CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

2396 Velp Zuid, locatie IJssel District Toelichting (23.96)

Raadsvergadering 19 december 2023, gemeente RhedenBij agendapunt: IJssel District vaststellen bestemmingsplan, beeldkwaliteitsplan en hogere waarden (23.96)24.047 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het programma is, naast in deze thema's, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven. Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Kader Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en waterlast voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het noodzakelijk dat gebiedseigen water zo lang mogelijk in het gebied zelf blijft. Dit gebeurt door middel van het afkoppelen van schoon hemelwater (regen) wat op verhardingen valt (bijvoorbeeld daken). Aan de hand van de Handreiking Watertoets is het aspect water in onderhavig plan meegenomen. Doel van het watertoetsproces is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding. Beoordeling Binnen en aan de rand van het plangebied, met uitzondering van de oostzijde, liggen watergangen. Deze zijn alle in beheer van het Waterschap Rijn en IJssel. Deze dienen in stand te blijven.

In het kader van voorliggend plan is een quickscan water en hittestress 7 uitgevoerd. Navolgend worden de bevindingen uit deze quickscan beschreven. 74 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Verharding Het plangebied beslaat een oppervlak van circa 13,6 hectare. In de huidige situatie is hiervan 5,1 ha, bijna 40% van het oppervlak, verhard. Het overige oppervlak (8,5 ha) is onverhard, waarvan 3,0 ha water (22% van het bruto-oppervlak). In onderstaande figuur is de huidige situatie weergegeven en in de navolgende tabel zijn de verschillende typen verharding en de bijbehorende oppervlakken weergegeven.

Overzichtkaart type verharding huidige situatie in plangebied (bron: Sweco, Quickscan water & hittestress, 2022).

Oppervlakteverdeling huidige situatie (bron: Sweco, Quickscan water & hittestress, 2022). Voor de toekomstige verharding is onderscheid gemaakt tussen panden, tuinen binnen bouwplots, overige verhard, groen en water. Het plangebied heeft een oppervlak van 9,2 hectare. Dit is exclusief het gebied in het zuiden van het onderzoeksgebied waar een grote vijver ligt. De tuinen binnen de bouwplots worden voor 75% verharding meegerekend. Dit is worst-case gerekend, maar hiermee wordt voorkomen dat er een onderschatting van het verharde oppervlak gemaakt wordt. De verdeling van de oppervlakken per deelgebied is weergegeven in onderstaande figuur en navolgende 75 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

tabel. Het totale verharde oppervlak is 6,1 ha (60.887 m2). In de huidige situatie is 5,1 ha verhard oppervlak aanwezig. De toename in verharding bedraagt daarmee 1,0 hectare.

Beoogde toekomstige situatie in plangebied (bron: Sweco, Quickscan water & hittestress, 2022).

Toekomstige oppervlakken per deelgebied, uitgedrukt in m2 (bron: Sweco, Quickscan water & hittestress, 2022). De bergingseis uit de gemeentelijke Hemelwaterverordening bedraagt 60 mm bij een regenperiode van één uur. De totale waterbergingsopgave bedraagt hiermee 3.653 m3. In het plangebied is ruimte voor 1.298 m3 waterberging doordat meerdere plekken zijn aangewezen als wadi's. Daarmee wordt niet voldaan aan de eisen vanuit het waterschap. Het plangebied biedt kansen om meer waterberging te realiseren. Een mogelijke extra bergingsvoorziening is de bestaande vijver. Met name voor de deelgebieden F, G en H, die liggen rondom de vijver. Hetzelfde geldt voor de gebieden 76 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

A, B en C die in het noorden van het plangebied liggen. Hier ligt een watergang waar waarschijnlijk extra water geborgen worden kan. Voor de gebieden D en E is het belangrijk om te kijken of er mogelijkheden zijn om extra waterberging aan te leggen of om het water richting de vijver in het zuiden te sturen. In een volgende fase is het noodzakelijk om in gesprek te gaan met het waterschap om mogelijke kansen voor waterberging voor te leggen. Indien er geen gebruik gemaakt kan worden van de bestaande vijver en watergangen, moet er gezocht worden naar andere vormen van berging om te voldoen aan de bergingsnorm. Waterveiligheid Het plangebied bevindt zich op een locatie waar de kans op overstromingen klein (1/300 – 1.3000 jaar) is. Maar indien er een dijkdoorbraak is kan het water tot 5,0 m hoog komen. Bij verdere uitwerking van het ontwerp is het belangrijk in het achterhoofd te houden dat de effecten van een dijkdoorbraak groot kunnen zijn, ook al is de kans daarop relatief klein. Om het ontwerp klimaatadaptief in te richten dienen vitale functies beschermd te zijn en te blijven functioneren. Dit kan bijvoorbeeld door keerwanden te plaatsten, drempels voor de deur of het ophogen van het maaiveld. Conclusie Het aspect water vormt geen probleem binnen het plangebied. Er vindt bij de nadere uitwerkig overleg met het waterschap plaats.

