CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

20241104_Energievisie_Werkdokument_0.2

Informatiebijeenkomst sessie 2 10 december 2024, gemeente RhedenBij agendapunt: Toelichting eerste versie energievisie24.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

24,5%

Rheden

25,8%

52,1%

Buurt

21,5%

0%

20%

Boom

49,7%

14,5%

21,8%

40%

33,4%

56,8%

60%

Laag groen

80%

100%

Grijs

Fig. A.1.2.4.3 Groen en grijs niet-openbaar bron: klimaateffectatlas

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 14 van 493

A.1.3

Mobiliteit

Gemiddeleld aantal per gezin Nederland Rheden Buurt 0

0,5

1

1,5

Gemiddeld aantal motorfietsen Gemiddeld aantal auto's Fig. A.1.3.1 Gemiddeld aantal vortuigen per gezin bron: CBS 2022

In Dieren-Zuid is de auto te gast. Er wordt actief gewerkt aan het stimuleren van wandelen, fietsen en openbaar vervoer door de infrastructuur hierop aan te passen. Dit maakt de buurt niet alleen milieuvriendelijker, maar bevordert ook de sociale interactie en gezondheid van de bewoners. Het aantal auto’s in de buurt is 1050 en het aantal motoren in de buurt is 105.

Brandstofverdeling

Benzine Diesel Gas Hybride Elektrisch

78,5% 9,8% 1,8% 7,5% 2,4%

100%

83,8% 100%

100%

16,2%

Fig. A.1.3.2 Brandstof per geregistreerd voertuig bron: RDW 2024

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 15 van 493

Verwachte energievraag (midden)

Verwachte groei elektrische auto’s Ontwikkeling EVpersonenauto's

Energievraag (kWh)

1500 1000 500 0

1500000

2000000

2048

2046

2044

2042

2040

2038

2036

2034

Midden

500000 0

Hoog

2024 2026 2028 2030 2032 2034 2036 2038 2040 2042 2044 2046 2048

Laag

2032

2030

2028

2026

2024

1000000

Fig. A.1.3.3 Ontwikkeling Elektrische auro’s bron: E-laad 2024 Fig. A.1.3.4 Ontwikkeling Elektrische voertuigen bron: E-laad 2024

Laadpaal ontwikkeling (midden) Scenario laadpalen midden Thuis 400

Werk

300

(semi)publiek Parkeer garage Parkeer plein

200 100 0

Snellaadpunt en Fig. A.1.3.5 Ontwikkeling laadpalen (scenario midden) bron: E-laad 2024

A.1.4

Verhouding huur en koop

Huur en koop Koop 14%

Huur corporatie

16%

70%

Huur particulier

Fig. A.1.4.1 Huur en koop bron: WOZ lijst gemeente

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 16 van 493

A.1.5

Diversiteit van woningen Galerij

Diversiteit woningen

Maisonnette 15%

24%

Portiek Rijwoning hoek

1%

24%

8%

Rijwoning tussen

De buurt Dieren-Zuid biedt een breed scala aan woningtypen die tegemoetkomen aan verschillende woonwensen en levensstijlen. Van betaalbare galerijwoningen tot ruime vrijstaande woningen, deze diversiteit zorgt ervoor dat er voor ieder wat wils is, wat bijdraagt aan een inclusieve en dynamische woonomgeving.

Twee-onder-eenkap Vrijstaande 18% Fig. A.1.5.1 Diversiteit woningen bron: WOZ lijstwoning gemeente 10%

A.1.5.1

Bouwperiode woningen

Bouwperiode woningen 6,1% 19,0%

0,0%

0,0% 37,6%

< 1929 1929 - 1945 1946 - 1964 1965 - 1974 1975 - 1991 1992 - 2005 2006 - 2014

De woningbouw in Dieren-Zuid weerspiegelt een rijke historische ontwikkeling, wat een diverse mix van oude en nieuwe woningen met zich meebrengt. Deze variatie in bouwperiodes biedt zowel uitdagingen als kansen voor de energietransitie.

De oudere woningen, met hun historische charme, vragen om >2019 grondige renovaties om aan de Fig. A.1.5.1.1 Bouwperiode woningen bron: BAG moderne warmtevraagnormen te voldoen. Dit omvat het aanbrengen of verbeteren van isolatie, het vervangen van ramen en het upgraden van verwarming afgiftesysteem. De luchtdichting op orde brengen inclusief ventilatie. Zulke ingrepen zijn cruciaal om energieverliezen te minimaliseren en het comfort te verhogen. 26,0%

6,4% 0,3%4,6%

2015 - 2018

De meer recente woningen zijn soms al deels geïsoleerd en voorzien van efficiëntere afgiftesystemen, maar ook hier is ruimte voor verbetering. Door te investeren in betere beglazing, luchtdichting en ventilatie kunnen deze woningen nog duurzamer worden.

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 17 van 493

Deze diversiteit in bouwperiodes draagt bij aan een veelzijdige aanpak van de energietransitie, waarbij elke woning op maat gesneden oplossingen vereist. Zo kunnen zowel de historische waarde als de moderne voorzieningen behouden blijven, terwijl de buurt zich aanpast aan de eisen van een duurzame toekomst.

A.1.5.2

Technische kenmerken van de buurt

Dieren-Zuid is een wijk met een diverse mix van woningtypen en bouwperiodes. De technische eigenschappen van deze wijk variëren sterk en beïnvloeden de warmtevraag en duurzaamheid van de woningen. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste technische kenmerken.

A.1.5.3

Gevolgen voor de Energietransitie

De technische eigenschappen van woningen in Dieren-Zuid hebben directe implicaties voor de energietransitie. Oudere woningen vereisen ingrijpende renovaties om aan moderne warmtevraagnormen te voldoen, terwijl recentere woningen vooral verdere optimalisatie en integratie van hernieuwbare energiebronnen nodig hebben. Deze gedifferentieerde aanpak is essentieel om een effectieve en duurzame energietransitie te realiseren in de wijk.

