CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan - t_NL.IMRO.1667.BPHkweg4006-ON01 - 23.00073.pdf

Gemeenteraad 14 maart 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan "Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel"14.654 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er blijft een ruime maat over waar de akker aansluit op de Kerkweg (onbebouwbare woonbestemming, in gebruik als paardenwei) en waar de visuele relatie tussen akkercomplex en Kerkweg behouden blijft. De op te richten woning is vrijstaand waardoor ook op het nieuwe perceel sprake blijft van een doorzicht vanaf de Kerkweg naar buiten.

5.4

Water Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding.

5.4.1

Waterrelevant beleid Beleid en regelgeving Waterschap de Dommel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Waterschap De Dommel heeft in 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘waardevol water’ vastgesteld. Dit waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. In dit waterbeheerplan is een indeling gemaakt in de volgende thema’s: Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;

UrbiTom

29

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

-

Gemeente Reusel-De Mierden

Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Aansluitend op het waterbeheerplan hebben de drie Brabantse waterschappen sinds 1 maart 2015 de beschikking over één gezamenlijke verordening. Dit betreft de zogenaamde Brabant Keur. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Op onderstaande uitsnede van de Keurkaart is het plangebied aangeduid. Duidelijk is dat er geen speciale waterschapsbelangen in het geding zijn.

Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Voor nieuwbouw geldt dat het “schone” regenwater van het “vuile” huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. Het huishoudelijke afvalwater dient in overleg met de gemeente aangesloten te worden op een bestaand rioolstelsel in de omgeving van de planontwikkeling. Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de trits hergebruik-vasthouden-afvoeren, nader gespecificeerd in een vijftal opties, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren;

UrbiTom

30

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

3. 4. 5.

bergen; afvoeren naar oppervlaktewater; afvoeren naar de riolering.

-

De initiatiefnemer dient deze opties te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid eisen aan de afvoer van hemelwater. Voor hemelwaterafvoer naar oppervlaktewater gelden de bepalingen uit de Keur 2015 van het Waterschap; art. 15 van de Algemene regels resp. art. 13 van de Beleidsregels. In de waterparagraaf dient duidelijk te worden welk type infiltratie- en/of bergingsvoorziening wordt toegepast. Middels een tekening kan inzicht worden gegeven in de locatie en het ruimtebeslag van de voorziening(en). Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de leegloop en overstort van de voorziening. Tevens dient inzichtelijk gemaakt te worden dat door de nieuwe ontwikkeling er geen problemen elders worden veroorzaakt. Bij de inrichting, bouwen en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de waterkwaliteitstrits, 1. schoonhouden 2. scheiden 3.

zuiveren, dienen de mogelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer).

-

-

Beleid Gemeente Reusel ‐ De Mierden Het waterbeleid van de gemeente Reusel - De Mierden is opgenomen in het (verbreed) gemeentelijk rioleringsplan 2017-2021 (vGRP). Het vGRP beschrijft het beleid, de ambities en de te nemen maatregelen ten aanzien van afvalwater, grondwater en hemelwater binnen de gemeente. Hemelwater mag niet worden geloosd op het vuilwaterriool. Het hemelwater dient daarom in de bodem te infiltreren of te worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Op plaatsen waar sprake is van grote dakoppervlakten wordt rechtstreekse (gebufferde) lozing van dakwater naar de bodem of naar oppervlaktewater aanbevolen. Voor de verwerking van afstromend hemelwater van intensief gebruikte terrein- en wegverhardingen streeft de gemeente naar het toepassen van zuiverende voorzieningen in de vorm van een bodem/ bermpassage, alvorens het naar het oppervlaktewater wordt geloosd. 5.4.2

Locatiestudie Het plangebied betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Reusel-De Mierden, MDE02, sectie K, nr. 629. De oppervlakte van het plangebied bedraagt ca. 2.140 m2.

