CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[25.11823] 3. GoFlo BOPA Postelsedijk 15 Reusel (27-5-2025)

Gemeenteraad 1 juli 2025, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning aan de Postelsedijk 15 in Reusel20.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

DUN ADVIES partner in het buitengebied

Ruimtelijke onderbouwing Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Postelsedijk 15 te Reusel

o n

Colofon

Projectlocatie:

Postelsedijk 15, 5541 NM Reusel

Datum:

21-10-2024, gewijzigd 24-3-2025, 27-5-2025

Opgesteld door:

Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl

Kenmerk:

04016.051/BK

Pagina 2 van 57

Inhoudsopgave 1. Inleiding.............................................................................................................5 1.1.

Inleiding ŭ aanduiding projectgebied............................................................................ 5

1.2.

Omgevingsvergunning buitenplanseomgevingsplanactiviteit (BOPA)........................ 5

1.3.

Leeswijzer.........................................................................................................................6

2. Huidige en toekomstige situatie....................................................................... 7 2.1.

Huidige situatie - ruimtelijk en functioneel...................................................................7

2.2.

Toekomstige situatie....................................................................................................... 8

2.2.1. 2.2.2. 2.3. 2.3.1.

Functionele ontwikkeling en programma..............................................................8 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in omgeving............................................... 11 Participatie......................................................................................................................13 Participatie omgeving............................................................................................13

3. Visie en beleid op locatie..................................................................................14 3.1. 3.1.1. 3.1.2. 3.2. 3.2.1. 3.2.2.

Provinciaal beleid........................................................................................................... 14 Omgevingsvisie Noord-Brabant........................................................................... 14 Omgevingsverordening Noord-Brabant.............................................................. 14 Gemeentelijk beleid...................................................................................................... 21 Omgevingsvisie..................................................................................................... 21 Nota ruimtelijke kwaliteit......................................................................................22

4. Toetsing aan het Omgevingsplan .................................................................... 24 5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ....................................................... 27 5.1.

m.e.r.-beoordeling .........................................................................................................27

5.2.

Gezondheid.................................................................................................................... 27

5.2.1. 5.2.2.

Volksgezondheid....................................................................................................27 Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden...................................... 28

5.2.3.

Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid.............................. 29

5.3. 5.3.1. 5.3.2. 5.4.

Verkeersgeneratie, - afwikkeling ŭparkeren.............................................................. 30 Verkeersgeneratie................................................................................................. 30 Parkeren.................................................................................................................30 Natuur.............................................................................................................................31

5.4.1.

Gebiedsbescherming.............................................................................................31

5.4.2. 5.4.3.

Soortenbescherming.............................................................................................32 Bescherming van houtopstanden........................................................................33

5.5.

Activiteiten- en milieuzonering.................................................................................... 33

5.6.

Luchtkwaliteit.................................................................................................................34

5.6.1. 5.6.2.

Niet in betekenende mate................................................................................... 34 Woon- en leefklimaat............................................................................................35

5.7.

Geluid..............................................................................................................................38

5.8.

Omgevingsveiligheid..................................................................................................... 38

Pagina 3 van 57

5.8.1.

Toelichting risico's en aandachtsgebieden......................................................... 38

5.8.2.

Regelgeving........................................................................................................... 39

5.9.

Archeologie, cultuurhistorie en landschap..................................................................41

5.9.1. 5.9.2.

Archeologie............................................................................................................ 41 Cultuurhistorie en landschap................................................................................42

5.10.

Bodem............................................................................................................................ 44

5.11.

Weging van waterbelang ..............................................................................................45

5.11.1. 5.11.2.

Waterrelevant beleid.............................................................................................45 Bestaande waterhuishoudkundige situatie......................................................... 48

5.11.3.

Beoogde waterhuishoudkundige situatie ............................................................49

5.12.

Technische infrastructuur.............................................................................................52

5.12.1.

Ondergrondse leidingen....................................................................................... 52

5.12.2.

Hoogspanningslijnen.............................................................................................52

5.12.3.

Radarverstoringsgebied........................................................................................ 53

6. Financiële haalbaarheid...................................................................................54 7. Planologische afweging...................................................................................55 8. Bijlagen............................................................................................................ 56

Pagina 4 van 57

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de inleiding, de aanleiding voor het opstellen van een Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen.

1.1. Inleiding ä aanduiding projectgebied Op de projectlocatie aan de Postelsedijk 15 te Reusel wordt een grootschalig akkerbouwbedrijf geëxploiteerd, waar circa 12 fulltime arbeidskrachten werkzaam zijn. Het bedrijf is in de wijde omgeving bekend als een innovatief bedrijf wat streeft naar precisielandbouw. Op het bedrijf wordt reeds 16 jaar geëxperimenteerd Z onderzoek gedaan naar high-tech landbouwtechnieken. Uit onderzoek blijkt dat de adoptie van precisielandbouw (vooral de combinatie van plaatsspecifieke metingen en variabele teeltmaatregelen) vooralsnog beperkt blijft tot een klein gedeelte van de markt. Om de adoptie van precisielandbouw te versnellen, is meer toegepaste kennis, onderzoek en innovatie nodig en bestaat behoefte aan een onafhankelijk praktijkcentrum. Aangezien een onafhankelijk praktijkcentrum voor precisielandbouw op de zuidelijke zandgronden ontbrak, is samen met partners HAS, Wageningen UR, TU Eindhoven en ZLTO het 'praktijkcentrum voor precisielandbouw' ter plaatse opgestart. Het bedrijf is voornemens de bestaande aardappelschuur te herontwikkelen voor de realisatie van een droneexperience-center (Agro-Campus). In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2023', heeft de locatie de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' met een bouwvlak.

Het voornemen is om het bestaande bouwvlak te vergroten en een agrarisch expertisecentrum met opstijg- en landingsbaan voor drones als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf te realiseren. Het voornemen van initiatiefnemer is niet mogelijk binnen de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2023'. Derhalve wordt een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd om af te wijken van de regels.