4.5

Archeologie Kader Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Beoordeling Op basis van de archeologische beleidskaart heeft de gemeente Rheden het “Parapluplan Archeologie Rheden 2013 en aanpassing regeling Buitenplaatsen” op 15 april 2014 vastgesteld. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied weergegeven.

77 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Uitsnede archeologische beleidskaart (bron: “Parapluplan Archeologie Rheden 2013 en aanpassing regeling Buitenplaatsen”, 15 april 2014). In het vigerende bestemmingsplan “'Velp 2016, Woongebieden-Zuid” zijn de dubbelbestemmingen voor archeologie uit overgenomen. Het noordelijk deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 1'. Op basis van deze bestemming geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 100 m2. Het zuidelijk deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 3'. Op basis van deze bestemming geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 2.500 m2. Voor het beoogde plan worden deze drempelwaarden overschreden; de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1' loopt over elk kadastraal perceel. Geconcludeerd wordt dat bij elk cluster waar gebouwd gaat worden een archeologisch rapport nodig is. Inmiddels heeft de regio-archeoloog aangegeven dat verwacht wordt dat op basis van het bureauonderzoek niet veel zones uitgesloten kunnen worden van vervolgonderzoek. Het is raadzaam het bureauonderzoek te combineren met een verkennend booronderzoek.

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek kunnen wellicht zones vrijgegeven worden en zones worden aangeduid waar verder vervolgonderzoek nodig is (karterend boren/proefsleuven). Bureau voor Archeologie heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd voor bouwwerkzaamheden aan de 78 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Broekstraat-Waterstraat te Velp 8. De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische resten bij de voorgenomen ontwikkeling? In het plangebied wordt de huidige bebouwing gesloopt. Hiervoor komen woningen in de plaats. De exacte diepte en omvang van de bodemingrepen zijn nog niet bekend. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op een uitspoelingswaaier ligt die (deels) door Holocene komafzettingen wordt afgedekt. Op de uitspoelingswaaier kunnen archeologische resten uit het Laat Paleolithicum tot en met de Bronstijd aanwezig zijn. Vanaf de IJzertijd komt het plangebied waarschijnlijk in een komgebied te liggen en wordt het ongeschikt voor bewoning. In de Late Middeleeuwen wordt het plangebied geschikt voor landbouw. In de 18 e eeuw is het landgebruik weiland en dit blijft het tot de jaren 60 van de 20e eeuw. De voornaamste verwachting in het plangebied geldt voor resten uit de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevindt zich in het midden en noordoosten van het plangebied een (flak)stelling. Verschillende elementen hiervan en mogelijk ook bomkraters zijn zichtbaar op luchtfoto's uit 1945. Tijdens het booronderzoek zijn 47 boringen tot in het Pleistocene niveau gezet. De boringen bevestigen de bevindingen uit het bureauonderzoek.

De hoge delen van de uitspoelingswaaier, in het noorden, zijn verstoord. De lage delen, in het midden en zuiden, worden afgedekt door komklei. Waarschijnlijk is dit lage deel te nat geweest voor bewoning. In de Pleistocene afzettingen worden daarom geen behoudenswaardige archeologische resten verwacht. Tijdens het booronderzoek zijn diepe verstoringen ter hoogte van de verwachte stelling uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen die hier mogelijk aan gerelateerd zijn. Het is daarom mogelijk dat sporen en resten van deze stelling nog aanwezig zijn. Mogelijk kunnen ook nog resten van oorlogshandelingen aanwezig zijn. Bureau voor archeologie adviseert daarom in het noordoosten van het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om eventuele resten te karteren en te waarderen. De werkwijze van het onderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het PvE dient te worden opgesteld in samenwerking met historisch onderzoek van een deskundige op het gebied van de Tweede Wereldoorlog. Mogelijk moet het proefsleuvenonderzoek gecombineerd worden met een OOO-begeleiding (Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten). In dat opzicht is het ook mogelijk om het OOO-onderzoek archeologisch te laten begeleiden. Conclusie In het plangebied wordt geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht, met uitzondering van het noordoostelijk deel.

Voor dit deel van het plangebied is een archeologische dubbelbestemming opgenomen.

