CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

geactualiseerde ruimtelijke onderbouwing De Luther 8 - februari 2023.pdf

Gemeenteraad 14 maart 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Veegplan buitengebied 202216.939 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing

De Luther 8, Hooge Mierde

Colofon

Gemeente:

Reusel-De Mierden

Projectlocatie: De Luther 8, 5095 AC te Hooge Mierde Datum:

28 juli 2021 / 21 oktober 2021 / 24 februari 2022 / 10 januari 2023/22 februari 2023

Status:

Vastgesteld

Opgesteld door:

Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl

Projectnummer:

20062.007V / AB

2 van 49

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 5

1.3.

Leeswijzer ....................................................................................................... 7

2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 8

2.2.

Beoogde situatie .............................................................................................. 8

3. Beleidskader................................................................................................... 10 3.1.

Nationaal beleid .............................................................................................. 10

3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.1.4. 3.2.

Provinciaal beleid ............................................................................................ 11

3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.

Nationale Omgevingsvisie.......................................................................... 10 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ...................................................... 10 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .............................................. 10 Ladder voor duurzame verstedelijking ........................................................ 10 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 11 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 12 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 12

Gemeentelijk beleid......................................................................................... 15

3.3.1. 3.3.2. 3.3.3.

Omgevingsvisie Reusel-De Mierden ............................................................ 15 Bestemmingsplan ..................................................................................... 17 Nota van uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied 2021 .................... 18

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 20 4.1.

Milieueffectrapportage en vormvrije MER-beoordeling ........................................ 20

4.2.

Waterhuishouding ........................................................................................... 21

4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.

Waterrelevant beleid................................................................................. 21 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 23 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 23

Natuur ........................................................................................................... 25

4.3.1. 4.3.2.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 25 Wet natuurbescherming ............................................................................ 27

4.4.

Ammoniak ...................................................................................................... 31

4.5.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 31

4.6.

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 32

4.6.1. 4.6.2. 4.6.3.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 32 Gemeentelijke beleidskaart cultuurhistorie .................................................. 32 Archeologie .............................................................................................. 33

4.7.

Landschappelijke inpassing .............................................................................. 35

4.8.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 36

3 van 49

4.9.

Geur .............................................................................................................. 37

4.9.1. 4.9.2. 4.10.

Individuele hinder .................................................................................... 37 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 38 Luchtkwaliteit .............................................................................................. 39

4.10.1. 4.10.2.

Niet in betekende mate ............................................................................. 39 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 40

4.11.

Geluid ......................................................................................................... 42

4.12.

Verkeer en parkeren .................................................................................... 43

4.13.

Externe veiligheid ........................................................................................ 43

4.13.1.

Regelgeving ............................................................................................. 44

4.14.

Technische infrastructuur ............................................................................. 46

4.15.

Volksgezondheid .......................................................................................... 46

5. Planologische afweging ................................................................................. 47 5.1.

Procedure ...................................................................................................... 47

5.2.

Planologische afweging ................................................................................... 47

6. Bijlagen .......................................................................................................... 48

4 van 49

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel en het geldend planologisch regime aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. Voor deze ontwikkeling is een principeverzoek ingediend bij de gemeente Reusel-De Mierden, in april 2021 heeft het college aangegeven medewerking te willen verlenen aan het principeverzoek mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De gemeente Reusel - De Mierden is momenteel bezig met de voorbereidingen van een veegplan waarbinnen verschillende ruimtelijke initiatieven worden meegenomen. De gewenste ontwikkeling aan De Luther 8 is een dergelijk initiatief waarvoor het wenselijk om aan te haken bij het veegplan. 1.1. Aanleiding en doel Initiatiefnemers hebben reeds de locatie aan de Luther 8 te Hooge Mierde gekocht. In het verleden hebben initiatiefnemers (hobbymatig) paarden gehouden, nu zij hebben besloten een eigen paardenhouderij te beginnen is deze locatie gekocht. De locatie aan De Luther 8 heeft veel potentie om een moderne paardenhouderij te runnen. Met de beoogde situatie wordt de bestaande bedrijfsbebouwing behouden, daarnaast zal er aan de noordzijde van het plangebied een nieuwe rijhal gebouwd worden. Met de bouw van een rijhal zijn alle voorzieningen aanwezig om een volwaardige paardenhouderij te exploiteren op locatie.

