[24.10258] Aanvulling MER BP Buitengebied 2023
Tekst van het document
Referentiesituatie goed weergegeven De huidige achtergrondconcentratie voor fijnstof (PM10), waarin de emissie van de huidige (pluimvee)bedrijven is opgenomen, is weergegeven op een kaart (figuur 45 in het MER).2 De bijdrage van veehouderijen aan de PMio-concentratie is op een andere kaart weergegeven en beschreven (figuur 46 in het MER). Er is in de huidige situatie geen overschrijding van de wettelijke grenswaarden. Wel wordt de WHO-advieswaarde, die veel lager ligt dan de grenswaarden, overschreden.3 Voor endotoxinen, een bestanddeel van het fijnstof, zijn met 2 3
Het valt de Commissie op dat voor de achtergrondconcentratie fijnstof een kaart uit 201 9 is gebruikt, terwijl inmiddels een kaart uit 2022 beschikbaar is. Ze constateert echter ook dat toepassing van de recente kaart geen andere beoordeling zou opleveren, omdat de concentraties beperkt zijn veranderd. De wettelijke grenswaarden voor PMio bedragen 40 itg/m3 (jaargemiddelde concentratie) en 50 itg/m3 (24-uurgemiddelde, dat overeenkomt met 31,2 itg/m3 jaargemiddeld) en de WHO-advieswaarde is 1 5 ļjg/m3.
4
-
-
het Toetsingskader endotoxinen4 de afstanden van de gezondheidskundige advieswaarde bepaald en als contouren op kaart weergegeven. In de contouren rond een aantal veehouderijen liggen woningen. Met het adres is aangegeven welke veehouderijen dit zijn.
Totale PM10-concentratie niet in beeld Voor de scenario’s wordt voor PM10 alleen de bijdrage van de veehouderijen op kaart weergegeven. Vooral in het worst-case-scenario kan deze bijdrage zeer groot zijn. Uit de kaart (figuur 49 in het MER) is af te leiden dat de bijdrage meer dan 20 pg/m3 kan bedragen. Dit kan leiden tot overschrijding van grenswaarden en zeer grote overschrijdingen van de WHO-advieswaarden. Een kaart met de totale concentratie (achtergrond plus bijdrage) ontbreekt echter. Ook wordt niet beschreven hoe groot die overschrijding is, op welke locatie(s) en ter plaatse van welke woningen. Die informatie is wel nodig om te bepalen: » hoe de gezondheidskundige situatie wordt in de verschillende scenario’s en wat hiervoor de verschillen zijn binnen de gemeente; » in hoeverre de WHO-advieswaarde en de wettelijke grenswaarden worden overschreden; » of de uitbreidingsmogelijkheden in het bestemmingsplan voor veehouderijen realistisch zijn (zie ook paragraaf 2.5 van dit advies).
Effecten endotoxinen niet op kaart weergegeven Voor endotoxinen ontbreken kaarten en een beschrijving van de contouren bij de scenario’s. Onduidelijk is bij welke bedrijven woningen binnen de contour van de gezondheidskundige advieswaarden komen te liggen door de groeimogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De gezondheidsgevolgen van het bestemmingsplan zijn daardoor niet compleet in beeld.
Conclusie De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, voor beide scenario’s de totale PMio-concentratie op een kaart weer te geven en contouren voor endotoxinen op kaarten te laten zien. Beschrijf en beoordeel vervolgens hoe groot de bijdrage aan de PMio-concentratie ter plaatse van woningen is en in hoeverre de gezondheidskundige advieswaarden en/of wettelijke grenswaarden voor fijnstof en endotoxinen worden overschreden.
2.2
Effecten op watersysteem en beschermde natuur onderschat
2.2.1
Verdroging van beschermde natuurgebieden en het hydrologisch systeem Het MER beschouwt of het voornemen een toename van verdroging van beschermde natuurgebieden veroorzaakt (Natura 2000 en Natuurnetwerk Brabant, waaronder de ‘natte natuurparels’5). Het MER bevat een rekenvoorbeeld van waterbehoefte voor boomteelt.6 Aan de hand van waarden voor glasteelt wordt berekend dat kleine onttrekkingen voldoende zijn om in de waterbehoefte voor de boomteelt te voorzien. De verwachting is dat deze kleine
4 5 6
Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 (Toetsingskader endotoxinen). Dit zijn hydrologisch gevoelige gebieden met hoge natuurwaarden binnen Natura 2000-gebieden en/of binnen gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant. Zie pagina 1 23 van het MER.
5
-
-
onttrekkingen nauwelijks effect hebben op de algehele grondwatertoestand, zo staat in MER. Het MER bevat vervolgens de conclusie dat er daarom geen toename van verdroging plaatsvindt in beschermde natuurgebieden en dat de effecten op het grond- en oppervlaktewatersysteem neutraal zijn. De Commissie constateert dat het rekenvoorbeeld meer een schets is dan een effectbeoordeling en dat de berekening niet gespecificeerd is voor de twee ontwikkelscenario’s. Het MER onderzoekt ook niet de effecten op de grondwatertoestand vanwege de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ die buiten de ‘attentiezone waterhuishouding’7 liggen. De beoordeling is daarnaast niet toegespitst op het bestaande hydrologische systeem. Het MER gaat bovendien niet uit van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. In het maximale scenario kan het aantal hectares boomteelt uitbreiden van ongeveer 183 ha nu naar meer dan 5000 hectare. Dit onderkent het MER wel8, maar de toename van verdroging en hydrologische effecten zijn niet beoordeeld. De Commissie acht aannemelijk dat, ondanks het feit dat een deel van de agrarische bestemmingen buiten de attentiezone waterhuishouding ligt, aanzienlijke milieugevolgen voor het hydrologische systeem en de natuurgebieden kunnen plaatsvinden. Het gebied bevindt zich hydrologisch op de top van het regionaal systeem en op een waterscheiding.
