[25.15674] Ruimtelijke onderbouwing Buitenplanse omgevingsplanactiviteit transformatie El Sombrero, Wilhelminalaan 67, 69 en 71 in Reusel naar 19 woonappartementen
Tekst van het document
Afbeelding 13: Uitsnede omgevingsplan 'Stedelijk gebied 2018'
Daarnaast is ter plaatse van de projectlocatie het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied, veegplan 2022' geldend. In dit veegplan zijn naast specifieke ontwikkelingen ook algemene aanpassingen opgenomen, waaronder diverse enkel- en dubbelbestemmingen en begripsbepalingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk Gebied 2018'. Deze aanpassingen zijn bedoeld om de flexibiliteit en de uitvoerbaarheid van het plan te verbeteren, zodat de nieuwe ontwikkelingen en functies beter aansluiten bij de huidige en toekomstige behoeften van het gebied. In het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk, omdat ter plaatste van de projectlocatie een horecagelegenheid is toegestaan en slechts één bedrijfswoning (artikel 13.1). Er is geen afwijkingsbevoegdheid opgenomen die de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt. Om deze reden wordt een omgevingsvergunning voor een BOPA aangevraagd voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 24 van 47
5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Op grond van het bepaalde in het Bkl dient te worden aangetoond of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de relevante milieu hygiënische en planologische aspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.1. M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over projecten. Het gaat hierbij enkel om projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor dergelijke projecten moet worden beoordeeld of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Indien een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze projecten moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling betreft de omschakeling van een horecagelegenheid naar woonfunctie. De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in Bijlage V van het omgevingsbesluit. Het opstellen van een m.e.r. beoordeling is daarom niet noodzakelijk.
5.2. Ladder voor duurzame verstedelijking In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 5.129g, Bkl. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het eerste lid van artikel 5.129g is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detaiihandeisvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' De toelichting bij een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Als separate bijlage bij onderhavige vergunningsaanvraag is een toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd (bijlage 3).
5.3. Volksgezondheid Gezondheidsrisico's ontstaan uit een combinatie van blootstelling, gevaar en impact. Blootstelling betreft de hoeveelheid schadelijke stoffen die een persoon kan binnenkrijgen en daarmee risico loopt
Pagina 25 van 47
om ziek te worden. Gevaar omvat de aard van het risico, zoals biologische, chemische of fysieke bedreigingen. Impact verwijst naar de ernst van de effecten van deze risico's. Om gezondheid effectief te integreren in ruimtelijke ontwikkelingen heeft de GGD het Omgevingsadvies-portaal ontwikkeld. Dit portaal ondersteunt gemeenten en initiatiefnemers in NoordBrabant bij het naleven van de Omgevingswet en biedt inzicht in de noodzaak van maatwerkadvies. Bevoegd gezag, projectontwikkelaars en omgevingsdiensten kunnen gebruikmaken van standaardadviezen om gezondheid te bevorderen en beschermen in de leefomgeving. De GGD wijst erop dat naleving van milieuwetgeving niet automatisch een verantwoord woon- en leefklimaat garandeert. Wettelijke grenswaarden houden namelijk ook rekening met economische en technische haalbaarheid, terwijl gezondheidskundige advieswaarden uitsluitend gericht zijn op gezondheid. Het portaal biedt richtlijnen en adviezen over luchtkwaliteit, veehouderij, geur, geluid, bodemkwaliteit, elektromagnetische velden, klimaat en biodiversiteit om de volksgezondheid optimaal te beschermen.