A.1.6

De Energiebehoefte van de buurt

Warmtevraag na isoleren woningen 150000 99178 100000

76347

57446

50000 0

Om de energiebehoefte van de wijk te bepalen zijn er een diversiteit aan technische kenmerken nodig waar rekening mee gemaakt wordt. Hieronder staan de samenvatting van deze gegevens. Er wordt naar de volgende technische kenmerken gekeken:

Totaal Fig. A.1.6.1 Energiebehoefte van de buurt bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw

     

Bouwperiode voor of na 1945, dit heeft te maken met de temperatuurregiem in het gebouw; Wat is de gemiddelde energiebehoefte per huishouden Wat is de piekbehoefte per periode Hoe ziet de omgeving er uit. Welke bronnen zijn er aanwezig Welke overige energievraag is er (bedrijven en mobiliteit)

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 18 van 493

A.1.6.1

Woningequivalenten (WEQ)

De transitievisies warmte heeft niet alleen betrekking op woningen, maar ook op andere gebouwen. Omdat deze gebouwen erg kunnen verschillen qua omvang, worden ze gemeten in woningequivalenten. Een woning is gelijk aan één woningequivalent. Voor utiliteitsgebouwen geldt 1 woningequivalent is het aantal m2 van een gebouw gedeeld door 130. Woningequivalenten Woningen Overige gebouwen Totaal

996 387,5 1383,5

Tabel A.1.6.1.1 verdeling woningequivalenten

A.1.6.2

Warmtevraag

"Warmtevraag" verwijst naar de hoeveelheid warmte die nodig is om 25000 een gebouw of ruimte te verwarmen. 20000 Deze behoefte varieert afhankelijk 15000 van factoren zoals de grootte van het 10000 gebouw, de mate van isolatie, de 5000 locatie en het ventilatieverlies. De 0 warmtevraag wordt meestal uitgedrukt in kilowatturen (kWh) of Giga joule (Gj) Hoe beter een gebouw geïsoleerd is, hoe lager de Oorspronkelijk Huidige Standaard warmtevraag. In huishoudelijke Fig. A.1.6.2.1 Warmtevraag in 3 scenario’s bron: RVO situaties signaleert een thermostaat Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw wanneer er warmte nodig is, wat resulteert in een warmtevraag. Dit signaal wordt naar de warmtebron, zoals een cv-ketel of warmtepomp, gestuurd om de temperatuur op het gewenste niveau te brengen. De warmtevraag verschilt aanzienlijk op basis van de warmtevraag van de woning: goed geïsoleerde huizen hebben een warmtevraag van ongeveer 45 kWh/m² per jaar, terwijl slecht geïsoleerde woningen meer dan 300 kWh/m² per jaar kunnen vereisen. Warmtevraag

Warmtevraag per oorspronkelijke, huidige en standaard Bouwperiode (Gj) De warmtevraag per periode is de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om gebouwen gedurende een jaar te verwarmen. Deze warmtevraag varieert afhankelijk van verschillende factoren, zoals seizoensgebonden temperaturen, type en isolatieniveau van gebouwen. De warmtevraag wordt berekend vanuit een technisch oogpunt, zodat het gebouw volledig gebruikt kan worden zoals bedoeld vanuit de oorsprong. Bouwperiode < 1929 1929 - 1945 1946 - 1964 1965 - 1974 1975 - 1991 1992 - 2005 2006 - 2014 2015 - 2018 >2019 Totaal

Oorspronkelijk 62213 8839 5929 428 12803 6817 2150 0 0 99178

Huidige 45007 6437 4470 332 11417 6579 2105 0 0 76347

Standaard 37679 5073 1976 168 6427 4545 1579 0 0 57446

Fig. A.1.6.2.2 Warmtevraag in 3 scenario’s bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 19 van 493

Gemiddelde warmtevraag per oorspronkelijke, huidige en standaard Bouwperiode (Gj) De gemiddelde warmtevraag per periode is de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om een gebouw gedurende een jaar te verwarmen. Vanuit technisch oogpunt wordt de gemiddelde warmtevraag berekend om ervoor te zorgen dat het gebouw optimaal functioneert, terwijl rekening wordt gehouden met de oorspronkelijke ontwerpdoelstellingen en gebruiksomstandigheden. Bouwperiode < 1929 1929 - 1945 1946 - 1964 1965 - 1974 1975 - 1991 1992 - 2005 2006 - 2014 2015 - 2018 >2019 Totaal

Oorspronkelijk 171 143 135 143 51 37 36 0 0 103

Huidige

Standaard 124 104 102 111 45 36 36 0 0 79

104 82 45 56 26 25 27 0 0 60

Fig. A.1.6.2.3 Warmtevraag in 3 scenario’s bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw

Warmtevraag per periode (Gj) De warmtevraag per maand tijdens het stookseizoen is de hoeveelheid warmte-energie die elke maand nodig is om een gebouw gedurende deze periode te verwarmen. Vanuit technisch oogpunt wordt het maandelijkse verbruik berekend om ervoor te zorgen dat het gebouw optimaal functioneert, waarbij rekening wordt gehouden met de oorspronkelijke ontwerpdoelstellingen en de specifieke omstandigheden die voor elke maand van het stookseizoen gelden. Hierdoor kan het energieverbruik per maand variëren, afhankelijk van de buitentemperaturen en de warmtebehoefte in elke fase van het stookseizoen. Warmte per periode Jan Feb Maa Apr Mei Jun Jul Aug Sep Okt Nov Dec Totaal

Oorspronkelijk 21958 18070 14549 5871 0 0 0 0 0 5395 13032 20302 99178

Huidige 16903 13910 11200 4520 0 0 0 0 0 4153 10032 15628 76347

Standaard 12719 10467 8427 3401 0 0 0 0 0 3125 7548 11759 57446

Fig. A.1.6.2.4 Warmtevraag in 3 scenario’s bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 20 van 493

A.1.6.3

Koelvraag

Koelvraag Gj/jaar 30000 20000 10000 0

Huidig

2033

2050

2100

Fig. A.1.6.3.1 Koelvraag in scenario midden bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw, KNMI'23 klimaatscenario's

De "koelvraag" verwijst naar de hoeveelheid energie die nodig is om een gebouw of ruimte te koelen, vooral tijdens warme periodes. De koelvraag neemt toe wanneer de buitentemperatuur stijgt en het gebouw oververhit raakt, wat vooral belangrijk is in goed geïsoleerde gebouwen. In moderne gebouwen wordt deze vraag vaak ingevuld door systemen zoals warmtepompen die ook kunnen koelen. Naar verwachting zal de koelvraag in de komende jaren toenemen door klimaatverandering.

KNMI heeft een aantal scenario’s uitgewerkt. Het beheren van de koelvraag kan op verschillende manieren, zoals zonneschermen, bomen en meer groen in de starten en tuinen.