Bovendien bestaat het systeem uit een dun watervoerend pakket met goed doorlatende sedimenten, afgewisseld met dunnere kleilagen.9 Onttrekkingen in de agrarische zones kunnen invloed hebben op de algehele watervoorraad.10 Doordat deze gevolgen niet in beeld zijn, is het bestemmingsplan op dit punt nu ook niet uitvoerbaar binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Als significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, is een Passende beoordeling nodig voor het plan. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, te onderzoeken wat de consequenties zijn van een maximale uitbreiding van boomteelt voor verdroging in natuurgebieden en voor het hydrologische systeem, en te beoordelen of het bestemmingsplan op dit punt uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Als aanzienlijke/significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, moet het MER mitigerende maatregelen in beeld brengen, ook voor de activiteiten buiten de attentiezones waterhuishouding. Betrek deze maatregelen dan in een Passende beoordeling.
7
Dit is een beschermingszone voor de waterhuishouding van beschermde natuurgebieden en is opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. De zone is vertaald in het bestemmingsplan. 8 Zie pagina’s 82, 1 23 en 1 91 van het MER. Er zijn momenteel 23 bedrijven met boomkwekerijgewassen en 1 fruitteeltbedrijf met een totaal oppervlak van ca. 1 83 ha. In totaal zijn er 336 plantaardige teeltbedrijven met totaaloppervlak van 5052 ha. Het MER stelt zelf echter ook (p. 82): ‘omschakeling naar een overig vollegrondteeltbedrijf is voor alle bestaande agrarische bedrijven rechtstreeks toegestaan.’ En later (p. 1 28): ‘boomteelt en teelt van vaste planten kan bij recht en zonder beperkingen worden toegestaan op percelen binnen de bestemming “Agrarisch”’. 9 Er is in dit gebied naar verwachting dus al relatief weinig water beschikbaar. Het aanwezige water beweegt zich doorgaans goed door de ondergrond. 10 De Commissie wijst op de conclusies uit het rapport ‘Zonder water, geen later’ van de Adviescommissie Droogte (te raadplegen via Eindrapport adviescommissie Droogte: Zonder water, geen later). Die commissie concludeert dat niemand zich kan ‘‘onttrekken’ aan droogte en waterschaarste’. De conclusies zijn in lijn met de ambities in het Grondwaterconvenant 2021 -2027 en het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 van de provincie, dat het MER ook noemt.
De noodzaak voor het treffen van maatregelen om verdroging tegen te gaan wordt ook duidelijk uit de Natuurdoelanalyse voor het naastgelegen Natura 2000-gebied Kempenland-West (te raadplegen via de website van de provincie). Daarin wordt vastgesteld dat nagenoeg alle Habitatrichtlijndoelen niet gehaald worden en dat aanvullende maatregelen vooral op het vlak van hydrologie noodzakelijk zijn. Het advies van de Ecologische Autoriteit benadrukt dit ook (te raadplegen via de website van de Ecologische Autoriteit).
6
-
-
2.2.2 Gevolgen waterkwaliteit door uitbreiding agrarische bedrijven Het MER beschrijft alleen dat een toename van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen negatieve effecten op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit kan hebben, en beoordeelt het effect als licht negatief in het trendmatig scenario en als negatief in het worst-case-scenario. Het niet halen van de doelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) is een probleem dat in het land in belangrijke mate samenhangt met intensieve vormen van landbouw. Het MER beschrijft de huidige kwaliteit van het oppervlaktewater niet en beschouwt ook niet of er knelpunten zijn in het kader van de KRW. Het nieuwe plan maakt uitbreiding van bedrijven en andere vormen van landbouw mogelijk, zoals de teelt van andere gewassen. De effecten daarvan op de aquatische natuurwaarden in het studiegebied staan echter niet in het MER. Volgens het MER past een dergelijke beoordeling niet bij het abstractieniveau van het onderzoek, maar bij individuele vergunningprocedures. De Commissie ziet niet in waarom dit zo zou zijn. Bij het bepalen van de effecten van het plan moet het MER uitgaan van de maximale mogelijkheden van het plan. Dat betekent dat activiteiten die het plan via een omgevingsvergunning mogelijk maakt en tot belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen leiden, ook moeten worden meegenomen bij de beoordeling.
Bovendien geldt voor diverse activiteiten, zowel binnen als buiten de bouwvlakken, geen vergunningplicht. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de huidige kwaliteit van het oppervlaktewater en knelpunten in het kader van de KRW in beeld te brengen. Beoordeel vervolgens de effecten van de uitbreiding van agrarische bedrijven en andere vormen van landbouw op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Breng maatregelen in beeld om eventuele negatieve effecten te voorkomen.
