CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

B9 Archeologisch onderzoek Langvoort

Gemeenteraad 14 maart 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Veegplan buitengebied 202215.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

43

Bosch, 2005.

Rapport 16136.001 versie 1

Pagina 17 van 21

De NAP-hoogte van de top van de dekzandafzettingen varieert tussen 27,5 en 28,3 meter +NAP (zie Tabel VI). Bij vergelijking met de aangetroffen (verstoorde) top van de dekzandafzettingen bij de archeologische begeleiding in 2013 komt naar voren dat zowel de gehele bodemopbouw als de aangetroffen verstoringsdiepten sterk overeen komen: in het noordwesten van het plangebied zijn de intacte dekzandafzettingen iets hoger aangetroffen dan in het zuidoosten (zie figuur 13). Het is goed mogelijk dat dit samenhangt met het natuurlijke verhang van hoog naar laag. Tabel VI.

Hoogte top C-horizont

Boornummer

NAP-hoogte top C-horizont (in meter +NAP)

1

28,2

2

27,5

3

27,7

4

27,8

5

27,7

6

28,3

Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw in het plangebied sterk overeenkomt met de (verstoorde) bodemopbouw die in 2013 is aangetroffen bij de archeologische begeleiding van een sanering in het plangebied.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen, naast de voormalige aanwezigheid van diep onderkelderde bebouwing en een gesaneerd deel van op het al vrijgegeven deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Reusel-De Mierden). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 44).

44 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 16136.001 versie 1

Pagina 18 van 21

LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berkel, G. van & K. Samplonius, 1995: Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen., Meppel. Berkvens, R. e.a., 2011: Kempisch Erfgoed in Beeld: Een regionale erfgoedkaart voor de Kempen- en A2 gemeenten. SRE Milieudienst, Eindhoven Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bont, C. de, 1993: …Al het merkwaardige in bonte afwisseling…, een historische geografie van Midden- en Oost-Brabant. Waalre Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Hos, T.H.L., 2013: Archeologische begeleiding van de sanering van zinkassen. Langvoort 2a-4 te Hooge Mierde in de gemeente Reusel - De Mierden. Econsultancy-rapport 12122042.42, Swalmen Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde.

Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1985: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. Blad 50 Oost Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 16136.001 versie 1

Pagina 19 van 21

BRONNEN AHN; internetsite, juni 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juni 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Archieven; internetsite, juni 2021. https://www.archieven.nl/nl/ Atlas Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant; internetsite, juni 2021. Atlasodzob.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, juni 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, juni 2021. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, juni 2021. http://www.bodemloket.nl Brabant.nl; internetsite, juni 2021. https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, juni 2021. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, juni 2021. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, juni 2021. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, juni 2021. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juni 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, juni 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Omgevingsrapportage Noord-Brabant; internetsite, juni 2021.

Noord-Brabant.omgevingsrapportage.nl Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, juni 2021. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/

Rapport 16136.001 versie 1

Pagina 20 van 21

Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, juni 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, juni 2021. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, juni 2021. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, juni 2021. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

Rapport 16136.001 versie 1

Pagina 21 van 21

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 3. Ontgravingsvlak zinkassen-sanering 201345

45 Hos, 2013

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 4. Luchtfoto van het plangebied

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 5. Nieuwbouwplannen en reeds bekende verstoorde zones

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart

Rapport 16136.001 versie 1

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 8. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 10. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied

Rapport 16136.001 versie 1

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 11. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 12. Boorpuntenkaart

Rapport 16136.001 versie 1

Figuur 13. Resultaten van het booronderzoek

Rapport 16136.001 versie 1

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 16136.001 versie 1

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 16136.001 versie 1

Bijlage 2 AMK nr. 2126

AMK-terreinen

Locatie

Datering

Waarde en omschrijving

300 meter ten zuidwesten van het plangebied Hongerensche Heide te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137210/376790

Bronstijd

Complex: Grafheuvel Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met mogelijke begravingen uit de Bronstijd (grafheuvels). Het aantal potentiële grafheuvels is onbekend. Volgens Beex liggen in het bos een aantal hoogten dat tumuli kunnen zijn, in de grondboor een donkere kern, onder een laag stuifzand. In de directe omgeving zijn verscheidene tumuli opgegraven (1934, 1950), maar verdwenen (niet gerestaureerd) na onderzoek. Ook is er vuursteen uit het Neolithicum – Vroege-Bronstijd gevonden. Afgaande op de topografische kaart is het centrale deel, dat door het monument wordt omsloten, uitgezand.