Koelvraag volgens KNMI Scenario Matige CO2-uitstoot, verdrogende Volgens de KNMI-scenario's van 2023 neemt de koelvraag per periode aanzienlijk toe als gevolg van stijgende temperaturen en langere warme seizoenen. De koelvraag verwijst naar de hoeveelheid energie die nodig is om gebouwen gedurende het jaar te koelen, vooral tijdens warme periodes. Net als de warmtevraag varieert de koelvraag op basis van seizoensgebonden temperaturen, het type gebouw en het isolatieniveau. Klimaatmodellen van het KNMI voorspellen dat warmere zomers en hittegolven steeds vaker voorkomen, waardoor de koelvraag substantieel toeneemt in de toekomst. Deze toename in koelvraag wordt berekend vanuit een technisch oogpunt, zodat het gebouw optimaal kan functioneren binnen de veranderende klimaatomstandigheden. Hierbij wordt rekening gehouden met factoren zoals zoninstraling, ventilatie, en het gebruik van actieve of passieve koelsystemen. Koelvraag

Huidig 5643 797 558 49 2373 1757 704 0 0 11882

2033 7457 1054 738 64 3136 2322 931 0 0 15701

2050 9070 1281 897 78 3814 2824 1132 0 0 19095

2100 11891 13145 11465 10289 5000 3702 1484 0 0 19095

< 1929 1929 - 1945 1946 - 1964 1965 - 1974 1975 - 1991 1992 - 2005 2006 - 2014 2015 - 2018 >2019 Totaal Fig. A.1.6.3.2 Koelvraag in scenario midden bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw, KNMI'23 klimaatscenario's

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 21 van 493

Gemiddelde Koelvraag per bouwperiode per scenario De gemiddelde koelvraag per periode is de hoeveelheid energie die nodig is om een gebouw gedurende het jaar te koelen. Vanuit technisch oogpunt wordt de gemiddelde koelvraag berekend om ervoor te zorgen dat het gebouw optimaal functioneert, terwijl rekening wordt gehouden met de oorspronkelijke ontwerpdoelstellingen en de gebruiksomstandigheden tijdens warme periodes. De koelvraag fluctueert afhankelijk van factoren zoals de buitentemperatuur, de mate van zoninstraling en het isolatieniveau van het gebouw, wat een invloed heeft op de warmtevraag van de koelsystemen. Koelvraag < 1929 1929 - 1945 1946 - 1964 1965 - 1974 1975 - 1991 1992 - 2005 2006 - 2014 2015 - 2018 >2019 Totaal

Huidig

2033 16 13 13 16 9 10 12 0 0 12

2050 21 17 17 21 12 13 16 0 0 16

2100 25 21 20 26 15 15 19 0 0 20

33 212 261 3430 20 20 25 0 0 59

Fig. A.1.6.3.3 Koelvraag in scenario midden bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw, KNMI'23 klimaatscenario's

De koelvraag per maand tijdens de warme maanden is de hoeveelheid energie die elke maand nodig is om een gebouw gedurende deze periode te koelen. Vanuit technisch oogpunt wordt het maandelijkse energieverbruik berekend om ervoor te zorgen dat het gebouw optimaal functioneert, waarbij rekening wordt gehouden met de oorspronkelijke ontwerpdoelstellingen en de specifieke omstandigheden van elke maand tijdens het warme seizoen. Hierdoor kan het energieverbruik per maand variëren, afhankelijk van de buitentemperaturen, de mate van zoninstraling en de koelbehoefte in elke fase van de warmere periodes. Deze maandelijkse variaties in koelvraag worden vooral beïnvloed door toenemende buitentemperaturen en klimaatveranderingen.

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 22 van 493

A.1.7

Samenvatting

De buurt Dieren-Zuid staat voor grote uitdagingen in de energietransitie, waarbij de focus ligt op het verbeteren van de warmtevraag van woningen, met speciale aandacht voor oudere gebouwen die grondige renovaties nodig hebben. Belangrijke aspecten zijn betere isolatie, energiezuinige apparatuur, en het benutten van duurzame energiebronnen zoals zonnepanelen. De diversiteit aan woningtypes en bouwperiodes vraagt om maatwerkoplossingen om de energievraag te verlagen en de warmtevraag te optimaliseren. Bewoners van Dieren-Zuid variëren sterk in huishoudenssamenstelling, financiële draagkracht en bereidwilligheid om aan de energietransitie deel te nemen. Eenpersoonshuishoudens en huishoudens zonder kinderen hebben vaak een hoger milieubewustzijn en zijn bereid om te investeren in duurzame energieoplossingen, mits er goede voorlichting en financiële prikkels zijn. Bij huishoudens met kinderen speelt de zorg voor een duurzame toekomst een belangrijke rol, maar zij hebben vaak te maken met tijdsgebrek en hoge kosten. Voorlichting, educatie en financiële ondersteuning zijn cruciaal om de bereidwilligheid voor deelname aan de energietransitie te vergroten. Het bieden van gemakkelijke, toegankelijke oplossingen en praktische hulp helpt om bewoners te betrekken.

Speciale aandacht is nodig voor de kleine groep bewoners van buitenlandse afkomst, waarbij communicatie in meerdere talen en culturele aanpassingen van belang zijn. Ondernemers en beleidsmakers in de buurt moeten ook betrokken worden, vooral bij de inrichting van voorzieningen en mobiliteit. Door deze samenwerking kan een breed draagvlak voor duurzame ontwikkelingen ontstaan.

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 23 van 493

A.1.7.1

Samenvatting Energiebehoefte

55095 Gj

3901924 kWh 1036 Gj

827363 kWh

WEQ

1205,5

Warmtevraag omlaag brengen

68404 Gj 9872 Gj 350 Gj 4805618 kWh 91559 Gj 3815 Gj 25937 Gj 132459 kWh 14843 Gj Duurzaam energiesysteem

1036 Gj 68404 kWh 9872 Gj 350 Gj 4805618 kWh 68892 Gj 2871 Gj 25937 Gj 132459 kWh 19614 Gj

232668 kWh 8750 Gj 4805618 kWh 71763 Gj 1884168 kWh 23854 Gj

Dieren-Zuid

Werkdocument 0.2

Pagina 24 van 493

A.2

Dieren-Noord

Dieren-Noord, gelegen boven de spoorlijn, is een buurt die zich kenmerkt door haar dynamische mix van stedelijke voorzieningen en groene omgevingen. Deze wijk combineert een levendige woonomgeving met uitstekende verbindingen, wat haar aantrekkelijk maakt voor zowel gezinnen als forensen.

