B9 Archeologisch onderzoek Langvoort
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK LANGVOORT 2A - 4 TE HOOGE MIERDE GEMEENTE REUSEL-DE MIERDEN
archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Langvoort 2a - 4 te Hooge Mierde Opdrachtgever
Kragten Postbus 2309 5231 CH 's-Hertogenbosch
Rapportnummer
16136.001
Versienummer1
1
Datum
2 juli 2021
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
De heer drs. M. Stiekema
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
16136.001
Toponiem
Langvoort 2a - 4
Opdrachtgever
Kragten
Gemeente
Reusel-De Mierden
Plaats
Hooge Mierde
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Gemeente Hooge en Lage Mierde, sectie H, nummers 997, 1039, 1173, 1175, 1233 en 2291
Omvang plangebied
circa 12.050 m2
Kaartblad
50 H
Coördinaten centrum plangebied
X: 137.700 Y: 377.190
Bevoegde overheid
Gemeente Reusel – De Mierden Postbus 11 5540 AA Reusel
T: 0497 – 650650 E: gemeente@reuseldemierden.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant Mevr. drs. R. Berkvens E: r.berkvens@odzob.nl
Keizer Karel V Singel 8 Postbus 435; 5601 AK Eindhoven T: 088-3690638 / 06-15829049
ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
5087540100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen / Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant
Uitvoerder
Econsultancy, De heer drs. M. Stiekema
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Kragten in juni en juli 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Langvoort 2a - 4 te Hooge Mierde in de gemeente Reusel-De Mierden. In het plangebied zullen woningen worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van deze gegevens heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten van jagers en verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten van landbouwers uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Het plangebied is in het verleden als agrarisch land in gebruik geweest en de afgelopen eeuw als een zich steeds uitbreidend agrarisch bedrijf, waarvoor diverse onderkelderde stallen zijn gebouwd. Verder is een deel van het plangebied in het verleden tot in de dekzandafzettingen (onder archeologische begeleiding) gesaneerd.
Daardoor is bekend dat de bodem in een groot deel van het westelijke en centrale deel van het plangebied is verstoord tot in de C-horizont. Verder is het plangebied volgens de Erfgoedkaart mogelijk verstoord. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw in het plangebied sterk overeenkomt met de (verstoorde) bodemopbouw die in 2013 is aangetroffen bij de archeologische begeleiding van een sanering in het plangebied. Conclusie Op basis van de waargenomen bodemverstoringen, naast de voormalige aanwezigheid van diep onderkelderde bebouwing en een gesaneerd deel van op het al vrijgegeven deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Reusel-De Mierden). De
Rapport 16136.001 versie 1
bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2).
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 16136.001 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1 1.1 1.2
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
3
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 6 Archeologische waarden .................................................................................................. 9 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 11 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 14 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 16
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 17 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Aanleiding tot het onderzoek en leeswijzer ...................................................................... 1 Resultaten vooronderzoek ................................................................................................ 1
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 17 Methoden ........................................................................................................................ 17 Resultaten ....................................................................................................................... 17 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 18
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 18
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 19 BRONNEN .......................................................................................................................................... 20
Rapport 16136.001 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting Hoogte top C-horizont
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Ontgravingsvlak zinkassen-sanering 2013 Luchtfoto van het plangebied Nieuwbouwplannen en reeds bekende verstoorde zones Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart Resultaten van het booronderzoek
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
Rapport 16136.001 versie 1
1 1.1
INLEIDING Aanleiding tot het onderzoek en leeswijzer
Econsultancy heeft in opdracht van Kragten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Langvoort 2a - 4 te Hooge Mierde in de gemeente Reusel-De Mierden (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bedrijfswoningen om te zetten naar burgerwoningen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juni en juli 2021 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) en de heer D.J.G. Salden (veldassistent). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog). 1.2
Resultaten vooronderzoek
In oktober 2013 is door Econsultancy een archeologische begeleiding van de sanering van zinkassen uitgevoerd voor een vlak in de westelijke helft van het plangebied.3 Deze sanering maakte deel uit van een grootschalig saneringsproject dat werd uitgevoerd door Actief Bodembeheer de Kempen (ABdK) voor locaties waar de bodem vervuild is geraakt door zinkassen. Omdat de uitvoering van de bodemsanering eventueel tot aantasting van het bodemarchief zou kunnen leiden, en omdat het onderzoeksgebied op de Archeologische beleidskaart van de gemeente Reusel - de Mierden wordt aangeduid met een verwachting op een historische kern (cat. 3), dat mogelijk verstoord is, is door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Reusel de Mierden besloten dat de saneringswerkzaamheden onder archeologische begeleiding moesten worden uitgevoerd. De saneringswerkzaamheden vonden plaats op het erf van de boerderij op de Langvoort 2a - 4 te Hooge Mierde. Het gesaneerde deel heeft een oppervlakte van circa 1.075 m 2. De saneringsput is laagsgewijs verdiept waarbij de vervuilde grond is afgevoerd. Het vlak is tijdens de graafwerkzaamheden dagelijks geïnspecteerd door een Senior KNA archeoloog.