1.2. Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Voor het gewenste initiatief wordt een Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); b. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) geldt doorgaans de reguliere procedure. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de Omgevingswet dat bij de verlening van omgevingsvergunningen zoveel mogelijk de reguliere procedure wordt gevolgd. De beslistermijn voor de reguliere procedure is maximaal 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken.

In sommige gevallen geldt voor de BOPA de uitgebreide procedure: als dit is aangewezen in de Omgevingswet en/of het Omgevingsbesluit op verzoek van de aanvrager als het bevoegd gezag deze van toepassing verklaart De uitgebreide procedure is van toepassing op de BOPA als de aanvrager hierom heeft verzocht of heeft ingestemd met het toepassen van de uitgebreide procedure (artikel 16.65, lid 1, onder b, Omgevingswet). Het bevoegd gezag kan de uitgebreide procedure van toepassing verklaren op de BOPA (artikel 16.65, lid 4, Omgevingswet). In de uitgebreide procedure beslist het bevoegd gezag binnen 26 weken na een aanvraag.

Pagina 5 van 57

Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit tegelijkertijd met, of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Nadat het besluit bekend is gemaakt kan er gedurende 6 weken bezwaar of beroep op het besluit worden ingediend bij de Rechtbank. Daarna volgt eventueel nog de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het besluit na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk.

1.3. Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding van de omgevingsplanactiviteit is beschreven. Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt de functionele ontwikkeling, ruimtelijke uitstraling en inpassing van de toekomstige situatie beschreven. Tot slot wordt ingegaan op de resultaten van de omgevingstafel, het vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 3 wordt het geldende beleid uiteengezet waarbij gemotiveerd wordt op welke wijze de ontwikkeling past binnen de geldende kaders en visie/doelen voor het gebied. In hoofdstuk 4 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de planologische afweging van het initiatief.

Pagina 6 van 57

2. Huidige en toekomstige situatie In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de projectlocatie.

2.1. Huidige situatie - ruimtelijk en functioneel Zoals reeds in de inleiding is omschreven wordt op de projectlocatie een grootschalig akkerbouwbedrijf geëxploiteerd. De locatie aan de Postelsedijk 15 te Reusel is gelegen in het buitengebied op circa 3,9 kilometer van de bebouwde kom van Reusel. Het plangebied bestaat uit het kadastrale perceel gemeente Reusel, sectie G, nummer 338. Op dit perceel bevindt zich in de huidige situatie enkele aardappelschuren. Het bestaande bouwvlak aan de Postelsedijk 15 is circa 2,85 ha groot, het gekoppelde bouwvlak aan de Grensweg ong. is 0,25 ha groot. Op Afbeelding 1 is de ligging van de planlocatie weergegeven. De bestaande bedrijfsgebouwen dienen in de bestaande situatie als aardappelbewaarplaatsen, wasserij van de aardappelen, machine- en werktuigenberging en werkplaats. Het agrarisch bedrijf op de projectlocatie betreft een volwaardig grootschalig akkerbouwbedrijf en wordt in de wijde omgeving gezien en erkend als 'boerderij van de toekomst'. Dit is onder andere geconstateerd tijdens het werkbezoek van Koninklijke Hoogheid Prinses Beatrix op 9 november 2012, onder het toeziend oog van de (destijds) commissaris van de Koningin Wim v/d Donk en oudburgemeester Harrie Tuerlings en recent (15-10-2022) nog door de oud-gedeputeerde mevr. Elies Lemkes-Straver.

Op de boerderij van de toekomst wordt meer strategisch en gebiedsgericht gekeken om doelen te halen, waarbij ook de keten en de markt niet vergeten worden om een bijdrage te leveren. Dat sluit aan bij advies van de Raad van de leefomgeving en infrastructuur (Rli) die zegt dat de overheid moet bevorderen dat banken, afzetcoöperaties, inkoopcombinaties van supermarkten en dus ook de consument moeten bijdragen aan verduurzaming.

Afbeelding 1: Ligging projectlocatie

Om de benodigde en versnelde en bredere adoptie van precisielandbouw mogelijk te maken, richt het Praktijkcentrum zich op de volgende afgeleide doelstellingen en activiteiten: - Toegankelijk maken van data en meetgegevens voor (collectief) gebruik door agrarische bedrijven, toeleveranciers, verwerkende industrie en kennisinstellingen; - Gezamenlijke toepassingen in technologie, gebruiksvriendelijke interfaces en analysemethoden ontwikkelen; - Bieden van demo- en testfaciliteiten voor fabrikanten en afnemers; - Faciliteren van pilots binnen het Praktijkcentrum en op locatie; - Verdere kennisopbouw door toegepast onderzoek met onderzoekspartners. De afgelopen jaren heeft het bedrijf van initiatiefnemer veel kennis opgedaan in de precisielandbouw en aardappelteelt doormiddel van proeven. Met deze kennis hebben zij het management verbeterd en een hogere opbrengst weten te bereiken. Als de precisielandbouw nader wordt bekeken wordt gezien dat technisch van alles mogelijk is, maar het vooral ontbreekt aan kennis en validatie. Dit vormt de

Pagina 7 van 57

grootste bedreiging voor de precisielandbouw en al hun toeleveranciers. Om deze kennis toch te kunnen delen werkt initiatiefnemer al jaren met veel studenten op het bedrijf. Deze helpen met alle werkzaamheden en besturen en bedienen de machines maar helpen ook met de proeven en met bemonsteren en analyseren. De meeste van deze studenten werken nu in de precisie landbouwsector. In 2016 is een nieuw bedrijf opgericht, 'Het Praktijk Centrum Voor Precisie Landbouw'. Dit bedrijf begeleid boeren met de start van precisielandbouw en doet benchmarking van producten en machines aan de hand van proeven. De vraag naar dit soort onderzoeken blijft stijgen. Om deze reden zal aanvrager deze tak dus verder gaan professionaliseren in de toekomst. Ook kunnen zij op deze manier ervaring op doen met nieuwe producten en machines, en deze toepassen in de aardappelteelt. Voor de toekomst ziet aanvrager ook nog een andere grote kans in kennis delen. In de afgelopen jaren werden zij namelijk steeds vaker benaderd door grote bedrijven, toeleveranciers en verwerkers met de vraag of aanvrager ook training kan geven in precisielandbouw. Er is een grote behoefte aan getraind personeel met ervaring in de precisielandbouw. Ook vanuit de agrariërs bestaat er een grote interesse in precisielandbouw.