4.6

Cultuurhistorie Kader Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden 79

V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Beoordeling In het kader van de ontwikkeling van het Masterplan IJssel District is een cultuurhistorische quickscan 9 uitgevoerd in het onderzoeksgebied. Het IJssel District heeft volgens de quickscan slechts een geringe waarde. Dit komt omdat het IJssel District geen stedenbouwkundige samenhang heeft, door het uitwissen van de vroegere verkaveling, de gefaseerde invulling, het ontbreken van een planmatige opzet en een aaneenschakeling van forse parkeerterreinen in het binnengebied. Er is daarnaast geen duidelijke relatie tussen de oriëntatie, massaopbouw en architectonische uitwerking van de gebouwen, hun omgeving en elkaar. Het IJssel District heeft wel een cultuurhistorische waarde, vanwege het feit dat Velp als gevolg van het initiatief van een aantal lokale artsen aan het einde van de negentiende eeuw een eigen ziekenhuis kreeg.

De architectonische waarde van het ziekenhuis is, zeker lokaal gezien, van belang als interessant voorbeeld van het breedvoettype binnen de ontwikkeling van ziekenhuizen. Met name de beddentoren en de plint met hellingbaan en daarbij het glasmozaïek van Van Daalen zijn cultuurhistorisch waardevol en het behoud hiervan wordt geadviseerd. Het kantoorgebouw de President, net buiten het plangebied, is, lokaal gezien, is mogelijk waardevol vanwege de dragende prefabbetonnen gevelpanelen. Het kantoorgebouw van voormalig rijksbouwmeester Quist is, lokaal gezien, waarschijnlijk waardevol vanwege zijn gaafheid en de betrokkenheid van een goede architect uit deze periode. Op nationaal niveau zijn beide objecten niet interessant genoeg om in aanmerking te komen voor bescherming. De inschatting is daarom dat beide gebouwen niet voldoende waardevol zijn om formeel te beschermen. De lokale waarde zal nog nader beoordeeld moeten worden. Tot slot zijn het zusterhuis, hotel en de galarijflats binnen het onderzoeksgebied zijn niet cultuurhistorisch waardevol. Geconcludeerd wordt dat de cultuurhistorische waarde van het IJssel District is in eerste opzicht gering is, met uitzondering van de architectonische waarde van het ziekenhuis. Het ziekenhuisgebouw met hellingbaan zal vanwege de waarden behouden blijven. Hierin zullen woningen gerealiseerd worden.

De commissie Cultuurhistorie Rheden-Rozendaal heeft om een verdiepingsslag gevraagd, om de cultuurhistorische waarde beter in beeld te brengen. Zoals eerder beschreven heeft de cultuurhistorische waarde van het ziekenhuis een prominente plek binnen het plan gekregen en heeft de cultuurhistorische analyse ertoe geleid dat ook de hellingbanen geïntegreerd zijn in het centrale park. Een deel van het kantoorgebouw van voormalig rijksbouwmeester Quist – thans tijdelijke 80 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

huisvestingslocatie van de gemeente – wordt binnen het plan gehandhaafd. Verdere kansen om de historische identiteit van het gebied tot uiting te brengen zijn meegenomen in het beeldkwaliteitsplan. Conclusie Gelet op het voorgaande, vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor onderhavig plan.

4.7

Lucht Kader Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Bij bepaalde nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse. Beoordeling Op basis van kaartmateriaal van Atlas leefomgeving (2020) blijkt dat grenswaarden voor stikstof (NO 2) binnen het plangebied liggen tussen de 18 – 25 µg/m3. Hiermee wordt de grenswaarden uit de Wet milieubeheer niet overschreden. De WHO advieswaarden van 10 µg/m3 wordt niet gehaald.

Waarden NO2 (bron: Atlas Leefomgeving). Voor fijnstof (PM10 en PM2,5) liggen de grenswaarden in het plangebied tussen de 17 – 20 µg/m3 (PM10) en tussen de 9 – 11 µg/m3 (PM2,5) Dit betekent dat ruimschoots aan de grenswaarden vanuit de Wet milieubeheer wordt voldaan. De WHO-advieswaarden 81 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

van 15 µg/m3 (PM10) en 5 µg/m3 (PM2,5) worden niet gehaald.

Waarden PM10 (bron: Atlas Leefomgeving).

82 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Waarden PM2,5 (bron: Atlas Leefomgeving).

Op grond van NIMB-regeling zijn woningbouw- en kantoorlocaties in sommige gevallen vrijgesteld voor nader onderzoek. Het gaat dan om maximaal 3.000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen. Het gaat om maximaal 200.000 m² bvo bij minimaal twee ontsluitingswegen. Bij een combinatie van woningbouw en kantoren geldt de volgende formule: 0,0004 *aantal woningen + 0,000006 *bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2. Met voorliggend initiatief worden circa 800 woningen mogelijk gemaakt en 5.900 m² aan voorzieningen en er zijn twee ontsluitingswegen. Hiermee wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden en is onderzoek naar luchtkwaliteit niet nodig.

Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 83 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

4.8

Verkeer en parkeren Kader Verkeer Ten aanzien vanverkeer zal beoordeeld moeten worden of het huidige wegennet het verkeer van de ontwikkeling kan afwikkelen. Parkeren In de Nota Parkeernormen Rheden 2015 heeft de gemeente Rheden beschreven hoe er in de gemeente omgegaan wordt met parkeren. Parkeernormen bepalen de parkeerverplichting bij ruimtelijke ontwikkelingen. De toepassing van parkeernormen heeft als doel om een positieve invloed te hebben op de bereikbaarheid, leefbaarheid en een duurzame economische ontwikkeling van de kernen binnen Rheden. Daarnaast mogen de belangen van derden bij ontwikkelingen niet onevenredig worden geschaad. Beoordeling Verkeer In het kader van de ontwikkeling van het IJsseldistrict heeft Goudappel het onderzoek 'Ontsluiting en verkeersafwikkeling' uitgevoerd. Voorliggend plan voorziet in circa 800 woningen van verschillende grootte. In het hele gebied is uiteindelijk ruimte voor ongeveer 1100 woningen. Bij dit onderzoek is uitgegaan van 1073 woningen, horeca, een sportschool, commerciële dienstverlening/maatschappelijke diensten en publieksgericht kantoor. Verkeersgeneratie In het onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat het plan, inclusief de functies die aanwezig blijven, tot ongeveer 2 maal zoveel verkeer leidt als de voormalige invulling. Omdat het IJssel District twee toegangen voor het autoverkeer heeft, verdeeld het verkeer zich anders.

Per saldo leidt het plan op de Kennedylaan niet tot een toename van het verkeer ten opzichte van de referentie-situatie met het ziekenhuis. Verkeersafwikkeling Op basis van de verkeersintensiteiten uit het verkeersmodel is de conclusie dat het kruispunt Waterstraat – Broekstraat het verkeer goed kan afwikkelen in het planjaar 2031. Er is ruimte om extra verkeer af te wikkelen. Voor het kruispunt Kennedylaan – Waterstraat geldt dat het toekomstige verkeer zonder maatregelen niet kan worden verwerkt. Door verschillende richtingen gelijktijdig groen te geven ontstaat extra capaciteit en kan het verkeer worden verwerkt, waarbij de kwaliteit van de verkeersafwikkeling in de avondspits niet meer dan redelijk is. Op termijn – rond 2031 - moet worden gekeken naar de lengte van opstelvakken in relatie tot de koppeling van de regeling met de regelingen op het kruispunt Kennedylaan – Lepelaarstraat en op het Velperbroekcircuit. Voor het kruispunt Kennedylaan – Lepelaarstraat geldt dat het kruispunt het toekomstige verkeer op zichzelf goed kan afwikkelen. In de toekomstige situatie is er

84 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

weinig restcapaciteit om een eventuele verdere toename van het verkeer op te vangen. De conclusie is dat het toekomstige verkeer verwerkt kan worden via de bestaande kruispunten, er is geen noodzaak tot aanpassing van wegen of kruispunten. Wel moet op termijn gekeken worden naar de lengte van opstelvakken. Parkeren Voor de ontwikkeling van IJssel District zijn de parkeernormen uit de Nota Parkeernormen niet passend gebleken. Daarom zijn er specifieke normen voor dit project opgesteld. Welke parkeernormen er voor een gebied gelden is onder andere afhankelijk van de stedelijkheidsgraad. De stedelijkheidsgraad wordt bepaald op basis van de omgevingsadressendichtheid (aantal adressen per km²), kortweg OAD. In een gebied met een hoge OAD is het aanbod -en de kwaliteit van andere vervoerswijzen– over het algemeen groter dan in een gebied met een lage OAD. Daarom worden in een gebied met een hoge stedelijkheidsgraad lagere parkeernormen toegepast. Daarnaast kan een onderscheid worden gemaakt naar de stedelijke zone (centrum, schil, rest bebouwde kom, buitengebied) van een gemeente. De gemeente Rheden valt qua stedelijkheidsgraad -in zijn geheel- in de categorie matig stedelijk met 1.262 adressen per km2. Voor de duidelijkheid binnen de gehele gemeente hanteert de gemeente één parkeernorm per functie voor het totale grondgebied binnen de gemeente.