Op de eerste dag van de ontgravingen is er een inspectie geweest door de Senior KNA Archeoloog, toen bleek dat het archeologisch niveau wel geraakt werd, maar dat er niet direct werd aangevuld en dat het archeologisch niveau zwaar verstoord was is besloten om de begeleiding op een extensieve manier door te zetten. De putomtrek en de hoogtematen van het vlak zijn ingemeten met een GPS. Hierna is de put gedicht met schoon zand. De put is tot circa 1 meter onder maaiveld verdiept en reikte zo goed als altijd tot op de C-horizont. De bodemopbouw bestond uit een A-C profiel. De bovenste circa 1 meter bestond uit een geroerde laag, 3
Hos, 2013
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 1 van 21
waar bouwvoor en esdek in opgenomen zijn. Hieronder lag de C-horizont. De aangetroffen C-horizont was over de hele vlakte zwaar verstoord door sporen van een tandenbak, kabelsleuven en andere recente (na 1950) machinale ingrepen. Er zijn geen archeologische sporen of vondsten aangetroffen (zie figuur 3).4
2 2.1
BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 5 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 4 5
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant;
Hos, 2013 SIKB.
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 2 van 21
2.3
de archeologische verwachtingskaarten van de Kempen-gemeenten; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1.000 meter rondom het plangebied.6 Het plangebied, circa 12.050 m2, ligt aan de Langvoort 2a - 4, ongeveer 0.5 kilometer ten zuidoosten van de kern van Hooge Mierde in de gemeente Reusel-De Mierden (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 28,5 meter +NAP. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied was tot recent grotendeels bebouwd en in gebruik als verhard erf. Buiten de woning in het noordwesten van het plangebied bevonden zich meerdere stallen en loodsen verspreid over het plangebied (zie figuur 4).
Onlangs is alle bebouwing met uitzondering van de woning in het noordwesten van het plangebied en het direct ten zuidoosten hiervan liggend terras met de kleine fietsenschuur geheel gesloopt. Hierbij zijn zowel de bovengrondse bebouwing als alle ondergrondse structuren (mestkelders, fundamenten etc.) verwijderd. Op de woning, terras en schuur in het noordwesten van het plangebied na is de rest van het plangebied in gebruik als (nat) grasland en braakliggend (zie foto 1 & 2).
6
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 3 van 21
Foto 1 & 2: Het plangebied in oostelijke richting (boven) en zuidwestelijke richting (onder)
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 4 van 21
Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2009 (vastgesteld 2011) van de gemeente Reusel - De Mierden heeft de gehele onderzoekslocatie een archeologische verwachtingswaarde. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening van een reguliere bouwvergunning bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 er vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.7 Volgens de archeologische beleidskaart van de Kempen-gemeenten (deel gemeente Reusel-De Mierden) ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting (categorie 4). Het westelijke deel van het plangebied ligt bovendien deels in een gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern (categorie 3).