UrbiTom

31

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

Toename verharding en noodzaak waterberging Het terrein is in de bestaande situatie onverhard. Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van de verharding van ca. 565 m2 (het oppervlak van de nieuwe seniorenwoning). Voor de totale verharding kan ervan worden uitgegaan dat de oppervlakte van de woning en het bijgebouw (ca. 280 m2) hetzelfde is als de oppervlakte van de buitenverharding (terras, tuinpad, oprit, zwembad). Totale verharding van het perceel is dan te ramen op ca. 560 m2. Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel, behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie per ontwikkelscenario berekend worden. Hierbij is voor ontwikkelingen waarvan de toename van het verhard oppervlak minder dan 2.000 m2 bedraagt geen compenserende waterberging vereist. De hydrologische gevolgen van de ontwikkelingen kleiner dan 2.000 m2 zijn voor het ontvangende watersysteem namelijk beperkt. Tevens zou bij ontwikkelingen van deze omvang noodzakelijke compensatie bij een geïsoleerde voorziening resulteren in een voorziening die slecht beheer(s)baar is en weinig zekerheid op functioneren biedt. Er is dus op basis van de keur van het waterschap geen compenserende waterberging vanuit het Waterschap vereist.

Nochtans is de perceeleigenaar op basis van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het vGRP, zelf verantwoordelijk voor verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel Bij een verharding van 0-2000 m2 geldt vanuit het vGRP een bergingseis van 20 mm. Voor het plangebied betreft het derhalve een bergingseis van 560 x 0,020 = 11,2 m3. De grondwatertrap in het plangebied is VII. Aannemelijk is dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het gebied meer dan 80 cm -mv bedraagt (bron: www. Bodemdata.nl). Kijkend naar meetgegevens in www.dinoloket.nl wordt bij twee peilbuizen in de omgeving een GHG van 1.30 – 1.40 m –mv aangegeven. Voorzieningen, die boven deze GHG worden gerealiseerd, kunnen als berging worden beschouwd. Blijkens het bodemrapport bestaat de bodem uit matig fijn, matig siltig zand. Het bodemtype is zEZ23 (hoge zwarte enkeerdgronden). De infiltratiegrondslag is derhalve goed. Het perceel is groot en biedt goede mogelijkheden om infiltratie op eigen terrein op te lossen. Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling bij de aanleg geen gebruik maken van uitloogbare materialen, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. Het vuilwater (DWA) zal worden aangesloten op het gemeentelijk riool. Hemelwater wordt geïnfiltreerd op eigen terrein.

UrbiTom

32

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

Conclusie In het kader van de planprocedure zijn de gevolgen ten aanzien van de waterhuishouding inzichtelijk gemaakt en de daaruit voortkomende waterbergingsbehoefte. Geconcludeerd kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding zijn. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water. Op basis van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het VGRP 2016 -2021 is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel. Hierbij moet een berging gerealiseerd worden van 11,2 m3. De gemiddeld hoogste grondwaterstand en de infiltratiegrondslag, alsook de perceelsgrootte bieden goede mogelijkheden om deze infiltratieopgave op eigen terrein op te lossen.

5.5

Geluid Door Tritium Advies is in september 2020 akoestisch onderzoek voor de te bouwen woning in het plangebied verricht. Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Het akoestisch onderzoek heeft als doel het bepalen van de geluidsbelasting ten gevolge van de nabijgelegen wegen en het beoordelen of er voldaan wordt aan de bepalingen van de Wet geluidhinder (Wgh). De onderzoeksresultaten zijn als volgt samen te vatten. Conclusie Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van het gedeelte van de Kerkweg met een snelheidsregime van 60 km/uur. Het plan is tevens gelegen aan het gedeelte van de Kerkweg met een snelheidsregime van 30 km/uur. Voor het gedeelte van de Kerkweg met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Voor het gedeelte van de Kerkweg met een snelheidsregime van 60 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Aangezien in onderhavige situatie geen sprake is van een procedure hogere waarde, wordt voor de woning een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht.

Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

5.6

Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:

UrbiTom

33

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

-

Gemeente Reusel-De Mierden

een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Zoals op onderstaande kaart met de gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019 is te zien, bedraagt deze ter plaatse van het plangebied 18-19 microgram PM10/m3, dus ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3.

Gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 in 2019

UrbiTom

34

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 1 nieuwe woning. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. De kaart met gemiddelde fijnstofconcentraties van het RIVM laten zien dat de concentraties fijnstof (pm10) ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarde van 40 microgram/m3 blijft. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling.

5.7

Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Uit gemeentelijke gegevens blijkt dat het initiatief niet gelegen is in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, van transportroutes en van leidingen. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling verwacht.

5.8

Flora en fauna Voor het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing van het initiatief en in het kader van de Wet Natuurbescherming, is het noodzakelijk een ecologische effectbeoordeling op te stellen ten einde zicht te krijgen of er met de ingreep effecten optreden ten aanzien van beschermde natuurwaarden. Beschermde natuurgebieden Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kempenland-West, bedraagt ca. 3 km. Om de stikstofdepositie vanwege het initiatief te bepalen, is een berekening uitgevoerd. In navolgende

UrbiTom

35

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

paragraaf ‘stikstofdepositie’ worden de resultaten hiervan besproken. De stikstofdepositie vanwege het initiatief bedraagt minder dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is derhalve geen noodzaak voor een voortoets of een compensatieplan. Beschermde soorten In het plangebied zijn geen bebouwing of groenopstanden aanwezig die verwijderd moeten worden. Het perceel is in de huidige situatie in gebruik als weide, die regelmatig begraasd wordt. Hier is geen sprake van goede verblijfsmogelijkheden voor soorten. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen.

Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Conclusie de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft; ervan uitgaande dat de zorgplicht wordt nagekomen, zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling vanwege flora en fauna.

5.9

Stikstofdepositie Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kempenland West” (gebiedsnummer 135), is op circa 3 kilometer afstand gelegen. Om te bezien of er sprake is van stikstofdepositie is door Tritium Advies met de AERIUS Calculator 2019A een berekening gemaakt van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Deze berekening is opgenomen in de bijlage bij dit bestemmingsplan.

UrbiTom

36

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

Conclusie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2019A blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Daarnaast moet benoemd worden voor de berekening is uitgegaan van een worst-case benadering betreffende de emissiefactor van het in te zetten materieel en er desondanks géén toename aan stikstofdepositie is aangetoond. Het is de verwachting dat bij de realisatie gebruik zal worden gemaakt van modernere machines. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van het beoogde planvoornemen.

5.10

Hinderlijke bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en gevoelige functies, zoals wonen, noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Voor het plangebied is het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ van toepassing.

Fragment uit geldend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied 2018’ met daarin aangegeven de begrenzing van het plangebied.

UrbiTom

37

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

Zoals bovenstaande uitsnede van de geldende bestemmingsplannen in en rondom het besluitgebied laat zien, is er geen hinderlijke bedrijvigheid nabij het plangebied aanwezig. De aangegeven bedrijfsbestemmingen (paarse vlakken in bovenstaande afbeelding) liggen op een afstand van meer dan 100 m tot de woningbouwmogelijkheden in het plangebied. Op kortere afstand tot deze bedrijfsbestemmingen zijn reeds geldende woonbestemmingen aanwezig. Op korte afstand zijn geen agrarische bouwblokken gelegen. In de paragrafen inzake geurhinder en spuitzones is verduidelijkt dat er ook geen beperkingen zijn vanwege – of voor – agrarische bedrijvigheid, door de woningbouw die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. Conclusie In het plangebied en de omgeving is geen niet-agrarische bedrijvigheid aanwezig die belemmeringen oplevert voor de woonkwaliteit. Ook levert de nieuwe bouwmogelijkheid voor een woning in het plangebied geen beperkingen op voor bedrijvigheid in de omgeving.

5.11

Gezondheid

5.11.1 Pluimvee‐ en varkenshouderijen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit vrijkomende fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een belangrijk bestanddeel in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.

Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden.