A.2.1

Woonomgeving

De woningen in Dieren-Noord bestaan uit een diverse mix van rijtjeshuizen, vrijstaande woningen en enkele appartementen. De buurt heeft zowel oudere panden met karakter als moderne nieuwbouwwoningen, wat zorgt voor een gevarieerd straatbeeld. De ruime tuinen en rustige straten dragen bij aan een aangename woonsfeer, terwijl er tegelijkertijd genoeg voorzieningen in de directe omgeving zijn

A.2.1.1

Sociale kenmerken

De energietransitie staat centraal in het streven naar duurzame energieoplossingen, maar de bereidwilligheid van huishoudens om hieraan deel te nemen varieert sterk. Deze variatie wordt beïnvloed door factoren zoals huishoudenssamenstelling, herkomst van bewoners en leeftijdssamenstelling binnen gemeenschappen. Een diepgaande analyse van deze factoren onthult dat eenpersoonshuishoudens, huishoudens zonder kinderen en huishoudens met kinderen elk unieke motivaties en uitdagingen hebben in hun benadering van de energietransitie. Bovendien speelt educatie, toegankelijkheid van informatie en financiële stimulansen een cruciale rol in het vergroten van de bereidheid tot deelname aan duurzame initiatieven. Door deze diversiteit te begrijpen en effectieve strategieën te ontwikkelen, kunnen beleidsmakers en energiebedrijven een inclusieve en impactvolle transitie naar duurzame energie bevorderen.

A.2.1.2

Huishoudenssamenstelling

Samenstelling Huishoudens

Eenpersoonshuis houdens

31% 39%

30%

Huishoudens zonder kinderen

De bereidwilligheid van huishoudens om deel te nemen aan de energietransitie kan variëren afhankelijk van de samenstelling van het huishouden. Hier zijn enkele inzichten over hoe de samenstelling van huishoudens invloed kan hebben op hun bereidwilligheid:

Huishoudens met kinderen

Fig. A.2.1.2.1 samenstelling huishoudens bron: CBS 2023

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 25 van 493

Eenpersoonshuishoudens (39%) 

 

Motivaties: Eenpersoonshuishoudens kunnen gemotiveerd zijn door kostenbesparingen en gemak. Ze zijn mogelijk meer geneigd om energieefficiënte apparaten te kopen die direct merkbare besparingen opleveren. Uitdagingen: Mogelijk beperkt budget en minder tijd of interesse om zich te verdiepen in complexe energietransitie-opties. Bereidwilligheid: Matig tot hoog, vooral als de oplossingen eenvoudig te implementeren en kosteneffectief zijn.

Huishoudens zonder kinderen (30%) 

 

Motivaties: Dergelijke huishoudens kunnen gemotiveerd zijn door milieubewustzijn en de wens om duurzame keuzes te maken. Ze hebben vaak meer financiële middelen en kunnen investeren in duurzame energieoplossingen zoals zonnepanelen. Uitdagingen: De kosten van initiële investeringen kunnen een barrière zijn, evenals een gebrek aan tijd of kennis over beschikbare opties. Bereidwilligheid: Hoog, vooral als ze goed geïnformeerd zijn over de lange termijn voordelen en beschikbare subsidies.

Huishoudens met kinderen (31%) 

Motivaties: Deze huishoudens zijn vaak geïnteresseerd in het creëren van een duurzame toekomst voor hun kinderen en kunnen sterk gemotiveerd zijn door de milieueffecten. Ze hebben ook een groter energieverbruik, wat hen gevoeliger maakt voor kostenbesparingen door warmtevraag. Uitdagingen: De kosten van energie-efficiënte upgrades kunnen hoog zijn, en deze huishoudens hebben mogelijk minder tijd om zich te verdiepen in energiebesparende maatregelen door drukke gezinslevens. Bereidwilligheid: Hoog, vooral als ze worden ondersteund met financiële prikkels en praktische hulp bij implementatie.

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 26 van 493

Algemeen Financiële stimulansen: Alle groepen zijn meer bereid om deel te nemen aan de energietransitie als er subsidies, belastingvoordelen of financieringsmogelijkheden beschikbaar zijn om de initiële kosten te verlagen. Voorlichting en educatie: Goede voorlichting over de voordelen van energiebesparende maatregelen en duurzame energieoplossingen kan de bereidwilligheid verhogen. Huishoudens zijn eerder geneigd om deel te nemen als ze begrijpen hoe ze kunnen profiteren en welke stappen ze moeten nemen. Gemak en toegankelijkheid: Oplossingen die eenvoudig te implementeren zijn en weinig onderhoud vergen, zullen aantrekkelijker zijn voor alle huishoudens. Door rekening te houden met de specifieke kenmerken en behoeften van verschillende soorten huishoudens, kunnen beleidsmakers en energiebedrijven effectievere strategieën ontwikkelen om de bereidwilligheid voor deelname aan de energietransitie te vergroten. Samenstelling Huishoudens 50%

0% Buurt Eenpersoonshuishoudens

Rheden

Nederland

Huishoudens zonder kinderen

Huishoudens met kinderen Fig. A.2.1.2.2 samenstelling huishoudens bron: CBS 2023

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 27 van 493

A.2.1.3

Herkomst bewoners

Herkomst bewoners Nederland 15% 6% Europa

Buiten Europa

79% Fig. A.2.1.3.1 Herkomst bewoners bron: CBS 2023

De bewoners groep komen voornamelijk uit Nederland. De groep bewoners die uit het buitenland komen is relatief laag. Om de bewoners in deze buurt mee te nemen in de energietransitie zorgen we voor uitgebreide voorlichting over de voordelen van duurzame energie en de noodzaak van de energietransitie. Dit kan via lokale informatiebijeenkomsten, nieuwsbrieven, websites en sociale media.

Door de relatief kleine groep bewoners, die niet uit Nederland komen, is het belangrijk om maatwerk te leveren voor deze specifieke groep in communicatie en programma's. Dit kan betekenen dat informatie beschikbaar is in meerdere talen of afgestemd op specifieke culturele contexten. Herkomst bewoners 100% 80% 60% 40% 20% 0% Buurt Nederland

Rheden Europa

Nederland Buiten Europa

Fig. A.2.1.3.2 Herkomst bewoners bron: CBS 2023

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 28 van 493

A.2.1.4

Leeftijdssamenstelling

Leeftijd samenstelling 25%

0 tot 15

14%

15 tot 25 10%

0 tot 15 jaar: Deze leeftijdsgroep omvat 14% van de totale populatie, wat aangeeft dat het aantal kinderen en jongeren relatief klein is.

25 tot 45

45 tot 65 29%

23% 65 en ouder

Fig. A.2.1.4.1 Leeftijd samenstelling bron: CBS 2023

Invloed: Jongeren in deze groep hebben weinig directe invloed op beleidsbeslissingen of financiële investeringen in de energietransitie. Bereidwilligheid: Hun betrokkenheid komt vaak via onderwijsprogramma's en bewustwordingscampagnes. Milieueducatie kan hun toekomstige gedrag positief beïnvloeden.

15 tot 25 jaar: Deze groep vertegenwoordigt 10% van de bevolking, wat suggereert dat jongvolwassenen in vergelijkbare mate aanwezig zijn als kinderen.  