Dit is gebaseerd op de stedelijke zone 'Rest bebouwde kom' uit ASVV2012 van het CROW. De ontwikkeling van IJssel District kent een dichtheid: van ca. 180 adressen per 100 m2. Dit is veel meer dan het gemiddelde in de kernen van Rheden en ook meer dan die van Velp-Zuid: ca. 52 adressen per 100 m2. Ook ligt het dicht tegen Arnhem aan waardoor er meer OV-verbindingen zijn dan in de rest van de gemeente. Op basis van voorgaande overwegingen is voor het IJssel District gekomen tot onderstaande parkeernormen. Parkeernormen woningen IJssel District

Aan deze parkeernorm is ook een norm voor deelauto's opgenomen. De landelijke trend is dat autobezit nog zal doorgroeien. Met de inzet van deelauto's wordt deze trend voor IJssel District omgebogen. Het benodigde aantal deelauto's vervangt privéauto's en verhoogt daardoor de parkeernorm niet.

85 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Voorliggend plan voorziet in voldoende parkeermogelijkheden binnen twee parkeerhubs. Binnen het IJssel District wordt voor de hoofdfunctie wonen 150 m als acceptabele loopafstand naar parkeervoorzieningen aangehouden. Voor andere functies voor dan wonen gelden de parkeernormen volgens onderstaande tabel.

Parkeernormen overige functies IJssel District Parkeerberekening bij dubbelgebruik Bij de berekening van de parkeerplaatsverplichting is gebruik gemaakt van onderstaande aanwezigheidspercentages.

Indien rekening wordt gehouden met dubbelgebruik, zoals aangegeven in boventaande tabel, komen de parkeernormen uit op de waarden zoals weergegeven in onderstaande tabel. Daarbij is uitgegaan van de avond als maatgevende moment op een werkdag, waarbij 90% van de bewoners en 80% van de bezoekers aanwezig zijn. Indien sprake is van een privé-parkeerplaats is er voor die plaatsen geen sprake van dubbelgebruik en is er geen sprake van reductie op basis van aanwezigheid.

86 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

In de regels van dit bestemmingsplan zijn de parkeernormen opgenomen. Bij de beoordeling van een omgevingsvergunning zal getoetst worden of aan de parkeernorm voldaan wordt. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Externe veiligheid Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: 87 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Toetsing Onderdeel van de haalbaarheidsstudie voor het IJssel District is een quick scan externe veiligheid. Navolgend worden de resultaten uit deze quick scan beschreven. Het onderzoeksgebied valt op basis van de Bevt en de Bevi binnen de invloedsgebieden van de snelweg A12, de spoorlijn Arnhem-Zutphen, de inrichting Immori B.V. (opslag van gevaarlijke stoffen) en een LPG tankstation (zie onderstaande figuur). 88 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Signaleringskaart Externe veiligheid (bron: Sweco, haalbaarheidsnotitie). Voor de ruimtelijke procedure dient te worden getoetst aan deze vier risicobronnen en wat de consequenties hiervan zijn. Navolgend wordt per risicobron de situatie beschreven. Snelweg A12 Uit de regeling basisnet blijkt dat de snelweg A12 een plaatsgebonden 10 -6 risicocontour van 16 meter heeft (gemeten vanaf het midden van de snelweg) en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter (aan weerszijde van de snelweg). Het plangebied ligt hier buiten. Daarmee heeft dit geen consequenties voor voorliggende ontwikkeling. Het onderzoekgebied is wel gedeeltelijk gelegen binnen het invloedsgebied van de snelweg. Daarmee hebben wijzigingen in het onderzoeksgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Als de ontwikkelingen buiten 200 meter van de transportroute plaats vinden, dan heeft de wetgever aangegeven dat er volstaan kan worden met een beperkte verantwoording groepsrisico. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Indien de ontwikkelingen binnen 200 meter van de transportroute plaatsvinden is een groepsrisicoberekening nodig en een volledige verantwoording van het groepsrisico. Spoorlijn Arnhem-Zutphen. 89 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Uit de regeling basisnet blijkt dat spoorlijn Arnhem-Zutphen geen 10 -6 risicocontour heeft. Daarnaast heeft de spoorlijn eveneens geen plasbrandaandachtsgebied. Dit heeft geen consequenties voor het onderzoeksgebied. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied groepsrisico van de spoorlijn. Daarmee hebben wijzigingen in het onderzoeksgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Als de ontwikkelingen buiten 200 meter van de transportroute plaats vinden, dan heeft de wetgever aangegeven dat er volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Immori B.V. Op basis van de veiligheidskaart uit de Atlas Leefomgeving blijkt dat het onderzoeksgebied gelegen is buiten de 10 -6 risicocontour van de inrichting Immori B.V. Dit heeft geen consequenties voor het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is wel gedeeltelijk gelegen binnen het invloedsgebied groepsrisico (3.000 meter) van de inrichting Immori B.V. Daarmee hebben wijzigingen in het onderzoeksgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Gezien de grootte afstand tussen het onderzoeksgebied en de risicovolle inrichting is een groepsrisicoberekening niet nodig. Wel moet het groepsrisico uitgebreid verantwoord worden.

