CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[25.11823] 3. GoFlo BOPA Postelsedijk 15 Reusel (27-5-2025)

Gemeenteraad 1 juli 2025, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning aan de Postelsedijk 15 in Reusel20.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten geldt dat de volgende functies bij het agrarische bedrijf'zijn toegestaan: 1. statische opslag met een maximum van 2.000m2, uitsluitend in bestaande bebouwing; 2. recreatieve voorzieningen met een maximum van 750 m2; 3. zorgboerderij met een maximum van 375m2; 4. bed Si breakfast, anders dan bedoeld in 3.2.1 , met maximaal 5 kamers/logeereenheden tot een maximum van in totaal 150 m2; 5. een overig niet-agrarisch bedrijf met een maximum van 400 m2, met uitzondering van detailhandel; met díen verstande dat bíj cumulatie van meerdere vormen van verbrede landbouw en/of nevenactiviteiten, met uitzondering van opslag/kleinschalig kamperen, het totale daarvoor te gebruiken bedrijfsvioeropperviakte niet mag meer bedragen dan 250Zo van het bedrijfsvioeropperviakte tot een maximum van 750 m2. Het drone-experience-center zal circa 465 m2 groot bedragen. Deze nevenactiviteit zal verweven worden in de werkzaamheden op het agrarisch bedrijf.

c

De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. In hoofdstuk 5 van onderhavige onderbouwing wordt er naar de in het gebied aanwezige waarden gekeken en waar noodzakelijk getoetst. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat er geen onevenredige aantasting zal zijn van de in het gebied aanwezige waarden.

d.

De verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. Zoals is uitgewerkt in paragraaf 5.3 van onderhavige onderbouwing zal er een toename zijn in de verkeersaantrekkende werking van de beoogde functie. Echter zal deze toename niet leiden tot een onevenredige aantrekkende werking. De Postelsedijk heeft voldoende capaciteit om de toename in lichte verkeersbewegingen te kunnen afwikkelen.

Pagina 25 van 57

e. De verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. Zoals is uitgewerkt in hoofdstuk 5 van onderhavige onderbouwing zal de nevenactiviteit geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven.

f

Het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast. Zoals is uitgewerkt in hoofdstuk 5 van onderhavige onderbouwing zal het woon- en leefklimaat door de toevoeging van de nevenactiviteit niet onevenredig worden aangetast.

Pagina 26 van 57

5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Op grond van het bepaalde in het Bkl dient te worden aangetoond of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de relevante milieu­ hygiënische en planologische aspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.1. m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over projecten. Het gaat hierbij enkel om projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor dergelijke projecten moet worden beoordeeld of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Indien een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze projecten moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een drone-experience-center als nevenactiviteit bij het bestaand agrarisch bedrijf. De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in Bijlage V van het omgevingsbesluit. Het opstellen van een m.e.r. beoordeling is daarom niet noodzakelijk.

5.2. Gezondheid 5.2.1. Volksgezondheid Gezondheidsrisico's zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd.

Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt.

Pagina 27 van 57

De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de projectlocatie ligt aan de Postelsedijk 13a op een afstand van circa 500 meter. Dit betreft een rundveehouderij. Voor rundveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezien de grote afstand van de projectlocatie tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de projectlocatie. Gezondheidsrisico's zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv.

diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.

5.2.2. Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden, zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevant component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; - Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.

De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof

Pagina 28 van 57

norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico's onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III' gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd.

Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.

5.2.3. HandeUngsperspectieven veehouderij en volksgezondheid Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie 'Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het dichtstbijzijnde intensieve veehouderijbedrijf heeft een fijnstofemissie (PM10) van 802,06 kg PM10 per jaar.

Dit betreft een varkenshouderij en is gelegen aan de Postelsedijk 11a te Reusel. Met behulp van het Endotoxine toetsingskader 1.0 is de minimale afstand berekend van de veehouderij tot aan het projectlocatie. Deze richtafstand bedraagt 170 meter. Het bouwvlak van de varkenshouderij aan de Postelsedijk 11a ligt op 850 meter van de projectlocatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ter

Pagina 29 van 57

plaatse van de projectlocatie voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3.

5.3. Verkeersgeneratie, - afwikkeling ä parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten. Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor een drone-experience-center. Er wordt derhalve aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers en de verkeersgeneratie voor een hogeschool.