2.3
Milieugevolgen windturbines en zonnevelden niet in beeld Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, moet een MER uitgaan van de maximale mogelijkheden van het plan. Relevant voor het MER is dat het plan veel ontwikkelingsruimte biedt, waarvan de milieueffecten niet altijd zijn beoordeeld. Voorbeelden van mogelijkheden die niet in het MER zijn beoordeeld, of waarvan dit onduidelijk is, zijn windturbines en zonnevelden. Zo laat het plan windturbines van maximaal 1 5 meter hoog binnen de bouwvlakken toe. De gevolgen van deze windturbines zijn - net als van de zonnevelden - volgens het MER positief voor klimaatadaptatie en duurzame energie. De Commissie acht echter aannemelijk dat windturbines ook aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen hebben, met name op het gebied van landschap, natuur (beschermde soorten) en leefkwaliteit (met name geluidhinder). Dit is niet toegelicht en de milieugevolgen zijn niet in beeld. Ook de gevolgen van zonnevelden zijn niet beschreven. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de milieueffecten van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan te onderzoeken (waaronder windturbines en zonnevelden) en maatregelen in beeld te brengen om eventuele negatieve milieueffecten te beperken.
7
-
-
2.4
Beoordeling beschermde soorten te algemeen In het MER is het effect van de scenario’s op beschermde soorten in algemene zin beoordeeld. Ondanks dat het MER geen gebiedsspecifieke informatie over de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied bevat, is het effect van het plan als ‘zeer negatief’ (worst-case) en ‘negatief’ (trendmatig scenario) beoordeeld. Dit omdat in algemene zin wordt verwacht dat de scenario’s effecten zullen hebben op beschermde soorten. Zonder gebiedsspecifieke kennis is het feitelijk onmogelijk om na te gaan welke soorten(groepen) door het plan risico’s lopen op aantasting van de staat van instandhouding. Het is nu ook niet mogelijk om na te gaan in welke mate het in het MER als (zeer) negatief beoordeelde effect door inzet van mitigerende maatregelen kan worden beperkt, zodat deze risico’s worden beheerst. Het MER maakt dan ook niet aannemelijk dat het bestemmingsplan op dit punt uitvoerbaar is binnen de Wet natuurbescherming. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de risico’s van de verschillende ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt op beschermde soorten concreter in beeld te brengen. Verken op basis daarvan in hoeverre er effectieve maatregelen zijn om deze risico’s te verkleinen, zodanig dat aannemelijk is dat het plan uitvoerbaar is.
2.5
Haalbaarheid uitbreidingen veehouderijen nog niet aannemelijk Zoals hiervoor is aangegeven, biedt het bestemmingsplan ontwikkelruimte voor agrarische bedrijven. Omdat nog niet precies bekend is welke bedrijven daadwerkelijk gaan stoppen of juist groeien werkt het MER met een trendmatig scenario en een worst-case-scenario. Het worst-case-scenario geeft de milieugevolgen als de planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan maximaal benut worden. Het trendmatig scenario gaat ervan uit dat kleine agrarische bedrijven stoppen en dat grotere bedrijven 10 tot 20 procent groeien. Het MER moet aantonen dat het bestemmingsplan niet alleen juridisch uitvoerbaar is, maar ook haalbaar in de praktijk. De Commissie constateert dat het bestemmingsplan nu in theorie wel mogelijkheden biedt voor veehouderijen om uit te breiden, maar dat de voorwaarden strikt zijn. Zo bevat het bestemmingsplan de voorwaarde dat bij iedere individuele bedrijfsuitbreiding de stikstofemissieZ-depositie niet mag toenemen. Het MER moet dan laten zien of de uitbreidingsmogelijkheden binnen die voorwaarden wel te realiseren zijn, bijvoorbeeld doordat er maatregelen voorhanden zijn die dit gestalte kunnen geven. Het MER beschrijft terecht dat die mogelijkheden er theoretisch zijn, bijvoorbeeld door het type te houden dieren te veranderen, en dat er in de toekomst effectieve stalsystemen beschikbaar kunnen komen.
Ook beschrijft het MER terecht dat extern salderen op dit moment minder haalbaar lijkt. Met deze algemene beschrijving biedt het MER echter onvoldoende handvatten om te beoordelen of het plan in de praktijk daadwerkelijk uitvoerbaar is. Bovendien ziet de Commissie dat er uit andere juridische kaders ook beperkingen voor de haalbaarheid volgen, zoals de strenge geurnormen voor woonkernen in de geurverordening van deze gemeente (0,1 odour units) en mogelijk de wettelijke grenswaarden voor fijnstof (zie ook paragraaf 2.1 van dit advies). Het MER geeft geen totaalbeeld van dergelijke beperkingen en hoe deze verschillen in het plangebied.
8
-
-
Daar komt bij dat het MER een aantal onzekerheden buiten beschouwing laat, die gevolgen kunnen hebben voor de haalbaarheid: » De wettelijke ‘50%-regeling’ voor bedrijfsuitbreiding in geuroverbelaste situaties mag op dit moment niet toegepast worden11. » De gebiedsprocessen rond natuur, water en klimaat kunnen in de toekomst tot verbeteringen van de milieukwaliteit leiden, waardoor kansen voor bedrijfsuitbreiding kunnen ontstaan. Onzeker is echter waar en wanneer dit tot kansen leidt. Alle genoemde voorwaarden en onzekerheden samen kunnen aanzienlijke beperkingen leggen op de praktische haalbaarheid van bedrijfsuitbreidingen. Het MER beschouwt niet welke beperkingen en kansen er in totaliteit zijn. Met andere woorden: het MER onderbouwt nu niet, ook niet globaal, in hoeverre de bedrijfsuitbreidingen in de praktijk realistisch zijn. Een berekening op bedrijfsniveau is voor de besluitvorming over het bestemmingsplan op dit moment niet zinvol, precies vanwege die onzekerheden. Wel van belang is een totaalbeeld van milieuknelpunten en -kansen, zodat duidelijk wordt of de bestemmingen die worden gegeven, in de praktijk voor de meeste bedrijven realistisch zijn, of juist voor de meeste bedrijven geen praktische invulling kunnen krijgen.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de haalbaarheidsanalyse uit het MER beter te onderbouwen door deze uit te breiden met actuele inzichten. Neem per type veehouderij een totaalbeeld op van de praktische haalbaarheid van bedrijfsuitbreidingen waar het bestemmingsplan in voorziet en maak zo aannemelijk dat de ontwikkelscenario’s realistisch zijn. Neem hierbij de huidige milieukwaliteit mee, actuele onzekerheden in wet- en regelgeving en de factoren waardoor de haalbaarheid van bedrijfsuitbreidingen in de toekomst kan verbeteren.