In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening van een reguliere bouwvergunning bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 500 m 2 en 250 m2 en dieper dan 30 cm -mv (50 cm -mv bij esdekken en agrarisch bestemde gronden) vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.8 Het plangebied maakt volgens de beleidskaart ook onderdeel uit van een gebied waar esdekken aanwezig zijn, en van een gebied met mogelijke bodemverstoringen door ontgrondingen/vergravingen. Verder is een groot gedeelte van de huidige bebouwing in het plangebied al vrijgegeven volgens de archeologische beleidskaart.9 De totale vrijgegeven delen (op basis van de beleidskaart en begeleiding van de sanering in 2013) vallen samen met een groot deel van het deel van het plangebied dat als historische kern is gewaardeerd (zie figuur 6). Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd.
Het raadplegen van het Bodemloket van de provincie Noord-Brabant gaf aan dat, behalve de reeds eerder genoemde (en inmiddels gesaneerde) zinkassenverontreiniging binnen het plangebied, er ook een zinkverontreiniging van 18 m3, verspreid over een oppervlakte van 30 m 2 is aangetroffen. Hiervoor is in mei 2021 een BUS-melding gedaan.10 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde.
7
Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Atlasodzob.nl 9 Atlasodzob.nl 10 Noord-Brabant.omgevingsrapportage.nl 8
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 5 van 21
In het plangebied is de realisatie van nieuwbouw gepland. De initiatiefnemer is bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor de omzetting van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen, waarbij één bedrijfswoning wordt verplaatst naar een andere locatie (zie Bijlage 7). In totaal zullen er drie nieuwe gebouwen worden gerealiseerd en zal de huidige woning in het noordwesten blijven staan. Het definitieve oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw zijn nog niet bepaald. Volgens de huidige ruimtelijke visie valt de geplande nieuwbouw deels buiten de verstoorde delen van het plangebied (op basis van de beleidskaart, de bouwdossiers en begeleiding van de sanering in 2013) (zie bijlage 7 en figuur 5). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.4
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie11
Formatie van Sterksel met een dek van de Formatie van Boxtel; rivierzand en -grind met een zanddek (St1)
Geomorfologie12
Terrasafzettingswelvingen, (3L41)
Bodemkunde13
Hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ23)
Grondwatertrap
V* en VI
Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied waar rivierzanden en -grinden van de Formatie van Sterksel, afgedekt met dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel (St1) aan het oppervlak wordt aangetroffen. De Formatie van Sterksel omvat alle sedimenten die door de Rijn en de Maas zijn afgezet in het Vroeg- en Midden-Pleistoceen (rond 875.000 BP). 14 De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd.15 Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet. 16 Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd
11
De Mulder et al., 2003. Wageningen Environmental Research, 2017. 13 Stichting voor Bodemkartering, 1985. 14 Berendsen, 2008. 15 De Mulder et al., 2003. 16 Berendsen, 2008. 12
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 6 van 21
worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. 17 Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. De dekzandruggen zijn gevormd in het Laat Glaciaal (12.300-10.200 jaar geleden) doordat koude en minder koude perioden zich afwisselden. Hierdoor vonden er nieuwe zandverstuivingen plaats die voornamelijk in ruggen en duinen werden afgezet. Deze ‘Jonge dekzanden’ zijn herkenbaar als goed gesorteerde, weinig gelaagde afzettingen.18 In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden gevormd. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd.19 De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Op 2,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een uitgestrekt stuifduinencomplex. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Hooge Mierde afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand.
Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde beekdal, het dal van de Reusel, bevindt zich op respectievelijk 250 meter ten oosten van het plangebied. DINO20 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket is een boring van iets ten noordoosten van het plangebied bestudeerd.21 Hieruit blijkt dat de ondergrond ter plaatse bestaat uit een 1,9 meter dik pakket fijne (dek)zanden op een pakket grove (rivier)zanden tot minimaal 4 meter -mv. Geomorfologie22 De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een gebied met terrasafzettingswelvingen langs een zuid-noord georiënteerd beekdal (zie figuur 7).
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)23 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op de oostelijke flank van een uitgestrekte rug, iets ten westen van een laaggelegen beekdal (zie figuur 8). Binnen het plangebied zijn met name op de oostelijke helft kleinschalige hoogteverschillen tot circa 0,5 meter zichtbaar die lijken samen te hangen met vergravingen op en om het agrarisch bedrijf.