Rapport 16136.001 versie 1

Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 2422948100 (58971)

Onderzoeksmeldingen

Locatie

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

in het plangebied Langvoort 2A - 4 te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137669/377197

Type onderzoek: archeologische begeleiding Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 14-10-2013 Resultaat: In het plangebied is tijdens de sanering grotendeels verdiept tot in de C-horizont. Hierbij is gebleken dat de C-horizont zwaar verstoord is door machinale vergravingen van onder andere een tandenbak. Econsultancy adviseert daarom om het plangebied vrij te geven wat betreft archeologie. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: BILAN Datum: 3-1-2007 Resultaat: Uit het veldonderzoek bleek dat de bodem in het grootste deel van het plangebied sterk was verstoord. Mogelijk aanwezige archeologische waarden zullen daardoor grotendeels vernietigd zijn. Bovendien werden in het plangebied geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden aangetroffen. Ook ter hoogte van de 19e-eeuwse bebouwing en weg werden in de hier geplaatste boringen evenmin sporen aangetroffen. Alleen in het uiterste westelijke deel van het plangebied werd een redelijk intact bodemprofiel aangetroffen. Een groot deel van dit gebied is echter bebouwd, waardoor ook hier het bodemprofiel naar verwachting zal zijn aangetast. Op basis van bovenstaande resultaten wordt aan het plangebied een lage archeologische verwachting toegekend voor het aantreffen van onverstoorde archeologische waarden en wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: BILAN Datum: 5-10-2007 Resultaat: Het bodemprofiel, dat getypeerd kon worden als een hoge zwarte enkeerdgrond, bleek in vrijwel het gehele plangebied intact te zijn. Eventueel onder het esdek aanwezige archeologische resten zullen waarschijnlijk intact zijn. Alleen ter plaatse van de boringen 28, 29 en 32 heeft verstoring van de bodem plaatsgevonden. Op grond van de onderzoeksresultaten is echter niet duidelijk of er zich onder het esdek daadwerkelijk archeologische resten bevinden. In de boringen werden geen archeologische indicatoren aangetroffen die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. Aanbevolen wordt om te voorzien in een aanvulling op het inventariserend veldonderzoek, door middel van een proefsleuvenonderzoek in het gehele plangebied. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: BILAN Datum: 24-4-2008 Resultaat: Uit de onderzoeksresultaten bleek dat het terrein niet voldeed aan de vooropgestelde verwachting. In de meeste proefsleuven worden alleen natuurlijke verkleuringen aangetroffen op de overgang van het esdek naar de onderliggende C-horizont of helemaal geen sporen. In de proefsleuven 1 en 2 werd een groot aantal natuurlijke verkleuringen aangetroffen waarvan een deel bestond uit dagzomende bodemhorizonten.

Onder het opgebracht pakket (esdek) bevind zich in dit deel van het terrein een restant van een begraven bodem. De -begraven- bodem betreft een veldpodzol waarbij de uitgeloogde E-horizont geleidelijk overgaat in een licht bruine dunne B- horizont met daaronder een geelgrijze C- horizont. Hoger op de akker, in noordelijke richting, zijn de aangelegde proefsleuven vrijwel -spoorloos-. Uitzondering hierop wordt gevormd door een tweetal greppels, die bij de aanleg van het vlak werden aangesneden in de proefsleuven 7 en 9. Op grond van de kleur, samenstelling en vorm van de greppels is het aannemelijk dat deze dateren uit de Late-Middeleeuwen tot Nieuwe tijd; de periode waarin waarschijnlijk begonnen werd met de ontginning van het gebied. Op grond van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek wordt aan het onderzochte deel van het plangebied een lage waardering toegekend. Gezien deze lage waardering wordt voor dit deel van het plangebied geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Voor het overige deel van het plangebied blijft de (middel) hoge verwachting gehandhaafd.

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 8-3-2018 Resultaat: Gezien de ongeschiktheid voor bewoning in de prehistorie, het gebruik als heideterrein tot in de twintigste eeuw en de sterke aantasting van de bodemopbouw, geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 28-10-2013 Resultaat: Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek

2137430100 (19920)

350 meter ten westen van het plangebied Kailakkers te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137218/377289

2170884100 (24667)

350 meter ten westen van het plangebied Kailakkers 15 te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137139/377082

2195987100 (28339)

350 meter ten westen van het plangebied Kailakkers 15 te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137143/377083

4594031100

650 meter ten noordoosten van het plangebied te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 138039/377810

2422794100 (58955)

800 meter ten westen van het plangebied Kailakkers 2B te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 136842/377373 800 meter ten westen van het

2684440100

Rapport 16136.001 versie 1

plangebied te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 136861/377380

2129711100 (18821)

900 meter ten noordwesten van het plangebied Leeuwerik te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 136835/377648

2252937100 (36309)

900 meter ten noordwesten van het plangebied Leendestraat te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137122/377936