5.3.1. Luchtkwaliteit Blootstelling aan fijnstof (PM2,5 en PM10) kan ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken, zoals luchtwegklachten, hart- en vaatziekten, en voortijdige sterfte. Kinderen, ongeboren baby's, ouderen en mensen met bestaande aandoeningen zoals astma en COPD lopen een groter risico dan gezonde individuen. De WHO-advieswaarden voor fijnstof zijn PM10 :: 15 ^g/m3 en PM2,5 :: 5 ^g/m3. Uit de fijnstofkaarten van Atlasleefomgeving blijkt dat de WHO-advieswaarden voor fijnstof (PM2,5 en PM10) niet worden gehaald. De indicatieve concentratie voor PM2,5 ligt op 8,7 ugm3 en de indicatieve concentratie PM10 ligt op 15,3 ug/m3. De beoogde ontwikkeling zal de luchtkwaliteit niet significant beïnvloeden, gezien de beperkte toename in verkeer. De concentratie van PM10 wordt afgerond op 15 ^/m3, waarmee wordt voldaan aan de WHO-advieswaarde voor PM10. In paragraaf 5.7 wordt beschreven dat de wettelijke normen voor fijnstof worden nageleefd, wat betekent dat het woon- en leefklimaat in principe als acceptabel wordt beschouwd. Het centrum van Reusel, gelegen in het stedelijk gebied, is bij uitstek een gebied voor wonen en werken. Hierdoor wordt het gebied als een goede woonomgeving beschouwd. Toekomstige bewoners moeten zich bewust zijn van de bestaande omstandigheden, hoewel de doelgroep voor de geplande woningen niet tot de kwetsbare groepen behoort.
5.3.2. Veehouderijen Omwonenden van veehouderijen kunnen blootgesteld worden aan verhoogde concentraties van geur, fijnstof, endotoxines en biologische agentia, wat kan leiden tot hinder en gezondheidsklachten zoals luchtwegproblemen. Voor gevoelige bestemmingen zoals kinderdagverblijven, zorginstellingen en woningen wordt aanbevolen een afstand van minimaal 250 meter te behouden van intensieve veehouderijen, 500 meter van pluimveehouderijen en 2 kilometer van een geitenhouderij om risico's op longontsteking te verminderen. Endotoxinen zijn een betere maatstaf dan fijnstof voor blootstelling aan veehouderijen, omdat ze acute en chronische ademhalingsproblemen kunnen veroorzaken. De handreiking over endotoxinen1 berekent richtafstanden op basis van fijnstofemissie uit stallen. De gezondheidskundige advieswaarde van endotoxine ligt daarbij op 30 EU/m3. Buiten de richtafstanden, die ongeveer 200 meter voor een individueel varkensbedrijf en 500 meter voor een pluimveebedrijf bedragen, worden er geen overschrijdingen van deze gezondheidskundige advieswaarde waargenomen. Uit de database van Kernregistratie dierverblijven (KRD) blijkt dat binnen een straal van 500 meter om rondom de projectlocatie geen agrarische bedrijven gelegen zijn. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen in Hulsel op ongeveer 4 kilometer afstand.
Daarmee wordt voldaan aan alle gezondheidskundige advies richtafstanden tussen veehouderijen en de projectlocatie.
Pagina 26 van 47
5.3.3. Akkerbouw/kwekerijen Bij het telen van gewassen en fruit worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, die gezondheidseffecten kunnen hebben op omwonenden. De GGD adviseert om zoveel mogelijk afstand te bewaren tussen landbouwgronden waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast en nieuwe woningen. Jurisprudentie wijst vaak op een minimale afstand van 50 meter. Binnen 50 meter afstand van de projectlocatie zijn geen landbouwgronden aanwezig. Het aspect spuitzonering is daarom niet van toepassing.
5.3.4. Geur Geurhinder kan leiden tot stress, slaapproblemen en andere gezondheidsklachten, vooral door geur van veehouderijen, zelfs als aan de wettelijke normen wordt voldaan. De GGD hanteert een advieswaarde van 5 OU/m3 voor achtergrond geurbelasting in een woonkern. Voor bedrijven met dieren zonder wettelijke emissiefactoren geldt een afstandscriterium van minimaal 100 meter van het bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming. In paragraaf 5.9 wordt het aspect geur vanuit veehouderijen beoordeeld aan de hand van zowel wettelijke eisen als acceptabele woon- en leefomstandigheden. De conclusie is dat de beoogde woning geen significante invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen. Zoals reeds beschreven bevinden er zich in een straal van 500 meter rondom de projectlocatie geen veehouderijen. Uit de kaart "Achtergrond Geur" van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant blijkt dat de achtergrondbelasting ongeveer < 3 OU/m3 bedraagt, wat wordt geclassificeerd als een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving. Dit is veel lager dan de advieswaarde van 5 OU^3 in een woonkern. Er wordt daarmee ruimschoots voldaan aan de advieswaarde van de GGD met betrekking tot het aspect geur.
