CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

geactualiseerde ruimtelijke onderbouwing De Luther 8 - februari 2023.pdf

Gemeenteraad 14 maart 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Veegplan buitengebied 202216.939 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Afbeelding 11: Uitsnede Bodematlas 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand', plangebied rood omcirkeld

In de beoogde situatie wordt er aan de noordzijde van de nieuw te bouwen rijhal een retentievoorziening aangelegd. Deze voorziening loopt evenwijdig aan de nieuwe rijhal met een lengte van circa 60 meter en een diepte van maximaal 80 cm zoals hierboven beschreven. De aan te leggen retentievoorziening heeft een capaciteit van minimaal 73 m3 zodat er 60 mm per m2 geborgd kan worden, daarnaast wordt de voorziening uitgevoerd met een overloop naar omliggende watergangen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.

25 van 49

Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.

Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 12. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

26 van 49

Afbeelding 12: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov, plangebied rood omcirkeld

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied in Nederland betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 2,4 kilometer ligt. Op een afstand van circa 2,6 km is een Belgisch Natura-2000 gebied gelegen. De oprichting van de paardenhouderij kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van

27 van 49

toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een berekening gemaakt voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase van het initiatief. De uitgangspunten voor de berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 6. In Bijlage 3 zijn de rekenresultaten van de aanlegfase opgenomen. De rekenresultaten van de verschilberekening van de gebruiksfase zijn opgenomen in Bijlage 4. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie van de gebruiks- en aanlegfase niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan. Voor de beoogde situatie is een vergunning Wet natuurbescherming aangevraagd.

Met het aanvragen van een dergelijke vergunning kan worden gesteld dat er geen significante negatieve effecten optreden, anders wordt de vergunning niet verleend. In zowel de verschilberekeningen van de gebruiksfase als de ingediende vergunning Wet natuurbescherming is er gerekend met toepassing van mitigerende maatregelen, het aankopen van ammoniak. Hierdoor is een passende beoordeling Wet natuurbescherming benodigd, zie navolgende alinea.

Passende beoordeling

Indien het bestemmingsplan mogelijk een significant effect heeft op een in de omgeving aanwezige Natura 2000-gebied moet er een passende beoordeling Wet natuurbescherming uitgevoerd worden. Bij een passende beoordeling wordt onder meer de invloed van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de instandhoudingdoelen van het Natura 2000-gebied beoordeeld. Het oprichten van een paardenhouderij kan leiden tot een hogere ammoniakdepositie op Natura 2000gebieden. Het houden van paarden gaat immers gepaard met de emissie van ammoniak. Met AERIUS Calculator is de depositie van de beoogde activiteiten berekend; de beoogde paardenhouderij levert een bijdrage aan de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Kempenland-West, Kampina & Oisterwijkse Vennen, Regte Heide & Riels Laag en Leenderbos, Groote Heide & Plateaux. De bijdrage is relatief beperkt, de hoogste depositie op een stikstofgevoelig habitattype bedraagt 0,09 mol/ha/jaar. De AERIUS depositieberekening van de beoogde situatie is opgenomen in Bijlage 5. Omdat de kritische depositiewaarden van stikstofgevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000gebieden wordt overschreden, hebben initiatiefnemers mitigerende maatregelen getroffen, in de vorm van extern salderen. Van een veehouderij in de omgeving zijn ammoniakrechten aangekocht.

De vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming van die veehouderij is gedeeltelijk ingetrokken, waarbij is aangetekend dat deze rechten ten goede komen dan de oprichting van de paardenhouderij aan De Luther 8 te Hooge Mierde. Dankzij deze mitigerende maatregelen neemt de stikstofdepositie op geen enkel Natura 2000-gebied in de omgeving toe. Per saldo neemt de stikstofdepositie op een aantal hexagonen in de Natura 2000-gebieden niet toe. Op alle andere hexagonen neemt de depositie per saldo zelfs af; die afname varieert van 0,01 mol/ha/jaar op verder weg gelegen gebieden, tot 3,26 mol/ha/jaar op nabij gelegen gebieden. De mitigerende maatregelen dragen er zo aan bij dat de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden niet worden aangetast.

28 van 49

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied KempenlandWest leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor.

De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan De Luther 8, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren rijhal, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.

Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’ en ‘inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (milieu)’. Uit de

29 van 49

effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.

Afbeelding 13: Uitsnede kaart ‘Effectenindicator soorten’

Afbeelding 14: Conclusie ‘Effectenindicator soorten’

Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk.