Initiatiefnemers zijn voornemens om op locatie aan De Luther 8 een paardenhouderij te exploiteren. Met deze ontwikkeling wordt leegstand van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing voorkomen waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied niet verloren gaat. 1.2. Geldend planologisch regime Voor het plangebied zijn de planregels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009, herziening fase 1A’ geldend welke op 9 juli 2013 is vastgesteld. Het betreft een generieke aanpassing van de planregels van het moederplan te weten bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’, vastgesteld op 22 september 2009. De verbeelding en bestemmingen zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied 2021’ heeft afgelopen jaar ter inzage gelegen, deze is echter nog niet vastgesteld. Conform het vigerend bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing binnen het plangebied; - Enkelbestemming: Bedrijf – Agrarisch; - Gebiedsaanduiding: Verwevingsgebied.

5 van 49

Afbeelding 1: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2009', plangebied aangewezen met rode pijl

Direct naast de projectlocatie is een gekoppeld bouwvlak gelegen. Dit bouwvlak is gekoppeld met het agrarisch bouwvlak van De Luther 6. In 2017 heeft de toenmalige eigenaar van De Luther 8 een verzoek bij de gemeente ingediend om de koppeling tussen de bouwvlakken te verwijderen en het naastgelegen bouwvlak te betrekken bij het bouwvlak van De Luther 8 tot één bouwvlak. Bij de gemeente Reusel-De Mierden loopt momenteel een traject om de ontwikkelingen, welke in 2017 zijn ingebracht, alsnog positief te bestemmen. Het verzoek om de koppeling te verwijderen en het bouwvlak te betrekken bij De Luther 8 is er daar één van. Voor de volledigheid wordt de ontkoppeling van de bouwvlakken ook met deze procedure meegenomen, zodat de gehele beoogde situatie met één procedure kan worden geregeld. Dit betekent dat de ontkoppeling met De Luther 6 verdwijnt en de bouwvlakken aan De Luther 8 worden samengevoegd tot één bouwvlak met een oppervlakte van circa 1,1 ha.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2009', ter plaatse van gekoppeld bouwvlak

6 van 49

In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een agrarisch bedrijf om te schakelen naar een paardenhouderij. Gezien er niet volledig voldaan kan worden aan de wijzigingsbevoegdheid komt het plan in aanmerking voor het veegplan. 1.3. Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel en het geldend planologische regime zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De te doorlopen procedure en de planologische afweging van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 5.

7 van 49

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Op de locatie aan De Luther 8 is een voormalige veehouderij gevestigd, in 2011 is de milieuvergunning voor het houden van vleesvarkens ingetrokken. Op de locatie is een bedrijfswoning, de voormalige varkensstal en een loods aanwezig. In de voormalige varkensstal zijn er opstellingen aanwezig voor het kweken van wormen, een werkplaats en een gedeelte is in gebruik als opslag. De loods is in gebruik als werktuigenberging. Daarnaast is er aan de noordzijde van het plangebied een schuur aanwezig, deze schuur is gelegen op een gekoppeld bouwvlak, behorende bij het agrarisch bedrijf aan De Luther 6. Een aantal jaar geleden is de schuur gekocht door de toenmalige eigenaar van De Luther 8 en behoort bij de inrichting aan De Luther 8.