5.3.5. Geluid ík trillingen Geluid van verkeer en industrie kan leiden tot stress, slaapverstoring en hart- en vaatziekten. Ook laagfrequent geluid en trillingen hebben gezondheidsimpact. Bij de realisatie van nieuwe gevoelige bestemmingen moet rekening worden gehouden met deze bronnen. De GGD gaat in haar beoordeling van de geluidssituatie uit een maximaal geluidniveau van 50 dB Lden maximaal 40 dB Lnight op de hoogst belaste gevel voor de bronnen wegverkeer, railverkeer en bedrijven gedurende. De GGD houdt daarbij geen rekening met het juridisch gecorrigeerde geluidsniveau (aftrek). In paragraaf 5.8 wordt het aspect geluid behandeld. Hieruit blijkt dat niet voldaan kan worden aan de standaardwaarde voor geluid van 60 dB Lden voor gemeentelijke wegen. Het door de GGD geadviseerde maximale geluidsniveau van 50 dB Lden wordt daarmee ook overschreden. Desondanks blijft het geluidsniveau onder de maximale waarde van 70 Lden. Gezien de urgentie voor de aanleg van sociale huurwoningen en betaalbare koopwoningen in Nederland en de gemeente Reusel-De Mierden, kan de gemeente overwegen deze geluidsbelasting als acceptabel te beschouwen. De beoogde ontwikkeling, het transformeren van bestaand vastgoed naar wonen, past binnen de beleidslijnen van de gemeente Reusel-De Mierden.
Daarnaast blijkt er uit deze motivatie dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dit een integraal onderdeel vormt van het gemeentelijk beleid.
5.3.6. Bodemkwaliteit Bodemverontreiniging kan vooral risico's met zich meebrengen bij direct contact met de grond of bij consumptie van gewassen die uit verontreinigde bodem komen. Vooral lood vormt een specifiek risico door zijn negatieve effecten op de ontwikkeling van kinderen. In paragraaf 5.14 wordt het aspect bodem verder toegelicht. De beoogde woningen zijn bedoeld voor één- en tweepersoonshuishoudens zonder kinderen. De locatie, gelegen in het stedelijk gebied van Reusel, was voorheen in gebruik als discotheek, waar mensen langer dan 2 uur verbleven. In die zin wijzigt het gebruik niet wezenlijk. Bovendien hebben er in het verleden geen bodembedreigende activiteiten op deze locatie plaatsgevonden. De bodem is daarmee geschikt voor het beoogde gebruik.
Pagina 27 van 47
5.3.7. Elektromagnetische velden Hoewel het risico van elektromagnetische straling voor de volksgezondheid nog niet definitief is bewezen, wordt het aanbevolen om nieuwe gevoelige bestemmingen zoals een woning niet te dicht bij hoogspanningslijnen te bouwen. In paragraaf 5.16.2 wordt toegelicht dat de beoogde appartementen op een ruime afstand van hoogspanningsleidingen zijn gesitueerd. Hierdoor wordt voldaan aan de richtlijnen en wordt het risico op eventuele gezondheidsimpact door elektromagnetische straling geminimaliseerd. 5.3.8. Klimaat, groen & water Groene ruimten spelen een belangrijke rol in het bevorderen van de gezondheid door het verminderen van hitte, het verbeteren van de luchtkwaliteit en het bevorderen van zowel fysieke als mentale welzijn. Het advies is om voldoende schaduw en groene plekken te creëren binnen 300 meter van woningen en om water te integreren om hitte-eilandeffecten tegen te gaan. De projectlocatie is in de huidige situatie volledig verhard en versteend. In de toekomstige situatie worden diverse groenstructuren aangelegd, zoals bomen, hagen, sierbeplanting en extensief gras. Dit draagt bij aan een groene woonomgeving en zorgt bovendien voor verschillende schaduwplekken binnen het plangebied. De combinatie van diverse beplanting en grastegels bevordert de infiltratie van regenwater in de bodem, wat de riolering ontlast.
Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect gezondheid. Conclusie De projectlocatie voldoet aan de wettelijke normen voor luchtkwaliteit, afstand tot veehouderijen, gewasbeschermingsmiddelen en andere gezondheidsgerelateerde aspecten zoals fijnstof, bodemverontreiniging en elektromagnetische velden. Hoewel geluid boven de WHO advieswaarden liggen de gezondheidsrisico's voor toekomstige bewoners acceptabel volgens de wetgeving. Dit is mede te verantwoorden doordat de beoogde woningen in een aangewezen woongebied worden gerealiseerd, waarbij de maatschappelijke noodzaak voor dit type woningen, zoals sociale huurwoningen en betaalbare koopwoningen, een belangrijke overweging is. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect gezondheid.
5.4. Verkeersgeneratie, - afwikkeling ä parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) van de gemeente Reusel-De Mierden is een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten opgenomen. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. In de GVVP Module 8. Ruimtelijke Ontwikkelingen is opgenomen dat de gemeente ReuselDe Mierde de gemiddelde van de bandbreedte van de landelijke richtlijnen hanteert. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ’Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor.
5.4.1. Verkeer Gekeken naar het aspect verkeer heeft de gemeente geen eigen normen opgenomen in de GVVP en derhalve wordt aansluiting gezocht bij de CROW. Er wordt worst-case rekening gehouden met een duur koopappartement, in weinig stedelijk gebied in het centrum van Reusel. Een dergelijke appartement kent een verkeersgeneratie van maximaal 7,2 per appartement De projectlocatie ligt aan de Wilhelminalaan in het centrum van Reusel. De appartementen zijn toegankelijk via een hoofdingang aan de Wilhelminalaan en via entrees aan de achterzijde. Het parkeerterrein en de fietsenstalling worden ontsloten via de Vlassert en Beukenlaan, die vervolgens
Pagina 28 van 47
aansluiten op de Wilhelminalaan. Door de toegang tot het parkeerterrein via de Vlassert te laten verlopen, ontstaat er geen extra verkeersdrukte op de Wilhelminalaan en worden de verkeersstromen efficiënt verdeeld. In navolgende afbeelding is de ontsluiting van het parkeerterrein weergegeven.
Afbeelding 14: weergave ontsluiting parkeerterrein
De Wilhelminalaan is een verharde weg welke dient als de hoofdinfrastructuur van Reusel. Aan deze weg zijn namelijk verschillende voorzieningen gelegen, zoals supermarkten. De weg wordt ontsloten door de N269 en N284, die vervolgens ontsloten wordt door de A67. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen.
5.4.2. Parkeren Naast het aspect verkeer dient tevens voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn binnen de projectlocatie. Zoals reeds beschreven wordt voor de parkeernormen aangesloten bij de richtlijnen van uit van de CROW. In navolgende tabel zijn de parkeernormen weergegeven van de beoogde appartementen. Hierin is onderscheid gemaakt in de verschillende type appartementen op basis van het prijspeil. De beoogde appartementen bestaan uit een mix van sociale huur, betaalbare koop en één duurder appartement. In navolgende tabel zijn de gemiddelde uit de brandbreedte van het CROW opgenomen voor type appartementen in weinig stedelijk gebied, in het centrum van Reusel. Tabel 1: weergave benodigde parkeerplaatsen inci. bezoekers op basis van het CROW
Type appartement Huur; sociaal Koop; betaalbaar Koop; duur Totaal:
Norm per woning
Aantal 5 13 1 19
1,1 1,3 1,6 Totaal:
Norm per type appartement 5,5 16,9 1,6 24,0
De bestaande parkeerplaats achter de bebouwing wordt heringericht. De nieuwe parkeerplaatsen zorgen samen voor 24 parkeerplaatsen, wat voldoet aan de CROW-parkeernorm. Gezien de centrale ligging in het centrum van Reusel, met alle belangrijke voorzieningen op loop- en fietsafstand en een bushalte op 50 meter, is dit voldoende. Daarnaast zijn de appartementen gericht op één- en
Pagina 29 van 47
tweepersoonshuishoudens in de betaalbare categorie, waardoor de parkeerbehoefte lager is dan bij gezinswoningen met thuiswonende kinderen. Daarmee zijn 24 parkeerplaatsen toereikend. In de navolgende afbeelding is de inrichting van het parkeerterrein weergegeven. Het terrein wordt ontsloten via de Vlassert, aan de achterzijde van het gebouw.