30 van 49

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de planlocatie is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving. Wet ammoniak en veehouderij In artikelen 3.113 en 3.114 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Binnen een kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied vindt het oprichtten van een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden niet plaats.

Afbeelding 15: Uitsnede zeer kwetsbare gebieden, plangebied omcirkeld

Zoals opgenomen in bovenstaande afbeelding is het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied gelegen. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij mag er ter plaatse een paardenhouderij worden opgericht. 4.5. Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Ten opzichte van de bestaande situatie worden er geen bodembedreigende activiteiten

31 van 49

gestaakt in de beoogde situatie. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.6. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.6.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 16. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Afbeelding 16: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov, plangebied rood omcirkeld

4.6.2. Gemeentelijke beleidskaart cultuurhistorie

De gemeenteraad van Reusel-De Mierden heeft op 18 oktober 2011 de Erfgoedverordening 2011 vastgesteld. De Erfgoedverordening is gebaseerd op het erfgoedplan, dat is opgesteld door de gezamenlijke Kempengemeenten en A2- gemeenten. Het erfgoedplan bevat een uitgebreide inventarisatie van de archeologische en cultuurhistorische (verwachtings)waarden binnen het grondgebied van de betrokken gemeenten.

32 van 49

Afbeelding 17: Uitsnede erfgoedkaart van de Kempengemeenten, 'cultuurhistorische beleidskaart', plangebied omcirkeld

Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied met cultuurhistorische waarden. Ter plaatse van het plangebied is een uitloper aanwezig, deze oranje lijn geeft een object met een zeer hoge cultuurhistorische waarde aan. Dit betreft een uitloper, deze eindigt precies binnen het plangebied. Met de bouw van de rijhal worden de eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden gerespecteerd. Deze beoogde ontwikkeling voorziet in versterking van de cultuurhistorische waarden.

4.6.3. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. De gemeente Reusel-De Mierden beschikt over een digitale erfgoedkaart. Hierin is het plangebied gelegen in een gebied met ‘categorie 4’ en ‘categorie 6’. In dit gebied is de kans op de vondst van archeologische resten respectievelijk ‘middelhoog’ en ‘klein’. Voor deze categorieën is archeologisch onderzoek noodzakelijk voor bouwprojecten groter dan 500 m2 en dieper dan 0,4 meter (categorie 4) en 25.000 m2 en dieper dan 0,5 meter (categorie 6) onder het maaiveld.

33 van 49

Afbeelding 18: Uitsnede erfgoedkaart van de Kempengemeenten, 'archeologische beleidskaart', plangebied omcirkeld

Met de beoogde ontwikkeling blijft bestaande bebouwing behouden, aan de westzijde van de locatie wordt een nieuwe rijhal gebouwd met een oppervlakte van circa 1.560 m2. De gronden ter plaatse van de beoogde rijhal zijn nu en in het verleden in gebruik als landbouwgrond. De gronden zijn ter plaatse ernstig verstoord door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden zoals diepploegen en woelen. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Desondanks wordt de grond ter plaatse van de nieuwe rijhal op basis van het gemeentelijk beleid aangemerkt met een middelhoge archeologische verwachting. Doordat de oppervlakte groter is dan 500 m2 met een diepte dieper dan 0,4 met er is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd door Transect en bestaat uit een bureauonderzoek en een verkennend veldonderzoek. Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op een terrasvlakte die is afgedekt met dekzand, op de rand van een beekdal. Het beekdal zorgt voor gradiënten waardoor de biodiversiteit hoog is, terwijl de beek zelf voor water, vis en transportmogelijkheden zorgt. In de omgeving van het plangebied zijn op deze hoger gelegen zanden vondsten het Mesolithicum en de Bronstijd bekend. Ten opzichte van de vindplaats uit het Mesolithicum ligt het plangebied echter wel lager.

De archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum-Late-Middeleeuwen is daarom middelhoog. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de middelhoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek voor het plangebied deels bij te stellen. Ten eerste is geconstateerd dat de oorspronkelijke top van het al dan niet verspoelde dekzand in het gebied afgetopt is door egalisatiewerkzaamheden. Dit bleek uit de scherpe overgang tussen de humeuze bovengrond en het eronder gelegen oorspronkelijke dekzand. Hierbij zijn eventuele resten uit de periode LaatPaleolithicum-Mesolithicum, resten die zich doorgaans kenmerken door een dunne vondstlaag op de top van het oorspronkelijke dekzand, naar verwachting verdwenen. Voor die periode is daarom de archeologische verwachting in het plangebied naar laag bij te stellen. Dit geldt echter niet voor resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen: in het noordoostelijk deel van het plangebied ligt dekzand en is de ondergrond niet zodanig omgewerkt dat grondsporen als onderdeel van bijvoorbeeld een nederzettingsterrein volledig verdwenen zijn. Dit blijkt uit het restant bodemvorming in de top van het dekzand. Daar blijft daarom op grond van het veldonderzoek sprake van een middelhoge

34 van 49

archeologische verwachting op resten uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen. Voor het zuidwestelijk deel van het plangebied, de omgeving van boringen 3 en 4, is de archeologische verwachting wel voor wat betreft laatstgenoemde periode naar laag bijgesteld, zie Afbeelding 19. Dit hangt samen met het ontbreken van sporen van bodemvorming en daarmee de natte omstandigheden hier in een dal en mate van verstoring in boring 3. De kans dat hier resten gevonden worden is klein.

Afbeelding 19: Uitsnede archeologische verwachtingswaarde, uit archeologisch onderoek

In het plangebied is sprake van twee verschillende archeologische verwachtingen. Er wordt geadviseerd om op het moment dat er bodemverstoringen staan gepland ter plaatse van het noordoostelijke gedeelte van het plangebied, een aanvullend onderzoek uit te laten voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Daarnaast wordt geadviseerd om het zuidwestelijke gedeelte van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen en eventuele toekomstige bodemverstorende werkzaamheden. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 8. 4.7. Landschappelijke inpassing In het kader van de ‘kwaliteitsverbetering van het landschap (art. 3.9 Iov)’ is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor De Luther 8 te Hooge Mierde. Hierbij is aangesloten bij de Omgevingsvisie Reusel-De Mierden en de ‘Landschapsinvesteringsregeling De Kempen’. De locatie is gelegen ter plaatse van een rationeel, agrarisch ontwikkelde, jonge heideontginning met rechte, beplante wegen. Deze jonge heideontginningen zijn grootschalig verkaveld, met rechthoekige percelen vanaf het lint. Het plangebied is reeds gedeeltelijk landschappelijk ingepast door de aanwezigheid van een houtwal en hagen. Aan de voorzijde van de locatie is een landelijke voortuin met hagen en solitaire bomen aanwezig welke worden gehandhaafd. Hiermee wordt reeds het landschap in de directe omgeving versterkt.

Voor de beoogde ontwikkeling, bouwen van een rijhal, ontkoppeling bouwvlakken en vormverandering van het bouwvlak, dient de vormgeving en beplanting aan te sluiten op het landschap. Aan de voorzijde van de bestaande paardenstal en bedrijfswoning worden er hoogstamfruitbomen aangeplant. Evenwijdig aan De Luther is een beukenhaag aanwezig welke in stand wordt gehouden. Aan de noordzijde van de bestaande paardenstal en beoogde rijhal wordt een robuuste houtsingel aangelegd waarbij er tevens een retentievoorziening voor hemelwater wordt gerealiseerd. Aan de zuidzijde van

35 van 49

het plangebied is een houtwal aanwezig welke wordt gehandhaafd. Met de beoogde landschappelijke inpassing, met name de hoogstamfruitbomen, wordt een oud boerenerflandschap gecreëerd, welke bijdraagt aan een maatschappelijke meerwaarde. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in onderstaande afbeelding en in Bijlage 2.

Afbeelding 20: Landschappelijk inpassingsplan

De gemeenteraad van Reusel – De Mierden heeft op 2 november 2021 de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (NRK) van het buitengebied vastgesteld. De NRK-buitengebied bevat het geactualiseerde welstandsbeleid voor het buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden. In de herziening van de welstandsnota wordt niet meer alleen gekeken naar de gebouwen maar ook naar de kwaliteit van de omgeving en landschappelijke inpassing. Het plangebied is gelegen in gebiedstype ‘jonge heideontginningen’ en wordt gekenmerkt door grootschalig, open en rationeel verkaveld landschap met grote percelen en lange, rechte (deels beplante) wegen. De jonge heideontginningen zijn grotendeels in agrarisch gebruik, met een accent op (intensieve) veeteelt. Door schaalvergroting in de landbouw domineren de agrarische bedrijfsgebouwen in het landschap, waarbij een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing veelal ontbreekt: de grote, meestal solitair gelegen agrarische erven liggen vaak ‘kaal’ in het landschap. Door een gebrek aan landschapselementen en erfbeplanting heeft de bebouwing een te dominante positie ingenomen en is deze sterk beeldbepalend geworden. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn dan ook robuuste maatregelen bij de inpassing van het erf in het landschap noodzakelijk.