2279732100 (40009)

900 meter ten noordwesten van het plangebied Leenderstraat te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137192/377996

2297982100 (42511)

900 meter ten noordwesten van het plangebied Leendestraat te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137140/377951

4656750100

900c meter ten noordwesten van het plangebied te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137119/377920

2480109100 (66281)

900 meter ten westen van het plangebied Hoogstraat 1B te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 136741/377361 950 meter ten noordwesten van het plangebied Leeuwerik te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 136797/377656

2063915100 (9576)

Rapport 16136.001 versie 1

Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 2-7-2015 Resultaat: Tijdens het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat er geen archeologisch relevante sporen aanwezig zijn. In beide werkputten is een recent ophogingspakket met daarin resten van landbouwplastic en recente verstoringen tot in de C-horizont vastgesteld. Er wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 6-9-2006 Resultaat: Alleen in put 1 zijn een viertal paalkuilen aangetroffen. Omdat er geen vondstmateriaal is aangetroffen is het niet mogelijk deze sporen te dateren. Een min of meer noord-zuid georiënteerde sloot, eveneens in put 1, is waarschijnlijk een oude perceelgrens. Ook deze is door gebrek aan vondstmateriaal niet te dateren. De sloot is echter van na of tijdens de aanleg van het esdek, omdat deze door het esdek is heen gegraven. De paalkuilen in put 1 liggen in de buurt van boring 16 waarin Romeinse aardewerk is aangetroffen. Mogelijk dateren de paalkuilen uit de Romeinse tijd. Advies: Eventueel vervolgonderzoek rond put 1. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 12-8-2009 Resultaat: Binnen het plangebied is een intact plaggendek aangetroffen. Daaronder waren geen resten van een podzolbodem meer aanwezig.

Binnen het plangebied bevinden zich mogelijk vondsten en sporen uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 30-3-2010 Resultaat: De natuurlijke podzolbodem is niet aangetroffen in het plangebied. Waarschijnlijk is deze door ploegwerkzaamheden opgenomen in de bovengrond. Tijdens het veldonderzoek zijn geen indicatoren aangetroffen die wijzen op verstoring van de C-horizont. Derhalve kunnen eventuele archeologische resten in de C-horizont nog aanwezig zijn. Voor nederzettingsresten uit de periode Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen gold een middelhoge verwachting. Voor de periode Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd gold een lage verwachting. Beide verwachtingen kunnen op grond van het veldonderzoek gehandhaafd blijven. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 23-8-2010 Resultaat: Binnen de grenzen van het plangebied zijn behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen. Om die reden wordt aanbevolen om vervolgonderzoek te laten uitvoeren bij bodemverstorende activiteiten.

Vanwege de aangetroffen grondsporen (middeleeuws - Nieuwe tijd/prehistorisch erf) en akkercomplex wordt aanbevolen om eventuele archeologische resten ex situ te laten veiligstellen door middel van een opgraving. Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 8-1-2019 Resultaat: De archeologische resten bestaan uit een kuil en twee paalkuilen uit de IJzertijd en vier of vijf greppels uit de Middeleeuwen. Er zijn geen structuren aangetroffen. De twee vondsten betreffen een scherf uit het esdek die dateert in de Late-Middeleeuwen en een scherf uit de IJzertijd kuil. Met betrekking tot de resten uit de IJzertijd, gaat het wellicht gaat het om de periferie van een nederzetting in de omgeving. De sporen uit de Middeleeuwen betreffen allen greppels die zeer waarschijnlijk samenhangen met percelering van het terrein. Wat dit betreft moet in het bijzonder gedacht worden aan Kuilenrode. Dat was een pachtboerderij van de abdij van Averbode, waarschijnlijk uit 1303. Het plangebied ligt nabij een perceel met de naam Den Kerckaker. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 21-4-2015 Resultaat: Tijdens het veldwerk zijn geen archeologische sporen aangetroffen. Het plangebied is verstoord.

Advies: Geen vervolg Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: BILAN Datum: 7-2-2004 Resultaat: In het grootste deel van het plangebied is het bodemprofiel afgetopt tot op het moedermateriaal, de C-horizont. In slechts 5 boringen was nog een B- of B/C-horizont aanwezig. In een aantal boringen werden archeologische indicatoren aangetroffen. Het merendeel van deze dateren uit de Nieuwe tijd. Een tweetal scherven stamden uit de Romeinse periode, beiden niet in situ aangetroffen. Geen advies tot vervolgonderzoek.