5.3.1. Verkeersgeneratie De beoogde ontwikkeling heeft een kleine toename van het aantal vervoersbewegingen tot gevolg. Dit gaat met name om lichte vervoersbewegingen aangezien het enkel gaat om een toename van vervoersbewegingen ten behoeve van het drone-experience-center. De vervoersbewegingen ten behoeve van het agrarisch bedrijf zulle niet veranderen, aangezien hier geen veranderingen in plaatsvinden. Een drone-experience-center staat niet letterlijk benoemd in de CROW, derhalve wordt aansluiting gezocht bij een hogeschool in niet stedelijk gebied. Ten behoeve van het drone-experiencecenter zullen in totaal 19,4 vervoersbewegingen per 100 studenten plaatsvinden op basis van de CROW. De projectlocatie ligt aan de Postelsedijk. Een verharde weg die zorgt voor ontsluiting tussen Reusel en België. Deze weg wordt dagelijks gebruikt door duizenden auto's en honderden vrachtwagens conform de Staat van Mobiliteit Brabant. De weg wordt ontsloten door de Reuselseweg en Sleutelstraat. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen. 5.3.2. Parkeren Naast de afwikkeling van vervoersbewegingen dient tevens te worden gekeken naar het aspect parkeren. Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden.

De gemeente Reusel-De Mierden heeft in het Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan aangegeven dat de landelijk gehanteerde parkeernormen uit de CROW-publicatie 317 leidend zijn voor de gemeente. De gemeente hanteert het gemiddelde van de bandbreedte van de landelijke richtlijnen. Inmiddels is de publicatie 317 geactualiseerd. Het gemiddelde van het kencijferbandbreedte van de CROW-publicatie 381 is als norm gehanteerd. Er is uitgegaan van de gemiddelde cijfers buitengebied, niet stedelijk. Op de projectlocatie is in de huidige situatie reeds een bestaande bedrijfswoning aanwezig. Deze woning blijft in de beoogde situatie behouden. Voor een vrijstaande koopwoning, gelegen in het buitengebied, geldt op basis van voornoemde CROW-publicatie een minimale parkeernorm van 2,0 en een maximale parkeernorm van 2,8 per woning. Het CROW maakt geen onderscheid in de parkeernorm ten behoeve van een agrarische bedrijfswoning of ten behoeve van een niet-agrarische bedrijfswoning. Ten behoeve van de bedrijfswoning op de projectlocatie vinden geen wijzigingen plaats ten opzichte van de huidige situatie. Bij de bestaande bedrijfswoning is reeds voldoende ruimte gecreëerd voor het parkeren van drie voertuigen. In de CROW-publicatie zijn geen parkeernormen opgenomen voor de hoofdcategorie 'agrarisch bedrijf'.

De hoofdcategorie die hierbij het beste aansluit is de categorie berken' met functie 'Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief'. De projectlocatie is gelegen in het 'Buitengebied (niet stedelijk)'. Op basis van de CROW geldt hier een minimale parkeernorm van 0,8 en een maximale parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. In de huidige situatie zou dit enkel voor de agrarische bedrijfsactiviteiten die ter plaatse van de projectlocatie worden uitgeoefend betekenen dat bij een huidig bvo van (circa) 18.714 m2 (gebouwen die enkel t.b.v. de agrarische bedrijfsvoering in gebruik zijn) een minimale en maximale parkeerbehoefte bestaat van 150 - 243 parkeerplaatsen. Op basis hiervan blijkt dat het opnemen van parkeernormen per m2 bvo niet reëel te noemen is voor agrarische bedrijven. Het bvo bij een agrarisch bedrijf is niet gerelateerd aan de arbeidsintensiteit en bezoekersintensiteit van het bedrijf. Agrarische bedrijven omvatten vaak een grote

Pagina 30 van 57

bedrijfsvloeroppervlakte, maar dat is niet gerelateerd aan personen. De oppervlakte bvo bij agrarische bedrijven is benodigd ten behoeve van het opslaan van oogst, stalling van grote machines en de opslag van agrarische producten en materialen. Op het bedrijf op de projectlocatie zullen maximaal 15 personen, inclusief stagiaires, werkzaam zijn in de beoogde situatie. Reëel is het om voor het agrarisch bedrijf uit te gaan van een parkeerbehoefte van 20 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte bestaat uit het parkeren voor personeel en het parkeren voor adviseurs/specialisten/vertegenwoordigers die het bedrijf bezoeken. Bovendien zullen op locatie ook parkeerplaatsen gerealiseerd worden voor zwaar verkeer. Onderhavige onderbouwing ziet op de aanvraag omgevingsvergunning voor het toestaan van een nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf in de vorm van een drone-experience-center. Een droneexperience-center staat niet letterlijk benoemd in de CROW. Het experience-center wordt bezocht door studenten, gebruikers, leveranciers en ondernemer. Derhalve wordt aansluiting gezocht bij een hogeschool in niet stedelijk gebied en/of avondonderwijs in niet stedelijk gebied. Voor een hogeschool dienen volgens de CROW 12,9 parkeerplaatsen per 100 studenten te worden gerealiseerd en volgens de CROW dient voor avondonderwijs 11,5 parkeerplaatsen per 10 studenten te worden gerealiseerd.