Zoals hierboven beschreven gaat de ontwikkeling, oprichting van een paardenhouderij, gepaard met de aanleg van een robuuste landschappelijke inpassing. Daarnaast is het plangebied reeds deels landschappelijk ingepast welke behouden blijft. Aan de gehele noordzijde van het plangebied wordt een robuuste houtsingel aangelegd waarbij de zichtlijnen vanaf de weg in stand worden gehouden. Derhalve wordt er voldaan aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit van het buitengebied. 4.8. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen

36 van 49

krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Een paardenhouderij behoort tot milieucategorie 3.1. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in een rustig buitengebied, is de richtafstand 50 meter. Deze afstand is met name het gevolg van geur vanuit het bedrijf. Voor dieren is het specifieke toetsingskader voor het aspect geur opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij welke in paragraaf 4.9.1 wordt behandeld. Voor stof en geluid is een richtafstand opgenomen van 30 meter. De dichtstbij liggende woning van derden (De Luther 10) bevindt zich op een afstand van ca. 35 meter tot het beoogde bouwvlak. De woning aan De Luther 21 is gelegen op een afstand van circa 46 meter tot het beoogde bouwvak. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’. 4.9. Geur

4.9.1. Individuele hinder

De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Reusel-De Mierden heeft een verordening vastgesteld om af te wijken van deze wettelijke normen en afstanden. De volgende geurnormen zijn van toepassing in de gemeente Reusel-De Mierden: - 0,1 OUe in de dorpskernen; - 5,0 OUe voor de kernrandzones; - 5,0 OUe voor het buitengebied; - 10,0 voor bedrijventerrein ‘Kleine Hoeve’.

37 van 49

Voor bedrijven waar dieren worden gehouden zonder geuremissiefactor zijn in artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit vaste afstanden opgenomen. In de gemeentelijke geurverordening zijn de vaste afstanden voor rundveebedrijven gewijzigd. De beoogde bedrijfsvoering betreft een paardenhouderij waardoor er kan worden aangesloten bij het Activiteitenbesluit. Conform artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit dient de afstand minimaal 100 meter tot objecten binnen de kom en 50 meter naar objecten buiten de kom te bedragen. Daarnaast dient op grond van artikel 3.119 binnen de bebouwde kom de afstand ten minste 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object ligt buiten de bebouwde kom aan De Luther 10. Het object ligt op circa 72 meter van het dichtstbijzijnde dierverblijf aan De Luther 8. Daarnaast is er aan de overzijde een woning gelegen (De Luther 21a) op een afstand van circa 94 tot het dichtstbijzijnde dierverblijf. Men is voornemens om op locatie de bestaande bebouwing in gebruik te nemen voor het stallen van paarden en aan de westzijde van het plangebied een rijhal te bouwen, hierdoor wordt er voldaan aan de vaste afstanden zoals gesteld in het Activiteitenbesluit.

4.9.2. Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Deze kaart is voor het laatst bijgewerkt op februari 2021 en kan daartoe als recent en accuraat worden beschouwd. De achtergrondbelasting en de bijbehorende belasting met daaraan gekoppeld de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat zijn weergegeven in Afbeelding 21. Uit deze uitsnede van de contourenkaart blijkt dat er ter plaatse van de bedrijfswoning op de planlocatie sprake is van een achtergrondbelasting tussen 20 en 28 OUE/m3, wat betekent dat er sprake is van een tamelijk slecht woon- en leefklimaat. De situatie aan De Luther 8 met betrekking tot geur wijzigt niet, er wordt geen nieuwe woonfunctie mogelijk gemaakt. Op locatie wordt een paardenhouderij opgericht, voor paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld waardoor de achtergrondbelasting in de omgeving niet verslechterd door deze ontwikkeling. Op locatie is reeds een bedrijfswoning aanwezig welke in de beoogde situatie gehandhaafd blijft.