Afbeelding 3: Ligging plangebied in de omgeving en luchtfoto plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van Hooge Mierde, circa 1,2 km ten zuiden van Hooge Mierde en circa 2,3 km ten westen van Reusel. Het perceel is kadastraal bekend als MDE02 – G – 866 en 1.078. In de direct omgeving van het plangebied bevinden zich zowel burgerwoningen, recreatie en (agrarische) bedrijven. De locatie is gelegen ter plaatse van een kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. In de omgeving is een mozaïek te vinden die wordt gevormd door een afwisselend kleinschalig landschap met bosjes, weilanden, akkers en bomenrijen als beelddragers. De gemeente stelt zich tot doel om dit kleinschalige agrarische ‘coulisselandschap’ te versterken. 2.2. Beoogde situatie Zoals aangegeven hebben de initiatiefnemers de locatie aan De Luther 8 reeds gekocht om hier een paardenhouderij te beginnen. De bestaande bebouwing zal worden ingericht voor het stallen van circa 26 volwassen paarden en circa 15 paarden in opfok, als werktuigberging en als opslag voor hooi en stro. Tevens zijn initiatiefnemers voornemens om aan de westzijde van het plangebied een binnenrijbak te realiseren. Door het gekoppeld bouwvlak bij het bouwvlak van De Luther 8 te voegen en van vorm te veranderen kan de nieuw te bouwen binnenrijbak binnen het beoogde bouwvlak worden gerealiseerd. Daarnaast is een aantal jaar geleden bij de gemeente Reusel-De Mierden een zienswijze

8 van 49

ingediend om het gekoppeld bouwvlak met De Luther 6 te ontkoppelen. Deze ontwikkeling wordt tevens met deze procedure meegenomen. Er is al jaren geen relevante binding aanwezig tussen De Luther 6 en de schuur op het gekoppeld bouwvlak, de schuur is in eigendom van de bewoners van De Luther 8. Met de ontkoppeling van de bouwvlakken ontstaat er één bouwvlak van circa 1,1 ha ter plaatse van De Luther 8.

De initiatiefnemers zijn voornemens om hun huidige activiteiten op een andere locatie, het houden, fokken en africhten van paarden, voort te zetten op de locatie aan De Luther 8. Tevens wordt er een binnenrijbak gerealiseerd waar de paarden getraind kunnen worden en worden de paarden beweid op naastgelegen grasland. Eventueel wordt er in de toekomst meer grasland in de omgeving aangekocht om alle paarden te kunnen beweiden. De locatie wordt landschappelijk ingepast welke past binnen de kwaliteiten in de omgeving. De beoogde situatie is weergegeven in bovenstaande situatietekening, tevens is de volledige situatietekening in Bijlage 1 toegevoegd.

9 van 49

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Nationaal beleid Het initiatief is dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, volledigheidshalve wordt het nationaal beleid hieronder beschreven.

3.1.1. Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld en in werking getreden. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI stelt daarbij een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wil men werken aan de volgende prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Verder heeft men in de Uitvoeringsagenda Nationale Omgevingsvisie 2021-2024 een aantal voorlopige NOVI-gebieden geselecteerd. Het plangebied aan De Luther 8 is niet gelegen in één van deze gebieden. Binnen de prioriteit 4 ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ gaat het onder andere over de transitie in het buitengebied. Onderhavige ontwikkelingen passen binnen deze prioriteit en vormen daarom geen belemmering binnen deze Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Rijksoverheid beschrijft de ontwikkelingen die zij verwacht op het gebied van ruimtelijke ordening in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Hierin staat hoe Nederland er in 2040 uit moet zien. Ook geef de overheid aan hoe zij die ontwikkelingen wil sturen of uitvoeren. De structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: Structuurvisie (voorheen PKB) Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda voor een Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. De SVIR is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Met ingang van de SVIR die in maart 2012 is vastgesteld, gooit het Rijk ‘het roer om’. Het Rijk beschrijft in de SVIR haar nationale belangen. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

3.1.3. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op de uitvoering van de genoemde belangen is het Rijk aanspreekbaar en zet het Rijk meerdere instrumenten in: kaders, bestuurlijke afspraken, financiële instrumenten en kennisontwikkeling en deling. Het borgen van nationale belangen in kaders (het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)) doet het Rijk met terughoudendheid. In het Barro zijn de in de SVIR genoemde 13 nationale ruimtelijke belangen uitgewerkt. Hieronder vallen onder andere de nationale belangen ten aanzien van rijksvaarwegen, hoofdwegen, spoorwegen, het kustfundament en de ecologische hoofdstructuur. Aangezien het onderhavige plan niet raakt aan één van de in de Barro opgenomen belangen, wordt hierop niet verder ingegaan.