17
De Mulder et al., 2003. Wageningen Environmental Research, 2017. 19 Berendsen, 2008 20 Dinoloket. 21 DINO boornummers B50H0172 22 Wageningen Environmental Research, 2017. 23 AHN. 18
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 7 van 21
Bodemkunde24 Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden (zie figuur 9). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd.
Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.25 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap26 Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog.
Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling27
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
24
Stichting voor Bodemkartering, 1985. Doesburg et al., 2007. 26 Stichting voor Bodemkartering, 1985. 27 Locher & De Bakker, 1990. 25
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 8 van 21
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap V*/VI. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. Fysisch Landschap28 Als onderdeel van de Erfgoedkaart van de Kempengemeenten is er ook een kaart van het fysisch landschap opgesteld. Volgens deze kaart ligt het plangebied binnen een gebied bestaande uit lage zandgronden op de Gordel van Sterksel (afzettingen van de Formatie van Sterksel). 2.5
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).29 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 10. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1.000 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant30 In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt.
De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap Kempenland. Dit landschap omvat een groot deel van het relatief hoog gelegen zandlandschap ten zuidwesten van Eindhoven. Het landschap wordt doorsneden door verschillende beken en zijbeken. In het westen zijn dat de Reusel en de Groote en Kleine Beerze die in noordelijke richting afwateren. In het oostelijke deel liggen de Ekkersrijt, de Gender en de Run, die in noordoostelijke richting uitmonden in het riviertje de Dommel. Tussen de beekdalen liggen verschillende licht glooiende dekzandruggen die (vooral) langs de beekdalen bedekt zijn met uitgebreide complexen van oude bouwlanden. Verder komen reliëfrijkere zones voor met stuifduinen uit de Late-Middeleeuwen. De omvang van de archeologische voorraad van het archeologisch landschap Kempenland is iets meer dan gemiddeld. De verdeling van de Archis-waarnemingen naar archeologische periode laat zich goed vergelijken met de trendlijn voor geheel Noord-Brabant. Dit geldt in grote lijnen ook voor de chronologische verdeling van de AMKterreinen. Alleen de aandelen Mesolithicum, Bronstijd en IJzertijd liggen in dit landschap relatief gezien iets boven het gemiddelde. Onder de Archis-waarnemingen komen alle complextypen voor, 28
Atlasodzob.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 30 Brabant.nl 29
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 9 van 21
waarbij nederzettingen en begravingen duidelijk overheersen. Ook bij de AMK-terreinen zijn deze complextypen dominant. De andere complextypen, voor zover aanwezig, dateren allemaal uit de Late-Middeleeuwen. Cultuurhistorische Waardenkaart Kempengemeenten31 Volgens de cultuurhistorische waardenkaart, behorende tot de Erfgoedkaart Erfgoedgemeenten, Betreft de woning in het noorden van het plangebied een langgevelboerderij uit circa 1915. Verder zijn er geen cultuurhistorische waarden van binnen het plangebied bekend. De Langvoort direct ten noorden van het plangebied betreft een weg met een redelijk hoge historische waarde. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied 32 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein, een bosperceel met daarin grafheuvels uit de Bronstijd op 300 meter ten zuidwesten van het plangebied (zie bijlage 2 en figuur 10).
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 33 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 14 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken, proefsleufonderzoeken, een archeologische begeleiding van graafwerkzaamheden en een opgraving (zie bijlage 3 en figuur 10). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat veel van de onderzochte percelen als gevolg van graaf- en ploegactiviteiten zijn verstoord. Plaatselijk zijn wel archeologische resten van alndbouwers aangetroffen, maar voor een groot deel betreffen dit (percelerings)greppels en ontginningsresten. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied34 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan twaalf vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 10). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in alle perioden vanaf het Mesolithicum.
Opvallend is dat de bekende archeologische resten van jagers en verzamelaars uitsluitend zijn aangetroffen in het beekdal van de Reusel ten oosten van het plangebied en de bekende archeologische resten van landbouwers op de hogere ruggen ten westen van het beekdal.