Invloed: Deze groep begint net hun volwassen leven en heeft vaak beperkte financiële middelen. Bereidwilligheid: Jongeren in deze leeftijdsgroep zijn goed geïnformeerd over milieukwesties en gemotiveerd om duurzame keuzes te maken. Ze kunnen actief deelnemen aan klimaatprotesten en duurzaamheidscampagnes.

25 tot 45 jaar: Deze groep maakt 23% van de totale populatie uit, wat wijst op een iets grotere groep van werkende volwassenen.  

Invloed: Deze leeftijdsgroep speelt een cruciale rol in de energietransitie, aangezien zij vaak stabieler zijn in hun professionele en gezinsleven. Bereidwilligheid: Personen in deze groep hebben vaak de middelen en motivatie om te investeren in duurzame technologieën, zoals zonnepanelen, elektrische voertuigen en energiezuinige apparatuur. Ze kunnen ook invloed uitoefenen binnen hun werkkring om duurzame praktijken te bevorderen.

45 tot 65 jaar: Met 29% is deze groep de grootste binnen de leeftijdssamenstelling, wat betekent dat een aanzienlijk deel van de bevolking zich in de latere werkende jaren bevindt.  

Invloed: Deze groep heeft meestal de grootste financiële slagkracht en invloed op beleidsbeslissingen binnen bedrijven en gemeenschappen. Bereidwilligheid: Mensen in deze leeftijdsgroep kunnen grote investeringen doen in duurzaamheid, zowel privé als zakelijk, en hebben vaak invloed op beleid en strategieën binnen hun organisaties.

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 29 van 493

65 jaar en ouder: Deze groep omvat 25% van de bevolking, wat wijst op een groot aantal gepensioneerden of mensen die bijna met pensioen gaan.  

Invloed: Oudere volwassenen zijn vaak minder bereid om grote veranderingen door te voeren die hen financieel of fysiek belasten. Bereidwilligheid: Deze groep investeert minder in langetermijnprojecten vanwege onzekerheden over terugverdientijden. Ze kunnen echter wel betrokken zijn bij kostenbesparende initiatieven zoals woningisolatie en het gebruik van energiezuinige apparaten.

De grootste leeftijdsgroepen zijn de 45-65-jarigen en de 65-plussers, samen goed voor 61% van de totale bevolking. Dit duidt op een vergrijzende populatie, wat belangrijke sociaal-economische gevolgen heeft, zoals een toenemende vraag naar gezondheidszorg en pensioenvoorzieningen. De leeftijdssamenstelling van de bevolking beïnvloedt de energietransitie aanzienlijk. Jongere generaties zijn milieubewust maar hebben beperkte middelen, terwijl de middenleeftijdsgroepen (25-65 jaar) zowel de middelen als de motivatie hebben om een substantiële bijdrage te leveren. Oudere generaties zijn voorzichtiger met investeringen, maar kunnen wel deelnemen aan initiatieven die kosten besparen. Een succesvolle energietransitie vereist strategieën die inspelen op de verschillende motivaties en mogelijkheden van elke leeftijdsgroep. Leeftijd samenstelling 30% 20% 10% 0% Buurt 0 tot 15 45 tot 65

Rheden

Nederland

15 tot 25 65 en ouder

25 tot 45

Fig. A.2.1.4.2 Leeftijd samenstelling bron: CBS 2023

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 30 van 493

A.2.1.5

Opleiding

Opleidingsniveau Laag

21% 33%

In de buurt Dieren-Noord is het opleidingsniveau van de bevolking als volgt verdeeld: 

Midden

 

46%

Hoog

Laag opgeleid: Ongeveer 33% van de inwoners. Middelbaar opgeleid: Ongeveer 46% van de inwoners. Hoog opgeleid: Ongeveer 21% van de inwoners.

Dit betekent dat een aanzienlijk deel van de bevolking in deze buurt een middelbaar of hoog opleidingsniveau heeft bereikt, wat opmerkelijk is in vergelijking met het aantal laag opgeleiden. Fig. A.2.1.5.1 Opleidingsniveau bron: CBS 2023

Opleidingsniveau vergelijken 50% 40% 30% 20% 10% 0% Buurt Laag

Rheden

Nederland

Midden

Hoog

Fig. A.2.1.5.2 Opleidingsniveau bron: CBS 2023

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 31 van 493

A.2.1.6

Werkende buurt

Arbeid

Personen die niet werkt

7% 37%

56%

Personen in loondienst

Personen werkend als zelfstandige

Voor de buurt Dieren-Noord is ongeveer 25% van de inwoners 65 jaar of ouder, wat een aanzienlijke invloed heeft op de verdeling tussen werkenden en niet-werkenden. Een deel van deze bevolking is waarschijnlijk met pensioen, wat de verhouding beïnvloedt. De werkenden vallen vooral in de leeftijdsgroep van 25 tot 65 jaar, die ongeveer 52% van de inwoners omvat. Hier is dan 11% zelfstandig en 89% in loondienst.

Fig. A.2.1.6.1 Arbeid bron: CBS 2023

Arbeid 100% 50% 0% Buurt

Rheden

Nederland

Personen die niet werkt Personen in loondienst Personen werkend als zelfstandige Fig. A.2.1.6.2 Arbeid bron: CBS 2023

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 32 van 493

A.2.1.7

Inkomen 40% Huishoudens met een laag inkomen

Inkomen 11%

44%

45%

Huishoudens met een gemiddeld inkomen 20% Huishoudens met een hoog inkomen

Fig. A.2.1.7.1 Inkomen bron: CBS 2023

In vergelijking met andere buurten in Dieren, zoals Dieren-West waar de inkomens vergelijkbaar zijn, zijn er subtiele verschillen in de vermogenspositie. Dit kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de WOZ-waardes van woningen, die gemiddeld rond de €269.000 liggen in Dieren-Noord. Het gemiddelde besteedbare inkomen per huishouden in de buurt "Dieren-Noord boven spoorlijn" ligt tussen de €28.200 per jaar.

Inkomen 50%

0% Buurt

Rheden

Nederland

40% Huishoudens met een laag inkomen Huishoudens met een gemiddeld inkomen 20% Huishoudens met een hoog inkomen Fig. A.2.1.7.2 Inkomen bron: CBS 2023

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 33 van 493

A.2.1.8

Voorzieningen

Afstand tot voorzieningen (km) Afstand tot school Afstand tot kinderdagverblijf Afstand tot supermarkt Afstand tot huisartsenpraktijk 0

0,5

1

1,5

Fig. A.2.1.8.1 Afstand tot voorzieningen bron CBS: 2021

De buurt is goed uitgerust met voorzieningen voor het dagelijks leven. Er zijn basisscholen, supermarkten, sportverenigingen en gezondheidszorgfaciliteiten op korte afstand beschikbaar, waardoor het leven voor gezinnen gemakkelijk en praktisch is. Daarnaast ligt het centrum van Dieren op korte afstand, waar bewoners toegang hebben tot winkels, restaurants, en een breed scala aan diensten.