In het experience-center is ruimte om 100 personen te ontvangen. Op basis van de bovenstaande norm zijn derhalve (12,9 x (100/100) ^ 13 parkeerplaatsen benodigd en/of (11,5 x (100/10) ^ 115 parkeerplaatsen benodigd. Gezien dat er een combinatie van deze twee categorieën de locatie bezoeken, wordt het gemiddelde van de twee kengetallen aangehouden. Derhalve zijn (13 + 15 ^ 64 benodigd. Zoals te zien op Afbeelding 7 zullen er op de projectlocatie 68 parkeerplaatsen gerealiseerd worden ten behoeve van het drone-experience center. Daarnaast worden ook 3 busparkeerplaatsen gerealiseerd. Doorgaans zullen groepen de locatie bezoeken door middel van touringcars waarbij er dus gebruikt wordt van de busparkeerplaatsen. Indien noodzakelijk is er aan de straatzijde van het bedrijf voldoende erfverharding aanwezig om 47 auto's te parkeren. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de projectlocatie ruim voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd zal worden. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.

5.4. Natuur Het onderdeel natuur is onder de Omgevingswet onderverdeeld onder de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

5.4.1. Gebiedsbescherming Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West en de Belgische gebieden Ronde Put en Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.

Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand

Pagina 31 van 57

gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Nederlandse Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 10,5 kilometer ligt. Het dichtstbijzijnde liggende Belgische Natura 2000-gebied betreft Ronde Put, dat op een afstand van circa 200 meter ligt. Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn er berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase gemaakt.

Uit deze berekeningen blijkt dat de aanleg- en gebruiksfase niet zullen leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlagen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Ronde Put leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.

5.4.2. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Pagina 32 van 57

Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Postelsedijk 15 zullen naar verwachting geen beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. De nevenactiviteit in de vorm van een drone-experience-center zal namelijk gerealiseerd worden binnen het bestaande bouwvlak. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is derhalve niet noodzakelijk.

5.4.3. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in artikel 11.3 van het Bal vloeit voort uit de Wet natuurbescherming en de Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bal geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is.

5.5. Activiteiten- en milieuzonering Het omgevingsplan van een gemeente bevat de regels voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. In het omgevingsplan worden regels gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Voor het gehele grondgebied van de gemeente bevat het omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze regels kunnen dus onder andere worden gesteld voor activiteiten. De handreiking 'Activiteiten en Milieuzonering' is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een passende locatie ten opzichte van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de milieuwaarden en bijbehorende contouren in beeld te brengen.

Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk milieuaspecten geur en geluid. De handreiking geeft voor beide aspecten de milieuwaarden voor verschillende activiteiten. Aan deze milieuwaarden kunnen contouren worden gekoppeld. Deze contouren zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct

Pagina 33 van 57

naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype 'rustig buitengebied'. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Een drone-experience-center is niet specifiek opgenomen in de tabel richtafstanden, om deze reden wordt aangesloten bij Scholen voor beroeps-, hoger en overige onderwijs'. Een bedrijf in deze categorie behoort tot milieuwaarde 1 voor het aspect geluid en milieuwaarde FM voor het aspect geur. Voor een bedrijf uit deze milieuwaarden bedraagt de milieucontour 30 m voor het aspect geluid en 10 voor het aspect geur. De dichtstbijzijnde woning van derden in Nederland, aan de Postelsedijk 13a, bevindt zich op een afstand van ca. 560 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Postelsedijk 15. De dichtstbijzijnde woning van derden in België, aan de Reuselseweg 62 te Mol, bevindt zich op een afstand van ca.

185 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Postelsedijk 15 Er kan worden geconcludeerd dat er op grond van de activiteiten- en milieuzonering een evenwichtige toedeling van de functie op de locatie is.

5.6. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Conform artikel 8.17 van het Bkl dienen bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bepaalde omgevingswaarden in acht te worden genomen. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

5.6.1. Niet in betekenende mate Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 30Zo grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ^iet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties;

Pagina 34 van 57

-

Combinatie van woningbouw en kantoren; Categorie inrichtingen.

Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 pg/m3. Dat is 30Zo van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoogde drone-experience-center dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie 'Niet In Betekenende Mate' bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW. Een drone-experience-center staat niet letterlijk benoemd in de CROW, derhalve wordt aansluiting gezocht bij een hogeschool in niet stedelijk gebied. Ten behoeve van het drone-experience-center zullen in totaal 19,4 vervoersbewegingen per 100 studenten plaatsvinden op basis van de CROW.

Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 19,4 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.

Afbeelding 12: Uitsnede NIBM-tooi

De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

5.6.2. Woon- en leefklimaat Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 pg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 pg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een

Pagina 35 van 57

grenswaarde van 40 pg/m3. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14,19 pg/m3, voor PM2,5 8,091 pg/m3 en voor NO2 9,387 pg/m3, zie Afbeelding 13, Afbeelding 14 en Afbeelding 15. Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN)

Fi n stof (PM10

|| 2025 (gegevens 2023) v | ["download

Fijn stof (PM10) [pg/m3] < 14

20 - 22

Detai

informatie

140235, 369978

Reuse -De Mierden

Gebruik van de kaart

- Openen: selecteer een kaartlaag en een jaar

- Verschuiven: gebrjik de pijltjes, of klik en schuif - Zoomen: [ + J en [-J, of: «SHIFTs-k k er een rechthoek trekken - Waarde opvragen: klik in de kaart

Afbeelding 13: Uitsnede GCN en GDN kaart, fijnstof (PM10), projectlocatie rood omcirkeid

Pagina 36 van 57

Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN)

Fijn stof (PM2.5) Fijn stof (PM2,5) Įpg/m3]

< 6 6-S

v 12025 (gegevens 2023) v | download ļ

Û

\

CD

\

XT

8 - 10

û

10 - 12

\

12 - 14

Bladel

i

>= 14

Detail informatie

Reusel-De Mierden

Locatie:

140236, 369979

Gridcelwaarde:

8.091

O

......

-..........

Gebruik van de kaart - Openen: selecteer een kaartlaag en een jaar - Verschuiven: gebruik de pijltjes, of klik en schuif - Zoomen: Į + ] en [-], of: ^HIFT:»klik en een rechthoek trekken

- Waarde opvragen: klik in de kaart

kilometers 0

0.25

0.50

z

Afbeelding 14: Uitsnede GCN en GDN kaart, fijnstof (PM25), projectiocatie rood omcirkeid Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland GCN en GDN

Stikstofdioxide iN02)

| 2025 (gegevens 2023) v |r~download~l

Stikstofdioxide (N02) [ļjg/m3] < 10

Reuse Dc Mierden Detai

informatie

140235, 369979

Gebruik van de kaart

- Openen: selecteer een kaartlaag en een jaar - Verschuiven: gebrj k de pijltjes, of

k k en schuif - Zoomen: [ + 1 en [-1, of: ^HIFT:»-

k k en een rechthoek trekken - Waarde opvragen: klik in de kaart

Afbeelding 15: Uitsnede GCN en GDN kaart, stikstof (NO2), projectiocatie rood omcirkeid

Pagina 37 van 57

'

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.7. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de omgeving van de projectlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De projectlocatie ligt wel binnen het geluidszone van de Postelsedijk. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig gebouw opgericht. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de projectlocatie. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

5.8. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

5.8.1. Toelichting risico's en aandachtsgebieden De externe veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het aandachtsgebied. Onderstaand worden deze risico's nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario's. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10­ 8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval.

Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Aandachtsgebied Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen

Pagina 38 van 57

levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied - explosieaandachtsgebied - gifwolkaandachtsgebied

Regelgeving Plaatsgebonden risico 5.8.2.

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen. Een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: ^ Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; ^ Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;

Pagina 39 van 57

^ ^

Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de EV-signaleringskaart, zie Afbeelding 16.

De ontwikkeling voorziet niet in het realiseren van een nieuw kwetsbaar object of het verplaatsen van een kwetsbaar object waardoor nadere toetsing niet van toepassing is. In de omgeving van de projectlocatie wordt echter in de toekomst wel een windturbinepark gerealiseerd. Circa 300 meter ten zuidoosten van de projectlocatie is één van de windturbines geprojecteerd. Aangezien initiatiefnemer mede-eigenaar is van het windturbinepark is initiatiefnemer bevoegd om de windturbine (tijdelijk) stil te zetten, wanneer dit voor het drone-airport noodzakelijk wordt geacht. De verwachting is dat dit zelden noodzakelijk zal zijn. de reguliere vlieghoogte van agrarische drones bedraagt circa 60 meter boven het maaiveld van de landbouwpercelen. De onderste zijde van de tip van de wieken van de windmolen is gepland op 86 meter boven het maaiveld. Zoals in de bovenstaande afbeelding te zien is, is een bovengrondse opslagtank voor propaan op de locatie aanwezig. Deze propaantank heeft een inhoud van 9,1 m3. In het Bal zijn hiervoor regels opgenomen. Conform tabel A.7 uit het Bkl is een brandaandachtsgebied van 20 meter en een explosieaandachtsgebied van 50 meter van toepassing. Binnen deze aandachtsgebieden zijn aardappelbewaarplaatsen en een sorteerruimte aanwezig.