2.2. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is het voornemen om het bestaande bouwvlak te vergroten. Daarnaast is het voornemen om een agrarisch expertisecentrum met opstijg- en landingsbaan voor drones als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf te realiseren. De hoofdactiviteit is en blijft de landbouw, specifiek gericht op de teelt van aardappelen. De bestaande activiteiten en werkzaamheden in de bestaande bedrijfsgebouwen wijzigen niet. De gewenste verbreding wordt gezien als nevenactiviteit.

2.2.1. Functionele ontwikkeling en programma In een samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en overheid wordt gezocht naar teeltsystemen en technologieën als oplossing voor de vraagstukken van deze tijd, zoals efficiënter grondstoffen- en middelengebruik, kringlooplandbouw en biodiversiteit. Dit sluit naadloos aan bij de werkwijze en visie van initiatiefnemer. De definitie van precisielandbouw is: 'de juiste teeltmaatregel, op de juiste plek, op het juiste moment toe passen'. Het is dus belangrijk dat er meerdere terugkomende tijdstippen van toepassing zijn, meerdere locaties bij betrokken zijn en de toegepaste hoeveelheid moet veranderen (laag, hoog, aan of uit). Het gebruik van sectieafsluiting of RTK-GPS/GNSS op de trekker is dus geen precisielandbouw, maar een precisietechniek. Sectieafsluiting en RTK-GPS/GNSS maken gebruik van meerdere locaties en verschillende hoeveelheden, terugkomende tijdstippen ontbreken echter. Om iets tot precisielandbouw te rekenen moeten alle drie de onderdelen terugkomen. Precisielandbouw streeft naar het zo efficiënt mogelijk inzetten van de input, met als doel om de output, het teeltrendement en het uiteindelijke saldo van de teelt, zo hoog mogelijk te krijgen. De planlocatie van initiatiefnemer is uiterst geschikt voor de realisatie van een gebouw waarin les- en cursusruimtes kunnen worden gerealiseerd.

Door les te kunnen geven op de planlocatie, komen theorie en praktijk dicht bij elkaar, wat een positief effect heeft op de kennis van studenten, gebruikers, leveranciers en ondernemer. Dit biedt belangrijke synergievoordelen voor de verschillende doelgroepen. Initiatiefnemer wenst een eigen Precisie Academy te realiseren op locatie, als nevenfunctie bij zijn agrarisch akkerbouwbedrijf. Voor de gewenste ontwikkelingen dient het bestaande bouwvlak te worden vergroot. Het bouwvlak zal tot circa 3,93 ha vergroot worden. Er is daarmee een vergroting van circa 1,08 ha. Het gekoppelde bouwvlak aan de Grensweg ong. blijft ongewijzigd. Daarnaast dient de realisatie van een agrarisch expertisecentrum met opstijg- en landingsbaan voor drones als nevenactiviteit planologisch te worden geborgd. De realisatie van de gewenste precisie academie zal gedeeltelijk binnen en gedeeltelijk buiten het bouwvlak worden gerealiseerd. Net buiten het bouwvlak zal een bouwwerk worden gerealiseerd waarin onderdelen en materialen worden opgeslagen voor de drones. Bovenop het gebouw zal de opstijg- en landingsbaan voor de drones worden gerealiseerd. Het is wenselijk dat dit gebouw net achter het bestaande bouwvlak wordt gerealiseerd, zodat vanuit de opstijg- en landingsbaan voor de drones zicht is op de achterliggende percelen en over het beoogde fieldlap.

De realisatie van het praktijkcentrum zal plaatsvinden binnen het bestaande bouwvlak. Naar verwachting zullen niet dagelijks groepen ontvangen worden op het drone-experience-center. Daarnaast zal er gemiddeld een grote groep per week ontvangen worden. De lessen/cursussen worden

Pagina 8 van 57

alleen op afspraak gegeven/gehouden. De locatie zal alleen op deze momenten bezocht kunnen worden door bezoekers. De beoogde niet-agrarische activiteit zal enkel plaatsvinden binnen het beoogde droneexperience center. Het experience-drone-center zal een oppervlakte van circa 465 m2 krijgen. Daarbij zal de gebruiksoppervlakte circa 723,9 m2 bedragen en de brutovloeroppervlakte 793,9 m2. Het gebouw zal een inhoud van circa 3.821,5 m3 krijgen. In de onderstaande afbeeldingen zijn sfeerimpressies van het gebouw weergeven. In de bijlage is een plattegrondtekening van het gebouw bijgevoegd.