2.6
Geen totaaloverzicht milieugevolgen Besluitvormers en insprekers lezen in de eerste plaats de samenvatting van het MER. Daarom verdient dit onderdeel bijzondere aandacht. De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER. De samenvatting van dit MER voldoet niet aan dit vereiste. De samenvatting bevat geen totaaloverzicht van de milieugevolgen in beide scenario’s, exclusief mitigerende maatregelen, waardoor nu niet in één oogopslag zichtbaar is wat de gevolgen van het bestemmingsplan zijn. Dit totaaloverzicht staat niet op een andere plek in het MER (in een concluderend hoofdstuk bijvoorbeeld). Er zijn ook geen specifieke tabellen met scores voor gezondheid en klimaatadaptatie opgenomen. Bij landschap klopt de samenvatting niet met de hoofdtekst (negatieve gevolgen tot zeer negatieve gevolgen volgens de tabel in de samenvatting, maar licht negatief tot negatieve gevolgen volgens de tabel in paragraaf 7.12.3). Een vergelijkbare inconsistentie speelt op het thema cultuurhistorie. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, een juiste, samenvattende scoretabel van alle milieugevolgen op te nemen exclusief mitigerende maatregelen.11
11 Dit vanwege het ontbreken van een plan-MER daarvoor, zie Rb. Oost-Brabant 16 juni 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2931. Bij vergunningen kan in deze provincie wel gebruikgemaakt worden van artikel 7af Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.
9
-
-
2.7
Onzekerheden rond de stikstofeffecten van het bestemmingsplan Het bestemmingsplan maakt het voor veehouderijen mogelijk om het aantal dieren uit te breiden of te wijzigen door nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden te benutten. In het worst-case-scenario neemt de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden toe. Om een toename van stikstofdepositie te voorkomen bevat het bestemmingsplan een ‘stikstofregeling’: de voorwaarde dat de uitstoot van stikstof (in de vorm van ammoniak en stikstofoxiden) en depositie niet mag toenemen ten opzichte van de feitelijk bestaande uitstoot voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Het valt de Commissie op dat het bestemmingsplan wel een stikstofregeling bevat, maar niet de al verleende en onherroepelijke natuurvergunningen in het plan inpast, die nog niet (volledig) gerealiseerd zijn. Dit is anders dan in veel andere bestemmingsplannen buitengebied, waarin toename van stikstofuitstoot wordt toegestaan als die toename al (passend) beoordeeld en vergund is in het natuurspoor. Dit bestemmingsplan biedt nu alleen ruimte voor agrariërs om het aantal dieren uit te breiden als dat past binnen de feitelijke bestaande stikstofuitstoot die voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan bestaat.
De Commissie constateert dat deze stikstofregeling maakt dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is binnen de stikstofkaders van de Wet natuurbescherming, maar tegelijkertijd een onzekerheid oplevert die niet in het MER beschreven en beoordeeld is. Uit de zienswijzen blijkt dat verschillende agrariërs een veebezetting hanteren die gedurende het jaar fluctueert. Daarmee fluctueren de milieueffecten ook, waardoor onzeker is wat precies de omvang van de stikstofdepositie is voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Het MER beschrijft niet hoe met deze onzekerheid omgegaan kan worden en wat de gevolgen voor de milieueffecten zijn. Vanuit juridisch perspectief12 begrijpt de Commissie de keuze om geen natuurvergunningen in te passen als er nieuwe gegevens en inzichten kunnen zijn over de significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden van de betreffende activiteit. De Commissie beveelt daarom aan om de genoemde onzekerheden voor de milieueffecten te benoemen en te duiden, in het bestemmingsplan een adequate juridische oplossing voor deze onzekerheid te bieden en vervolgens te beoordelen of voor het plan toch een Passende beoordeling nodig is voor het onderwerp stikstof (zie paragraaf 2.2.1 van dit advies voor het onderwerp water).
12 Het MER noemt als redenen hiervoor de bestaande onzekerheid rondom de houdbaarheid van extern salderen en de onzekerheden rond (soms in bestaande natuurvergunningen toegepaste) emissiefactoren uit de Regeling ammoniak en veehouderij.
10
-
-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep op 1 september 2023 het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Tilly Fast dr. Peter van der Molen mr. Roel Sillevis Smitt (secretaris) Marja van der Tas (voorzitter) drs. Rob van Woerden Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. Onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat.
Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit “de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren” (categorieën C 14 en D 14). Daarom is een plan-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Reusel-De Mierden. Bevoegd gezag m.e.r.-procedure College van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag tot en met 1 2 september 2023 heeft toegestuurd. Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3761 in te vullen in het zoekvak.
r-
Commissie voor de milieueffectrapportage
A. v. Schendelstraat 760 3511 MK Utrecht
t 030-2347666 e mer@eia.nl w commissiemer.nl
P199237.010.R1
BIJLAGE 2: KAARTEN FIJNSTOF EN ENDOTOXINEN
46
Aanvulling MER bestemmingsplan Buitengebied 2023 gemeente Reusel-De Mierden
P199237.010.R1
BIJLAGE 3: BUREAUONDERZOEK BESCHERMDE SOORTEN, STARO, 5 APRIL 2024
48
Aanvulling MER bestemmingsplan Buitengebied 2023 gemeente Reusel-De Mierden
Bureauonderzoek beschermde soorten Bestemmingsplan buitengebied Reusel - De Mierden Datum Opdrachtgever Contactpersoon Opgesteld door
: 5 april 2024 : PouderoyenTonnaer : Willem Scheijen : Eric Claassen
Aanleiding Voor het buitengebied van de gemeente Reusel - De Mierden is PouderoyenTonnaer bezig met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. In het kader van dit bestemmingsplan is het gewenst inzicht te verkrijgen in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna binnen het bestemmingsplangebied. Daartoe is een bureauonderzoek uitgevoerd waarbij gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) inzichtelijk zijn gemaakt. De resultaten van het onderzoek zijn in deze notitie weergegeven en van een beknopte toelichting voorzien.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2024 geregeld in de Omgevingswet (OW). Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Wet natuurbescherming. Daarnaast is provinciale gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), opgenomen in de Omgevingsverordeningen van provincies.
Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Omgevingswet dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan middels een vergunning; het ‘nee, tenzij-principe’. De Omgevingswet kent de volgende drie categorieën beschermde soorten (zie tabel 1): 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor een vergunning voor het overtreden van de verboden. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven.
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een vergunning moet aan drie criteria zijn voldaan: + Er geen andere bevredigende oplossing bestaat;
Staro +
+
Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; De activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een vergunning worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten
Categorie 1 811.2.2 Bal
Categorie 2 811.2.3 Bal
Categorie 3 811.2.4 Bal
Art 11.37 Lid 1 a Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen Art 11.37 Lid 1 b Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 11.46 Lid 1 a Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen Art 11.46 Lid 1 b Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Art 11.54 Lid 1 a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 11.37 Lid 1 c Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben Art 11.37 Lid 3 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art 11.46 Lid 1 c Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen Art 11.46 Lid 1 d Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 11.54 Lid 1 b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 11.54 Lid 1 c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 11.46 Lid 1 e Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Degene die een activiteit verricht (flora- en fauna-activiteit) en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurbescherming is verplicht: + alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; + voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en + als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De zorgplicht houdt ook in dat voorafgaand aan een flora- en fauna-activiteit onderzoek gedaan moet worden naar het voorkomen van beschermde soorten, inclusief Rode-Lijstsoorten. Als negatieve effecten op deze soorten niet uitgesloten kunnen worden dient nagegaan te worden welke effecten
2
Staro kunnen optreden. Preventieve maatregelen dienen te worden genomen en gecontroleerd of deze het beoogde effect hebben. Als dit niet het geval is dienen passende herstelmaatregelen te worden getroffen. Naast bovengenoemde verplichtingen is men ook verplicht om bij dieren onnodig lijden te voorkomen.
Methode De aanwezigheid van beschermde flora en fauna binnen het bestemmingsplangebied is bepaald aan de hand van data uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat in een bepaald gebied bekend is over het voorkomen van planten- en diersoorten. De waarnemingen in de NDFF zijn afkomstig van professionele en vrijwillige waarnemers1 Voor het bestemmingsplangebied van het bestemmingsplan buitengebied Reusel - De Mierden zijn de gegevens uit de NDFF gefilterd van de afgelopen 5 jaar (2019 t/m 2024). Daarbij is gekeken naar flora en fauna met een beschermingsstatus volgens de Wet natuurbescherming. De hiermee verkregen data is uitgesplitst in de soortgroepen, amfibieën, insecten-kevers, insecten-dagvlinders, insecten-libellen, reptielen, vaatplanten, vogels, zoogdieren-vleermuizen en zoogdieren-overige. Van iedere soortgroep is weergegeven welke soorten zijn waargenomen en tot welk beschermingsregime deze behoren. Van de soortgroep vogels is een uitsplitsing gemaakt in vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest en soorten die dit niet hebben. Per soortgroep is de verspreiding van de waargenomen soorten over het bestemmingsplangebied in een kaartbeeld weergegeven. Binnen het bestemmingsplangebied liggen natuurgebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB).
Tevens behoren delen van het bestemmingsplangebied tot het Natura 2000-gebied Kempenland West. De begrenzing van het NNB en het Natura 2000-gebied is op de verspreidingskaarten weergegeven. Hiermee is te zien of waarnemingen binnen of buiten deze natuurgebieden zijn gedaan.