LPG tankstation (President Kennedylaan 108a Velp) Uitgaande van een worst case scenario heeft een lpg-vulpunt een 10 -6 risicocontour van 35 meter, de tank 25 meter, en de afleverzuil 15 meter. Hierbinnen is het realiseren van nieuwe kwetsbare objecten, zoals woningen en kantoren van meer dan 1500 m², uitgesloten. Het onderzoekgebied is gedeeltelijk gelegen binnen het invloedsgebied van het LPG tankstation. Daarmee hebben wijzigingen in het onderzoeksgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Uit een risicoberekening moet blijken wat de toename van het groepsrisico door de ontwikkelingen in het ontwikkelgebied is. Het groepsrisico dient uitgebreid verantwoord te worden, met bijbehorend advies van VGGM. Daarnaast geldt voor LPG tankstations het interimbeleid 'Circulaire afstanden externe veiligheid lpg-tankstations'. Dit beleid anticipeert al op het nieuwe omgevingsveiligheidsbeleid onder de Omgevingswet. Hierin zijn twee toetsingsafstanden (aandachtsgebieden) benoemd: Er dient rekening te worden gehouden met 60 meter effectafstand (gemeten v.a. het vulpunt) voor een fakkelbrand. Wil men hierbinnen (beperkt) kwetsbare objecten realiseren dan moet dat onderbouwd worden met veiligheidsargumenten. Er dient rekening te worden gehouden met 160 meter effectafstand (gemeten v.a. het vulpunt) voor een explosie.

Wil men hierbinnen zeer kwetsbare objecten (instelling waar mensen wonen die minder mobiel zijn) realiseren dan moet dat onderbouwd worden met veiligheidsargumenten.

Hieraan moet eveneens het onderzoeksgebied aan getoetst worden. 90 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Aandachtsgebieden fakkelbrand en explosie (bron: Sweco, haalbaarheidsnotitie). Ten behoeve van de verantwoording van het groepsrisico heeft er aanvullend onderzoek plaatsgevonden 10. Als gevolg van het ontwikkelplan zal de personendichtheid in het invloedsgebied van wegtraject autosnelweg A12 en LPG-tankstation Esso toenemen. Het wegtraject autosnelweg A12 kent een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Echter ligt de ontwikkellocatie hierbuiten. Uit de kwantitatieve risicoberekeningen is gebleken dat het wegtraject een PR 10 -6/j contour van maximaal 16 meter kent ter hoogte van de ontwikkellocatie. Hier ligt de ontwikkellocatie ook buiten. Tevens is gebleken dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden en het groepsrisico met minder dan 10% toeneemt. Tevens ligt de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied van spoorlijn 62 (Velperpoort aansluiting – Zutphen) en wegtraject autosnelweg A348. Echter ligt de ontwikkellocatie buiten de belangrijkste zone voor het groepsrisico. Ingevolge artikel 7 en 8 van het Bevt kon derhalve worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico met betrekking tot de autosnelweg A12, de autosnelweg A348 en spoorlijn 62 (Velperpoort aansluiting – Zutphen). Hoofdstuk 5 van het onderzoeksrapport voorziet hierin.

In die verantwoording van het groepsrisico wordt ingegaan op de bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Hieruit blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Als gevolg van het ontwikkelplan zal de personendichtheid in het invloedsgebied van het LPG-tankstation aan de President Kennedylaan toenemen. De ontwikkellocatie valt buiten de PR 10 -6/j contouren van zowel het vulpunt als van de opslagtanks. Er is desalniettemin gebleken dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de 91 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt overschreden en dat het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt. Daarom is een volledige verantwoording benodigd. Hoofdstuk 6 van het onderzoeksrapport voorziet hierin. In die verantwoording van het groepsrisico wordt ingegaan op de bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Hieruit blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Aan de hand van het wettelijk kader zijn de risicobronnen in de nabijheid van de ontwikkellocatie in beeld gebracht en daar waar vereist nader onderzocht. Het advies van de Veiligheidsregio Gelderland Midden is verwerkt in het voorgaande. Uitgaande van de hiervoor opgenomen verantwoording van het groepsrisico bestaat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Ontplofbare oorlogsresten Kader De mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in de ondergrond houdt in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). Dit is het enige op Nederlandse bodem gevoerde gewapende conflict, waarbij gebruik is gemaakt van conventionele munitie welke explosieve stoffen bevatten. Handelingen die hebben geleid tot het achterblijven van Ontplofbare Oorlogsresten in de Nederlandse bodem, betroffen onder meer het afwerpen van bommen, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, grondgevechten tijdens de begin- en eindfase van de oorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden, stellingen enzovoorts. Ongeveer 10% van de afgeworpen en verschoten conventionele munitie ontplofte niet en bleef als Ontplofbare Oorlogsresten achter. Bij het vervaardigen van bestemmingsplannen wordt, zoals is vastgelegd in de Nota standaardplanmethodiek bestemmingsplannen dorpen Rheden 2015, vanwege de gemeentelijke zorgplicht bij het leggen van bouwvlakken in verdachte gebieden een onderzoek gevraagd naar de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Beoordeling In opdracht van de gemeente is reeds in 2016 een vooronderzoek Conventionele Explosieven uitgevoerd.