Afbeelding 15: weergave parkeervoorzieningen en ontsluiting
Door de transformatie van de discotheek naar een woonfunctie is er minder druk op de openbare parkeerruimte. De discotheek veroorzaakte een verhoogde parkeerdruk in de avonden en weekenden, momenten die grotendeels overeenkomen met de gebruiksmomenten van woningen. Het wegvallen van deze functie zal de druk op de openbare parkeerruimte verlichten. Binnen de projectlocatie zijn voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar voor de beoogde appartementen. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.
5.5. Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van wet en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
5.5.1. Gebiedsbescherming De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase gemaakt. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het
Pagina 30 van 47
rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in de aanleg- en gebruiksfase hebben geen netto depositieresultaten boven de 0,00 mol N/ha/jaar. De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlagen (bijlage 5, 6 en 7). Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kempenland-West leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
5.5.2. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van alle in Nederland in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: " Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Wilhelminalaan, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de verbouwwerkzaamheden, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.
Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten.
Pagina 31 van 47
Ter plaatse van de projectlocatie is een QuickScan uitgevoerd door Sander Ijzerman Advies in het kader van toekomstige ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij is onderzocht of beschermde natuurwaarden worden bedreigd en welke effecten ruimtelijke ingrepen mogelijk hebben. Ook is gekeken naar de planologische gebiedsbescherming. De QuickScan van 7 oktober 2024 (rapportnummer 2024679) is als bijlage 8bijgevoegd. Op basis van de QuickScan wordt geadviseerd dat vrijgestelde soorten mogelijk aanwezig zijn, maar dat geen ontheffing nodig is. Wel geldt een zorgplicht om doden te voorkomen, bijvoorbeeld door verstorende werkzaamheden in september en oktober uit te voeren. Er zijn geen nest- of verblijfslocaties van gebouwbewonende soorten zoals huismussen, gierzwaluwen, uilen of vleermuizen aangetroffen, waardoor nader onderzoek niet nodig is. Kapwerkzaamheden worden bij voorkeur tussen half juli en half maart uitgevoerd om broedende vogels niet te verstoren. Indien dit in het broedseizoen gebeurt, moet dit onder begeleiding van een deskundige plaatsvinden. Ontwikkelingen mogen geen fysieke verstoring van nestlocaties veroorzaken, zoals vernietiging, verplaatsing of bewuste verjaging. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is.
Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is derhalve niet noodzakelijk.
5.6. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,s), lood, koolmonoxide en benzeen. Om een evenwichtige toedeling van de nieuwe functie op de locatie te waarborgen dient voor het aspect luchtkwaliteit enerzijds onderzocht te worden of de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Anderzijds moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.6.1. Toetsing normen luchtkwaliteit Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 pg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 pg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een grenswaarde van 40 pg/m3. In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht.
Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 30Zo grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt.
Pagina 32 van 47
Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; " Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het creëren van 19 appartementen. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (artikel 5.54, onder b, onder 1, Bkl). Aangezien met het initiatief slechts 19 appartementen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens.