Verantwoording Dit onderzoek betreft een bureauonderzoek naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in het bestemmingsplangebied. Hierbij is alleen gebruikgemaakt van gegevens uit de NDFF. Andere bronnen zijn niet geraadpleegd. De volledigheid van de gegevens in de NDFF hangt af van de mate van onderzoek wat is uitgevoerd. De NDFF geeft een oordeel over de volledigheid. Voor het bestemmingsplangebied geldt dat over het algemeen voor alle soortgroepen de volledigheid van de gegevens in de delen van het bestemmingsplangebied die binnen het NNB en het Natura 2000-gebied liggen als goed wordt beoordeeld. Voor de delen van het bestemmingsplangebied die buiten het NNBen het Natura 2000gebied liggen wordt de volledigheid van de gegevens als redelijk tot slecht beoordeeld. Behalve voor de soortgroep dagvlinders. Voor deze soortgroep geldt vrijwel het gehele bestemmingsplangebied als goed en redelijk goed onderzocht. Dit houdt in dat er soorten in het gebied aanwezig kunnen zijn die niet als waarneming in de NDFF staan vermeld. Het voorliggende bureauonderzoek geeft zodoende geen volledige zekerheid over de afwezigheid van beschermde flora en fauna binnen het bestemmingsplangebied. Dit onderzoek geeft weer welke waarnemingen in de NDFF staan ten tijde van raadpleging (18 maart 2024). De NDFF wordt continue bijgewerkt. De gegevens kunnen dus veranderen.
Dit bureauonderzoek is om voorgaande redenen niet als enige middel te gebruiken voor toetsing van ontwikkelingen aan de Omgevingswet. Voor dat doel dient op zijn minst ook een veldbezoek te worden uitgevoerd naar de actuele situatie in het plangebied.
1 https://www.ndff.nl/overdendff/
3
Staro NATUUR EN BUITENGEBIED
I -4- 4 In deze notitie zijn verspreidingskaarten opgenomen met waarnemingen uit de NDFF. Deze informatie mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar worden gemaakt.
Resultaten In totaal zijn de afgelopen 5 jaar binnen het bestemmingsplangebied 10.406 waarnemingen gedaan van 173 verschillende soorten. Deze soorten behoren tot de soortgroepen vleermuizen (5 soorten), vaatplanten (1 soort), overige zoogdieren (18 soorten), vogels (123 soorten), reptielen (3 soorten), amfibieën (12 soorten), vlinders (5 soorten), libellen (5 soorten) en kevers (1 soort). In figuur 1 is de verspreiding over het bestemmingsplangebied weergegeven van het totaal aantal waarnemingen van de afgelopen 5 jaar. In deze figuur is eveneens de begrenzing aangegeven van het NNB en het Natura 2000-gebied Kempenland - West. De figuur laat zien dat de meeste waarnemingen zijn gedaan in de gebieden die behoren tot het NNB en Natura 2000. Meest logische verklaring hiervoor, en deels blijkt dit ook uit de aan de waarnemingen gekoppelde informatie, is dat in deze gebieden onderzoek wordt uitgevoerd ten behoeve van de monitoring van de natuurkwaliteit.
NDFF totaal 10406] Amfibieën [1067] Insecten - Kevers [10] Insecten - Dagvlinders [34] Insecten - Libellen [268] Insecten - Nachtvlinders [1] Reptielen [780] vaatplanten [136] Vogels [7093] Zoogdieren, Overige zoogdieren [1004] Zoogdieren, Vleermuizen [13] 1 Bestemmingsplangebied _Natuurnetwerk Brabant Natura2000
OpenBasisKaart - OSM - EPSG:28992
Figuur 1. Verspreiding over het bestemmingsplangebied van alle waarnemingen van de afgelopen 5 jaar. Tussen haakjes het aantal waarnemingen per soortgroep.
Onderstaand is per soortgroep weergegeven welke soorten de afgelopen 5 jaar zijn waargenomen. Per soort is aangegeven welk beschermingsregime vanuit de Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt. De verspreiding van de soorten over het bestemmingsplangebied is per soortgroep in een kaart weergegeven.
4
Vleermuizen Tabel 2. Vleermuizen, soorten en aantallen. # invoer = het aantal keer dat de soort is ingevoerd in de NDFF. totaal aantal = het aantal waargenomen individuen van een soort. Voor uitleg beschermingsregime, zie paragraaf Wettelijk kader
Soorten
totaal # invoer aantal Beschermingsregime Bal Opmerkingen ŝ 11.2.2 ŝ 11.2.3 ŝ 11.2.4
Vleermuizen Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis
1 9 1 1 1
1 11 1 1 1
x x x x x
dood gevonden foeragerend en overvliegend
Van de vleermuizen zijn geen waarnemingen van verblijfplaatsen in de NDFF bekend. In de kaart is te zien dat de waarnemingen van vleermuizen vrijwel alleen gedaan zijn in het Natura 2000-gebied in het noorden van het bestemmingsplangebied. De volledigheid van de gegevens van vleermuizen is volgens de NDFF slecht en voor een zeer klein deel van het bestemmingsplangebied redelijk. Er mag verwacht worden dat de aantallen vleermuizen en de verspreiding over het bestemmingsplangebied groter zijn.
zoogdieren vleermuizen [13] Franjestaart [1] Gewone dwergvleermuis [9] Gewone grootoorvleermuis [1] Laatvlieger [1] Ruige dwergvleermuis [1] LľJ Bestemmingsplangebied Natuumetwerk Brabant Natura2000 OpenBasisKaart - OSM - EPSG:28992
Figuur 2. Verspreiding over het bestemmingsplangebied van waarnemingen van vleermuizen. Tussen haakjes het aantal waarnemingen per soort.