Uit dit onderzoek blijkt dat het gehele onderzoeksgebied verdacht is van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten uit de tweede wereldoorlog.

92 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Uitsnede verdachte gebieden en aandachtsgebieden (bron: Sweco, haalbaarheidsnotitie). De volgende Verdachte gebieden zijn hier te onderscheiden: Raketten Gedumpte conventionele explosieven Springrookgranaten

Voorafgaand aan de sloop-, bouw- of andere graafwerkzaamheden (waaronder ook boorwerkzaamheden ten behoeve van de conditionerende onderzoeken) in deze 'Verdachte gebieden' is onderzoek naar de ontplofbare oorlogsresten nodig. Daarnaast is geheel Velp aangewezen als 'Aandachtgebied', vanwege de aanwezigheid van rookgranaten. In bovenstaande figuur zijn de 'Verdachte gebieden' en het 'Aandachtsgebied' weergegeven. Wanneer een gebied wel in het 'Aandachtgebied' valt, maar niet in een 'Verdacht gebied', dan is het uitvoeren van een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten niet verplicht. Op basis van eerder uitgevoerd explosieven onderzoek, zijn enkele gebieden binnen het onderzoeksgebied reeds vrijgegeven. In onderstaande figuur zijn deze vrijgegeven gebieden met een groene kleur weergegeven.

93 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Vrijgegeven gebieden (bron: Sweco, haalbaarheidsnotitie). Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Dit onderzoek zal later in het kader van de omgevingsvergunningen plaatsvinden. Conclusie In het kader van de omgevingsvergunning zal nader onderzoek uitgevoerd moeten worden.

4.11 Milieuzonering Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en 94 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

Beoordeling In de omgeving van het plangebied zijn de aanwezige bedrijven in beeld gebracht. Uit de inventarisatie blijkt dat er geen bedrijven nabij het plangebied aanwezig zijn, die belemmerend zijn voor de voorgenomen (her)ontwikkeling. Binnen het onderzoeksgebied komt wel een lpg-tankstation voor. Deze risicobron wordt uitvoerig onderzocht en beschreven in paragraaf 4.9 'Externe veiligheid'. Voor de functies binnen het onderzoeksgebied zelf is er hooguit sprake van invloed op belendende plots. Hiermee moet in de planvorming rekening mee worden gehouden. Conclusie Het tankstation is een aandachtspunt en komt aan bod in paragraaf 4.9. In de rest van het plangebied vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering.

4.12 Kabels en leidingen Kader Onder de grond liggen netwerken van kabels en leidingen voor onder andere nutsvoorzieningen, (tele)communicatie en riolering. Graafwerkzaamheden in de openbare weg voor de uitbreiding en/ of onderhoud van deze werken mogen alleen gebeuren met vergunning en/of instemming van de gemeente. Beoordeling Volgens de KLIC-gegevens liggen verspreid over het gehele onderzoeksgebied kabels en leidingen, die zich met name tussen en rond de bestaande bebouwing en wegen concentreren. De belangrijkste kabels en leidingen zijn als volgt gesitueerd: In de noordoosthoek en langs de noord- en oostgrens van het onderzoeksgebied 95 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

is een gasleiding met hoge druk gelegen. Vanaf de oost- en westgrens van het onderzoeksgebied liggen lagedruk gasleidingen richting de bestaande bebouwing. Ter hoogte van het Hendrik Kerkkamppad ligt een lagedruk gasleiding van oost naar west door het onderzoeksgebied. De bestaande bebouwing is aangesloten op het laagspanningsnetwerk. Dit maakt dat rond en tussen de bestaande bebouwing laagspanningskabels gelegen zijn. In het onderzoeksgebied liggen rond en tussen de bestaande bebouwing middenspanningskabels. Rond en richting de bestaande bebouwing zijn riool- en waterleidingen aanwezig.

Bij de (her)ontwikkeling van het IJssel District moet rekening gehouden worden met de in het plangebied aanwezige kabels en leidingen. De genoemde leidingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het betreft voornamelijk lage druk leidingen. De enig hoge druk leiding ligt langs de grens van het plangebied. De hoge druk verdwijnt zodra het ziekenhuis weggaat. Conclusie Het aspect kabels en leidingen leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig plan.

