 6 (Niet-)broedvogelsoorten: zie Bijlage 6
446
Natura 2000-gebied 'Veluwe'. Habitatsoorten: zie Bijlage 6 (Niet-)broedvogelsoorten: zie Bijlage 6
1.755
PAS-gebied*: ‘Rijntakken’ en 'Veluwe'
zie boven
Gelders Natuurnetwerk Beheertype: N02.01 Rivieren, N11.01 Droog schraalgrasland, N12.03 Glanshaverhooiland, N16.03 Droog bos met productie
633
Weidevogelgebied
8.293
Natte landnatuur
747
bevinden zich ook geen gebieden behorend tot het Gelders Natuurnetwerk Nederland (GNN) of
*Zie Natura 2000 PAS-gebieden en Bijlage 9.
gebieden aangeduid als ‘weidevogelgebied’ of ‘Natte landnatuur’.
Algemene opmerking:
Alle Natura 2000-gebieden binnen vijf kilometer worden beoordeeld of tot zo ver de verwachtte effecten reiken.
Een
grote
projectgebied
afstand en
een
tussen
het
beschermd
gebied betekent niet dat negatieve effecten
per
definitie
uitgesloten
kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief effect op soort die buiten een beschermd gebieden verblijft óf van depositie. Ook
Toelichting op de afbeelding
de onttrekking van grondwater kan
Impressie projectgebied: De struiken en hagen bieden
effecten veroorzaken op grote afstand.
broedgelegenheid voor vogels zonder jaarrond beschermd nest.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
8
Gelders natuurnetwerk Natte landnatuur
Figuur 2: ligging projectgebied (rode ster) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (geel; PDOK, 2019).
Figuur 3: ligging projectgebied (rode cirkel) ten opzichte van GNN-gebieden (groen) en natte landnatuur (blauwgroen). Weidevogelgebieden zijn vanwege de verre afstand niet weergegeven (provincie 15-04-2019 Gelderland, 2019).
N
Aan deze kaart kunnen geen rechten worden ontleend.
schaal 0
300
600
900m
3.1.1 Effecttoetsing beschermde gebieden
De afstand tot PAS-gebieden 'Veluwe' en ‘Rijntakken’ is kleiner dan 5000 meter. Echter is de bouw van
In de effectenindicator (Ministerie van Economische Zaken, 2017; Bijlage 6) is gekozen voor de activiteit
een enkele woning zo kleinschalig dat depositie-effecten van stikstof niet aan de orde zijn. Een depositie-
‘woningbouw’, omdat er een woning wordt gebouwd.
effect op PAS-gebieden 'Veluwe' en ‘Rijntakken’ kan daarom uitgesloten worden.
De effectenindicator Natura 2000-gebieden (Ministerie van Economische Zaken, 2017; Bijlage 6) geeft
Het dichtstbijzijnde GNN-gebied ligt op 633 meter. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een GNN-
aan dat mogelijke effecten van ‘woningbouw’ op Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en 'Veluwe' worden
gebied. De werkzaamheden zullen niet leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden.
veroorzaakt door oppervlakteverlies; versnippering; verontreiniging; verdroging; verstoring door geluid,
De kwalificerende soorten van de beheertype behorend tot het GNN (zie Tabel 1) behoren tot de soort-
licht en trilling; optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Van deze effecten is in het
groepen planten, libellen, vissen, vlinders en broedvogels. Er vindt geen externe werking plaats op het
huidige project geen sprake aangezien de effecten zeker niet tot het Natura 2000-gebied zullen reiken. De
NNN-gebied of op kwalificerende soorten. Negatieve effecten worden daarom uitgesloten.
ontwikkeling is relatief kleinschalig en de effecten worden gedempt door het tussenliggende landschap en bebouwing. Vanwege de afwezigheid van geschikt biotoop worden in het projectgebied ook geen
Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een weidevogelgebied of natte landnatuur. De werkzaamheden
habitatsoorten of (niet-)broedvogelsoorten verwacht. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen
zullen niet leiden tot externe werking op deze gebieden of negatieve effecten sorteren op een
voor het betreffende gebied zijn niet aan de orde.