5
Overige zoogdieren Tabel 3. Overige zoogdieren, soorten en aantallen. # invoer = het aantal keer dat de soort is ingevoerd in de NDFF. totaal aantal = het aantal waargenomen individuen van een soort. Voor uitleg beschermingsregime, zie paragraaf Wettelijk kader vrijgesteld*: Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de vergunningplicht bij schadelijke activiteiten. Het is toegestaan om: a) deze soorten te vangen; b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Soorten Overige zoogdieren Bever Boommarter Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Haas Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn
totaal # invoer aantal Beschermingsregime Bal Opmerkingen 5 11.2.2 5 11.2.3 5 11.2.4 vrijgesteld* 1 18 11 62 2 1 61 85 243 17 1 361 4 76 1 21 3 36
1 19 31 63 3 1 70 92 409 24 1 599 4 76 1 22 3 69
x x x x x x x x x x x x x x x x x x
x x x x x x x x x
3 keer verkeersslachtoffer 2 keer verkeersslachtoffer 2 keer verkeersslachtoffer dood exemplaar 3 keer verkeersslachtoffer vooral verkeersslachtoffers 3 keer verkeersslachtoffer 1 keer verkeersslachtoffer aantal dode exemplaren/verkeersslachtoffers 12 keer verkeersslachtoffer
x x
1 keer verkeersslachtoffer 2 keer dood exemplaar
x
In bovenstaande tabel valt op dat vooral veel waarnemingen zijn gedaan van haas en ree. Mogelijk betreft dit tellingen van de wildbeheereenheid. De waarnemingen van boommarter, eekhoorn en wild zwijn liggen vrijwel allemaal in de bosgebieden aan de noord- en noordwestkant van het bestemmingsplangebied. De waarnemingen van dode boommarters (verkeersslachtoffers) zijn gedaan langs de N269 in het noorden van het bestemmingsplangebied en langs de Gagelweg tussen Reusel en Hoge Mierde. Het aantal waarnemingen van verkeersslachtoffers van egel valt op. Deze waarnemingen betreffen vrijwel allemaal dode exemplaren langs de N269. Mogelijk wordt hier actief gemonitord op dode egels.
6
zoogdieren overige Bever
Boommarter Bosmuis
Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel
i laas Konijn Ondergrondse woelmuis Rosse woelmuis Steenmarter
Veldmuis Wezel I Bestemmingsplangebied Natuurnetwerk Brabant Natura2000
Figuur 3. Verspreiding over het bestemmingsplangebied van waarnemingen van overige zoogdiersoorten. Tussen haakjes het aantal waarnemingen per soort.
Amfibieën Tabel 4. Amfibieën, soorten en aantallen. # invoer = het aantal keer dat de soort is ingevoerd in de NDFF. totaal aantal = het aantal waargenomen individuen van een soort. Voor uitleg beschermingsregime, zie paragraaf Wettelijk kader vrijgesteld*: Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de vergunningplicht bij schadelijke activiteiten. Het is toegestaan om: a) deze soorten te vangen; b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Soorten
totaal # invoer aantal Beschermingsregļime Bal Opmerkingen ş 11.2.2 ş 11.2.3 ş 11.2.4 vrijgesteld*
Amfibieën
Alpenwatersalamander Bastaardki kker Bruine kikker Gewone pad Groene kikker (Onb.) Heikikker Kamsalamander Kleine watersalamander Meer-ZBastaardkikker Poelkikker Rugstreeppad Vinpootsalamander
111 30 190 189 201 93 27 28 1 26 54 116
482 174 12867 14970 977 635 69 38 20 566 1358 553
x x x x x
x x x
x x
x x
x x x x x
larven, adulten, enkele verkeersslachtoffers. Veel waarnemingen tijdens de trek adulten en ook roepende dieren larven, adulten, juvenielen, eiklompen. Veel waarnemingen tijdens de trek larven, adulten, iuvenielen, eiklompen. Veel waarnemingen tijdens de trek larven, adulten, juvenielen. Ook waarnemingen tijdens de trek larven, adulten, juvenielen vooral waarnemingen tijdens de trek, enkele verkeersslachtoffers roepende dieren vooral waarnemingen van adulten, enkele juvenielen larven, adulten, juvenielen, eisnoeren. Ook tijdens de trek Paar waarnemingen tijdens de trek, enkele verkeersslachtoffers
7
Staro In tabel 4 valt op dat van de soorten bruine kikker en gewone pad een zeer groot aantal waarnemingen is ingevoerd. Bij beide soorten komt dit vooral door één ingevoerde waarneming met een schatting van 10.000 larven. Van verschillende soorten amfibieën zijn in de NDFF veel waarnemingen te vinden met de vermelding dat de waarneming tijdens de trek is gedaan. Waarschijnlijk worden er in de gemeente in de periode van de amfibieëntrek dieren langs wegen middels amfibieënschermen in emmers opgevangen en over de weg gezet. De in de emmers aangetroffen dieren worden vervolgens ingevoerd in de NDFF. In de kaart is te zien dat de meeste soorten amfibieën zijn waargenomen in de delen van het bestemmingsplangebied die tot het NNB en Natura 2000 behoren.
amfibieën [1067] « « « *
Alpenwatersalamander [111] Bastaardkikker [30] Bruine kikker [190] Gewone I Rugstreeppad [1] ^ Gewone pad [189] o Groene kikker (Onb.) [201] ® Heikikker [93] Kamsalamander [27] * Kleine watersalamander [28] » MeerVBastaardkikker [1] * Poelkikker [26] * Rugstreeppad [54] «' Vinpootsalamander [116] I I Bestemmingsplangebied I I Natuurnetwerk Brabant Natura2000
OpenBasisKaart - OSM - EPSG:28992
Figuur 4. Verspreiding over het bestemmingsplangebied van waarnemingen van amfibieën. Tussen haakjes het aantal waarnemingen per soort.