Afbeelding 2: Sfeerimpressie drone-experience-center 1

Afbeelding 3: Sfeerimpressie drone-experience-center 2

Pagina 9 van 57

Afbeelding 4: Sfeerimpressie drone-experience-center 3

In de onderstaande afbeelding is de beoogde situatie de bebouwing en de functie ervan weergegeven. Het kantoor (paars) is zowel in gebruik voor het akkerbouwbedrijf als het drone-experience-center. In de benedenverdieping vinden enkel activiteiten plaats ten dienste van het akkerbouwbedrijf, zoals kantoorruimtes. Op de verdieping zijn kantoren voor o.a. startups, vergaderruimten en presentatieruimten gesitueerd ten behoeve van het drone-experience-center. Ook is op de bovenverdieping een laboratorium aanwezig, deze wordt gebruikt door zowel het akkerbouwbedrijf- als het drone-experience-center. Daarnaast zijn op de verdieping van de werkplaats 3 kamers/studio's ten behoeve van 4 stagiaires aanwezig (roze). De overige bedrijfsgebouwen zijn ten dienste van het akkerbouwbedrijf (groen). Daarnaast zijn er nog twee bedrijfswoningen (oranje) aanwezig. Het droneexperience-center is blauw weergegeven.

Afbeelding 5: Functiekaart beoogde bebouwing

Pagina 10 van 57

Het kantoor heeft een oppervlakte van circa 661 m2. De gebruiksoppervlakte bedraagt circa 1.056,3 m2, de benedenverdieping heeft een gebruiksoppervlakte van 6004,5 m2 en de bovenverdieping een gebruiksoppervlakte van 451,8 m2. Het brutovloeroppervlak bedraagt circa 1.221 m2. Het stageverblijf heeft een brutovloeroppervlakte van circa 70,2 m2 en een gebruiksvloeroppervlakte van circa 61,2 m2. In de onderstaande afbeelding is het beoogde bouwvlak weergeven. Tevens is deze op schaal in de bijlage bijgevoegd. Het bestaande bouwvlak is momenteel 28.500 m2 groot en zal vergroot worden met 10.800 m2 tot een oppervlakte van 39.300 m2. Het gekoppelde bouwvlak aan de Grensweg ong. blijft ongewijzigd. Het bouwvlak zal vergroot worden ten dienste van de extra erfverharding, parkeerplaatsen en het experience-drone-center. Met de gewenste bedrijfsopzet is het experience-drone-center gescheiden van het akkerbouwbedrijf. Daarnaast is het gebouw rondom met landschapselementen ingepast. Vanuit het gebouw is er vrij uitzicht over het naastgelegen field lab, waar de toepassing van landbouwdrones gedemonstreerd en getest wordt. Deze opzet versterkt de belevingswaarde en educatieve functie van de locatie. De extra erfverharding is benodigd voor zowel het akkerbouwbedrijf als het dronecenter en draagt bij aan een efficiënte interne verkeerstromen.

Aan de achterzijde van het bedrijf zijn specifieke parkeerplaatsen ingericht voor vrachtverkeer, ten behoeve van het laden en lossen van onder meer akkerbouwproducten. De toegang tot deze laad- en loslocaties is eveneens voorzien van erfverharding, om een veilige en vlotte verkeersafwikkeling mogelijk te maken. De bezoekersparkeerplaatsen van het experience-drone-center zijn eveneens aan de achterzijde van het perceel gesitueerd, nabij het hoofdgebouw. Deze positionering voorkomt dat bezoekers het terrein van het akkerbouwbedrijf hoeven te doorkruisen, hetgeen de veiligheid verhoogt en de functies ruimtelijk van elkaar gescheiden houdt. Daarnaast is bij de opzet van het dronecenter rekening gehouden met de schaal van de bezoekersgroepen. Om efficiënt ruimtegebruik te faciliteren, zijn op de verdieping van het gebouw extra vergaderfaciliteiten opgenomen. Kortom, de voorgestelde vergroting van het bouwvlak is ruimtelijk en functioneel noodzakelijk om invulling te geven aan de uitbreiding van het bedrijf met het experience-drone-center en bijbehorende voorzieningen. De inpassing is zorgvuldig uitgewerkt en afgestemd op de bestaande en nieuwe functies op het perceel.

Afbeelding 6: Bouwvlak beoogd

2.2.2. Ruimtelijke uitstraling en inpassing in omgeving De projectlocatie ligt net in het oud-agrarisch cultuurlandschap, maar grenst wel direct aan de jonge heideontginningen. Gelet op de ligging aan de Postelsedijk en de daarbij behorende kenmerken van de

Pagina 11 van 57

omgeving, wordt de planlocatie meer gezien als onderdeel van de jonge heideontginningen. De NRK geeft ontwerpprincipes voor bedrijfsbebouwing binnen deze gebieden. De bebouwing van het experience-center voldoet hier niet aan. Er bestaan mogelijkheden om van de 'standaard' af te wijken, mits een extra kwaliteitsverbetering wordt geleverd. Dit kan door een stevigere landschappelijke inpassing en/of de vormgeving van het gebouw. Een initiatief moet altijd een bijdrage leveren aan het versterken, dan wel herstellen van het contrast tussen het open en weidse landschap en een groene uitstraling van het erf. Dit moet gebeuren door het toevoegen van stevige landschapselementen als tegenhanger voor de grote maat en schaal van de bebouwing. Het ruimtelijk beeld van de ontwikkeling is bepalend voor de mate van kwaliteitsverbetering. Hoe meer 'verstening', hoe meer 'landschap' wordt gevraagd. Initiatiefnemer is voornemens deels biobased te bouwen. Bij biobased bouwen wordt gebruik gemaakt van natuurlijk gegroeide materialen, zoals hout, hennep, vlas, bamboe, plaggen, leem, riet, zeewier, stro, klei, lisdodde en miscanthus. Deze planten kunnen zelfs op het eigen bedrijf geteeld worden. Biobased bouwgrondstoffen zijn gemaakt van natuurlijke grondstoffen die na het 'oogsten' snel terug groeien.