weidevogelgebied. Negatieve effecten worden daarom uitgesloten.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
9
3.2 Beschermde soorten Het bureau-onderzoek is uitgevoerd op 16 april 2019, voorafgaand aan het veldonderzoek. Het veldonderzoek heeft op 18 april 2019 plaatsgevonden. Beide deelonderzoeken zijn verricht door een deskundig ecoloog, namelijk Bianca Wijnoltz, onder de begeleiding van Nick Kroese. In Bijlage 7 zijn de cv’s van de veldecoloog, projectleider en kwaliteitscontroleur opgenomen om deze deskundigheid aantoonbaar te maken. Tijdens het veldbezoek was het droog, circa 20 graden, zonnig en stond er een windkracht van circa 4 Bft vanuit de richting west. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek zijn niet van invloed op de potentiebepaling (zie ook par. 1.5). Wel kunnen de weersomstandigheden van invloed zijn op de aangetroffen soorten. De potentiebepaling blijft daarom leidend. Omdat ook de omgeving beïnvloed kan worden door de voorgenomen ontwikkeling, is deze ook meegenomen in de beoordeling tot zo ver de invloedssfeer van het project reikt. Algemene opmerking: In de tabel op de volgende pagina staan enkel de soorten waarvoor een overtreding verwacht wordt of een effect niet uitgesloten kan worden. Hier hebben we voor gekozen om de leesbaarheid te vegroten. De soorten waarvoor geen effect verwacht wordt, zijn opgenomen in Bijlage 8b. Daar is dus een nadere onderbouwing te vinden over waarom een soort of beschermde functie uitgesloten is.
In Tabel 2 is te zien welke soorten (mogelijk) in het projectgebied voorkomen en welke functies er verwacht worden. Ook is weergegeven welke ecologische risico’s dit project met zich meebrengt met betrekking tot de Wet natuurbescherming (Wnb). De soorten genoemd in de tabel worden zowel op basis van het bureau- als veldonderzoek verwacht. Een overzicht van de soorten die uit het bureauonderzoek komen, zijn te zien in Bijlage 8a. Soorten die wel uit het bureauonderzoek komen maar op basis van het veldbezoek zijn uitgesloten, zijn te zien in Bijlage 8b. Wij hechten grote waarde aan de controleerbaarheid van onze beoordeling. Daarom zijn na Tabel 2 de relevante waarnemingen van aanwezige soorten en/of de geschikte biotopen weergegeven in Figuur 4. In
Toelichting op de afbeelding Impressie projectgebied: In de spar kunnen houtduiven
Bijlage 10 zijn relevante foto’s van het veldbezoek opgenomen.
broeden, maar er zijn geen nesten aanwezig.
Quickscan Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
10
Tabel 2: relevante resultaten bureau- en veldonderzoek. Zie Bijlage 8 voor een totaaloverzicht van de beoordeelde soorten. Zie Bijlage 10 voor relevante foto’s. Zie Figuur 4 voor Toelichting op Tabel 2:
een kaart met het projectgebied, geschikte biotopen en relevante waarnemingen.
In deze tabel staan enkel de soorten
Resultaten
waarvoor een overtreding verwacht wordt óf een effect niet uitgesloten kan worden. Hier hebben we voor gekozen om de leesbaarheid van het rapport te vegroten. De soorten waarvoor geen effect wordt verwacht, zijn opgenomen in Bijlage 8b.
Toetsing aan de Wnb
Te verwachten soort op basis van bureauen veldonderzoek
a/m
Te verwachten functies
Onderbouwing en locatie(s) in het projectgebied
Werkzaamheid1
Kans op overtreding Wnb2
Vogels zonder jaarrond beschermd nest
m
N
• •
1 t/m 2
Artikel 3.1 lid 1,2 en 4
Inclusief cat. 5-soorten zonder zwaarwegende ecologische redenen voor bescherming.
Daar is dus een nadere onderbouwing te vinden over waarom een soort of