UrbiTom

38

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

In de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ worden de volgende richtafstanden gehanteerd: Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Binnen 250 m afstand komen geen actieve veehouderijen voor. Het enige bedrijf met pluimvee binnen 1000 m van het plangebied betreft een bedrijf aan de Molendijk 2 met een vergunning voor 25 kippen. Het bedrijf heeft vanwege de kippen een fijnstofemissie van 2 kg PM10 per jaar (bron: www.bvb.brabant.nl). Zoals onderstaande grafiek laat zien (bron: ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’) betreft dit een zeer geringe uitstoot van fijnstof, waarvoor een richtafstand van minder dan 100 m geldt. Het plangebied is op ca. 500 m van dit bedrijf gelegen, dus ruim buiten deze richtafstand.

Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een overschrijding van de endotoxine advieswaarde ter plaatse van het plangebied. 5.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij

UrbiTom

39

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een nieuwe woning. Binnen 2 km van het plangebied is er één bedrijf met een significant aantal geiten. Het betreft een bedrijf dat op ca. 1,1 kilometer afstand is gelegen (Molendijk 10 met 715 geiten en 83 opfokgeiten). Dit is nog binnen de straal van 1,5 km, de ondergrens voor een verhoogd aantal gevallen van longontsteking. De geitenhouderij ligt echter ten oosten van de kern van Hulsel en ook ten oosten van het plangebied. De overheersende windrichting in Nederland is zuidwestelijk.

Bovenstaande tabel laat zien hoe vaak de wind uit het oosten komt. Dit is slechts in minder dan 10% van de tijd het geval, waardoor de belasting op de dorpskern van Hulsel en ook op het plangebied door deze geitenhouderij gering is. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect veehouderijen en volksgezondheid is het nieuwbouwplan aan de Kerkweg aanvaardbaar.

5.12

Geurhinder Het beleid ten aanzien van het aspect geur is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die op 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de wet zijn normen bepaald die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is (geen geuremissiefactoren vastgesteld), stelt de wet minimumafstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend met contouren. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (OUÅ of OUÅ/S). Hiervoor zijn emissiefactoren vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde

UrbiTom

40

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. In 2017 is in opdracht van de gemeente Reusel-De Mierden een Plan MER opgesteld voor de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009. Hierin is een kaartbeeld met de achtergrondbelasting opgenomen ten aanzien van geurhinder met de vergunde situatie van 2016. Op deze kaart is te zien dat plangebied is gesitueerd binnen een leefomgeving met de kwalificatie ‘goed’. In de nabijheid van het plangebied liggen kleinere veehouderijbedrijven, die met uitzondering van 1 bedrijf (De Klamp 1 op ca. 150 m) op meer dan 450 m gesitueerd zijn. Voorgrondbelasting speelt derhalve geen rol. Bovendien kent het plangebied in de directe omgeving woonbestemmingen, die op kortere afstand van deze veehouderijen gesitueerd zijn.

PLANGEBIED

Conclusie De leefomgeving aan de oostzijde van Hulsel, waar zich ook het plangebied bevindt, is gekwalificeerd als ‘goed’. Er zijn geen veehouderijen op korte afstand gelegen, m.u.v. De Klamp 1. Dit bedrijf kent met 12 vleesstieren en 40 schapen (bron: Bestand Veehouderijen Brabant) een vaste afstand van 100 m en is op ca. 150 m van de woningbouwmogelijkheden in het plangebied gelegen. Geurhinder vormt derhalve geen belemmering voor woningbouw.

5.13

Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag

UrbiTom

41

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. In de nabijheid van het besluitgebied zijn agrarische bestemmingen gelegen. Het besluitgebied ligt tussen twee geldende woonbestemmingen die reeds bepalend zijn voor de te hanteren afstand voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen. Binnen 50 m van de woonbestemming in het besluitgebied is geen agrarische bedrijvigheid aanwezig waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Een nadere toetsing aan het aspect spuitzone is niet aan de orde.. Conclusie Er is geen sprake van beperkingen voor het gebruik van het plangebied door spuitzones of van beperking van spuitzones door het voorgenomen gebruik van het plangebied ten opzichte van de situatie in het geldende bestemmingsplan.