5.7. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de omgeving van de projectlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De projectlocatie ligt wel binnen de geluidszone van Wilhelminalaan. Binnen de geluidszone van deze weg is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Met het initiatief wordt een nieuw geluidsgevoelig object opgericht in de vorm van een appartementencomplex. In de bestaande situatie is één geluidsgevoelig object aanwezig, dit is de bedrijfswoning. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden. Er dient getoetst te worden aan de normstelling van artikel 5.1.4.2a.4 van het Bkl. De standaardwaarde voor een Rijks- of provinciale weg bedraagt 50 Lden, wanneer het een gemeentelijke of waterschapsweg betreft is de standaardwaarde 53 Lden.
Indien de standaardwaarde wordt overschreden is de ontwikkeling toch mogelijk indien er maatregelen worden getroffen. De maximale grenswaarde voor de wegen bedraagt 60 Lden afkomstig van Rijks- of provinciale wegen en 70 Lden afkomstig van gemeentelijke of waterschepswegen. De projectlocatie bevindt zich aan de Wilhelminalaan in Reusel, een gemeentelijke weg met een maximumsnelheid van 30 km/u in het centrum van Reusel. Daarom gelden de standaardwaarde van 60 Lden en de maximale grenswaarde van 70 Lden (indien van toepassing).
Op basis van een eerste controle via de kaart ^eluid van wegverkeer' op Atlas Leefomgeving is een geluidsbelasting van 51-77 dB te verwachten. De uitsnede uit deze kaart (zie afbeelding) laat zien dat de kopgevel van het appartementencomplex een geluidsbelasting van 62 dB tot maximaal 67 dB heeft. Dit betekent dat de voorkeurswaarde van 60 Lden wordt overschreden, maar de belasting blijft binnen de maximale grenswaarde van 70 Lden.
Pagina 33 van 47
Afbeelding 16: weergave wegverkeerslawaai (bron Atlas leefomgeving)
De overschrijding van de voorkeurswaarde kan goed worden gemotiveerd en als acceptabel worden beschouwd. De appartementen worden gerealiseerd in het centrum van Reusel, een gebied dat is bestemd voor wonen. Bovendien is er een dringende maatschappelijke behoefte aan sociale huurappartementen en betaalbare koopappartementen, zoals blijkt uit de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie bijlage 4). De gemeente kan besluiten de maximale geluidsbelasting van 67 dB als acceptabel te beschouwen. Daarnaast zorgt de gebruikelijke geluidsisolerende werking van de gevels ervoor dat het binnenniveau van de woningen aanzienlijk lager zal zijn dan de gevelbelasting. De overschrijding van de voorkeurswaarde kan worden onderbouwd en als acceptabel beschouwd. De appartementen bevinden zich in het centrum van Reusel, dat is aangewezen als woongebied. Daarnaast is er een dringende maatschappelijke behoefte aan zowel sociale huurappartementen als betaalbare koopappartementen, zoals blijkt uit de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie bijlage 4). De gemeente kan besluiten de maximale geluidsbelasting van 67 dB als acceptabel te beschouwen. Veracht wordt dat de gebruikelijke geluidsisolerende werking van gevels ervoor zorgt dat het binnenniveau aanzienlijk lager is dan de gevelbelasting.
Hierdoor wordt geconcludeerd dat de geluidsbelasting op de gevels geen onoverkomelijk probleem vormt voor de ontwikkeling van het appartementencomplex.
5.8. Geur In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd?
Pagina 34 van 47
5.8.1. Belemmering bedrijvigheid Met de beoogde ontwikkeling wordt de discotheek getransformeerd naar een appartementencomplex, waarbij het bestaand gebouw wordt hergebruikt. De bestaande bedrijfswoning is reeds een geurgevoelig object. De bestaande afstand tussen de woning en veehouderijen in de omgeving wordt met het initiatief niet verkleind. Daarom zal de gebruikswijziging met zekerheid geen onevenredige belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen veehouderijen. De toetsingsafstand voor die veehouderijen verandert immers niet. Daarnaast zijn er in dit geval reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen gelegen, dan de beoogde appartementen. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet beoogde appartementen. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen het plangebied zullen doen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
5.8.2. Woon- en leefklimaat Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de projectlocatie nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de Achtergrondkaart geur, zie navolgende afbeelding. Hieruit blijkt de kwaliteit van de leefomgeving zeer goed, 0 - 3 Oue bedraagt.