Bijlage 4

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2901722100

Locatie

Omschrijving

400 meter ten zuidwesten van het plangebied Hongerensche Heide te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137400/376850 450 meter ten zuidwesten van het plangebied Hongerensche Heide te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137400/376760

Type onderzoek: veldkartering Uitvoerder: particulier Bronstijd : - ophogingen Bronstijd : - 5 fragmenten van Drakenstein aardewerk - crematieresten - houtskool - ophoging - fragment van een paalkrans Type onderzoek: veldkartering Uitvoerder: particulier Mesolithicum : - vuursteen afslagen Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: Rijksmuseum van Oudheden Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: particulier Neolithicum - Bronstijd : - kuil, - vuursteen afslagen - 60 fragmenten van vuursteen schrabbers Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: particulier Bronstijd : - fragmenten van Drakenstein aardewerk - graf, grafkuil - crematieresten - houtskool - ophoging - 2 paalgaten - 2 fragmenten van paalkransen Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: particulier Bronstijd : - ophogingen Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: particulier Bronstijd : - 3 fragmenten van Drakenstein aardewerk - crematieresten - houtskool - ophoging - 5 paalgaten Type onderzoek: veldkartering Uitvoerder: particulier Mesolithicum : - vuursteen afslagen

2901706100 (35610)

3223657100 (411456)

2901674100

500 meter ten oosten van het plangebied te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 138220/377000 550 meter ten zuidwesten van het plangebied Hongerensche Heide te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137270/376740

2901699100 (35609)

550 meter ten zuidwesten van het plangebied Hongerensche Heide te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137450/376660

2907466100

550 meter ten zuidwesten van het plangebied Hongerensche Heide te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137270/376740 600 meter ten zuidwesten van het plangebied Hongerensche Heide te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137200/376760

2901690100 (35608)

3224101100 (411458)

600 meter ten oosten van het plangebied te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 138350/377050

Neolithicum : - fragmenten van vuursteen klingen

2901641100 (35600)

2901714100 (35611)

2297982100 (442841)

650 meter ten zuidwesten van het plangebied Hongerensche Heide te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137250/376680 700 meter ten zuidwesten van het plangebied Hongerensche Heide te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137225/376600

900 meter ten noordwesten van het plangebied Leendestraat te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 137138/377949

IJzertijd : - aardewerk Type onderzoek: veldkartering Uitvoerder: particulier Paleolithicum - Neolithicum : - fragmenten van vuursteen werktuigen Type onderzoek: onbekend Uitvoerder: particulier Neolithicum : - fragment van een vuursteen bijl Bronstijd : - ophoging IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk IJzertijd - Late-Middeleeuwen : - paalgaten Vroege-Middeleeuwen : - 2 fragmenten van gedraaid aardewerk Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen : - 5 fragmenten van gedraaid aardewerk

Rapport 16136.001 versie 1

Late-Middeleeuwen : - cultuurlagen Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - fragment van gedraaid aardewerk - 4 fragmenten van steengoed geglazuurd - greppel/sloot

2185489100 (436305)

950 meter ten noordwesten van het plangebied De Leeuwerik te Hooge Mierde Gemeente Reusel-De Mierden Coördinaat: 136832/377649

Nieuwe tijd : - fragment van gedraaid aardewerk - weg, - 15 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - cultuurlaag - 2 greppels/sloten - 3 fragmenten van industrieel wit (Maastrichts/Regout) Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: VUhbs archeologie Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 95 fragmenten van bot, dierlijk objecten, - 19 kuilen, - 7 greppels/sloten - 110 paalgaten - 11 fragmenten van roodbakkend geglazuurde borden/schotels - 6 fragmenten van roodbakkend geglazuurde kommen/(voet)schalen Nieuwe tijd : - 5 fragmenten van steengoed - 3 fragmenten van bronzen objecten, - 6 fragmenten van glazen flessen - zilveren munt, stuiver/stuber - fragment van een plantaardig, hout wiel (onderdeel) - 19 fragmenten van keramische vloeren - 17 fragmenten van leisteen dakbedekking - 34 fragmenten van dakpannen - 19 fragmenten van keramische bouwmateriaal - 2 fragmenten van zandsteen/kwartsiet bouwmateriaal - 16 fragmenten van industrieel wit (Maastrichts/Regout) - 2 fragmenten van majolica borden/schotels - fragment van een rolsteen - fragment van een roodbakkend geglazuurde kan - 2 fragmenten van vensterglas - 4 waterputten

Rapport 16136.001 versie 1

Bijlage 5

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 16136.001 versie 1

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

Rapport 16136.001 versie 1

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 16136.001 versie 1

Bijlage 6

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 16136.001 versie 1

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 16136.001 versie 1

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 16136.001 versie 1

Bijlage 7

Rapport 16136.001 versie 1

Planontwerp

Bijlage 8

Rapport 16136.001 versie 1

Boorprofielen

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

Rapport 16136.001 versie 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=3e284147-d765-4411-b52f-40b938e237df