Deze gebruiksfunctie kan worden gezien als lichte industriefunctie in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en uit tabel 4.90 van het Bbl gelden geen extra voorschriften voor dit type gebruiksfunctie. Voor een tank met een inhoud van meer dan 5 m3 maar niet meer dan 13 m3 met niet meer dan 5 bevoorradingen per jaar geldt conform tabel 4.899 uit het Bal een afstand 50 meter tot zeer kwetsbare

Pagina 40 van 57

gebouwen en 15 meter tot beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Binnen 15 meter zijn geen gebouwen of locaties gelegen. De loodsen zijn gelegen op minimaal 27 meter en betreft een beperkt kwetsbaar gebouw conform Bijlage VI van het Bkl. Het experience center is op circa 75 meter gelegen en valt daarmee buiten de contour van 50 meter. De Derhalve wordt voldaan aan de afstandseisen uit tabel 4.899 in het Bal. Tevens is op de locatie is aan de straatzijde een bluswatervoorziening aanwezig van 70 m3. Aan de oostzijde van het perceel is een schoonwater-bassin van 600 m3 (opvang hemelwater) aanwezig. hier kan de brandweer in geval van calamiteiten ook gebruik van maken. In medio januari 2025 heeft de brandweer de bluswatervoorzieningen in kaart gebracht en goedgekeurd. De brandweer heeft het advies aan de gemeente gegeven om dit bij aanvrager te controleren. In de bijlage is het testrapport van bluswatervoorziening bijgevoegd. PM

5.9. Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het omgevingsplan.

5.9.1. Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. De gronden ter plaatse van de beoogde bebouwing zijn nu en in het verleden in gebruik als landbouwgrond. De gronden zijn ter plaatse ernstig verstoord door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden zoals diepploegen en -woelen. Daarnaast vindt de bouw van de nieuwe bebouwing plaats nabij bestaande bebouwing voor het agrarisch bedrijf. Ten tijde van de bouw van deze bestaande bebouwing is de grond rondom verstoord door bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Tevens worden mogelijk aanwezige archeologische waarden in situ behouden doordat de gronden ter plaatse van de uitbreiding slechts tot funderingsdiepte worden afgegraven in de bovenste grondlaag. In de bovenste grondlaag zijn het aantreffen van archeologische waarden nihil. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk.

Bovendien is de locatie, volgens de archeologische verwachtingen- en waardenkaart 2021 van de gemeente Reusel-De Mierden, gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde, zie onderstaande afbeelding.

Pagina 41 van 57

Afbeelding 17: Uitsnede archeologische verwachtingen- en waardenkaart2021, projectiocatie omcirkeid

5.9.2. Cultuurhistorie en iandschap Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectiocatie niet in gebied ligt met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie Afbeelding 18. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.

Pagina 42 van 57

Afbeelding 18: Uitsnede OV, projectiocatie met rode aanduiding weergegeven

De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed ais een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. De CHW-kaart bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW weergeven.

Historische geografie Zeer hoog Hoog Redelijk hoog

Afbeelding 19: Uitsnede CHW-kaart, projectiocatie rood omcirkeld

Pagina 43 van 57

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de projectlocatie is gelegen nabij een redelijk hoge historische geografie en historisch groen. Echter heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op deze cultuurhistorische waarden. De beoogde ontwikkeling vindt namelijk plaats bij het bouwvlak van de projectlocatie welke intensief in gebruik is. De cultuurhistorische waarden zullen hierdoor niet worden geschaad. Bovendien blijkt uit de cultuurhistorische waardenkaart 2021 van de gemeente Reusel-De Mierden dat de projectlocatie niet is gelegen binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied, zie onderstaande afbeelding.

Afbeelding 20: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart2021, projectlocatie omcirkeid

Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente niet zullen worden aangetast door de beoogde ontwikkeling.

5.10. Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IlIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:

Pagina 44 van 57

^

^ ^ ^

Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico's met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico's zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Binnen het drone-experience-center zullen mensen langer dan 2 uur verblijven. Er is daarom door Silt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 7.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico's voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling.

5.11.

Weging van waterbelang

In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=fcadb8f3-0e8d-4d2d-8232-8674809a64fe