Ruimtelijke Onderbouwing Dunsedijk 3
Tekst van het document
woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In voorliggende situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk functiewijziging van het perceel en de realisatie van een camping, trekkershutten en een groepsaccommodatie als onderdeel van het bedrijf. De bestaande woning is reeds een geluidsgevoelig object en de overige nieuwe functies worden niet beschouwd als een geluidsgevoelig object conform de Wet geluidhinder (Wgh). Geluid afkomstig van vervoersbewegingen van en naar de locatie zal gering zijn aangezien het voornamelijk personenvervoermiddelen en kampeermiddelen betreft. Het project zorgt voor een afname van grote verkeersvoertuigen als vrachtwagens, landbouwvoertuigen etc. Achtergrondgeluid Het plangebied bevindt zich aan de Dunsedijk in het buitengebied bij Lage Mierde. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of industriefuncties aanwezig die geluidsbelasting uitstralen op de locatie. De Dunsdijk zelf is een verkeersluwe weg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening, dient ook de belasting van de inrichting op andere functies beschouwd te worden. De geluidsbelasting van een camping met zorgfuncties is laag.
De afstand tot andere geluidgevoelige objecten is meer dan 350 meter. Hierdoor zullen de activiteiten geen hinder veroorzaken. Conclusie. Bezoekers en bewoners ervaren geen geluidsoverlast van de inrichting zelf en de omgeving. De omgeving ondervindt geen overlast van de inrichting.
5.8 Luchtkwaliteit Het huidige melkveebedrijf wordt niet op deze plaats voortgezet. Dit betekend minder uitstoot en een verbetering van de luchtkwaliteit. Volgens het stappenschema bepaling NIBM is er geen toets nodig om de luchtkwaliteit te beoordelen. Het aantal verkeersbewegingen zal wel toenemen. Volgens de rekenmethode van NIBM is ook hiervoor geen onderzoek noodzakelijk.
De CGN-kaart geeft aan dat depositie van fijnstof ( PM 10 en PM 2,5) < 18 ug/m3 is. In het buitengebied speelt depositie van benzeen, stikstofoxide en zwaveloxide een verwaarloosbare rol.
5.9 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute. Regelgeving De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden.
Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen transportactiviteiten van hout en melk op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling op het plangebied. De dichtstbijzijnde Bevi inrichting is gelegen op meer dan 1 kilometer.
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de rijkswegen en enkele provinciale wegen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming voor aanwezige buisleidingen opgenomen. In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bevb is dus niet aan de orde.
Uitsnede van de risicokaart laat zien dat er in de direct omgeving geen risico’s zijn. Conclusie: Het aspect externe veiligheid voor geen belemmering is voor het initiatief.
5.10 Volksgezondheid en veehouderij Intensieve veehouderijen Om de volksgezondheid te bewaken hanteert het bevoegd gezag het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ . Hiermee wordt bepaald welke minimale afstand dient te worden aangehouden bij de huidige vergunde emissie van fijn stof vanuit dierhouderijen in de omgeving. Dit levert een afstandscontour rond iedere veehouderij op waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de van 30 EU/m3. Dan is er sprake van verhoogde gezondheidsrisico’s. Deze afstandscontour of risicocontour kan worden gebruikt in de ruimtelijke ordening (om te bepalen of bij een ruimtelijke ontwikkeling rondom de veehouderij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat). De invloed van mogelijke intensieve dierhouderijen zoals varken- kippen- en geitenhouderijen is niet van toepassing, omdat binnen de ontwikkeling geen nieuwe
geurgevoelige objecten worden gerealiseerd. Daarnaast is de afstand van de ontwikkeling tot dergelijke veehouderijen dusdanig groot, dat er geen invloed te berekenen is. Spuitzone In de directe nabijheid van de ontwikkeling is geen sprake van een aanwezige spuitzone.
5.11 MER-beoordeling Voor de inrichting is eerder een mer-beoordelingsnotitie vormvrij ingediend (5.016-026a, d.d. 27/02/2018). Deze mer-beoordelingsnotitie vormvrij is beoordeeld en beschikt op 6 maart 2018 (kenm. Z/060987-EHU). Een afschrift van deze beschikking is bijlage 2 opgenomen. Hoogspanningslijnen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Conclusie: Er is geen sprake van een belemmering voor de ontwikkeling c.q. schade voor de volksgezondheid.
5.12 Bedrijfven en milieuzonering De afstand tussen de verblijfsruimte (camping en groepsaccommodatie) en omliggende bedrijven bedraagt 189 m tussen de uitbreiding van de camping en Dunsedijk 3a en 3b, gemengde bestemming, categorie 1:, 405 meter tussen de uitbreiding van de camping en Dunsedijk 5, bedrijfsbestemming, categorie 1, 375 meter en tussen het zorggebouw en agrarisch bedrijf Neterselsedijk 17, cat onbestemd.
Volgens de tabel van VNG ondervind de te ontwikkelen activiteit geen hinder van omliggende bedrijven omdat de afstand groter is dan de richtafstand.
5.13 Bodemkwaliteit Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met de bodemkwaliteit. De reden hiervoor is dat bodemverontreiniging van belang kan zijn voor de keuze van bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan. Als bodemverontreiniging aanwezig is, kan de bodem ongeschikt zijn voor de
geplande functie. Dit kan aanleiding zijn voor het uitvoeren van een sanering. Deze bodemtoets kan op verzoek van de gemeente door de ODZOB worden uitgevoerd. Als een locatie op basis van historisch onderzoek onverdacht is kan soms worden uitgegaan van de kwaliteit conform de bodemkwaliteitskaart. Op verdachte locaties dient altijd een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
De bodemkwaliteitskaart geeft aan dat het generieke beleid van de gemeente geldt op de locatie. Bij aanvraag van de omgevingsvergunning voor het slopen van de mestsilo en het saneren van asbeshoudende daken dient de aanvrager een onderzoeksrapport in. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor de bodemkwaliteit en eventuele risico’s worden voorafgaand aan de werkzaamheden in kaart gebracht.
6. Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Dunsedijk 3 Lage Mierde Bijlage 2: Landschappelijke inpassing Dunsedijk 3 Lage Mierde Bijlage 3: Natte Natuurparel De Utrecht en Reusel-De Mierden Milieueffectrapport Bijlage 4: Verslag omgevingsdialoog