Afstanden tot voorzieningen (km) 2

0 Buurt

Rheden

Nederland

Afstand tot huisartsenpraktijk

Afstand tot supermarkt

Afstand tot kinderdagverblijf

Afstand tot school

Fig. A.2.1.8.2 Afstand tot voorzieningen bron CBS: 2021

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 34 van 493

A.2.1.9

Voorzieningen overzicht

1 Zorg

Tandarts

2 Huisarts

25 Gezondheid

2 Dierenarts

4 Primair

Voortgezet

1 Middelbaar

Hoger

Wetenschappelijk

5 Religie

4 Supermarkt

8 Voeding

8 Kleding

20 Kapper

Hotel/B&B

Café

6 Restaurant

9 Snackbar

1 Sport

5

Fig. A.2.1.9.1 Voorzieningen overzicht bron: KvK 2024

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 35 van 493

A.2.2

Klimaatadaptatie

Klimaatadaptatie in Dieren Noord draait om maatregelen die de buurt beter bestand maken tegen de gevolgen van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en wateroverlast. Dit verbetert de leefbaarheid en vermindert hittestress, vooral in stedelijke gebieden met veel verharding. Schaduwrijke plekken en groenvoorzieningen zijn belangrijk om oppervlaktetemperaturen te verlagen en de gezondheid van bewoners te beschermen.

A.2.2.1

Hittestress

De gevoelstemperatuur is iets anders dan de luchttemperatuur. De luchttemperatuur geeft aan hoe warm het buiten is. De gevoelstemperatuur geeft aan hoe warm een persoon het heeft in een bepaalde weersituatie. Als de gemeten luchttemperatuur bijvoorbeeld 30 ºC is, kan Huidige situatie Situatie 2050 het in de volle zon en uit Fig. A.2.2.1.1 en Fig. A.2.2.1.2 Gevoelstemperatuur bron: Klimaateffectatlas de wind voelen als 40 ºC. Daarnaast hebben ouderen en mensen met overgewicht vaak eerder last van een hogere gevoelstemperatuur, doordat ze hun warmte minder kwijt kunnen aan de omgeving. De hittekaart gevoelstemperatuur laat op iedere plek in Nederland de gevoelstemperatuur zien tijdens een extreem hete zomermiddag. De linkerkaart toont de situatie in het huidige klimaat. Hiervoor is gebruik gemaakt van weermetingen op 1 juli 2015. Dit is een hete dag die ongeveer eens in de 5,5 jaar voorkomt in het huidige klimaat. De rechterkaart toont de situatie in 2050 bij sterke klimaatverandering Gevoelstemperatuur 2,6%

Nederland

36,3%

Rheden

51,7%

50,7%

Buurt

17,2%

0% 23-28°C

20%

9,4%

40,5% 47,5%

40%

29-34°C

8,8%

35,4%

60% 35-40°C

80%

100%

41-49°C

Fig. A.2.2.1.3 Gevoelstemperatuur op een hete zomerdag bron: Klimaateffectatlas

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 36 van 493

A.2.2.2

Schaduw In de buurt speelt schaduw een belangrijke rol bij het verminderen van hittestress en het verbeteren van de leefbaarheid. Door schaduw kunnen oppervlaktetemperaturen dalen, wat zorgt voor verkoeling tijdens warme dagen. Dit helpt gezondheidsrisico's te verminderen en maakt buitenruimtes aangenamer om te verblijven, vooral voor kwetsbare groepen zoals ouderen en kinderen. Het creëren van schaduwrijke plekken in de buurt draagt dus bij aan een gezondere en aangenamere leefomgeving.

Fig. A.2.2.2.1 Schaduw op wandel- en fietspaden bron: Klimaateffectatlas

A.2.2.3

Wateroverlast Ongeveer tien procent van de gebouwen in Nederland heeft bij een zeer hevige bui die gemiddeld eens in de 1000 jaar voorkomt een kans op wateroverlast. Laaggelegen verharde delen zijn in het bijzonder gevoelig voor wateroverlast.

De kaart toont de resultaten van computersimulaties en geeft een indicatie van de maximale waterdiepte die op een bepaalde plek kan optreden als gevolg van hevige neerslag. Een locatie die op de kaart is Fig.A.2.2.3.1 Wateroverlast bron: Klimaateffectatlas aangemerkt als ‘droog’, kan in werkelijkheid nog steeds onder water komen te staan. Dit geldt bijvoorbeeld voor kelders. Ook kan een locatie met een indicatieve waterdiepte in werkelijkheid droog blijven, bijvoorbeeld vanwege genomen maatregelen. De kaart toont de maximale waterdiepte voor het stedelijk gebied en het buitengebied, voor twee extreme buien: 70 mm neerslag in 2 uur. Deze buien komen in het huidige klimaat op een bepaalde locatie gemiddeld eens per 100 voor. Door klimaatverandering kunnen die kansen aan het einde van de eeuw twee keer zo groot zijn.

A.2.2.4

Bomen, groen en bestrating

Bomen, Groen, Grijs en Water Nederland

31,5%

Rheden

18,8%

61,3%

Buurt

17,7% 9,6%

0% Boom

20%

36,7%

10,0%

13,1%

24,1%

71,5%

40%

Laag groen

4,7%

1,2%

60%

80%

Grijs

100%

Bomen, gras, struiken en ander groen spelen een belangrijke rol bij een klimaatbestendige inrichting. Groen biedt veel kansen om wateroverlast te verminderen, gebieden te verkoelen en droogte tegen te gaan. De Basiskaart Groen en Grijs laat per buurt zien hoeveel procent bestaat uit bomen, uit laag groen en uit grijs.