31
Atlasodzob.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 33 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 34 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 32
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 10 van 21
2.6
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Hooge Mierde In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Hooge Mierde ligt in de regio de Kempen. Dit landschap omvat een groot deel van het relatief hoog gelegen zandlandschap ten zuidwesten van Eindhoven. In de 14 e en 15e eeuw kende de Kempen een tijd van duurzame welvaart: de zogenaamde Vlaams-Brabantse Gouden Eeuw. In die tijd werden in dit gebied de woeste gronden ontgonnen, nieuwe hoeven gesticht en kerken gebouwd.
De basis voor deze welvaart was de samenwerking vanwege wederzijds belang tussen de hertogen van Brabant, de regionale en lokale machthebbers en de kerkelijke instellingen. Het platteland leverde graan en wol aan de snel groeiende steden als Antwerpen. Lange tijd lagen de dorpen in de Kempen nogal geïsoleerd. Toen in 1897 de tramlijn EindhovenReusel tot stand kwam, bevorderde dat de komst van industrieën. Vooral de sigarenindustrie ging een belangrijke plaats innemen. Vele kleine fabriekjes ontstonden, maar een groot deel daarvan verdween weer in de loop der jaren. De oudste vermeldingen van Hooge Mierde en het drie kilometer ten noordoosten daarvan gelegen Lage Mierde stammen uit circa 1200. Mierde betekent plaats bij het moeras, waarbij Hooge en Lage ter onderscheiding van elkaar zijn toegevoegd op basis van hun relatieve hoogteligging. Tot 1473 vormden Hooge en Lage Mierde één parochie met de hoofdkerk in Hoge Mierde. Eind 12 e eeuw verwierf de abt van Floreffe het patronaatsrecht van de parochie Hooge en Lage Mierde. Omdat de abdij van Floreffe alleen Franstalige pastoors kon leveren waren de eerste pastoors van Hooge en Lage Mierde afkomstig uit het klooster van Postel, een dependance van Floreffe.
Het plangebied behoorde in 1840 tot een gebied van gemengde percelen akkerland, grasland, bos, heide en woeste gronden ten zuidoosten van de historische kern van Hooge Mierde.35 Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
35 36
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut36
1811-1832
Gemeente Hooge en Lage Mierde, Sectie E, Blad 02
1:2.500
Weiland. Zuidelijke punt ligt net in of tegen een erf van een huis direct ten zuiden van het plangebied
Langvoort al aanwezig als Baan van Hooge Mierde naar Hulsel
De Bont, 1993; Berkvens, 2011 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 11 van 21
Militaire topografische kaart37 (nettekening)
1850-1864
50
1:50.000
Heide met erf op de meest zuidelijke punt.
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1901
705
1:50.000
Akker en bos, doorsneden door onverharde wegen. Zuidelijke punt bebouwd met een schuur en onderdeel van erf.
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1925
705
1:50.000
Akker en bos, doorsneden door onverharde wegen. Zuidelijke punt bebouwd met een schuur en onderdeel van erf.
-
Topografische kaart
1940
50H
1:25.000
Woning en akker, met langs de zuidelijke en westelijke randen onverharde wegen en een bosstrook in het zuiden
Huis en erf ten zuiden (en in het zuiden van het plangebied) verdwenen.
Topografische kaart
1951
50H
1:25.000
Woning en akker, met langs de zuidelijke en westelijke randen onverharde wegen en een bosstrook in het zuiden
-
Topografische kaart
1958
50H
1:25.000
Woning en akker, met langs de zuidelijke en westelijke randen onverharde wegen en een bosstrook in het zuiden
-
Topografische kaart
1967
50H
1:25.000
Woning met bijgebouwen en grasland, met langs de zuidelijke en westelijke randen onverharde wegen
Langvoort verhard.
Topografische kaart
1980
50H
1:25.000
Agrarisch bedrijf binnen het plangebied uitgebreid, oostelijke deel nog grasland.
-
Topografische kaart
1999
50H
1:25.000
Hele plangebied in gebruik als agrarisch bedrijf. Enkele aanvullende gebouwen gerealiseerd.