5.14

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.‐beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.

wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (Hof van Justitie EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (pro-

UrbiTom

42

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

jecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling/conclusie Vaste gedragslijn van de gemeente Reusel-De Mierden is, dat er voor initiatieven met minder dan 5 woningen geen vormvrije mer-beoordeling hoeft te worden gedaan, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden in verband met de aanwezigheid van natuur. Voorliggend initiatief betreft 1 woning op afstand van natuurgebieden (Natuurnetwerk Brabant, Natura 2000): een vormvrije mer-beoordeling kan achterwege blijven.

5.15

Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling binnen het plangebied. Binnen het plangebied is verder geen sprake van straalpaden en invloeden van zendmasten. Voor aanvang van werkzaamheden zal een KLIC-melding worden verricht.

UrbiTom

43

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

UrbiTom

44

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

6

Gemeente Reusel-De Mierden

Uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet zowel op maatschappelijk als op financieel vlak haalbaar zijn. Dit hoofdstuk wordt een beknopte financiële toelichting gegeven en zijn de doorlopen procedures en de uitkomsten daarvan opgenomen als onderbouwing van de maatschappelijke haalbaarheid.

6.1

Economische uitvoerbaarheid De kosten voor de planvorming en de uitvoering van de in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkeling zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is veiliggesteld door het sluiten van een anterieure overeenkomst, waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De gemeente ondervindt derhalve geen negatieve financiële gevolgen ten aanzien van deze ontwikkeling en loopt geen financieel risico.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

UrbiTom

45

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

UrbiTom

46

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

7

De bestemmingen

7.1

Het juridische plan

Gemeente Reusel-De Mierden

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen ten behoeve van een 1 grondgebonden woning aan de Kerkweg te Hulsel. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, waarbij voor plannen van de gemeente Reusel-De Mierden de regels voor wat betreft systematiek en inhoud zoveel mogelijk identiek zijn. Voor de planregels zijn het beleid van de gemeente Reusel-De Mierden en de daarop gebaseerde voorstellen voor de regels uitgangspunt geweest. Verder is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijk standaard voor bestemmingsplan: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot uitsluitend een beschrijving in hoofdlijnen. Het onderhavige bestemmingsplan betreft een gedetailleerd bestemd plan. Er wordt enerzijds maximale flexibiliteit nagestreefd om zo goed mogelijk te kunnen voldoen aan de huisvestingsvraag voor arbeidsmigranten, terwijl anderzijds de rechtszekerheid van de burger zo goed mogelijk wordt gewaarborgd.

De planopzet is gericht op nieuwbouw van 1 woning aan de Kerkweg en naderhand op beheer en instandhouding van de ontstane situatie. Een en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de, binnen het onderhavige bestemmingsplan gehanteerde, bestemmingen.

7.2

Beschrijving van de bestemmingen In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. paden; c. in- en uitritten voor aangrenzende woondoeleinden; d. straatmeubilair; e. speelvoorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. kunstwerken; h. extensief recreatief gebruik; i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

UrbiTom

47

Bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Kerkweg Hulsel’

Gemeente Reusel-De Mierden

Er zijn beperkte mogelijkheden voor openbare nutsgebouwtjes: maximum oppervlakte 20 m2, maximum bouwhoogte 4 m en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde (max. hoogte 4 m). Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen, erven en terreinen; b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten met de volgende maximale bouwhoogten: erf- en terreinafscheidingen tot een maximumhoogte van 2m overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot een maximumhoogte van 3m. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan huis verbonden beroepen en bedrijven; c. groenvoorzieningen; d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; e. tuinen, erven en terreinen. Binnen deze bestemming mag maximaal 1 woning worden gerealiseerd. Er is uitsluitend vrijstaande bebouwing toegestaan. Hoofdbebouwing mag uitsluitend achter de op de verbeelding aangegeven gevellijn worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven. Aan huis verbonden beroepen en bedrijven zijn toegestaan onder de voorwaarden, zoals genoemd in de regels. Waarde – Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.

UrbiTom

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=d59165b0-86ac-407b-8685-604e0b3c2718