Water

Fig. A.2.2.4.1 Bomen, groen, grijs en water bron: klimaateffectatlas

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 37 van 493

Verstening maakt steden extra Groen en grijs openbaar kwetsbaar voor de gevolgen van extreme regenbuien, droogte en hoge 41,7% 24,3% 34,1% Nederland temperaturen. Want door verstening kan neerslag maar beperkt in de 66,2% 10,5% 23,3% Rheden bodem infiltreren, wat tot droogte én wateroverlast kan leiden. Daarnaast 31,8% 0,0% 57,9% Buurt kan op warme dagen de 0% 20% 40% 60% 80% 100% gevoelstemperatuur door het vele steen op sommige plekken erg hoog Boom Laag groen Grijs worden. Door een gebied te vergroenen, zorg je ervoor dat het Fig. A.2.2.4.2 Groen en grijs openbaar bron: klimaateffectatlas water juist vrij in de bodem kan infiltreren, bomen en planten water kunnen opnemen en het vervolgens verdampen of het grondwater ermee aanvullen. Daarnaast draagt groen niet alleen bij aan klimaatadaptatie, het versterkt ook de leefbaarheid en biodiversiteit. Groen en grijs niet-openbaar Nederland

24,5%

Rheden Buurt

25,8%

52,1%

14,5%

10,3% 14,2%

0%

20%

Boom

49,7%

33,4%

75,5%

40%

60%

Laag groen

80%

100%

Grijs

Fig. A.2.2.4.3 Groen en grijs niet-openbaar bron: klimaateffectatlas

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 38 van 493

A.2.3

Mobiliteit

Dieren-Noord boven de spoorlijn is uitstekend bereikbaar dankzij de gunstige ligging ten opzichte van het Nederland openbaar vervoer en de nabijheid van Rheden belangrijke snelwegen. Het treinstation van Dieren ligt op slechts Buurt enkele minuten afstand, met regelmatige verbindingen naar steden 0 0,5 1 1,5 zoals Arnhem, Zutphen en Apeldoorn. Dit maakt de buurt bijzonder geschikt Gemiddeld aantal motorfietsen voor forenzen die in de stad werken, Gemiddeld aantal auto's maar de voorkeur geven aan een Fig. A.2.3.1 Gemiddeld aantal vortuigen per gezin bron: CBS 2022 rustige woonomgeving. De buurt heeft daarnaast een goed ontwikkeld netwerk van fietspaden, wat het fietsen naar omliggende gebieden eenvoudig en veilig maakt. Bovendien is de buurt met de auto gemakkelijk bereikbaar via de A348 en de A50, waardoor Dieren-Noord een strategisch gunstige locatie is voor zowel openbaar vervoer als autoverkeer. Het aantal auto’s in de buurt is 3585 en het aantal motoren in de buurt is 265. Gemiddeleld aantal auto's per gezin

Brandstofverdeling

Benzine Diesel Gas Hybride Elektrisch

83,8% 7,2% 1,2% 6,1% 1,8%

100%

83,9%

5% 95%

100%

16,1%

Fig. A.2.3.2 Brandstof per geregistreerd voertuig bron: RDW 2024

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 39 van 493

Verwachte groei elektrische auto’s

Verwachte groei elektrische bedrijfsauto’s Ontwikkeling EV bedrijfsauto's

Ontwikkeling EVpersonenauto's 6000

150

4000

100

2000

50

Laag

Midden

2048

2046

2044

2042

2040

2038

2036

2034

2032

2030

2028

2026

2024

0

0 2025 2030 2035 2040 2045 2050

Hoog

Bestelauto's

Vrachtwagens

Fig. A.2.3.3 Ontwikkeling Elektrische auro’s bron: E-laad 2024 Fig. A.2.3.4 Ontwikkeling Elektrische bedrijfsauro’s bron: Elaad 2024

Verwachte energievraag (scenario midden) Energievraag (kWh) 7000000 6000000 5000000 4000000 3000000 2000000 1000000 0

Verwachte energievraag bedrijfsauto’s Ontwikkeling energievraag bedrijfsauto's 0,6 0,4 0,2

2024 2026 2028 2030 2032 2034 2036 2038 2040 2042 2044 2046 2048

0

Fig. A.2.3.5 Ontwikkeling Elektrische voertuigen bron: E-laad 2024

2025 2030 2035 2040 2045 2050 Energievraag Fig. A.2.3.6 Ontwikkeling Elektrische voertuigen bron: E-laad 2024

Laadpaal ontwikkeling (scenario midden) Scenario laadpalen midden Thuis 600

Werk

500 400 300 200 100 0

(semi)publiek Parkeer garage Parkeer plein Snellaadpunt en

Fig. A.2.3.7 Ontwikkeling laadpalen (scenario midden) bron: E-laad 2024

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 40 van 493

A.2.4

Verhouding huur en koop

Huur en koop Koop

11%

Huur corporatie 53%

36%

Huur particulier

Fig. A.2.4.1 Huur en koop bron: WOZ lijst gemeente

A.2.5

Diversiteit van woningen Galerij

Diversiteit woningen

Maisonnette 15%

3%

6% 3% 8%

Portiek Rijwoning hoek

21%

Rijwoning tussen

Dieren-Noord biedt een breed scala aan woningtypen, van compacte appartementen tot ruime vrijstaande woningen. Deze diversiteit maakt de buurt aantrekkelijk voor een breed scala aan bewoners, van jonge gezinnen tot ouderen die op zoek zijn naar rust en ruimte.

Twee-onder-eenkap Vrijstaande woning

44%

Fig. A.2.5.1 Diversiteit woningen bron: WOZ lijst gemeente

A.2.5.1

Bouwperiode woningen

Bouwperiode woningen 2,7% 0,0%

8,6% 0,3% 0,3% 5,7%

< 1929 1929 - 1945 1946 - 1964 1965 - 1974

30,9%

1975 - 1991 1992 - 2005 2006 - 2014 5,5%

46,0%

2015 - 2018

De bouwperiodeverdeling in DierenNoord benadrukt de noodzaak voor gerichte acties binnen de energietransitie. Een aanzienlijk deel van de woningen, met name die uit de naoorlogse periode, vereist renovaties om energie-efficiënt te worden. De focus van de transitie zal daarom liggen op het versterken van de isolatie.

>2019

De oudere woningen vormen hierbij de grootste uitdaging door hun verouderde bouwtechnieken en slechte isolatie. Daarentegen zijn de recentere woningen al beter uitgerust voor de energietransitie, waarbij vooral verdere optimalisaties en integratie van hernieuwbare energie nodig zijn om volledig aan de duurzaamheidsdoelen te voldoen. Fig. A.2.5.1.1 Bouwperiode woningen bron: BAG

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 41 van 493

De diversiteit in bouwperiodes zorgt ervoor dat een op maat gesneden aanpak nodig is voor de energietransitie, waarbij elk woningtype specifieke oplossingen vereist. Dit maakt het mogelijk om zowel de historische waarde van de buurt te behouden als te voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de toekomst.

A.2.5.2

Technische kenmerken van de buurt

De woningen in Dieren-Noord bestaan uit een diverse mix van rijtjeshuizen, vrijstaande woningen en enkele appartementen. De buurt heeft zowel oudere panden met karakter als moderne nieuwbouwwoningen, wat zorgt voor een gevarieerd straatbeeld. De ruime tuinen en rustige straten dragen bij aan een aangename woonsfeer, terwijl er tegelijkertijd genoeg voorzieningen in de directe omgeving zijn.