-
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19e eeuw grotendeels onderdeel was van een heide dan wel weidegebied. Het huidige wegennet was destijds al aanwezig. Direct ten zuiden van het plangebied bevond zich een woning met een klein erf en tuin. Mogelijk was de uiterst zuidelijke hoek van het plangebied onderdeel van dit erf. In de loop van de 19e eeuw is dit erf uitgebreid tot in de zuidelijke punt van het plangebied, waarna er hier ook een kleine schuur is gebouwd. In de eerste helft van de 20 e eeuw is het erf en alle bijbehorende bebouwing zowel ten zuiden van het plangebied als in het zuiden van het plangebied gesloopt. Het huidige agrarisch bedrijf in het plangebied begon met de bouw van de huidige woning in het eerste kwart van de 20e eeuw. Sindsdien is het uitgebreid totdat eind 20e eeuw het gehele plangebied als agrarisch bedrijf in gebruik is genomen (zie figuur 11). Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten.
Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Pro37
Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 12 van 21
ject (MIP). De MIP-gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Binnen de 500 meter attentiezone liggen geen rijksmonumenten, of gemeentelijke monumenten. De woning in het plangebied is wel een MIP-object (een langgevelboerderij, objectnummer 104471). Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Reusel-De Mierden is het archief met de bouwdossiers geraadpleegd (contactpersoon de heer R. Antonis). Tabel IV geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor het plangebied. Opvallend is dat diverse gebouwen waarvoor in de afgelopen 20 jaar een bouwplan en vergunning zijn opgesteld uiteindelijk niet zijn gerealiseerd. Tabel IV.
Verleende bouwvergunningen
Omschrijving
Jaartal
Bodemverstoring
Bouw varkensstal
1958
Geen onderkeldering, wel funderingspoeren (diepte onbekend)
Bouw garage
1966
Verstoringsdiepte onbekend
Verbouwing koestal
1966
Met gierkelders (diepte onbekend)
Bouw varkensstal
1970
Met gierkelders tot 145 cm -mv
Bouw veldschuur
1972
Met gierkelder tot 150 cm -mv
Bouw cq uitbreiding koestal
1974
Met gierkelders (diepte onbekend)
Bouw schuur
1979
Geen onderkeldering, stampbetonfundering tot 70 cm -mv
Bouw varkensstal
1980
Geheel onderkelderd tot 150-170 cm -mv
Uitbreiding ligboxenstal
1982
Met gierkelder tot 150 cm -mv
Bouw bedrijfswoning
1985
Verstoringsdiepte onbekend
Verbouwing mestvarkensstal
1988
Met gierkelder tot 170 cm -mv
Verbouwen bestaande boerderij
1988
Onderkelderd tot 115 cm -mv
Bouw materiaalopslag
1989
Geen onderkeldering, fundering tot 80 cm -mv
Bouw opslagloods
1990
Geen onderkeldering, fundering tot 90 cm -mv
Bouw garage/berging/terras
1992
Geen onderkeldering, fundering tot 70 cm -mv
Bouw overdekt terras
1993
Geen onderkeldering, fundering tot 70 cm -mv
Bouw loods (ingetrokken)
2000
Niet gerealiseerd
Uitbreiding kantoor
2000
Geen onderkeldering, verstoringsdiepte onbekend
Plaatsen voerhok
2002
Geen onderkeldering, verstoringsdiepte onbekend
Verbouwen stal
2004
Geen extra verstoring (handhaving bestaande vloer)
Gewijzigd uitvoeren eerder verleende bouwvergunning loods voor de huisvesting van geiten en opslag van hooi, stro en werktuigen (ingetrokken 2016)
2005
Plan geen onderkeldering, fundering tot 70 cm -mv, nooit gerealiseerd.
