CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke Onderbouwing Dunsedijk 3

Gemeenteraad 14 maart 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Veegplan buitengebied 20229.299 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke Onderbouwing Dunsedijk 3 Lage Mierde Camping d’n Aanloop Naam: Adres: Woonplaats:

Johan en Anzelien van Gorp Dunsedijk 3 5094 BA Lage Mierde

Ellen Haverkate BSc Februari 2021 Areal Maurikstraat 27 5453 NA Langenboom areal-agro.nl

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

5.

6.

Inleiding ..................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding en doel ........................................................................................................................... 3 1.2 Plangebied ....................................................................................................................................... 4 1.3 Geldende bestemmingsplannen ...................................................................................................... 6 Huidige situatie ........................................................................................................................... 7 2.1 Kadastrale gegevens ........................................................................................................................ 7 2.2 Huidge inrichting ............................................................................................................................. 8 2.3 Foto’s ............................................................................................................................................... 9 2.4 Relevante projecten in de omgeving .............................................................................................

10 Toekomstige situatie ................................................................................................................. 12 3.1 Opbouw nieuw plan....................................................................................................................... 12 3.2 Toekomstige bestemming ............................................................................................................. 13 3.2 Inrichtingsplan ............................................................................................................................... 14 3.3 Toekomstige activiteiten ............................................................................................................... 15 3.4 Parkeren en verkeersbewegingen ................................................................................................. 18 3.6 Sloop en herbouw.......................................................................................................................... 20 Beleidskader ............................................................................................................................. 22 4.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................

22 4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking ....................................................................................... 23 4.1.3. Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................................................. 24 4.2 Provinciaal beleid........................................................................................................................... 24 4.3 Gemeentelijk beleid....................................................................................................................... 31 Milieuhygiënische en planologische aspecten ............................................................................ 33 5.1 Milieueffectrapportage ................................................................................................................. 33 5.2 Water ............................................................................................................................................. 34 5.3 Natuur ............................................................................................................................................ 36 5.4 Bodem............................................................................................................................................

37 5.5 Cultuurhistorie en archeologie ...................................................................................................... 37 5.6 Geur ............................................................................................................................................... 39 5.7 Geluid............................................................................................................................................. 39 5.8 Luchtkwaliteit ................................................................................................................................ 40 5.9 Externe veiligheid .......................................................................................................................... 41 5.10 Volksgezondheid en veehouderij ................................................................................................ 42 5.11 MER-beoordeling ......................................................................................................................... 43 5.12 Bedrijfven en milieuzonering....................................................................................................... 43 5.13 Bodemkwaliteit............................................................................................................................

43 Bijlagen .................................................................................................................................... 44

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Familie van Gorp heeft momenteel een melkveebedrijf met minicamping aan de Dunsedijk in Lage Mierde. Hun eigendommen vallen binnen een natuurherstel- en ontwikkelingsproject NNP de Utrecht en Reusel - de Mierden. Het project ‘Natte Natuurparel (NNP) De Utrecht en Reusel - de Mierden heeft betrekking op het beekherstel van de Reusel, Raamsloop en het versterken van de natuurwaarden in de Natte Natuurparel De Utrecht. Voor familie van Gorp betekent dit dat op hun grond het grondwaterpeil omhoog gaat. De gronden worden dan te nat voor intensieve begrazing, waardoor hun melkveebedrijf niet op deze locatie kan worden voortgezet. Voor het melkveebedrijf wordt een andere locatie gezocht. Familie van Gorp verkoopt de gronden richting de Raamsloop en behoudt het erf, wat ze vervolgens omzetten naar uitbreiding recreatie en natuurbeheer met begrazing door jongvee. Ze willen wel graag op deze plek blijven wonen, hun recreatietak uitbreiden met een grotere camping en een groepsaccommodatie. Daarnaast voegen ze een nieuwe tak toe aan de bedrijvigheden, namelijk zorg voor ouderen. Hiervoor dient het huidige bestemmingsplan te worden gewijzigd. De huidige bestemming ‘Bedrijf Agrarisch’ is met deze plannen niet meer van toepassing en zal moeten worden gewijzigd naar ‘Recreatie’ met nevenactiviteit ‘Zorg’.

1.2 Plangebied Het projectgebied bevindt zich ten noorden van Lage Mierde aan de rand van landgoed De Utrecht en landgoed Wellenseind. De locatie ligt in het beekdal van de Raamsloop, op de overgang tussen agrarisch gebied en natuur.

Eindhoven

België

Projectlocatie omgeving

De directe omgeving van het huidige melkveehouderijbedrijf is een overgangsgebied van landbouw naar natuur en recreatiegebied aan de noordzijde en een beekdal aan de westzijde. De percelen zijn in grote, rechte blokken ingedeeld, boerderijen liggen ver uit elkaar aan rechte wegen, met verre uitzichten, afgewisseld met kleine bosjes en forse houtingels lang wegen en waterlopen. Aan deze patronen te zien is het gebied redelijk laat pas ontgonnen.

Plangebied, rood omlijnd

1.3 Geldende bestemmingsplannen De locatie Dunsedijk 3, Lage Mierde valt binnen bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ van gemeente Reusel - De Mierden, vastgesteld op 08-12-2011.

(Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

2. Huidige situatie 2.1 Kadastrale gegevens

Hooge en Lage Mierde K 1717, oppervlakte: 5.992m2 Hooge en Lage Mierde K 1721, oppervlakte: 12.245m2 Hooge en Lage Mierde K 1719, oppervlakte: 38.780m2

2.2 Huidge inrichting Het terrein bevindt zich in een agrarische omgeving. Momenteel is het terrein ingericht als woning met melkveebedrijf en boerderijcamping met 30 kampeerplaatsen en 3 trekkershutten.