Biobased materialen hebben veel voordelen: - Ze zijn een onuitputtelijke bron van grondstoffen want ze groeien snel weer aan; - Ze zijn vaak volledig recyclebaar of composteerbaar; - Ze nemen CO2 op uit de atmosfeer en slaan dit op. Zo compenseert een kuub hout circa 1 ton CO2, dat komt overeenkomt met zo'n 5.000 autokilometers; - Ze zorgen voor een gezond en comfortabel binnenklimaat omdat ze de luchtvochtigheid en temperatuur reguleren, en geen vluchtige organische stoffen (VOS) bevatten; - Ze vergroten de circulaire mogelijkheden van gebouwen, omdat ze vaak makkelijk aan te passen, te demonteren en verplaatsen zijn. Verder is het voornemen op om op het perceel, gelegen achter het beoogde experience-center, een fieldlap aan te leggen. De voorste 20 meter van dit perceel zal worden aangeplant met beplanting die passend is in de omgeving. Het overige gedeelte van dit perceel zal ook landschappelijk worden ingepast. Het beoogde bouwvlak is in de beoogde situatie circa 3,8 ha groot. Op Afbeelding 7 is een situatieschets van de beoogde ontwikkelingen weergegeven.

Afbeelding 7: Situatieschets beoogde ontwikkelingen

De landschappelijke inpassing is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatste aanwezige landschap alsmede de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit' van de gemeente. Binnen de 'NRK' wordt de planlocatie aangeduid als 'Oud-agrarisch cultuur landschap'. Dit wordt geduid als een fraai

Pagina 12 van 57

kleinschalig landschap met onregelmatige kavelstructuren en beemden. Daarnaast werden hier veelal rechtlijnige landschapselementen geplant. Binnen de beoogde situatie wordt een experience-center en een opstijg- en landingsbaan voor drones gerealiseerd. Deze worden middels houtsingels en bestaande struweelhagen ingepast met inheemse beplanting, waarbij de hagen (deels) gerevitaliseerd worden. Het gehele plan sluit hiermee aan op de 'NRK' en het plaatselijke landschap. Daarnaast draagt het sterk bij aan de biodiversiteit en flora & fauna.

2.3. Participatie Voorafgaand aan onderhavige aanvraag is een principeverzoek ingediend bij de gemeente. Op 12 december 2023 heeft de gemeente een principebesluit genomen (kenmerk: Z22003147/23.22505). In dit besluit staat opgenomen dat de gemeente heeft besloten in principe planologische medewerking te verlenen aan het voorgestelde initiatief. Aan de hand van dit besluit is onderhavige aanvraag opgesteld.

2.3.1. Participatie omgeving Initiatiefnemer heeft op respectievelijk 1 augustus en 7 augustus 2024 een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonenden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplan activiteit ten behoeve van het toestaan van een nevenactiviteit bij het akkerbouwbedrijf in de vorm van een drone-experience-center. Een verslag van de dialoog is bijgevoegd als Bijlage 2.

Pagina 13 van 57

3. Visie en beleid op locatie In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het initiatief toegelicht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid.

3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto 'eenvoudig beter', doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma's de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma's is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is 'omgevingskwaliteiť.

Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: 'Brabant heeft een goede ieefomgevingskwaiiteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wetteiijk ais minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-iandschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.' Het tussendoel voor 2030 in dit programma is: 'Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zíjn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevoiie cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en kiimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.' Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle (milieu) wet- en regelgeving wordt voldaan.

Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.1.2. Omgevingsverordening Noord-Brabant De Omgevingsverordening (Ov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Ov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Ov zijn gegroepeerd in

Pagina 14 van 57

hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een omgevingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 5. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de projectlocatie ligt. In dit geval ligt de projectlocatie in de werkingsgebieden 'Beperkingen veehouderij' (gedeeltelijk), 'Groenblauwe waarden', 'Beperkingen grootschalige logistiek', 'Landelijk gebied' en 'Stalderingsgebied', zie Afbeelding 8.

Beperkingen veehouderij - Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur. įjį Groenblauwe waarden - Instructieregels gemeenten: aardkundige, cultuurhistorische en groenb. pį/ļ Beperking grootschalige logistiek - Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwer. Landelijk gebied - Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant Beperkingen veehouderij - Instructieregels gemeenten: specifieke ontwikkelingen en maatwerk |~| Stalderingsgebied - Instructieregels gemeenten: specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Lan.

Afbeelding 8: Uitsnede kaart Omgevingsverordening Noord-Brabant, projectlocatie rood omkaderd

De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen: - 5.46 Groenblauwe waarden; en - 5.78 Niet-agrarische activiteit. De projectlocatie is gelegen nabij het werkingsgebied Natuur Netwerk Brabant (NNB). De concrete ambities voor het NNB staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Aangezien de projectlocatie op minder dan één kilometer van NNB is gelegen wordt later in deze paragraaf getoetst aan artikel 5.31 Ov met betrekking tot de externe werking op het NNB. Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Ov getoetst.

Pagina 15 van 57

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 5.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: zorgvuldig ruimtegebruik; toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Ov nader uitgewerkt in de artikel 5.8 t/m 5.10. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 5.11). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8) Conform artikel 5.8 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied 'Stedelijk gebied' of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 5.129g, onder 2 van het Bkl (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

De beoogde ontwikkeling, het realiseren van een drone-experience-center, vindt gedeeltelijk plaats binnen het bestaande bouwperceel en zal gedeeltelijk plaatsvinden net buiten het bestaande bouwperceel, waardoor een vergroting van het bouwvlak noodzakelijk is. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is er binnen het bestaande bouwperceel niet voldoende ruimte om de noodzakelijke bebouwing te realiseren. Derhalve dient het bestaande bouwvlak te worden vergroot. In onderstaande toetsing is getoetst aan de bepalingen uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de bepalingen, waardoor afgeweken kan worden van het bestaand ruimtebeslag voor het realiseren van een drone-experience-center. Er wordt derhalve voldaan aan de bepaling om te kunnen afwijken van het bestaand ruimtebeslag. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: de ondergrond de netwerklaag de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 5 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 5.10) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Pagina 16 van 57

In deze Bopa wordt meerwaarde gecreëerd door de uitbreiding van het bedrijf te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Daarbij valt op te merken dat er tevens ruim voldoende kwaliteitsverbetering plaatsvindt met het realiseren van de beoogde ontwikkeling. Dit is beschreven onder onderstaand kopje. Kwaliteitsverbetering (artikel 5.11) Een omgevingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het omgevingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Reusel - De Mierden is de Landschapsinvesteringsregeling de Kempen van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling wat betekent dat er kwaliteitsverbetering dient plaats te vinden binnen de projectlocatie.