A.2.5.3

Gevolgen voor de Energietransitie

De technische eigenschappen van Dieren-Noord variëren sterk per bouwperiode, wat een gedifferentieerde aanpak voor de energietransitie vereist. Oudere woningen hebben ingrijpende renovaties nodig, terwijl nieuwere woningen vaak al beter geïsoleerd en voorbereid zijn op de integratie van hernieuwbare energie. In de wijk is een sterke focus op verbetering van isolatie, verwarmingssystemen, en het verduurzamen van de energieinfrastructuur essentieel om de energiedoelen te bereiken.

A.2.6

De Energiebehoefte van de buurt

Warmtevraag na isoleren woningen 300000

251298 199443

200000

106327

100000 0

Om de energiebehoefte van de wijk te bepalen zijn er een diversiteit aan technische kenmerken nodig waar rekening mee gemaakt wordt. Hieronder staan de samenvatting van deze gegevens. Er wordt naar de volgende technische kenmerken gekeken:

Totaal Fig.A.2.6.1 Energiebehoefte van de buurt bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw

     

Bouwperiode voor of na 1945, dit heeft te maken met de temperatuurregiem in het gebouw; Wat is de gemiddelde energiebehoefte per huishouden Wat is de piekbehoefte per periode Hoe ziet de omgeving er uit. Welke bronnen zijn er aanwezig Welke overige energievraag is er (bedrijven en mobiliteit)

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 42 van 493

A.2.6.1

Woningequivalenten (WEQ)

De transitievisies warmte heeft niet alleen betrekking op woningen, maar ook op andere gebouwen. Omdat deze gebouwen erg kunnen verschillen qua omvang, worden ze gemeten in woningequivalenten. Een woning is gelijk aan één woningequivalent. Voor utiliteitsgebouwen geldt 1 woningequivalent is het aantal m2 van een gebouw gedeeld door 130. Woningequivalenten Woningen Overige gebouwen Totaal

3584 1011 4595

Fig. A.2.6.1.1 verdeling woningequivalenten

A.2.6.2

Warmtevraag

"Warmtevraag" verwijst naar de hoeveelheid warmte die nodig is om 60000 een gebouw of ruimte te verwarmen. Deze behoefte varieert afhankelijk 40000 van factoren zoals de grootte van het gebouw, de mate van isolatie, de 20000 locatie en het ventilatieverlies. De 0 warmtevraag wordt meestal uitgedrukt in kilowatturen (kWh) of Giga joule (Gj) Hoe beter een gebouw geïsoleerd is, hoe lager de Oorspronkelijk Huidige Standaard warmtevraag. In huishoudelijke Fig. A.2.6.2.1 Warmtevraag in 3 scenario’s bron: RVO situaties signaleert een thermostaat Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw wanneer er warmte nodig is, wat resulteert in een warmtevraag. Dit signaal wordt naar de warmtebron, zoals een cv-ketel of warmtepomp, gestuurd om de temperatuur op het gewenste niveau te brengen. De warmtevraag verschilt aanzienlijk op basis van de warmtevraag van de woning: goed geïsoleerde huizen hebben een warmtevraag van ongeveer 45 kWh/m² per jaar, terwijl slecht geïsoleerde woningen meer dan 300 kWh/m² per jaar kunnen vereisen. Warmtevraag Gj)

Warmtevraag per oorspronkelijke, huidige en standaard Bouwperiode (Gj) De warmtevraag per periode is de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om gebouwen gedurende een jaar te verwarmen. Deze warmtevraag varieert afhankelijk van verschillende factoren, zoals seizoensgebonden temperaturen, type en isolatieniveau van gebouwen. De warmtevraag wordt berekend vanuit een technisch oogpunt, zodat het gebouw volledig gebruikt kan worden zoals bedoeld vanuit de oorsprong. Bouwperiode < 1929 1929 - 1945 1946 - 1964 1965 - 1974 1975 - 1991 1992 - 2005 2006 - 2014 2015 - 2018 >2019 Totaal

Oorspronkelijk 31263 19841 118622 13829 64297 2749 39 488 170 251298

Huidige 22603 14487 90797 11193 57188 2654 39 483 0 199443

Standaard 18306 12074 36813 4896 31841 1795 32 461 150 106368

Fig. A.2.6.2.2 Warmtevraag in 3 scenario’s bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 43 van 493

Gemiddelde warmtevraag per oorspronkelijke, huidige en standaard Bouwperiode (Gj) De gemiddelde warmtevraag per periode is de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om een gebouw gedurende een jaar te verwarmen. Vanuit technisch oogpunt wordt de gemiddelde warmtevraag berekend om ervoor te zorgen dat het gebouw optimaal functioneert, terwijl rekening wordt gehouden met de oorspronkelijke ontwerpdoelstellingen en gebruiksomstandigheden. Bouwperiode < 1929 1929 - 1945 1946 - 1964 1965 - 1974 1975 - 1991 1992 - 2005 2006 - 2014 2015 - 2018 >2019 Totaal

Oorspronkelijk 101 97 72 71 58 29 39 41 19 70

Huidige

Standaard 73 71 55 57 52 28 39 40 0 56

59 59 22 25 29 19 32 38 17 30

Fig. A.2.6.2.3 Warmtevraag in 3 scenario’s bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw

Warmtevraag per periode (Gj) De warmtevraag per maand tijdens het stookseizoen is de hoeveelheid warmte-energie die elke maand nodig is om een gebouw gedurende deze periode te verwarmen. Vanuit technisch oogpunt wordt het maandelijkse verbruik berekend om ervoor te zorgen dat het gebouw optimaal functioneert, waarbij rekening wordt gehouden met de oorspronkelijke ontwerpdoelstellingen en de specifieke omstandigheden die voor elke maand van het stookseizoen gelden. Hierdoor kan het energieverbruik per maand variëren, afhankelijk van de buitentemperaturen en de warmtebehoefte in elke fase van het stookseizoen. Warmte per periode Jan Feb Maa Apr Mei Jun Jul Aug Sep Okt Nov Dec Totaal

Oorspronkelijk 55637 45786 36865 14877 0 0 0 0 0 13671 33021 51441 251298

Huidige 44157 36339 29258 11807 0 0 0 0 0 10850 26207 40826 199443

Standaard 23550 19380 15604 6297 0 0 0 0 0 5786 13977 21774 106368

Fig. A.2.6.2.3 Warmtevraag in 3 scenario’s bron: RVO Voorbeeldwoningen 2022 bestaande bouw

Dieren-Noord

Werkdocument 0.2

Pagina 44 van 493

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=c7da556c-969f-4c74-a072-770113bf36e9