2.3 Foto’s

Woning

Melkveestal

Trekkershutten

Kampeerterrein

Groepsruimte

Parkeerplaats

2.4 Relevante projecten in de omgeving Natte Natuurparel De Utrecht en Reusel - De Mierden Het project ‘Natte Natuurparel De Utrecht en Reusel-De Mierden’ heeft betrekking op het beekherstel van de Reusel, Raamsloop en het versterken van de natuurwaarden in de Natte Natuurparel De Utrecht. Het is een integraal project waarbij aandacht wordt gegeven aan beekherstel, verbetering waterkwaliteit, water vasthouden in het gebied, Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime, natuurontwikkeling, ecologische verbinding en landschap. Daarnaast willen de samenwerkingspartners de agrarische structuur verbeteren, kansen voor toerisme/recreatie ontwikkelen en de cultuurhistorie in het gebied behouden en beter beleefbaar maken. Het projectgebied van ‘Natte Natuurparel De Utrecht’ is gelegen in de gemeentes Reusel-De Mierden, Bladel, Hilvarenbeek en Oirschot. Het is een omvangrijk gebied met daarop gelegen: Landgoed De Utrecht, Landgoed Wellenseind, de Reusel, de Raamsloop en de Mispeleindse en Neterselse Heide. In hoofdlijnen is het projectgebied onder te verdelen in drie deelgebieden waarin maatregelen worden uitgevoerd, te weten Raamsloop, Omleiding waterlopen en Utrecht-Noord (zie onderstaand kaartje). Voor de ontwikkeling van Dunsedijk 3 is beekherstel van de Raamsloop het meest van invloed. Het invullen van de vernattingsopgave is ook de aanleiding voor het plan.

Ligging projectgebied incl. indicatieve begrenzing deelgebieden (Raamsloop, rood onderbroken; Omleiding waterlopen, blauw; Utrecht-Noord, oranje). Plangebied (rood)

Opgave locatie Dunsedijk Onderdeel van het grote project is herstel van de Raamsloop tussen de Neterselse dijk en Landgoed Wellenseind en deze zodanig in te richten dat voldaan wordt aan de doelstelling, wateropgaven, inrichting Natte Natuurparel en de realisatie van het Natuurnetwerk Brabant (NNB.) Hiervoor is hydrologisch herstel noodzakelijk. Aanpassing van het grondwaterregime (inclusief het realiseren van meer stabiele grondwaterpeilen -ook in de zomer- en de verbetering van kwel) is een middel om dat doel te bereiken. De herstelmaatregelen omvatten beekherstel van de Raamsloop en het omvormen van gronden in natuurgebieden, waarbij ondergrondse drainagesystemen worden verwijderd en verschillende sloten worden gedempt of omgeleid.

Plangebied, rood omlijnd

Waterschap De Dommel heeft een deel van de gronden van familie van Gorp gekocht zodat dit project kan worden uitgevoerd. Voor de overige gronden zoals die binnen het plangebied liggen, heeft de familie

van Gorp voorliggende plannen ontwikkeld. Hiervoor zijn meerdere gesprekken gevoerd met waterschap, gemeente, provincie en ZLTO.

3. Toekomstige situatie 3.1 Opbouw nieuw plan De laag ‘ondergrond’ verandert door peilopzet en beekherstel. De drooglegging (verschil tussen grondwaterhoogte en grondpeil) wordt minder, de percelen natter. Verandering van de ondergrondlaag is aanleiding voor het plan (beperking mogelijkeheden landbouw) maar geeft ook richting aan de inrichting. Deze verandering stuurt aanleg van natuur op de lager delen en aanleg van de camping en bouwwerken op de hogere. De uitbreiding van het kampeerterrein aan de noordzijde van het terrein kan daarom ook alleen plaats vinden op verhogingen in het landschap. De ‘netwerk’ laag laat vooral de weg aan de oostzijde en de waterloop aan de noordzijde zien. Het plan volgt deze rechte lijnen, zodat de uitbreiding, net zoals de huidige inrichting in blokvorm plaatsvindt. Dit geld zowel voor de natuurontwikkeling als de het recreatiegedeelte en de landschappelijke inpassing. Te veel speelse lijnen zouden niet passen in deze omgeving. De wegen dichtbij de Dunsedijk 3 worden veelvuldig gebruikt door wandelaars en fietsers. De inrichting versterkt in de nieuwe vorm het recreatieve buitengebied en geeft een impuls aan de leefbaarheid van Lage Mierde. De bovenste ontwerplaag is de ‘occupatielaag’. De onderenemers voegen kampeerplaatsen en groepsaccommodatie toe. Die groepsaccommodatie wordt ook aangewend als zorglocatie.

Het melkvee verdwijnt op deze locatie, het jongvee blijft, hetzij extensief aanwezig. De ondernemers zien juist op deze plek ruimte voor recreatie en zorg. Op het terrein is kamperen en gebruik van recreatiewoningen van elkaar gescheiden, daar waar het toch op een erf bij elkaar hoort. De uitstraling moet ook weer passen bij de omgeving dus het idee van boerderijcamping blijft door het jongvee in de wei behouden. Een grootschalige camping of huisjespark lijkt niet te passen bij het gebied en de ondernemers. De gekozen schaal en diversiteit sluit perfect aan op de ondernemers, de omgeving en het markt.

3.2 Toekomstige bestemming

Aanduiding KA = Kamperen, RW = Recreatiewoningen, CV = Centrale Voorzieningen

3.2 Inrichtingsplan

Inrichtingsplan Dunsedijk , zie ook bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Dunsedijk 3

3.3 Toekomstige activiteiten Het huidige melkveebedrijf zal door het vernatten van de percelen op deze locatie niet verder kunnen gaan. De ondernemers brengen een groot deel van de huiskavel in en zoeken een nieuwe locatie voor hun melkvee. De melkveestal wordt verkleind en zal worden gebruikt voor jongvee, waarvoor nog ruimte is op de kleinere huiskavel. Op de locatie aan de Dunsedijk wordt het wonen en de camping wel voortgezet. Aan de camping wordt een deel toegevoegd en er worden een aantal trekkershutten bijgebouwd. Ook zal er op het terrein een nieuw gebouw komen ten behoeve van de ontwikkeling van zorg op het terrein. Rondom de camping vindt natuurontwikkeling plaats. Met zichtlijnen blijven doorzichten en vergezichten mogelijk voor voorbijgangers, waardoor het geen gesloten geheel wordt.