Om aan te tonen dat binnen de projectlocatie voldoende kwaliteitsverbetering plaatsvindt is er een berekening kwaliteitsverbetering opgesteld. De berekening is bijgevoegd als Bijlage 3 bij onderhavige toelichting. Hieruit valt te concluderen dat door het realiseren van de beoogde ontwikkeling er ruim voldoende kwaliteitsverbetering plaatsvindt. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een maatwerkvoorschrift in het besluit op de Bopa. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 5.11 van de Ov. Externe werking Natuur Netwerk Brabant (artikel 5.31) Een ontwikkeling die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, bepaalt dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. Conform het Natuurbeheerplan is in de nabij omgeving van het plangebied het beheertype 'N16.03 Droog bos met productie' aanwezig, zie Afbeelding 9. Dit beheertype kan bestaan uit meer lichtere bossen door (mengingen van) den, lariks, eik en berk en/of meer donkere bossen (door mengingen) met beuk, Douglas en fijnspar. De armere delen blijven bij spontane ontwikkeling hoofdzakelijk een door dennen-, eiken en beuken gedomineerd bos.

Op de wat rijkere delen leidt spontane ontwikkeling tot een bos waarin (combinaties van) beuk, Douglas, lariks of spar zullen gaan overheersen, vaak ten koste van den en eik. Het bostype combineert productieve soorten en een substantieel aandeel kwaliteitsbomen, met mede door het beheer beïnvloede, verschillende ontwikkelingsfasen, een gevarieerde bosstructuur, menging van boomsoorten en dood hout. De beoogde ontwikkelingen tasten de ecologische en hydrologische waarden en kenmerken van de NNB (zoals hierboven benoemd) niet aan. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Pagina 17 van 57

Afbeelding 9: Uitsnede kaartbank Natuurbeheerpian

Groenblauwe waarden (5.46) Een omgevingsplan ter plaatse van Groenblauwe waarden: a. strekt tot het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken, biodiversiteit en landschappelijke waarden en kenmerken; De beoogde ontwikkeling wordt gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. Tegen het bestaande Natuur Netwerk Brabant aan de oostzijde van de projectlocatie wordt een groenstrook aangelegd, dit zal zorgen voor een ecologische bijdrage voor het bestaande Natuur Netwerk Brabant. Door het combineren van het initiatief met een goede landschappelijke inpassing zullen geen negatieve effecten ontstaan op de ontwikkeling van de natuurwaarden in de groenblauwe mantel. Door de aanleg van de retentievijver kan het hemelwater afstromen naar deze waterberging en wordt wateroverlast voorkomen. b.

bevat een beschrijving van de ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; De projectlocatie is gelegen grenzend aan de beheertype 'Droog bos met productie'. Droog bos met productie bestaat uit verschillende, veelal van oorsprong aangeplante, bosopstanden van den, (winter)eik, beuk, Douglas, lariks of fijnspar. De voedselarmere delen worden grotendeels gedomineerd door den, eik en beuk, op de wat rijkere bodems is er een hogere groei van beuk, Douglas, lariks en spar, met betere mengingsmogelijkheden. Dit bostype is de productievariant van het bostype dennen-, eiken- en beukenbos (zonder productie; 15.02). Het bostype komt voor op een voedselarme tot lemige, zandige, zure ondergrond van het Droge Zandlandschap zoals op de Veluwe, delen van Drenthe en Brabant. Lokaal is het bostype te vinden in het Heuvellandschap, kalkarme duinen en strandwallen. Het bostype is veelal uit hakhout, heideen stuifzandterreinen ontstaan, maar kan ook aangelegd zijn op voormalige landbouwgronden waardoor de bovengrond verrijkt is. Daarnaast worden de landschappelijk kenmerken van het

Pagina 18 van 57

gebied beschreven in de landschapsanalyse, bijgevoegd in de bijlage. De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een versterking van de ecologische- en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied doordat de ontwikkeling gecombineerd wordt met een landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing bestaat uit het aanplanten van een productief bos met beplanting die ecologisch in het landschap past, het verlengen van een bestaande beukenhaag en het aanplanten van lage struweelbeplanting waardoor de openheid van het landschap behouden blijft.

c

stelt regels ter bescherming van de ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; en het behoud van de landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een maatwerkvoorschrift in het besluit op de Bopa. Daarnaast is reeds een aanduiding en regels in het omgevingsplan opgenomen ter bescherming van de groenblauwe waarden. Deze regels blijven nadat de Bopa is verleend van toepassing. Op deze manier wordt geborgd dat de landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel niet zullen worden aangetast.

d.

bepaalt dat de toedeling van een functie of activiteit gepaard gaat met een positieve bijdrage aan het versterken van biodiversiteit en de bescherming en ontwikkeling van ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied. Door de beoogde ontwikkeling te combineren met een goede landschappelijke inpassing en een versterking van de groenblauwe mantel zal de ontwikkeling zelfs een positieve bijdrage leveren aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een maatwerkvoorschrift in het besluit op de Bopa.

Niet-agrarische activiteit (artikel 5.78) Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een niet agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als: a. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12; Om te bepalen of de beoogde ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, is eerst gekeken wat er wordt bepaald in artikel 5.12 van de Omgevingsverordening.

Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting 1 Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in paragraaf 5.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten: a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving; b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden bedoeld in afdeling 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; c op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en d. op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.