3.1.4. Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6, tweede lid, Bro, verplicht om in het geval dat een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen in

10 van 49

de toelichting bij het plan. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Op 21 april 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking vastgesteld. De nieuwe ladder is op 1 juli 2017 in werking getreden. Het uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van overprogrammering en de negatieve ruimtelijke gevolgen van leegstand. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als een “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” De beoogde ontwikkeling voorziet in de omzetting van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf waarbij de bestaande bedrijfswoning ongewijzigd blijft. Er is daardoor geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van het Bro. Het doorlopen van de ladder is niet noodzakelijk. 3.2.

Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:

‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan.

11 van 49

Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.2.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie Afbeelding 4, ligt de planlocatie in het gemengd landelijk gebied. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt.

De paardenhouderij is dus onderdeel van een multifunctioneel gebied. Er vinden naast de bestaande agrarische functie ook toerisme, kleinschalige stedelijke functies, natuur en recreatie plaats. Het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.

Afbeelding 4: Uitsnede structurenkaart Sv 2014, plangebied aangewezen met rode pijl

3.2.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden.

12 van 49

De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘gemengd landelijk gebied’, ‘landelijk gebied’ en ‘stalderingsgebied’, zie Afbeelding 5.

Afbeelding 5: Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, plangebied aangewezen met roze kruisje

De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen ▪ 3.52 aanvullende regels stalderen ▪ 3.58 Overig-agrarisch bedrijf in Gemengd landelijk gebied In artikel 3.52 van de Interim Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor veehouderijen met de aanduiding stalderingsgebied. Deze regels hebben enkel betrekking op toename oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren. Door de herbestemming van onderhavige locatie wordt hokdierhouderij niet meer mogelijk gemaakt. Derhalve zijn de regels van stalderen niet van toepassing. Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit (art. 3.5) met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering;

13 van 49

▪

meerwaardecreatie.

Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De beoogde ontwikkeling kan niet direct binnen het bestaande ruimtebeslag gerealiseerd worden, het bouwvlak wordt van vorm veranderd. Op locatie wordt een paardenhouderij opgericht, de bestaande bebouwing wordt in gebruik genomen ten behoeve van de paardenhouderij. Het gekoppeld bouwvlak wordt bij De Luther 8 betrokken en van vorm veranderd. Met deze ontwikkeling zal de koppeling van het bouwvlak verdwijnen en het één groot bouwvlak aan de Luther 8 vormen. De totale oppervlakte van het bouwvlak binnen het plangebied wijzigt niet.

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. In hoofdstuk 4 worden alle afzonderlijke lagen beschouwd en wordt bovendien specifiek getoetst aan provinciale beleidsregels zoals het Natuur Netwerk, het gemengd landelijk gebied, cultuurhistorischeen aardkundige waarden, stiltegebied en delen van het watersysteem.

Vooruitlopend op de toetsing in hoofdstuk 4 is de herbestemming van een (voormalige) intensieve veehouderij naar een paardenhouderij, een passende bestemming. Zeker als de gevolgen worden afgewogen tegen de verbetering van de omgevingskwaliteit aan De Luther. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de oprichting van het bedrijf te combineren met een goede landschappelijke inpassing. De bedrijfsbebouwing van de voormalige varkenshouderij wordt in gebruik genomen ten behoeve van de paardenhouderij, hierdoor wordt leegstand in het

14 van 49

buitengebied tegen gegaan. Er wordt maatschappelijke meerwaarde gecreëerd door een logische indeling van de bouwvlakken, een gekoppeld bouwvlak op afstand wordt ontkoppelt en bij het direct aangrenzend bouwvlak gevoegd. Dit geeft ruimte aan beide bouwvlakken om te ondernemen en biedt perspectief in een gebied met het primaat landbouw. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Reusel-De Mierden is de ‘Landschapsinvesteringsregeling De Kempen’ van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling omdat er feitelijk sprake is van vergroting van een agrarisch bouwvlak.