Functieindeling toekomstige situatie

Camping De camping heeft als doelgroep: ouderen. In de plannen wordt de camping uitgebreid met 24 naar 54 campingplaatsen. Dit nieuwe gedeelte krijgt een andere sfeer dan het bestaande deel. De nieuwe campingplaatsen hebben een meer individueel karakter met meer ruimte en luxe. Zo zal per twee campingplaatsen een klein sanitairhutje van 2m2 opp, aangesloten op riool, 230V en glasvezel, gerealiseerd worden. de nieuwe campingplaatsen grenzen direct aan de weide waar de koeien grazen, waardoor de sfeer van een boerderijcamping optimaal beleefbaar is. Ook komen er 10 nieuwe trekkershutten bij, zodat er 13 zijn in de nieuwe situatie. Het totale recreactie terrein krijgt een oppervlakte van 2,85 ha. Een uitbreiding van de camping betekent meer recreatieve waarde voor het gebied. De ontwikkeling van natuur rond de Raamsloop sluit hier op aan. Evenals de ligging naast landgoed Wellenseind en landgoed de Utrecht.

referentiebeeld privésanitair bij campingplaats

referentiebeeld beleefbare boerderijcamping

Zorg Voor zorg op het terrein wordt een nieuw gebouw (+/- 100 m2) ontwikkeld op de plek waar momenteel de mestsilo zich bevindt. De zorg zal bestaan uit dagbesteding voor circa 20 ouderen. Momenteel zijn hierover gesprekken gaande met organisatie ‘Oktober’. Rondom het gebouw voor zorg zal ook ruimte zijn voor een moestuin, een boomgaard en boerderijdieren. Jongvee Om de uitstraling van een boerderijcamping te behouden en voor begrazing van de gronden zal op het terrein ook 25 stuks jongvee worden gehouden. Het jongvee maakt gebruik van de huidige melkveestal, deze wordt hiervoor geschikt gemaakt middels een verbouwing en verkleining van de stal. Mestbewerking vindt niet plaats, mestopslag in de put onder de bestaande stal. Natuur Op de camping zelf komen twee nieuwe houtsingels haaks op het beekdal. Dit versterkt de huidige landschappelijke structuur. Langs de Dunsedijk komt extra aanplant van bomen en struiken, om de camping niet teveel in het zicht te laten liggen, voor privacy te zorgen en om de parkeerplaatsen in op te nemen. Wel komen er doorzichten op het landschap, zo zal het beekdal van de Raamsloop beleefbaar zijn. Ten noorden en westen van de camping wordt natuur ontwikkeld in een strook van 40 meter breed.

Deze natuur wordt samen met het waterschap ontwikkeld, hierdoor sluit het naadloos aan op het natuurontwikkelingsproject dat wordt uitgevoerd op aangrenzende grond.

referentiebeeld jongvee bij de camping

referentiebeeld zorg-/groepsaccomodatie

Bestaande houtsingel op camping d’n Aanloop; Referentiebeeld natuur

De strook van 40 m breed gronden omzetten naar NNB. De voorgestelde natuurdoelstellingen komen overeen met de doelen zoals in het natuurbeheerplan zijn opgenomen. In de nieuwe situatie wordt het huidige bouwland grotendeels ingericht als kruiden‐ en faunarijk grasland. Hierbij blijft begrazing mogelijk. Een noordelijke strook wordt ingericht als Dennen‐, eiken‐ en beukenbos. Zie ook bijlage 1 ‘Landschappelijk inpassingsplan Dunsedijk 3.’

Toevoeging NNB

Inrichtingselementen 1. Kruiden‐ en faunarijk grasland, oppervlakte: 16032 m2 - 5% landschapselementen wordt ingevuld met elzensingels, solitaire bomen/boomgroepen, heggen en /of poelen. De precieze uitwerking hiervan wordt afgestemd op het inrichtingsplan van het beekherstelproject van de Raamsloop en in overleg met het waterschap. 2. Dennen‐, eiken‐ en beukenbos, oppervlakte: 147m x 15m = 2205 m2 Totale oppervlakte: 18237 m2 nieuwe natuur, toegevoegd aan het NNB.

3.4 Parkeren en verkeersbewegingen Parkeren Uitgangspunten voor het parkeren: - de parkeercapaciteit wordt op eigen terrein opgevangen; - parkeren vindt plaats op centrale parkeerplaatsen, niet bij het kampeermiddel; - parkeerplaatsen worden groen ingepast en uit het zicht geplaatst; - De parkeerplaatsen zijn vormgegeven als een grasstrook, hierdoor is de inbreuk op het landschap en de natuur zo klein mogelijk. - Afstand tot houtwal is minimaal 1 meter - Voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen wordt uitgegaan van CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’.

CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’.

Parkeerkencijfers camping: 1,1 parkeerplaats per standplaats (zie tabel) 50 standplaatsen x 1,1 x 10% (visite/bezoekers) = 61 Voor trekkershutten worden geen parkeerkencijfers gegeven, maar uit ervaring met de drie aanwezige hutten blijkt dat we dezelfde parkeernorm aan kunnen houden als voor de kampeerplaatsen. 13 hutten x 1,1 x 10% (visite/bezoekers) = 16 Voor zorg/groepsaccommodatie is geen norm. Vervoer zal voornamelijk met busjes plaatsvinden. Hiervoor zullen ten hoogste 2 busjes aanwezig zijn. Eventueel kunnen cliënten ook individueel gebracht worden. Met 10 parkeerplaatsen zal hier ruim aan worden voldaan.

Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen (camping + hutten + zorg): 61 + 16 + 10 = 87 parkeerplaatsen Nieuwe entree Er wordt een nieuwe entree toegevoegd ten zuiden van de woning. Deze zal gebruikt worden ten behoeve van de zorg-/groepsaccommodatie en voor 5 nieuwe trekkershutten. Een deel van de parkeerplaatsen zullen zich hier bevinden. 10 parkeerplaatsen voor de zorg-/groepsaccommodatie. 6 parkeerplaatsen voor de hutten (5 hutten x 1,1 x 10% visite/bezoekers = 6) Totaal aantal parkeerplaatsen zuidelijke deel bij nieuwe entree: 10 + 6 = 16 parkeerplaatsen (van de 87 totaal) Verkeersbewegingen Toename aantal verkeersbewegingen camping : Op basis van CROW kencijfers

Jaargemiddelde weekdag: - 34 nieuwe standplaatsen (camping en hutten); - 0,4 mvt/etmaal/standplaats Verkeersgeneratie: 34 x 0,4 = 14 mvt/etmaal Piekdag (worst case scenario): - 34 nieuwe standplaatsen; - 2,4 mvt/etmaal/standplaats Verkeersgeneratie: 34 x 2.4 = 82 mvt/etmaal

Op basis van bezoekersaantallen tijdens piekdag

-

maximale bezetting tijdens wisseldag; 34 standplaatsen wisselen gelijktijdig; elke standplaats genereert 2 verkeersbewegingen (vertrek en aankomst).