2 Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is. Pagina 19 van 57

Ten eerste is gekeken naar de verschillende functies en activiteiten in de omgeving. In de omgeving van de projectlocatie worden voornamelijk agrarische bedrijvigheden geëxploiteerd. Verder zijn er rondom de aanwezige bedrijvigheden voornamelijk landbouwgronden en bosgronden aanwezig. Kortom, de omgeving van de projectlocatie kan worden aangemerkt als een rustig buitengebied. Gezien de geschikte ligging van de projectlocatie in het buitengebied van Reusel in een omgeving met voornamelijk agrarische bedrijfsactiviteiten is de ontwikkeling voor de realisatie van een drone-experience-center (Agro-campus) op een riant agrarisch bedrijf passend. Hierbij valt als laatste op te merken dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de omgevingsvisie van de gemeente, zie paragraaf 3.2.1. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling tevens past binnen de ontwikkelingsvisie van de omgeving. Daarnaast wordt middels onderhavige toelichting aangetoond dat de aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders niet zullen worden belemmerd. Daarbij valt op te merken dat voorgaand is getoetst aan artikel 5.11 van de omgevingsverordening. Hieruit blijkt dat er sprake is van kwaliteitsverbetering gekeken naar omgevingskwaliteit.

In de beoogde situatie zal er daarnaast geen sprake zijn van overtollige bebouwing, er zal derhalve ook geen bebouwing worden gesloopt. Als laatste zal onderhavige toelichting van de aangevraagde omgevingsvergunning tevens worden beoordeeld door de provincie Noord-Brabant. b.

aanwezige, overtollige bebouwing wordt gesloopt; en Binnen de projectlocatie is geen overtollige bebouwing aanwezig, er zal derhalve geen bebouwing worden gesloopt.

c

dit geen betrekking heeft op: 1. een kantoor met baiiefunctie; 2. het toelaten van een nieuwe lawaaisport; en 3. een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeiing, mestvergisting en mestbewerking. In de beoogde situatie zal geen sprake zijn van de bovengenoemde activiteiten.

Lid 2 Het omgevingsplan regelt: a. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan en tot welke om vang; Middels voorschriften behorend bij onderhavige omgevingsvergunning wordt geborgd welke activiteiten zijn toegestaan binnen de projectlocatie. b.

dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied ais bedoeld in Artikel 5.12; Het omgevingsplan borgt dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in artikel 5.12.

c

dat een ontwikkeling naar een functie met grote pubiieksaantrekkende werking is uitgesloten; In deze toelichting wordt in paragraaf 5.3 het aspect verkeer uitgebreid beschreven. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zullen optreden door de beoogde ontwikkeling.

d.

dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve ais de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; en Buitenopslag van voorwerpen of materialen zal middels voorschriften bij de omgevingsvergunning worden uitgesloten.

Pagina 20 van 57

e.

dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a. Mochten de activiteiten in het kader van de drone-experience-center een dusdanig grote omvang krijgen dat deze niet meer passend is binnen de projectlocatie en in de omgeving, dan zal een passende locatie worden gezocht.

Lid 3 Als uitgangspunt voor een bíj de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor: a. een bedrijfsmatige activiteit, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; Voorliggend agrarisch drone-experience-center is niet bestemd om te worden gevestigd op een bedrijventerrein, aangezien de ontwikkeling betrekking heeft op agrarische bedrijfsactiviteiten. b.

een detaiihandeisvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m2; Er zal in de beoogde situatie geen sprake zijn van een detailhandelsvoorziening.

c.

een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De omvang van de bebouwing ten dienste van het drone-experience-center zal niet meer bedragen dan 1 hectare.

Lid 4 Een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit ais bedoeld in Artikel 5.75 Mestbewerking, ais dat vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving. Middels onderhavige omgevingsvergunning wordt de realisatie van een drone-experience-center mogelijk gemaakt. In deze toelichting worden in hoofdstuk 5 de bovengenoemde aspecten behandeld. Hier uit valt te concluderen dat er geen belemmeringen zullen ontstaan met de realisatie van de beoogde ontwikkeling ten aanzien van de hier bovengenoemde aspecten. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een Bopa.

3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke Omgevingsvisie.

3.2.1. Omgevingsvisie Op 22 mei 2018 heeft de gemeente Reusel - De Mierden een omgevingsvisie vastgesteld. Uit de omgevingsvisie blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen het gebied 'Reusel -Zuid'. Dit gebied is aangeduid als gebied met primaat landbouw, zie Afbeelding 10. Hierin zijn ook meer industriële vormen van dierhouderij mogelijk. In deze gebieden is nieuwvestiging door verplaatsing vanuit andere gebieden en grotere agrarische bouwvlakken dan nu toegestaan, denkbaar. Koppelingen met grootschalige energievoorzieningen (wind, zon, biomassa) zijn hier denkbaar.

Pagina 21 van 57

Afbeelding 10: Uitsnede visiekaart omgevingsvisie, locatie rood omcìrkeid

Het bedrijf van initiatiefnemer betreft een grootschaiig iandbouwbedrijf. De gewenste ontwikkeiing van een drone-experience-center betreft geen primaire iandbouwactiviteit, maar staat wei ten dienste van het landbouwbedrijf. De strategie voor het gebied 'primaat landbouw' is het aanwijzen voor en stimuleren van innovaties in grootschaiige intensieve dierhouderij en grootschaiige energieopwekking, in combinatie met het tegengaan van gevoeiige functies onder voorwaarden van een deugdeiijke ontsiuiting voor zwaar vrachtverkeer. Zoais biijkt uit de omgevingsvisie is uitbreiding van het aantai windmoiens op de eerste piaats denkbaar in de gebieden met het primaat iandbouw. Evenais een windpark ook geen primaire agrarische activiteit betreft, maar wei passend is binnen de gebieden met het primaat iandbouw, is het zeer goed voorsteibaar dat een drone-experience-center ook passend is op de pianiocatie, conform de doeisteiiingen van de High Tech Agro Campus. Zoais omschreven betreft een drone-experience-center ook geen primaire agrarische activiteit maar biedt het wei synergievoordeien voor de moderne agrarische praktijk (Boerderij van de Toekomst). En qua ontsiuiting is het bedrijf van initiatiefnemer perfect geiegen aan de hoofdwegenstructuur middeis de Posteisedijk.