Dit betekent dat er een berekening gemaakt dient te worden om de waardevermeerdering van de gronden te bepalen. Echter is de waarde van de gronden in zowel de bestaande als beoogde situatie evenveel waard, hierdoor blijft de waarde gelijk en is berekenen overbodig. Er is namelijk sprake van een agrarisch bouwvlak, met in de huidige situatie twee naastgelegen bouwvlakken en in de beoogde situatie één bouwvlak met in beide situaties een oppervlakte van 10.750 m2. Voor de beoogde situatie is er een robuuste landschappelijke inpassing opgesteld, deze is toegevoegd in Bijlage 2. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Overig-agrarisch bedrijf in gemengd landelijk gebied (artikel 3.58) Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel, als de toelichting een verantwoording bevat dat de ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Een paardenhouderij behoort tot een overig agrarisch bedrijf.

Binnen het plangebied wordt met de beoogde ontwikkeling een overig agrarisch bedrijf gevestigd in de vorm van een paardenhouderij. De twee aaneengesloten bouwvlakken hebben totaal een oppervlakte van circa 1,1 hectare, deze wordt in de beoogde situatie niet vergroot. In de beoogde situatie verdwijnt de koppeling met het bouwvlak van De Luther 6. Voor de beoogde ontwikkeling is de grootte van het huidige bouwvlak essentieel om de gewenste paardenhouderij te kunnen exploiteren. Voor de paardenhouderij wordt een specifieke aanduiding opgenomen ter plaatse van het gehele bouwvlak. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een bestemmingplan en wordt een landschappelijke inpassing verzekerd door opname van voorwaarden in de regels bij dit bestemmingsplan. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke Omgevingsvisie en het bestemmingsplan, daarnaast wordt er getoetst aan de ‘Nota van uitgangspunten Bestemmingsplan buitengebied 2021’.

3.3.1. Omgevingsvisie Reusel-De Mierden

Op 22 mei 2018 is de ‘Omgevingsvisie’ door de gemeenteraad vastgesteld. De ‘Omgevingsvisie’ borduurt voort op de in 2013 vastgestelde toekomstvisie. Gezamenlijk, grenzeloos en groen is en blijft

15 van 49

het uitgangspunt. De ‘Omgevingsvisie’ geeft verder richting aan de ingezette koers, in ruimtelijke zin en schetst een panorama voor de toekomst. De ‘Omgevingsvisie’ bevat een kwaliteitenkaart, een knelpuntenkaart, een visiekaart en een strategiekaart: Kwaliteitenkaart: Op de kwaliteitenkaart is het plangebied aan De Luther aangewezen als ‘Rationeel, agrarisch ontwikkelde, jonge heideontginning met rechte, beplante wegen’. Knelpuntenkaart: Op de knelpuntenkaart is het plangebied gelegen in een gebied met de ‘aanwezigheid van een groot aantal agrarische bedrijfslocaties in het landschap’ in een ‘matige herkenbaarheid (verschillen tussen) landschapstypen’. Visiekaart: Op de visiekaart is het plangebied aangewezen als gelegen in een ‘gebied met primaat landbouw’, zie onderstaande afbeelding.