Verkeersgeneratie: 34 x 2 = 68 mvt/etmaal

Toename aantal verkeersbewegingen zorg: Op basis van CROW kencijfers

Geen CROW kencijfers beschikbaar

Op basis van bezoekersaantallen tijdens piekdag

-

Cliënten worden met busjes gebracht en gehaald; 2 busjes elk busje genereert 2 verkeersbewegingen per haal-/brengmoment

Verkeersgeneratie: 2 (busjes) x 2 (verkeersgeneraties) x 2 (momenten) = 8 mvt/etmaal

3.6 Sloop en herbouw Sloop

1: mestsilo van 235m2 2: opslag van 80m2 3: deel van ligboxenstal groot 450m2 totaal te slopen bouwwerken 765m2

Herbouw

Groepsaccommodatie van 100m2 Trekkershutten, 10 x 24m2 = 240m2 sanitairhutjes, 13 x 2m2 = 26m2 totaal nieuw te bouwen 366 m2

4. Beleidskader Het project moet passen binnen vigerend beleid. Daarom wordt in dit hoofdstuk relevant rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid beschreven. Voor de ontwikkeling van het plangebied zijn verschillende beleidsstukken relevant. Deze beleidstukken worden in dit hoofdstuk toegelicht. Vanwege het kleinschalige karakter van de beoogde ontwikkeling zijn er geen rijks belangen in het geding. Derhalve is deze niet opgenomen in het hoofdstuk beleidskader.

4.1 Rijksbeleid Het ruimtelijke relevante rijksbeleid is vervat in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de realisatieparagraaf van het Nationaal Ruimtelijk Beleid. Hier wordt in de navolgende paragrafen achtereenvolgens aan getoetst. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 zou moeten uitzien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daarbij streeft het Rijk naar een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve Rijksbetrokkenheid. Daarnaast verstevigt de SVIR het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies.

Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft. De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor dit bestemmingsplan. Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante beleidskader gevormd door de provincie Noord-Brabant en de gemeente Reusel-De Mierden. Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde realisatieparagraaf ‘Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid’ zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur/NNN) en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. De Realisatieparagraaf is toegevoegd aan de Nota Ruimte en heeft de status van structuurvisie. De beoogde ontwikkeling wordt niet genoemd als één van de 30 nationale ruimtelijke belangen en dient niet als instrument om die uit te voeren. De realisatieparagraaf werkt dus niet door in dit plan.

De afweging voor de beoogde ontwikkeling dient decentraal plaats te vinden.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de “ladder duurzame verstedelijking”): 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; 2. Indien uit de beschrijving, bedoeld in het onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen Hoofdstuk 5 53 het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; 3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Een uitbreiding van de camping wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling.

Aangezien er hier sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is de ladder voor duurzame verstedelijking hier van toepassing. Bij trede 1 moet worden aangetoond dat er een actuele regionale behoefte bestaat voor de ontwikkeling. Om de regionale behoefte te bepalen zal er eerst gekeken moeten worden wat er in deze situatie als regio bepaald wordt. Een camping omvat een bovenregionale, landelijke of zelfs een internationale behoefte. Informatie over toerisme en kamperen kan gehaald worden vanuit het Trendrapport toerisme, recreatie en vrije tijd 2016 van NRIT Media en CBS. Zij concluderen dat er in Nederland nog steeds meer vraag is naar kamperen. De concurrentie in de kampeersector wordt vooral gevoerd op kwaliteit en veel minder op prijs. De vraag naar kwaliteit binnen de recreatiebranche wordt dus ook steeds groter. Om de kwaliteitsslag te maken worden er grotere campingplaatsen met eigen sanitaire voorzieningen gerealiseerd. Met de uitbreiding van de camping worden er meer bezoekers naar het gebied getrokken wat een positieve doorwerking heeft voor de gehele vrijetijdseconomie in de regio. Er is zowel een kwantitatieve als kwalitatieve vraag naar verblijfsrecreatie. Hiermee is in tree 1 van de ‘Ladder’ voorzien. Trede 2 motiveert of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen het bestaand stedelijk gebied.

Kampeerterreinen bevinden zich over het algemeen buiten het bestaande stedelijk gebied, binnen landschappelijk interessante gebieden. De voorgenomen ontwikkeling betreft een uitbreiding van een bestaande camping in het buitengebied. Hierdoor is er geen sprake van de optie om de uitbreiding te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied doordat er dan geen aansluiting is op het huidige terrein. Daar komt bij dat een realisatie van een recreatiebedrijf zich niet leent in het stedelijk gebied maar in het kader van het vrije en groene karakter beter past in het buitengebied. Geconcludeerd kan worden dat het bestaand stedelijk gebied geen mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van dit plan.

4.1.3. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Nationaal Natuurnetwerk werd vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het Natuurnetwerk is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het natuurnetwerk is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het plangebied valt deels binnen het natuurnetwerk. De uitwerking hiervan staat beschreven in 4.2 onder Natuurnetwerk Brabant.

4.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie “De kwaliteit van Brabant” De omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' als op 14 december 2018 vastgesteld door de Provinciale staten van Noord-Brabant bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving tot 2030 met een doorkijk naar 2050. Hierin wordt onderscheid gemaakt in een basisopgave (werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit) en in vier hoofdopgaven:

-

Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

In de basisopgave stelt de provincie onder andere tot doel dat in 2030 alle omgevingsaspecten voldoen aan de wettelijke normen, natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit naar een positieve trend is omgebogen en dat waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden. Om dit doel te realiseren zijn in ieder geval de volgende maatregelen voorzien:

-

-

-

-

In 2027 wordt aan de Kaderrichtlijn Water voldaan; o Dit plan draagt actief bij aan de invulling van de opgave KRW Beschermen van de wezenlijke kenmerken van op provinciaal aardkundig waardevolle gebieden; o Aan de bodem wordt behoudens het ophogen van kampeerplekken weinig veranderd. Door natuurontwikkeling, vastgelegd met een Kwalitatieve Verplichting worden aardkundige waarden beschermd Identificeren van wezenlijke landschappelijke waarden en samen met gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers een roadmap opstellen voor het landschap; o De ontwikkeling wordt landschappelijk goed ingepast; het landschap wordt beter beleefbaar. Zie ook Bijlage 1 ‘Landschappelijke inpassing Dunsedijk 3 Lage Mierde’ Beschermen van de wezenskenmerken van de cultuurhistorisch waardevolle gebieden/landschappen/objecten op provinciaal niveau en het duurzaam in stand houden van historisch waardevolle gebieden en complexen; o Het plan draagt bij aan de herkenbaarheid en identiteit van het gebied. De overgang tussen natte natuur en cultuurlandschap wordt beter zichtbaar.