3.2.2. Nota ruimtelijke kwaliteit Voor wat betreft de bouw van het gewenste bedrijfsgebouw kan het bevoegd gezag afwijken van de maatvoering, mits het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraiing van de omgeving. De Nota Ruimteiijke Kwaiiteit (NRK) geeft de voigende ontwerpprincipes voor bedrijfsbebouwing: - Het gebouw heeft een eenvoudige, rechthoekige opzet. - Het dakviak is beeidbepaiend. - Wenseiijk is een dak-geveiverhouding van 2:1.

Pagina 22 van 57

-

Bij een grote afwijking van de dakgevelverhouding wordt er een grotere inspanning gevraagd ten aanzien van de kwaliteitsverbetering. Bij bedrijfsgebouwen bedraagt de goothoogte maximaal 5 meter en de nokhoogte 12 meter. Een extra kwaliteitsverbetering kan geleverd worden door een stevigere landschappelijke inpassing en/of de vormgeving van het gebouw. Geleding in het dakvlak is niet wenselijk, tenzij er sprake is van het toevoegen van een extra architectonische kwaliteit (zoals het benadrukken van zicht in de stal).

Het gewenste bedrijfsgebouw krijgt een eenvoudige, rechthoekige opzet en zal, voor zover mogelijk, voldoen aan de voldoen aan de voorwaarden uit de NRK. De gewenste goot- en nokhoogte van het gebouw bedragen 7 respectievelijk 13 meter. Dit is weliswaar meer dan het NRK voorschrijft, maar wordt thans wel gefaciliteerd in het geldende bestemmingsplan. Hier lijken het vigerende bestemmingsplan en de NRK tegenstrijdig te zijn.

Pagina 23 van 57

4. Toetsing aan het Omgevingsplan Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen, het tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de projectlocatie het omgevingsplan 'Buitengebied 2023' geldend . Hier zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: 'Agrarisch met waarden - Landschap'; - Enkelbestemming: 'Groen - Landschappelijke inpassing'; - Dubbelbestemming: 'Waarde - Archeologie 4' (gedeeltelijk); 'Bouwvlak'; - Bouwvlak: - Maatvoering: 'maximum aantal wooneenheden: 2'; - Gebiedsaanduiding: 'overige zone - beperkingen veehouderij' (gedeeltelijk); - Gebiedsaanduiding: 'overige zone - groenblauwe mantel" - Gebiedsaanduiding: 'overige zone - primaat landbouw 1'; - Gebiedsaanduiding: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 4'.

Afbeelding 11: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied2023, projectiocatie rood omlijn

Het voornemen is om het agrarisch bouwvlak te vergroten en ter plaatse van de projectlocatie een drone-experience-center te realiseren en te exploiteren als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf. In het vigerende bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van een nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf. Echter is deze afwijkingsbevoegdheid niet meer van toepassing, omdat de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zijn vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierna wordt alsnog aan deze afwijkingsbevoegdheid getoetst, om aan te tonen dat het plan voorstelbaar is.

Pagina 24 van 57

3.6.1 Omgevingsvergunning nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken zoals bedoeld in 3.1 ten behoeve van het toestaan van andere nevenactiviteiten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De agrarische functie blijft op het perceel ais hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar. Op de projectlocatie wordt een grootschalig akkerbouwbedrijf, waar circa 12 fulltime arbeidskrachten werkzaam zijn, geëxploiteerd. Het akkerbouwbedrijf bestaat uit 750 hectare cultuurgrond, waarvan 140 hectare eigendom is. In de bijna 50 jaar dat het bedrijf bestaat is het bedrijf uitgegroeid tot een landbouwbedrijf wat jaarlijks ongeveer 600 hectare fritesaardappelen verbouwd in de regio Mol - Reusel, op de grens tussen België en Nederland. Naast aardappelen worden ook o.a. mais, granen en suikerbieten verbouwd. Dat er nog meer gewassen naast aardappelen worden geteeld heeft met name te maken met vruchtwisseling en met het feit dat er vele gronden geruild worden om aan een ruim vruchtwisselingsschema te komen van 1 op 4 bij de aardappelen. De afgelopen jaren heeft het bedrijf op de projectlocatie veel kennis opgedaan in de precisielandbouw en aardappelteelt doormiddel van proeven. Met deze kennis hebben zij het management verbeterd en een hogere opbrengst weten te bereiken.

Als de precisielandbouw nader wordt bekeken wordt gezien dat technisch van alles mogelijk is, maar het vooral ontbreekt aan kennis en validatie. Dit vormt de grootste bedreiging voor de precisielandbouw en al hun toeleveranciers. Om deze kennis toch te kunnen delen werkt het bedrijf al jaren met studenten. Deze helpen met alle werkzaamheden en besturen en bedienen van de machines maar helpen ook met de proeven en met bemonsteren en analyseren. De meeste van deze studenten werken nu in de precisie landbouwsector. Om de kennis in de precisielandbouw nog verder te kunnen verspreiden is het voornemen om op de projectlocatie een drone-experiencecenter te realiseren als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf. De hoofdactiviteit is en blijft de landbouw, specifiek gericht op de teelt van aardappelen. De gewenste verbreding wordt overduidelijk gezien als nevenactiviteit. b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=fcadb8f3-0e8d-4d2d-8232-8674809a64fe