Afbeelding 6: Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie Reusel-De Mierden, plangebied rood omcirkeld

In de visie van de gemeente Reusel-De Mierden is aangegeven dat dit gebied is primair gericht op de ontwikkeling van grondgebonden landbouw, waarbij voornamelijk ruimte wordt geboden aan agrarisch gerelateerde bedrijvigheid. Omtrent de ontwikkeling van agrarische gebieden wordt niet direct inhoudelijk ingegaan; wel kan gesteld worden dat in de omgevingsvisie in zijn algemeenheid de aandacht uitgaat naar (her)ontwikkelingen die ruimtelijke en maatschappelijke meerwaarde opleveren voor landschap en samenleving. Strategiekaart: Op de strategiekaart is het plangebied aangewezen als gelegen binnen een gebied met ‘primaat landbouw’. De strategie binnen dit gebied is het aanwijzen voor en stimuleren van innovaties in grootschalige intensieve dierhouderij. Daarnaast is het gebied aangewezen voor

16 van 49

grootschalige energieopwerking in combinatie met het tegengaan van gevoelige functies onder voorwaarde van een deugdelijke ontsluiting voor zwaar vrachtverkeer. De totale visie zoals opgenomen in de ‘Omgevingsvisie’ is samen te vatten in 10 keuzes. Eén van deze keuzes is dat de gemeente Reusel-De Mierden geen nieuwe uitbreidingslocaties voor wonen en werken aanwijst, maar gebruik maakt van al in gang gezette uitbreidingslocaties en van herontwikkeling van vrijkomende of leegstaande (inbreidings)locaties, van buurtschappen en linten en van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Zoals reeds in de inleiding is aangegeven betreft onderhavige ontwikkeling een herontwikkeling van een agrarische bedrijfslocatie. Door onder andere de kleinschaligheid van de huidige bedrijfsvoering, de beperkte omvang van het bouwvlak met ongeschikte aanwezige agrarische bebouwing kan gesteld worden dat de locatie ter plaatse geen toekomstbestendige veehouderijlocatie betreft. Door omschakeling naar een andere agrarische functie, een paardenhouderij, wordt een passende herbestemming gerealiseerd. Hierbij wordt tegemoet gekomen aan de behoefte van de initiatiefnemers en de gemeente Reusel-De Mierden om op een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie een eigen onderneming te exploiteren.

Tevens wordt de leegstand van een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie voorkomen en wordt de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied gewaarborgd. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling tegemoet komt aan de problematiek van vrijkomende agrarische bedrijfslocaties en dat de ontwikkeling een ruimtelijke, maatschappelijke en sociaaleconomische meerwaarde oplevert voor het landschap en de samenleving. De ontwikkeling van een agrarisch bedrijf in primaat landbouw is goed passend binnen de Omgevingsvisie van de gemeente. Hiermee wordt voldaan aan diverse belangrijke uitgangspunten uit het ruimtelijke beleid van de gemeente Reusel – De Mierden.

3.3.2. Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: − Enkelbestemming: Bedrijf – Agrarisch; − Gebiedsaanduiding: Verwevingsgebied.

Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2009', plangebied aangewezen met rode pijl

Direct naast de projectlocatie is een gekoppeld bouwvlak gelegen. Dit bouwvlak is gekoppeld met het agrarisch bouwvlak van De Luther 6. In 2017 heeft de toenmalige eigenaar van De Luther 8 een verzoek bij de gemeente ingediend om de koppeling tussen de bouwvlakken te verwijderen en het naastgelegen bouwvlak te betrekken bij het bouwvlak van De Luther 8 tot één bouwvlak. Bij de gemeente Reusel-De

17 van 49

Mierden loopt momenteel een traject om de ontwikkelingen, welke in 2017 zijn ingebracht, alsnog positief te bestemmen. Het verzoek om de koppeling te verwijderen en het bouwvlak te betrekken bij De Luther 8 is er daar één van. Voor de volledigheid wordt de ontkoppeling van de bouwvlakken ook met deze procedure meegenomen, zodat de gehele beoogde situatie met één procedure kan worden geregeld. Dit betekent dat de ontkoppeling met De Luther 6 verdwijnt en de bouwvlakken aan De Luther 8 worden samengevoegd tot één bouwvlak met een oppervlakte van circa 1,1 ha.