Zie ook Bijlage 1 ‘Landschappelijke inpassing Dunsedijk 3 Lage Mierde’ Afronden van het Natuurnetwerk Brabant zoals nu naar areaal en kwaliteit voorzien; o Dit plan draagt actief bij aan de invulling van de opgave NNB en NNP Treffen van herstel- en instandhoudingsmaatregelen voor de Natura 2000-gebieden, zodat aan de Europese doelen wordt voldaan. o Dit plan draagt actief bij aan de instandshoudingsmaatregelen, zij het buiten Natura 2000gebieden

De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie. Het beleid en de maatregelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie zal verdere doorwerking vinden in de nog op te stellen omgevingsverordening en programma's.

Provinciale Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010-partiele herziening 2014 Op 7 februari 2014 hebben Gedeputeerde Staten deze gedeeltelijke herziening van de Structuurvisie vastgesteld, die op 19 maart 2014 in werking is getreden. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. In de structuurvisie wordt onderscheid gemaakt in vier ruimtelijke structuren:

• • • •

groenblauwe mantel; landelijk gebied; stedelijke structuur; infrastructuur.

Uitsnede structurenkaart Provinciale Structuurvisie RO 2010

Het plangebied is gelegen in de groenblauwe structuur, waarvan gedeeltelijk in het kerngebied groenblauw. De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in Noord- Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden of gebieden die voor deze functies van belang zijn. De hoofdfunctie van het kerngebied groenblauw is het behoud en de ontwikkeling van het natuuren watersysteem. De groenblauwe mantel grenst aan het kerngebied en dient ter bescherming van de waarden in het kerngebied. Hier staat het behoud en bovenal de ontwikkeling van natuur, water (beheer) en landschap centraal. De gebieden voor waterberging zijn van belang voor hoogwaterbescherming en zijn grotendeels binnen de groenblauwe structuur. Binnen de gebieden voor

waterberging kunnen andere functies zoals grondgebonden landbouw, extensieve recreatie en natuurontwikkeling zich blijvend ontwikkelen mits ze afgestemd zijn op de beoogde waterfuncties. Het plangebied ligt geheel in de groenblauwe structuur en gedeeltelijk ook in het kerngebied. Het duurzaam herbestemmen van het plangebied ter bescherming en ontwikkeling van natuuren waterfuncties, draagt bij aan het behoud en de ontwikkeling van natuur, water en landschap. De plannen aan de Dunsedijk zijn in samenwerking met waterschap ontwikkeld en maken geen inbreuk op natuur- en waterfuncties. In het projectplan waterwet (bijlage) is dit verder toegelicht. De ontwikkeling van recreatie past binnen de functie van een waterbergingsgebied. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Als het vanuit het beleid van de provincie nodig is om regels op te nemen voor ruimtelijke ontwikkelingen, dan staan die in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De gemeente moet rekening houden met deze instructieregels bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale omgevingsvisie en structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

Ruimtelijke kwaliteit Zorgvuldig ruimtegebruik (3.6) is een belangrijk item in de verordening. Nieuwe ruimtelijke ingrepen moeten gebruik maken van bestaande bouw- en bestemmingsvlakken. De nieuwe bebouwing in het plan wordt ontwikkeld binnen het huidige bouwblok. Vanuit de verordening ruimte zijn hier geen consequenties aan verbonden De planlocatie bevindt zich in ‘structuur – groenblauwe mantel’. Zie onderstaande figuur

Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. De ontwikkeling van deze locatie met daaromheen een strook natuur zorgt voor een verbetering van het watersysteem en daarmee samenhangende ecologische en landschappelijke waarden. Toepassing van de lagenbenadering (3.7) omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Dit betekent dat het effect van de beoogde ontwikkeling op de ondergrond, de netwerklaag en de bovenste laag beschouwd moet worden. Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen.

Door hierin actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In paragraaf 3.3.1 van deze toelichting is uitgebreid uiteengezet wat de ruimtelijke, maatschappelijke en de duurzame meerwaarde van de beoogde ontwikkeling is. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling voldoende meerwaarde creëert in de omgeving. Er is tevens sprake van bijdragen aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Cultuur, stedelijk- en landelijk gebied Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied gelegen in het gebied ‘gemengd landelijk gebied’ en in het ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 5. Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1.

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; • Het project is samen met gebiedspartners ontworpen, besproken en akkoord bevonden 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; • De ontwikkeling brengt geen negatieve effecten teweeg, wordt geen geurgevoelig object, zorgt niet voor meer verkeersbewegingen of druk op de omgeving

3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. • Overtollige stallen worden gesloopt, de kwaliteit van de omgeving versterkt (zie Bijlage 1 ‘Landschappelijke inpassing Dunsedijk 3 Lage Mierde’. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; bouwblok wordt niet gesplitst c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; jongveestal, mestsilo en een deel van de ligboxenstal worden geslooptl d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; Er is geen sprake van een kantoor 2. lawaaisport; Er is geen sprake van lawaaisport 3. mestbewerking. De mest van het jongvee wordt alleen opgeslagen in de mestkelders en afgevoerd, niet bewerkt, niet verwerkt Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: b. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; 1. Er wordt geen wijzigingsbevoegdheid voor vergroten bestemmingsvlak recreatie opgenomen c. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; 1. Zie regels d. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; 1. Zie regels e. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. 1.

Ontwikkeling in kwantiteit pas niet op het bestemmingsvlak Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; a. Recreatie, zorg en natuurbeheer passen niet op een bedrijventerrein, wel in het buitengebied b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; a. Detailhandel is niet van toepassing c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. a. Een recreatiebestemming heeft doorgaans geen bouwvlak. De geprojecteerde gebouwen voor zorg en vrije tijd zijn binnen de oppervlakte van 1 ha gesitueerd.

Omvang bebouwing

Artikel 3.75 Aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening Lid 1. In geval er sprake is van een watergebonden voorziening kan het bestemmingsplan onder overeenkomstige toepassing van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk maken, als elders een bouwperceel is gesaneerd en de daarop aanwezige bebouwing van ten minste gelijke omvang, met uitzondering van de bedrijfswoning, is gesloopt. Lid 2. In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: a. het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; b. permanente bewoning is uitgesloten. 1. In de regels worden a en b opgenomen Aan de voorwaarden die de verordening voorschrijft voor de vestiging van niet agrarische functies wordt voldaan.

Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Figuur 7: NNB rondom de locatie

De projectlocatie valt voor een deel binnen het Natuurnetwerk Braban (NNB). Deze strook rondom de camping wordt in plannen omgevormd tot natuur volgens de ambitiekaart. Hier zal kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) worden gerealiseerd met in het noorden van het plangebied een strook bos; AmbitieBeheertype: N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Voor de ontwikkeling van deze natuur is door het Groenontwikkelfonds Brabant een subsidieaanvraag met een inrichtingsplan beschikt. Provinciale Milieu Verordening – Stiltegebieden in Noord-Brabant Ook in Noord-Brabant zijn echt stille gebieden schaars geworden. Toch zijn er gebieden waar nog rust is te vinden. Na onderzoek en in overleg met de gemeenten heeft de provincie Noord-Brabant 31 stiltegebieden geselecteerd en opgenomen in de provinciale milieuverordening en het provinciaal streekplan. In deze gebieden is het beleid erop gericht om plaatsen waar geen of weinig geluidbelasting als gevolg van menselijke activiteiten aanwezig is te beschermen tegen storende, voor de omgeving vreemde geluiden. In stiltegebieden zijn daarom geen ontwikkelingen toegestaan die (veel) lawaai met zich meebrengen. Auto’s, motoren en (brom)fietsen mogen alleen op de openbare weg rijden, dus niet ‘off the road’. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling mensen uit de stiltegebieden te weren. Rustig recreëren, wandelen en fietsen zijn dan ook toegestaan.

Voor activiteiten die van oudsher al in het gebied plaatsvinden gelden de verbodsbepalingen van de milieuverordening niet. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de uitoefening van landbouw, bosbouw of jacht. De begrenzing van de stiltegebieden en de beschermingsregels zijn opgenomen in de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant (PMV). Een

gedeelte van het plangebied is gelegen in een Stiltegebied. De regels met betrekking tot stiltegebieden hebben geen betrekking op de beoogde functies. De milieuverordening stelt regels ten aanzien van gedragingen om een te hoge geluidbelasting te voorkomen. Het gaat daarbij om activiteiten die een grote geluidsproductie met zich meebrengen, hetgeen vanuit de genoemde woon- recreatieve en/of zorgfunctie niet het geval zullen zijn. Het bouwen van gebouwen kan wel een hoge geluidsbelasting met zich mee brengen, maar de ontwikkeling van de nieuwe groepsaccomodatie met zorgfunctie vindt plaats buiten het stiltegebied.

4.3 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Op 22 mei 2018 heeft de gemeenteraad van gemeente Reusel-De Mierden een omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie borduurt voort op de in 2013 vastgestelde toekomstvisie, geeft richting aan de ingezette koers in ruimtelijke zin en schetst het programma voor de toekomst. Voor het buitengebied worden vier landschapstypen onderscheiden, te weten de oude agrarische cultuurlandschappen, de beekdalen, jonge heideontginningen en de uitgestrekte bossen met enkele heidecomplexen. De bos- en heidegebieden zijn en blijven van grote waarde. Voor deze gebieden wordt naar een duurzaam evenwicht tussen productiebos-gemengd bos en natuur-recreatie gestreeft. De beekdalen krijgen de ruimte om hun natuurlijk karakter terug te vinden en herkenbaar te worden in het landschap. Voor het Reuseldal is de uitvoering gestart, mede gericht op natuurontwikkeling, waterberging en een goede aansluiting op de natte natuurparels en het landgoed De Utrecht.

Uitsnede strategiekaart omgevingsvisie Reusel-De Mierden

Op de strategiekaart van de omgevingsvisie is het plangebied aangewezen als: •

Primaat-Landschap strategie: Versterken van het Kempisch karakter in landschappelijke en cultuurhistorische zin en stimuleren van een gezonde leefomgeving met ruimte voor groen en ontmoeting. geldt voor: de agrarische cultuurlandschappen die nu te veel te lijden hebben onder de schaalvergroting en de intensivering van de landbouw, de bedrijventerreinen bij Hooge en Lage Mierde, de openbare ruimte in de centra van Reusel, Hooge en Lage Mierde en Hulsel.

De ontwikkeling op deze locatie voorziet in recreatie en zorg. Er ontstaat ruimte voor groen en ontmoeten en daarmee sluit het aan op de strategie uit de omgevingsvisie.

5. Milieuhygiënische en planologische aspecten Een belangrijk onderdeel van deze ruimtelijke onderbouwing is het testen van de voorgestelde wijziging aan de hand van verschillende duurzaamheidsaspecten, zoals de wet milieubeheer, geur, bodem en geluid.

5.1 Milieueffectrapportage In de wet milieubeheer is geregeld dat bij ruimtelijke plannen met mogelijk grote milieugevolgen het verplicht is om een milieueffectrapportage op te stellen. Het doel va een milieueffectrapportage is het in beeld brengen van de milieueffecten van het voorgenomen plan. Voor het overkoepelende project NNP de Utrecht is zo’n milieueffectrapportage opgesteld. Het plangebied voor de ontwikkeling van Dunsedijk 3 is in deze milieueffectrapportage meegenomen, zie ‘Bijlage 3 Natte Natuurparel De Utrecht en ReuselDe Mierden Milieueffectrapport.’ In het Besluit milieueffectrapportage zijn categorieën activiteiten opgesomd die m.e.r.-(beoordelings) plichtig zijn. De geplande activiteiten voor het project NNP De Utrecht en Reusel-De Mierden vallen onder de volgende categorieën van het Besluit m.e.r.: • • • •

D3.2 “de aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken” D9 “een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan” D13 “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een waterbeheersingsproject voor landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten” D27 “De eerste bebossing of de ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan met het oog op een andere ruimtelijke functie van de grond"

Vanwege de gewenste zorgvuldigheid hebben de provincie Noord-Brabant en waterschap De Dommel besloten één integraal milieueffectrapport (MER) op te stellen voor het gehele project NNP De Utrecht en Reusel-De Mierden. Ontwerp MER In het MER zijn de milieueffecten van de maatregelen (inclusief de mitigerende maatregelen) die onderdeel uitmaken van het project NNP De Utrecht en Reusel-De Mierden onderzocht en beoordeeld. Daarbij is onderscheid gemaakt in een basisalternatief en plusmaatregelen. De maatregelen uit het basisalternatief betreffen de hydrologische herstelmaatregelen als opgesomd in paragraaf 2.2.1. De plusmaatregelen betreffen aanvullende herstelmaatregelen die bijdragen aan de gebiedsopgaven voor het projectgebied vanuit de KRW, het NNB, NNP, Actieplan Leven de Dommel en het gemeentelijk en provinciaal beleid ten aanzien van versterking van aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische, economische en recreatieve waarden. Een zorgvuldige afweging van de maatregelen heeft geresulteerd in een voorkeursalternatief: een gebalanceerd maatregelenpakket van basismaatregelen en een selectie van plusmaatregelen. Het ontwerp MER is opgenomen in de bijlagen. Voor een uitgebreide toelichting op een beschrijving van het basisalternatief, de plusmaatregelen en de milieueffecten wordt naar het ontwerp MER verwezen.