Verbouwing ontvangsten administratieruimte ten behoeve van Bed & Breakfast (ingetrokken 2016)
2006
Geen extra verstoring (handhaving bestaande vloer), nooit gerealiseerd
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 13 van 21
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 38 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundegroep de Mierden. Zij gaven aan: Bij deze enige informatie betreffende Langvoort 2a en 4. De boerderij die nu op dit perceel staat is aan het begin van de 20e eeuw gebouwd. Het was de vervanger van een oude boerderij die op het perceel E519/E520 van de kadasterkaart van 1832 staat vermeld. Die oude boerderij stond dus in feite "in de achtertuin" van het huidige pand. De bewoningsgeschiedenis van het gebied gaat in ieder geval terug tot de 17e eeuw. Het perceel waar de huidige boerderij op staat was destijds gemeentegrond. Het is dus, voor zover wij hebben kunnen nagaan, uitsluitend landbouwgebied geweest. 39 2.7
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel V.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool,
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 39 Mededeling mevrouw R. Rovers-Swaanen, 29 juni 2021 38
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 14 van 21
botresten en gebruiksvoorwerpen Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Uit de landschappelijke ligging op met dekzand afgedekte terrasafzettingswelvingen uit het Pleistoceen blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.40 Het plangebied bevindt zich op circa 250 meter ten westen van een beekdal, wat landschappelijk gezien op de rand is voor de meest interessante vestigingslocaties voor jagers en verzamelaars. Opvallend is verder het nagenoeg ontbreken van vondsten uit deze perioden op de hoge delen van het landschap in het onderzoeksgebied. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie.
Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.41 Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.42 De Langvoort is sinds minstens 200 jaar een doorgaande weg waarlangs ook verspreid enkele woningen staan. Het plangebied zelf is tot begin 20e eeuw grotendeels als agrarisch land in gebruik geweest, totdat het nog aanwezige agrarisch bedrijf werd gerealiseerd. Uitzondering is de uiterst zuidelijke hoek van het plangebied, dat in de 19 e eeuw (en mogelijk al eerder) onderdeel uitmaakte van een erf van een ten zuiden van het plangebied gelegen (begin 20 e eeuw gesloopte) boerderij. Op basis van deze gegevens heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor resten van jagers en verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en een
40
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 42 Renes, 1999. 41
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 15 van 21
hoge archeologische verwachtingswaarde voor resten van landbouwers uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven.
Het plangebied is in het verleden als agrarisch land in gebruik geweest en de afgelopen eeuw als een zich steeds uitbreidend agrarisch bedrijf, waarvoor diverse onderkelderde stallen zijn gebouwd, welke onlangs geheel zijn gesloopt. Verder is een deel van het plangebied in het verleden tot in de dekzandafzettingen (onder archeologische begeleiding) gesaneerd. Daardoor is bekend dat de bodem in een groot deel van het westelijke en centrale deel van het plangebied is verstoord tot in de dekzandafzettingen (zie figuur 5). Verder is het plangebied volgens de Erfgoedkaart mogelijk verstoord. Dit kan samenhangen met de graafsporen die bij de archeologische begeleiding van de sanering zijn aangetroffen in de top van de C-horizont. Door ploegen en graaf-, sloop- en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, ook in de rest van het plangebied mogelijk verloren zijn gegaan. 2.8
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor archeologische resten vanaf het Laat-Paleolithicum is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
Rapport 16136.001 versie 1
Pagina 16 van 21
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 29 juni 2021 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) zes boringen tot maximaal 1,50 meter -mv gezet (Figuur 12). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 43 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 8 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: In het plangebied zijn matig fijne, zwak tot sterk siltige zandafzettingen aangetroffen. Bij alle boringen bevindt zich aan het maaiveld een veelal zwak humeus donker grijsbruin tot geel verstoord zandpakket, bestaande uit resten van een (voormalig) eerddek en resten van het onderliggende dekzandpakket. Plaatselijk is het verstoorde pakket zwak tot matig puin- of baksteenhoudend. De dikte van het verstoorde pakket varieert bij de drie westelijke boringen van 70 centimeter bij boring 1 tot 110 centimeter bij boring 3. Bij de drie oostelijke boringen varieert de dikte van het verstoorde pakket van 35 cm bij boring 6 tot 50 cm bij boring 4 en 5. Bij geen van de boringen zijn (verstoorde) resten van een voormalig podzolprofiel in het verstoorde pakket waargenomen. Bij alle boringen zijn resten van het gele zand van de C-horizont in het verstoorde pakket waargenomen, wat er op duidt dat de top van de dekzandafzettingen is vergraven. Onder de verstoorde toplaag zijn bij alle boringen onverstoorde dekzandafzettingen aangetroffen. Naar onder toe worden de dekzandafzettingen zwak tot matig gleyhoudend en siltiger van samenstelling.