Afbeelding 8: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2009', ter plaatse van gekoppeld bouwvlak

In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen onder artikel 10.6.10 om een agrarisch bedrijf om te schakelen naar een paardenhouderij. Conform artikel 10.6.10 mag het bestemmingsvlak niet worden vergroot en dient de oppervlakte van een bestemmingsvlak terug gebracht te worden naar 1 ha. Het voornemen van initiatiefnemer is om het naastgelegen gekoppeld bouwvlak bij de paardenhouderij te betrekken, hierdoor kan er niet aan de gestelde voorwaarden worden voldaan. Daarnaast gaat deze ontwikkeling gepaard met de ontkoppeling van de bouwvlakken. Om deze reden komt het plan in aanmerking voor het veegplan van de gemeente Reusel-De Mierden.

3.3.3. Nota van uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied 2021

Op 7 juli 2020 heeft de gemeenteraad de nota van uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied vastgesteld. De focus van de nota van uitgangspunten ligt op de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen en de ontwikkelingen voor de veehouderij. Dit is geen bewuste keuze, maar het logisch gevolg van de ontwikkelingen in het buitengebied. Gelet op de verwachte bedrijfsbeëindigingen, gaan de meeste veranderingen binnen de agrarische sector plaatsvinden. In de Nota van Uitgangspunten is aangegeven dat ontwikkelingsmogelijkheden van overige agrarische bedrijven worden toegestaan tot een omvang van maximaal 1,5 ha. In de beoogde situatie heeft het gehele bouwvlak een oppervlakte van circa 1,1 ha. Daarnaast wordt verwezen naar de mogelijkheden zoals deze zijn opgenomen de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, welke in paragraaf 3.2.3 is behandeld. Zoals in de Nota van Uitgangspunten is opgenomen is leegstand van de vrijkomende bebouwing niet wenselijk. Leegstand kan grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van het buitengebied. Veel partijen zien leegstand als ongewenst doordat het enerzijds kan leiden tot individuele problemen, zoals schulden bij moeilijk te verkopen vastgoed en anderzijds doordat het kan leiden tot diverse maatschappelijke problemen.

18 van 49

Met deze ontwikkeling wordt vrijkomende agrarische bebouwing in gebruik genomen ten behoeve van de paardenhouderij. Daarnaast wordt er een binnenrijhal gerealiseerd binnen het bouwvlak. De oprichting van een paardenhouderij op locatie aan De Luther 8 voorkomt leegstand van agrarische bebouwing en dat komt de kwaliteit in het buitengebied ten goede, waardoor de ontwikkeling aansluit bij de uitgangspunten van het vast te stellen bestemmingsplan ‘Buitengebied 2021’.

19 van 49

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije MER-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (MER), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige MER-(beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. Er is voor de beoogde situatie een vergunning Wet natuurbescherming aangevraagd op basis van extern salderen. Dit zou betekenen dat er een planMER opgesteld dient te worden.

Echter is in artikel 7.2a lid 2 Wm een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen voor de hier beschreven MER-plicht voor plannen waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt. Per algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieugevolgen hebben en waarbij dan ook geen sprake is van een MER-plicht. Deze planologische procedure wordt enkel doorlopen voor het initiatief aan De Luther 8, wat wordt gezien als een klein gebied ten opzichte van het grondgebied van de gemeente. Daarnaast betreft het een kleine wijziging van het plan, er is reeds een agrarisch bedrijf toegestaan op locatie. Deze ontwikkeling maakt het mogelijk op een paardenhouderij op locatie op te richten, deze omschakeling wordt gezien als een kleine wijziging ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat er geen significant negatief effect op Natura 2000 gebieden plaatsvindt middels het treffen van mitigerende maatregelen. Derhalve is er geen sprake van een planMER-plicht, op basis van artikel 7.2 a, lid 2 van de Wet milieubeheer, daarentegen wel een planMER-beoordelingsplicht.