Conclusie MER De voorgenomen maatregelen voor de realisatie van het basisalternatief en/of het voorkeursalternatief leiden tot verbetering van de habitats van zure vennen en vochtige alluviale bossen. Daarnaast dragen de maatregelen bij aan de ambities vanuit het Natuurnetwerk Brabant, de Kaderrichtlijn Water, de Natte Natuurparels en het actieplan "Leven de Dommel". Door het treffen van mitigerende maatregelen tijdens de uitvoering kunnen de tijdelijke negatieve effecten op het natuurgebied, beschermde soorten, het woon- en leefklimaat zoveel mogelijk worden beperkt. De negatieve effecten voor de landbouw door vernatting van enkele percelen worden door het gewijzigd gebruik van deze percelen als 'Natuur'. Een aantal percelen zal ook verhoogd worden om andere invulling mogelijk te maken. Evenals mitigerende maatregelen ten behoeve van ander functies. Voor voorliggend plan geldt ook dat er maatregelen worden getroffen om voorliggende plannen mogelijk te maken. Deze zijn maatregelen zijn opgenomen in de milieueffectrapportage, alsmede in het projectplan Waterwet NNP de Utrecht. In de volgende paragrafen is een korte toelichting op de milieueffecten gegeven.

5.2 Water Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. In deze waterparagraaf wordt de wijze beschreven waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie, dat wil zeggen voor het grondwater, het oppervlaktewater dan wel regionale en/of primaire waterstaatswerken. Het plangebied bevindt zich binnen de grenzen van het project NNP de Utrecht. Hiervoor is een projectplan waterwet opgesteld door waterschap de Dommel. Op onderstaande uitsnede van dit plan zijn de waterhuishoudkundige ingrepen voor het plangebied weergegeven. Het projectplan waterwet is als bijlage toegevoegd bij dit rapport.

In deze paragraaf worden de effecten voor het grond- en oppervlaktewater beschreven. Grondwater Voor het hele plangebied geldt dat als gevolg van het beekherstel van de Raamsloop en de (geo)hydrologische herstelmaatregelen nemen de gemiddelde grondwaterstanden in het voorjaars (GVG) en de jaarlijks laagste grondwaterstanden (GLG) toe, zoals beoogd ten behoeve van de twee stikstofgevoelige habitats. Door het opheffen van verscheidene drainagesystemen, het dempen en/of verondiepen van greppels, uitbreiding van het natuurareaal en bosvorming zal de grondwaterstroming worden gewijzigd en de kwelstroming verbeteren. Bij elkaar leiden de maatregelen leiden tot een duidelijke verbetering van grondwaterstanden en grondwaterstromingcondities. Voor het plangebied aan Dunsedijk 3 geldt ook dat de grondwaterstand hoger wordt. Hiervoor zijn mitigerende maatregelen nodig. Deze zijn opgenomen in het project van NNP de Utrecht. Doordat percelen uit agrarisch gebruik worden genomen zal de hoeveelheid voedingsstoffen in het systeem afnemen en bijgevolg ook minder in het grondwater terecht komen. De grondwaterwaliteit zal als gevolg van de plannen licht verbeteren. Door het plaatsen van LOP-stuwen wordt water beter geborgen in zijwatergangen en kan hier geleidelijk infiltreren en het grondwater aanvullen. Dit kan ook de hydrologische toestand van het plangebied positief beïnvloeden.

Oppervlaktewater De percelen waar regulier agrarisch gebruik als gevolg van de hydrologische herstelmaatregelen niet langer mogelijk is, worden omgezet in natuur. Hierdoor zal de hoeveelheid voedingsstoffen in het systeem afnemen en bijgevolg ook minder in het oppervlaktewater terecht komen. De oppervlaktewaterkwaliteit zal als gevolg van de plannen licht verbeteren. Waterhuishouding Hemelwater Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Door het waterschap zijn een aantal principes opgesteld waar ruimtelijke ontwikkelingen aan worden getoetst. Tot 2.000 m² hoeft op basis van de Keur geen voorziening te worden getroffen. Het initiatief omvat geen toevoeging van een verhard oppervlakte, waarbij het hemelwater moet worden afgekoppeld. Voor elke te veranderen verhard en bebouwd oppervlakte dient 60 mm berging aangelegd te worden voor hemelwater. Op dit moment is nog niet duidelijk hoeveel terrein er verhard wordt en wat de bergingsopgave bedraagt. Wel zal in het westelijk deel nog ruimte zijn om wadi’s of greppels/ kavelsloten of eenvoudige verlagingen in het grasland te realiseren waar deze bergingsopgave uitgevoerd kan worden. Het plangebied kent voldoende ruimte om een berging/infiltratie te creëren. Zo kan binnen de natuurfunctie het water in greppels worden opgevangen, waarna het naar de bodem kan infiltreren.

Afvalwater In de openbare weg ten oosten van het plangebied ligt een rioolstelsel (drukriool). Het afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Dit wijzigt voor de ontwikkeling niet. Conclusie De ontwikkeling omvat geen toename van verhard oppervlak, waardoor waterberging niet hoeft worden uitgebreid. Wel dient het hemelwater van alle nieuwebouw op eigen terrein zorgvuldig te worden opgevangen. Uitwerking hiervan dient te gebeuren als de inrichtingsplannen uitgewerkt worden t.b.v. de milieu- e/o bouwvergunning.

5.3 Natuur De Wet natuurbescherming vormt het wettelijk kader voor de bescherming van flora en fauna (soortenbescherming), leefgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van houtopstanden. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient te worden nagegaan of deze ingrepen en/of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten in de omgeving of tot negatieve effecten leiden in onder de Wet natuurbescherming aangewezen gebieden, zijnde de Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Voor NNP de Utrecht geldt dat bij de uitvoering van de hydrologische herstelmaatregelen een tijdelijke verstoring van het leefgebied van mogelijk beschermde soorten optreed, zoals de Drijvende waterweegbree (Luronium natans). Daarbij moet wel aangetekend worden dat, gezien de voorgenomen activiteit onderdeel is van een vastgesteld Natura 2000-beheerplan, in principe een vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen. Op lange termijn zal het beekherstel leiden tot een verbetering van het leefgebied van de Drijvende waterweegbree en overige soorten. De bredere bufferstrook langs de beken zal de biodiversiteit verder verhogen in de strook zelf, maar ook meer schaduwwerking creëren in de beek. Met mitigerende maatregelen kunnen de effecten tijdens de uitvoering worden geminimaliseerd.