De dichtstbijzijnde veehouderijen zijn gelegen aan De Luther 21 en De Luther 23, dit betreffen een varkenshouderij en een gemengd bedrijf met varkens en vleesstieren. Vanaf 2024 is het in de provincie Noord-Brabant verplicht om stallen emissiearm uit te voeren, uit de laatst verleende vergunningen van beide bedrijven blijkt dat nog niet alle stallen voldoen aan het provinciaal beleid. Dit betekent dat als ze varkens willen blijven houden in de stal met traditionele huisvesting, deze stallen uitgevoerd dienen te worden met een emissiearm systeem. Indien er een emissiearm systeem wordt geplaatst wordt ook de geuremissie gereduceerd, waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving verbeterd. Tevens kan er worden geconcludeerd op basis van onderstaande afbeelding dat de geurbelasting wordt verspreid vanuit één centraal punt van de intensieve veehouderij, in de plaats van de daadwerkelijke emissiepunten. Indien de geurverspreiding vanuit de feitelijke emissiepunten wordt weergegeven is de verwachting dat de geurcontour van vorm veranderd, waardoor de achtergrondbelasting ter plaatse van de woning aan De Luther 8 minder zal zijn.

38 van 49

Afbeelding 21: Uitsnede achtergrondbelastingkaart ODZOB, bedrijfswoning omcirkeld

De woning aan De Luther 8 betreft een bestaande bedrijfswoning, met de beoogde ontwikkeling wijzigt de geur achtergrondbelasting niet. Ten aanzien van het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.10. Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de diercategorie paarden zijn geen emissiefactoren vastgesteld voor fijnstof (PM10 of PM2,5).

4.10.1. Niet in betekende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen.

39 van 49

Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Voor het beoogde bedrijfsfuncties dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW. In de CROW notitie ‘Toekomstbestendig parkeren’ (editie 2018) is de verkeersgeneratie voor woon- en werkverkeer in kaart gebracht. De beoogde situatie voorziet in het houden van paarden voor fokkerij en africhting, dit wordt niet gezien als manege.

Voor een paardenhouderij kan er als worst-case scenario worden aangesloten bij ‘manage’ zoals opgenomen in de CROW. Voor een manege in het buitengebied, wordt een verkeersgeneratie van gemiddeld 4,0 per box/paard voorgeschreven. De beoogde bedrijfsvoering voorziet in 37 paardenboxen waar 26 volwassen paarden en 15 paarden in opfok worden gehouden. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 148 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Er wordt uitgegaan van een aandeel zwaar (vracht)verkeer van 50% (worst-case scenario). Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

148

Aandeel vrachtverkeer

50,0%

NO2 in μg/m

3

0,59

PM10 in μg/m

3

0,08

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 22: Berekening NIBM-tool

De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.10.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie

40 van 49

bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,65 μg/m3, voor PM2,5 9,097 μg/m3 en voor NO2 10,48 μg/m3, zie onderstaande afbeeldingen.

41 van 49

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11. Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van

42 van 49

zonering en geluidsnormen. De geluidsproductie van een paardenhouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk de oprichting van een paardenhouderij en de bouw van een nieuwe rijhal. Binnen de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. Er wordt voldaan aan de richtafstand van de VNG Bedrijven en Milieuzonering, waarbij geluid ook een aspect is. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. Er wordt een buitenrijbak gerealiseerd aan de westzijde van het plangebied, hier worden geen speakers geplaatst. Daarnaast wordt er geen terras ten behoeve van de paardenhouderij gerealiseerd, voor de eventuele bezoekers zullen er buiten wel zitplaatsen beschikbaar zijn. Aangezien het geen manege/pensionstal betreft maar een training- en africhtingsstal worden niet veel bezoekers verwacht.

Bovendien is de afstand tot de geluidgevoelige objecten zo groot dat de activiteiten geen overlast zullen veroorzaken. 4.12. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het initiatief heeft slechts een geringe toename van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Voer wordt in bulk en per platte kar aangeleverd, loonwerk wordt op een vast aantal momenten in het jaar uitgevoerd, de paarden worden op afspraak aan- en/of afgevoerd, wat de voornaamste aan- en afvoerbewegingen zijn. De planlocatie ligt aan De Luther, een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door agrarisch bestemmingsverkeer. De Luther wordt aan de noordzijde ontsloten door de Hoogstraat en vervolgens in de bebouwde kom van Hooge Mierde, in de zuidzijde loopt De Luther door over de Belgische grens. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor.

Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor agrarisch bedrijven. Eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machine- en werktuigenbergingen. Vrachtwagens en tractoren van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor aan- en afvoer van dieren, voerlevering of loonwerk. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, liggend in niet-stedelijk buitengebied. Hiervoor wordt een minimum van 2 parkeerplaatsen voorgeschreven. Op de inrit naar de bedrijfswoning is ruim voldoende ruimte om 2 auto’s te kunnen parkeren. Gemiddeld zullen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de veearts, vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc. Normaliter zullen deze niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor minimaal 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf.

Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. 4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

43 van 49

4.13.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.

Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. 4.13.2 Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.

44 van 49

Afbeelding 23: Uitsnede risicokaart Nederland, plangebied blauw omcirkeld

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een paardenhouderij) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op een afstand van circa 250 meter, op deze locatie wordt propaan opgeslagen tot 5.000 liter. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de (Rijks)weg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding –[..]’ opgenomen. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen.

Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. Verantwoording groepsrisico De veiligheidsregio Brabant-Zuidoost heeft voor ruimtelijke plannen een schema opgesteld, in dit schema wordt afgewogen of er sprake is van een standaardadvies of maatwerkadvies. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in een kwetsbaar gebouw en meer dan 50 personen in het plangebied, derhalve is het standaardadvies van toepassing. In de standaardadvisering worden 3 onderwerpen behandeld, zie ook Bijlage 9. Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van het opslaan van gevaarlijke stoffen, blijft de bereikbaarheid en bluswatervoorziening ongewijzigd en voorziet het plan niet in een toxisch scenario. Derhalve kan er worden volstaan met het standaardadvies van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost.

Conclusie

Gezien het bovenstaande zijn er in het kader van externe veiligheid geen belemmeringen te verwachten.

45 van 49

4.14. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 23). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. 4.15. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.

Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. Voor paarden zijn geen fijnstofemissiefactoren opgenomen, de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt gebleken vanwege de beperkte emissies vanuit de beoogde bedrijfsvoering. Naar aanleiding van het VGO-onderzoek heeft de provincie Noord-Brabant op 7 juli 2018 een tijdelijk geitenmoratorium ingesteld om te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Hieruit reist in het kader van een goede ruimtelijke ordening de vraag of er bij het ontwikkelen van nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, dan ook rekening gehouden moet worden met de omgekeerde werking. Voor de oprichting van een nieuwe gevoelige bestemming geeft de GGD een richtlijn van minimaal 2 km van een geitenhouderij.

De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van circa 1,95 km en de ontwikkeling voorziet niet in een nieuw gevoelig object, derhalve wordt er voldaan aan de richtlijn. Daarbij kan worden gesteld dat er meerdere gevoelige bestemmingen tussen de geitenhouderij en de bestaande bedrijfswoning aan de Luther 8 zijn gelegen. Derhalve worden er geen significant negatieve gevolgen betreft het aspect volksgezondheid verwacht. Vooralsnog wordt er bij paardenhouderijen getoetst aan de relevante wet- en regelgeving. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. Daarnaast betreft de ontwikkeling een oprichting van een paardenhouderij, er worden geen andere soorten dieren op het bedrijf gehouden. De afstand tot woningen in de omgeving is tevens voldoende groot om het risico naar de omgeving te beperken.

46 van 49

5. Planologische afweging

Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de voorgenomen oprichting van een paardenhouderij aan De Luther 8 te Hooge Mierde. 5.1. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Onderhavig plan is maakt onderdeel uit van een veegplan waar meerdere plannen worden meegenomen in één procedure. Het veegplan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen.

Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij niet in de gelegenheid zijn geweest om tijdig zienswijzen kenbaar te maken, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 5.2. Planologische afweging De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Het plan loopt mee met de vaststellingsprocedure van het veegplan van de gemeente Reusel-De Mierden. Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid vormt geen belemmering voor het initiatief. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving.

De onderzoeken naar geluid, bodem, geur, ammoniak en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieu-hygiënisch aanvaardbaar is. Door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is. Daarnaast wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door de locatie landschappelijk in te passen. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief ruimtelijk en milieukundig verantwoord is. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de planlocatie aan De Luther 8 te Hooge Mierde doorgang vinden.

47 van 49

6. Bijlagen Bijlage 1: Situatietekening Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 3: AERIUS depositieberekening aanlegfase Bijlage 4: AERIUS verschilberekening gebruiksfase Bijlage 5: AERIUS depositieberekening beoogde situatie Bijlage 6: Notitie invoergegevens AERIUS Bijlage 7: PlanMER-beoordelingsnotitie Bijlage 8: Archeologisch onderzoek Bijlage 9: Standaardadvies veiligheidsregio

48 van 49

49 van 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=466ca9be-917c-4e36-9d11-c4352d36e2ae