De planMER-beoordelingsnotitie met betrekking tot een passende beoordeling is opgenomen in Bijlage 7. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig MER-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit MER. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit MER geldt sinds 7 juli 2017 echter ook een MER-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de MER-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Onder de C- en D-drempelwaarde is voor dit initiatief een vormvrije MER-beoordeling benodigd omdat er in de beoogde situatie circa 26 volwassen paarden en circa 15 paarden in opfok worden gehouden. Artikel 7.17, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer geeft aan op basis van welke informatie het bevoegd gezag, in dit geval het college van Burgemeester en Wethouders, een besluit moet nemen op een MER-beoordeling.

Door middel van deze toelichting op het bestemmingsplan heeft een (plan)MER-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst. Deze ruimtelijke onderbouwing kan, tezamen met de notitie in Bijlage 7, dan ook worden beschouwd als (plan)MER-beoordelingsnotitie. Voor behandeling in de gemeenteraad is door het College een (plan)MER-beoordelingsbesluit genomen. Dit besluit ligt tezamen met het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Uit bovenstaande kan

20 van 49

worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.

Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP zal op 22 december 2021 in werking treden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem.

Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie

21 van 49

Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap de Dommel Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen.

Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. In 2050 wil waterschap De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moét veranderen.

Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.” Door de klimaatverandering is de watertransitie van belang, omdat het gebruik van (grond) water toeneemt en het weer extremer wordt. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. ▪ Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); ▪ Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen. Werken aan de ecologische kwaliteit van het water in de beken, sloten en het ondiepe grondwater in het gebied; ▪ Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater.

Watertransitie 2050 ▪ ▪ ▪

Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het boden en watersysteem aan; Wat schoon is, moet schoon blijven;

Gemeente Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. In het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021’ (VGRP) beschrijft de gemeente Reusel-De Mierden de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Reusel-De Mierden voor de periode 2017-2021.

22 van 49

Vertrekpunt is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Bij een toename van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel hierbij is te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het oppervlaktewater wordt geloosd.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de in omgeving aanwezige watergangen, welke niet in de directe nabijheid van het plangebied zijn gelegen.

Afbeelding 9: Uitsnede leggerkaart van De Dommel, plangebied rood omcirkeld

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Zoals het afvalwater van huishoudelijke aard in de bestaande situatie wordt geloosd op het gemeentelijk riool zal dat in de beoogde situatie ook het geval zijn. Met de beoogde situatie blijft de bestaande bebouwing en erfverharding gehandhaafd. Daarnaast zal er op langere termijn een nieuwe rijhal worden gebouwd aan de westzijde van het plangebied. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit

23 van 49

het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie is er een toename van circa 2.160 m2 verhard oppervlak. Deze toename bestaat uit erfverharding (+/- 600 m2) en de nieuwe rijhal (+/- 1.820 m2). Omdat er een toename verharding is van meer dan 500 m² dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt er voor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. De Keur schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2, zoals opgenomen in de ‘Vierde partiële herziening Algemene regels waterschap Brabantse Delta’, d.d. 26-03-2021.

De grootte van de retentievoorziening moet in dat geval worden berekend conform de rekenregel die in de Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval de Dommel, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit Afbeelding 10 blijkt is er voor de locatie aan De Luther 8 een gevoeligheidsfactor van ½ (Gemiddeld) van toepassing.

Afbeelding 10: Uitsnede kaart ‘Gevoeligheidsfactor’, plangebied rood omcirkeld

De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule.

24 van 49

Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 2.420 m2 x 0,5 x 0,06 = 72,6 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit Afbeelding 11 blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde bedrijfsbebouwing tussen 80 en 100 cm beneden maaiveld. Ter zijner tijd wordt dit nader uitgewerkt wanneer er wordt gestart met de bouw van de rijhal en de aanleg hiervoor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=466ca9be-917c-4e36-9d11-c4352d36e2ae