Voorliggend project heeft geen directe invloed op de mogelijke verstoring die tijdens de inrichting van NNP de Utrecht optreed. Gebiedsbescherming Voorliggend plan omvat onder andere een deel natuurontwikkeling. Hiermee levert het resultaat een positieve bijdrage aan de doelstellingen van het totale plan voor NNP de Utrecht. Ook wordt met dit plan het areaal van het Natuurnetwerk Brabant uitgebreid.

5.4 Bodem In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit aan te sluiten bij de beoogde functie/het toekomstig bodemgebruik. Vanuit de haalbaarheid van het initiatief dient daarnaast het financiële risico ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van ernstige bodemverontreinigingen in kaart te worden gebracht. Voor NNP de Utrecht geldt dat op de locaties waar grond ontgraven gaat wordt deze grond voldoet aan de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde (AW). Deze grond wordt zoveel mogelijk in het project hergebruikt, of gebruikt voor ophoging van omliggende percelen als mitigerende maatregel. Hiermee wordt er geen verbetering, danwel verslechtering van de bodemkwaliteit gerealiseerd met het project.

5.5 Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie Op bovenstaand kaartje is te zien dat het projectgebied zich niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied bevindt. De locatie is gelegen in het beekal van de Raamsloop. De maatregelen die in het kader van NNP de Utrecht worden getroffen zoals ‘beken verondiepen en versmallen’ en ‘meandering van beken’ zorgen ervoor dat oudere structuren worden hersteld, in het bijzonder de natuurlijk meanderende loop van de

beek van de periode voor de ingrepen in de 20ste eeuw. Ook het herinrichten van de beekdalgronden, waarbij de historische percellering deels wordt hersteld draagt bij aan het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke waarden. Archeologie

Op basis van het bureauonderzoek als opgenomen bij het MER zijn binnen het projectgebied verschillende gebieden onderscheiden, zoals in bovenstaande figuur weergegeven. Hierbij zijn de volgende archeologische verwachtingsgebieden onderscheiden: • •

•

Bekende terreinen van archeologische waarde: bekende vindplaatsen (AMK-terreinen); Hoge landduinen: Hoge archeologische verwachtingswaarde voor de periode Laat-PaleolithicumIjzertijd. Betreft dekzandruggen en landduinen die aantrekkelijk voor bewoning en vestiging waren. Dekzandruggen: Hoge archeologische verwachtingswaarde voor de periode Laat-PaleolithicumMiddeleeuwen. Betreft dekzandruggen die aantrekkelijk voor bewoning en vestiging waren.

•

• • •

•

Dalvormige laagten en beekdalen: Archeologische waarden te verwachten in de vorm van rituele deposities, nederzettingsafval, resten van bruggen en doorwaardbare plaatsen. Deze vondsten kunnen stammen uit alle archeologische periodes. Laagtes en vennen: Lage archeologische verwachtingswaarde, hier worden geen archeologische waarden verwacht. Vlaktes: Middelhoge archeologische verwachting voor de periode Laat Paleolithicum-IJzertijd en mogelijk latere periodes, door de lagere ligging ten opzichte van de dekzandruggen. Historische bebouwing: Hoge archeologische verwachting voor historische erven uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe Tijd. Rond deze bebouwing is een buffer van 50 m aangewezen waarbinnen archeologische resten t.a.v. de bebouwing worden verwacht. Doorwaadbare plaatsen: Hoge archeologische verwachting voor restanten van wegen en bruggen. Rond deze plaatsen is een buffer van 50 m aangewezen waarbinnen archeologische resten t.a.v. de doorwaadbare plaatsen worden verwacht.

Binnen dit project vallen archeologische verwachtingsgebieden ‘laagtes en vennen’ en ‘vlaktes’. Hier hier gelden lage en middelhoge verwachtingswaarden. Met voorliggend project wordt geen grond afgegraven of gebouen opgericht buiten het bestaande bouwblok. Daarmee vormt deze ontwikkeling geen belemmering op de archeologische waarde in het gebied

5.6 Geur Gemeenten hebben van de wetgever onder de Wgv beoordelingsvrijheid gekregen met betrekking tot het bepalen van het aanvaardbare woon- en leefklimaat. Het is gebruikelijk om de mate van milieubelasting die aanvaardbaard wordt geacht in een bepaald gebied af te laten hangen van het (gewenste) gebruik van dat gebied. Bij een woongebied past in principe een hoger beschermingsniveau in vergelijking met een industrieterrein. Gemeente Reusel De Mierden heeft in de omgevingsvisie van 2013 de amibitie uitgesproken om te komen tot een (geur)emissiestandstil en verbetering van het woon- en leefklimaat, met behoud van ruimte om te ondernemen. Op de projectlocatie stopt het melkveebedrijf. Er wordt nog wel jongvee gehouden. Ten opzichte van de huidige situatie zal de geurbelasting op de omgeving dan ook verminderen. Van de overige activiteiten die bij de ontwikkeling plaatsvinden, kunnen gebruikers van de groepsaccomodatie/zorggebouw en van de nieuwe trekkerhutten geur ervaren van de jongveestalling en voeropslag. De afstand tot de stal is in alle gevallen meer dan 50 m. De nieuw te ontwikkelen objecten zijn zonder uitzondering geen geurgevoelige objecten. Trekkershutten, een groepsaccommodatie en de verblijfsruimte zijn immers niet bedoeld om permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor menselijk verblijf te worden gebruik.

Ook dat geldt voor het onderdeel ’zorgboerderij’. Dit met reden is dat de zorgboerderij niet juridischplanologisch bestemd wordt voor wonen of verblijf. Het karakter van ‘recreëren en zorg halen bij de boer’ zorgt ervoor dat gasten mogen verwachten dieren te ervaren. De initiatiefnemer draagt zorg om zoveel mogelijk overlast te voorkomen en te beperken.

5.7 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=d2ad7273-8771-4a39-b81f-5607736f92e3