Afbeelding 17: uitsnede achtergrondkaart geur (bron: ODZOB)
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
5.9. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van
Pagina 35 van 47
beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven.
5.91. Beleid Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10'7jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde.
In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan
worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico's moeten nader gemotiveerd worden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
5.9.2. Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de kaart van Portaal Atlas Veiligheid, zie navolgende afbeelding.
Pagina 36 van 47
0oo«iůos
^«^rrónalaan
Wilhelminalė
Legenda: KAańaia»0
ij PR 10-é contour B Brandaandachtsgebied Explosieaandacmsgebied
GifwoU aandachtsgebied
Afbeelding 18: uitsnede kaart Portaal Atlas Veiligheid
Uit de signaleringskaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Wél ligt de projectlocatie in de nabijheid van de Wilhelminalaan. De gemeente Reusel-De Mierden heeft voor transport van gevaarlijke stoffen over lokale wegen geen gemeentelijk routeringsbesluit vastgesteld. Dit betekent dat de wettelijke risico's niet overschreden worden. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Het project voorziet wel in de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten. Aangezien de projectlocatie niet binnen de plaatsgebonden risico contour of binnen een aandachtsgebied ligt zijn geen risico's aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot een belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10. Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het omgevingsplan.
5.10.1. Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen
Pagina 37 van 47
kunnen voorwaarden worden gesteld aan grondwerkzaamheden worden uitgevoerd.
een
omgevingsvergunning voor activiteiten waar
In het omgevingsplan ligt de projectlocatie gedeeltelijk binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' en gedeeltelijk binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 4.1'. In het omgevingsplan is opgenomen dat een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden wanneer er grondwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m2 plaatsvinden en grondwerkzaamheden dieper dan 0,30 meter plaatsvinden binnen de aanduiding 'Waarde - Archeologie 2. Binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 4.1' is dit een oppervlakte van meer dan 500 m2 en dieper dan 0,30 meter. Daarnaast is geen rapportage vereist in geval van herbouw op dezelfde locatie. Met de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande discotheek getransformeerd naar een appartementencomplex. Graaf- of grondwerkzaamheden die uitgevoerd worden zijn voornamelijk ten behoeve van het renoveren van het bestaande parkeerterrein en aanleg van de landschappelijke inpassing. Er wordt minder dan 100 m2 binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' afgegraven en minder dan 500 m2 afgegraven binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 4.1' ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk.
5.10.2. Cultuurhistorie en iandschap Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie navolgende afbeelding.
HoOQe Mieröe
Kippereĩnd
Aardkundige waarden
u Cultuurhistorische waarden Groenb auwe waarden
3 Ho andse Water inies Afbeelding 19: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden 'Omgevingsverordening Noord-Brabant]
De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. De CHW-kaart bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW weergeven.
Pagina 38 van 47
Afbeelding 20: uitsnede CHW-kaart Noord-Brabant
Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang bevat. Hierdoor blijft bij de uitvoering van het plan de cultuurhistorische en landschappelijke waarde behouden.
5.11.
Bodem
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl) Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: * Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); * Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); * Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) ^ Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico's met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico's zijn beheerst of weggenomen door sanering.
Pagina 39 van 47
Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In dit geval wordt geen nieuw gebruik geïntroduceerd waarbij mensen 2 uur of langer verblijven. De bestaande bedrijfswoning heeft al de functie om als woning te worden gebruikt. Daarnaast is het huidige gebouw in gebruik geweest als horecavoorziening (discotheek), waar bezoekers doorgaans langer dan 2 uur verbleven. In de beoogde situatie wordt de discotheek en bedrijfswoning getransformeerd naar een appartementencomplex, wat qua verblijfsduur vergelijkbaar is met het huidige gebruik als horecavoorziening. In dit geval blijft de verblijfsduur vergelijkbaar met het huidige gebruik, waardoor bodemonderzoek niet nodig is.
Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico's voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling.
5.12.
Weging van waterbelang
In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
5.12.1. Waterrelevant beleid Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.
In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem;
Pagina 40 van 47
" "
Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: " Voldoende water " Schoon water - Veilig water " Vitale bodem Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
Waterschap de Dommel Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de projectlocatie. Het waterschap de Dommel hanteert verschillende beleidsstukken bestaande uit onder andere het Waterbeheerprogramma 2022-2027, Legger waterstaatswerken 2023 en de Waterschapsverordening. De legger waterstaatswerken 2023 is opgenomen in de Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening is te vinden in het DSO.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 waterschap de Dommel Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start waterschap De Dommel
met de
'watertransitie': op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt " Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan " Wat schoon is moet schoon blijven Het waterschap moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan worden er oplossingen gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt wordt. Hierbij wordt door het waterschap een omschakeling gemaakt;
Pagina 41 van 47
" -
van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Waterschapsverordening Waterschap De Dommel In de 'Waterschapsverordening Waterschap De Dommel' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Waterschapsverordening beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden zoals waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de Waterschapsverordening hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits "vasthouden-bergen-afvoeren". Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
Legger waterstaatswerken 2023 Het dagelijks bestuur van waterschap De Dommel heeft op 17 oktober 2023 de legger waterstaatswerken 2023 vastgesteld. Ook heeft het dagelijks bestuur besloten de leggers oppervlaktewaterlichamen 2021 in te trekken. Dis gedaan met het oog op de nieuwe waterschapsverordening en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Alle waterstaatswerken zijn nu zichtbaar in een digitale ontsluiting. Onder de Omgevingswet kan een legger geen beschermingszone of profiel van vrije ruimte meer vastleggen of aanpassen. Die gaan als beperkingengebied bij de waterschapsverordening horen. Waterschap De Dommel neemt in de legger alle waterstaatswerken op die van belang zijn voor het functioneren van het watersysteem in het beheergebied van de Dommel. Er zijn vele soorten waterstaatswerken, die onderverdeeld zijn in vier categorieën, te weten: oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen of ondersteunende kunstwerken. De legger vormt daarmee een uitstekend hulpmiddel bij de toetsing welke regels van de Keur op en nabij waterstaatswerken van toepassing zijn.
5.12.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie De projectlocatie ligt in het centrum van Reusel. In de directe nabijheid van de projectlocatie zijn geen watergangen aanwezig. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het water van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. De locatie is volledig verhard. Op locatie vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. 5.12.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie De beoogde situatie zal een geen negatief effect hebben op de waterhuishouding. De appartementen worden gerealiseerd binnen bestaande bebouwing. In de beoogde situatie neemt het verhard oppervlak af. Zo wordt een deel van het parkeerterrein uitgevoerd met grastegels, wat bijdraagt aan de waterdoorlatendheid van het terrein. Daarnaast wordt een deel van de verharding verwijderd om de locatie verder te vergroenen en beter landschappelijk in te passen. Deze maatregelen dragen bij aan een betere waterhuishouding.
Pagina 42 van 47
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
5.13. Technische infrastructuur Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur.
5.13.1. Ondergrondse leidingen Op de EV-signaleringskaart dient gecontroleerd te worden of er gastransportleidingen en dergelijken zijn opgenomen. In het omgevingsplan dient gecontroleerd te worden of er aanduidingen zijn opgenomen voor riooltransportleidingen en/of watertransportleidingen. Riooltransportleidingen en watertransportleidingen betreffen leidingen die geen betrekking hebben op omgevingsveiligheid maar op technische infrastructuur. Binnen of nabij de projectlocatie zijn geen relevante (buis)leidingen aanwezig. Derhalve zijn in het omgevingsplan geen beperkingen opgenomen binnen de bouwregels. Voordat er verbouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen binnen en nabij de projectlocatie in beeld te brengen.