4.13 Wind en Zon Kader Windhinder De windanalyse geeft in een vroeg stadium inzicht in de effecten van gebouwen op de windstromen in het gebied. Een ongewenst effect is het creëren van oncomfortabele buitenruimtes als gevolg van gebieden met teveel wind(stromen). Door de driedimensionale structuur en opstelling van gebouwvolumes is het mogelijk om hoge windsnelheden en turbulente windstoten te ervaren en creëren. Enkele van de effecten die kunnen optreden zijn: neerwaartse stroming (naar beneden afbuigende wind, valwind), Venturi-effect (door smalle ruimtes) en omhoog afgebogen wind. De windanalyse kan dergelijke problemen identificeren. De analyse toont een comfortscan die inzicht geeft een hoe comfortabel de openbare ruimte zal aanvoelen. Daarnaast geeft de analyse een flowscan die inzicht geeft in de luchtstromen die oncomfortabele ruimtes veroorzaken. De windstromen worden gegenereerd door middel van de Global Wind Atlas. In deze atlas zijn de percentages aan dominante windstromen voor de locatie opgenomen. Mocht uit de analyse blijken dat windhinder een rol kan spelen, dan zal een beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar plaatsvinden op basis van de norm NEN 8100. Zonlicht Zonlicht is een belangrijke factor om de leefkwaliteit van een gebied te bepalen.

Voldoende zonlicht is belangrijk voor onze gezondheid en draagt bij een fijne leefomgeving. De stijgende temperaturen door klimaatverandering zorgen er echter ook voor dat voldoende schaduw steeds vaker wordt meegewogen bij een prettig 96 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

leefklimaat. De uitgevoerde analyse meet de hoeveelheid zonlicht op een bepaalde datum en tijdbestek. Het model genereert punten die de grond en de gebouwen in het model bedekken en kan aangeven hoeveel zonlicht deze punten bereikt. Daglicht In de daglichtstudie wordt de Vertical Sky Component (VSC) geanalyseerd. De VSC geeft een indicatie van het daglicht potentieel op punten van de gevel. Het berekend hoeveel licht van de lucht de gevels bereikt, in verhouding tot het beschikbare licht op een horizontaal onbelemmerd oppervlak (zie onderstaand schema). De VSC-score wordt gegeven als een percentage waarbij de maximale score ongeveer 40% is. Op delen van gevels met een score onder de 5% wordt het zeer onwaarschijnlijk geacht dat er voldoende daglicht toe kan treden. Beoordeling Windhinder Ten behoeve van het Masterplan is een windanalyse 11 uitgevoerd voor het IJssel District. Daarbij zijn een aantal specifieke aandachtspunten gesignaleerd: 1. De toren op de hoek van bouwveld F zorgt voor sterke windstromen op het maaiveld. Het is belangrijk om de toren te geleden en de massa te laten verspringen om de windeffecten te beperken. Bij het maken van toegangen is het mogelijk om deze binnen het volume te leggen of om deze te voorzien van een luifel. In de openbare ruimte is het belangrijk om hier voldoende bomen te planten 2.

Op deze locaties treed in smalle ruimtes het Venturi-effect op. Hier is het belangrijk om ruimtes breder te maken, de geleding aan te passen of de ruimte te voorzien van extra bomen. 3. Op deze locaties verbeterd de windsituatie het meest ten opzichten van de huidige situatie. Hier is het aantrekkelijk om verblijfsruimtes in de openbare ruimte te realiseren.

97 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

Confortscan (bron: SVP) Over het algemeen wordt de windsituatie met de komst van het IJssel District verbeterd. De nieuwe gebouwen breken de windstromen en geven de wind geen kans om op snelheid te komen. Bij de hogere bebouwing (bouwveld B en F) ontstaan wel uitdagingen. Hier zorgen valwinden en het Venturi-effect voor oncomfortabele ruimtes. Voor het bestemmingsplan zal op deze bouwvelden een uitgebreidere aanvullende studie (volgens de NEN 8100 normen) nodig zijn. Zonlicht Voor het Masterplan IJssel District is een uitgebreide zonscan uitgevoerd. In deze scan is alleen de voorgestelde massa binnen het plangebied uit het ontwikkelplan meegenomen. Het planten van bomen zal in de werkelijke situatie nog veel effecten op het daadwerkelijke zonlicht. Over het algemeen lijkt er goede balans te ontstaan tussen zon en schaduw binnen het plangebied. Uit de studie zijn echter wel een paar aandachtspunten naar voren gekomen die mee zijn genomen bij de verder uitwerking van het plan. Hieronder volgt een overzicht: 1. Op deze locaties is het belangrijk om te kiezen voor gebouwtypologieën die 98 V elp Zuid, locatie IJssel District (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=542859b9-2027-45fa-9c0b-662cdc519591