8
Reptielen Tabel 5. Reptielen, soorten en aantallen. # invoer = het aantal keer dat de soort is ingevoerd in de NDFF. totaal aantal = het aantal waargenomen individuen van een soort. Voor uitleg beschermingsregime, zie paragraaf Wettelijk kader vrijgesteld*: Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de vergunningplicht bij schadelijke activiteiten. Het is toegestaan om: a) deze soorten te vangen; b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Soorten
totaal # invoer aantal Beschermingsregime Bal Opmerkingen 5 11.2.2 5 11.2.3 5 11.2.4 vrijgesteld*
Reptielen Gladde slang Hazelworm Levendbarende hagedis
356 2 422
546 2 634
adulten, juvenielen en twee keer een vervellingshuid. Deel van de waarnemingen vanuit het meetnet reptielen
x x x
adulten, subadulten en juvenielen
Binnen het bestemmingsplangebied zijn waarnemingen bekend van drie soorten reptielen: gladde slang, hazelworm en levendbarende hagedis. Bij een deel van de waarnemingen van gladde slang en levendbarende hagedis is vermeld dat deze uit het meetnet reptielen afkomstig zijn. Dit betekent dat vaste locaties systematisch worden gemonitord op aanwezigheid van deze soorten. Aan de verspreiding van de waarnemingen is dit ook te zien; veel waarnemingen zijn gedaan op dezelfde locaties. Waarnemingen van gladde slang zijn alleen bekend uit het zuiden van het bestemmingsplangebied.
reptielen [780] * Gladde slang [356] Hazelworm [2] ® Levendbarende hagedis [422] I I Bestemmingsplangebied 1 I Natuurnetwerk Brabant Natura2000
OpenBasisKaart - OSM - EPSG:28992
Figuur 5. Verspreiding over het bestemmingsplangebied van waarnemingen van reptielen. Tussen haakjes het aantal waarnemingen per soort.
9
Insecten Tabel 6. Insecten, soorten en aantallen. # invoer = het aantal keer dat de soort is ingevoerd in de NDFF. totaal aantal = het aantal waargenomen individuen van een soort. Voor uitleg beschermingsregime, zie paragraaf Wettelijk kader vrijgesteld*: Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de vergunningplicht bij schadelijke activiteiten. Het is toegestaan om: a) deze soorten te vangen; b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen. totaal Soorten # invoer aantal Beschermingsregime Bal Opmerkingen 5 11.2.2 5 11.2.3 5 11.2.4 vrijgesteld* Vlinders Bruine eikenpage 1 1 x Grote vos 26 31 x Grote woerschijnvlinder 5 5 x Kleine ijsvogelvlinder 2 2 x Teunisbloempijlstaart 1 1 x Libellen Beekrombout 1 1 x Bosbeekjuffer 234 855 x Gevlekte witsnuitlibel 1 1 x Gewone bronlibel 1 1 x Hoogveenglanslibel 31 48 x Kevers Vermiljoenkever 10 25 x adulten en nimfen
Van de insecten zijn de waarnemingen van vermiljoenkever het vermelden waard. Deze soort is in 2012 voor het eerst aangetroffen in Nederland. De biotoop bestaat uit vochtige bossen, houtwallen en lanen met bomen en dikke takken die recent zijn doodgegaan. De vermiljoenkever is bekend uit het Natura 2000-gebied in het noorden van het bestemmingsplangebied. Vermoedelijk is de aanwezigheid hier onderzocht. Mogelijk komt de soort dus ook op andere locaties voor waar er niet naar is gezocht. Het hoge aantal waarnemingen van bosbeekjuffer valt op. Deze waarnemingen zijn gedaan langs de beken Reusel en Raamsloop. Op de verspreidingskaart is te zien dat vrijwel alle waarnemingen van beschermde insecten zijn gedaan in de gebieden die tot het NNB en het Natura 2000-gebied behoren.
10
insecten kevers * Vermiljoenkever insecten dagvlinders * Bruine eikenpage » Grote vos 9 Grote weerschijnvlinder 9 Kleine ijsvogelvlinder insecten nachtvlinders 9 Teunisbloempijlstaart insecten libellen 9 Beekrombout 9 Bosbeekjuffer 9 Gevlekte witsnuitlibel * Gewone bronlibel * Hoogveenglanslibel I I Bestemmingsplangebied I I Natuurnetwerk Brabant Natura2000 OpenBasisKaart - OSM - EPSG:28992
Figuur 6. Verspreiding over het bestemmingsplangebied van waarnemingen van insecten. Tussen haakjes het aantal waarnemingen per soort.
Vaatplanten Tabel 7. Vaatplanten, soorten en aantallen. # invoer = het aantal keer dat de soort is ingevoerd in de NDFF. totaal aantal = het aantal waargenomen individuen van een soort. Voor uitleg beschermingsregime, zie paragraaf Wettelijk kader
Soorten
totaal # invoer aantal Beschermingsreçlime Bal Opmerkingen S 11.2.2 S 11.2.3 S 11.2.4
Vaatplanten Drijvende waterweegbree
136
491
x
Van de beschermde vaatplanten zijn waarnemingen van één soort bekend in de NDFF. Dit betreft de drijvende waterweegbree. Het is een plant van helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water. Ze komt voor in laaglandbeken, vennen, kanalen en poelen. Binnen het bestemmingslangebied is de soort waargenomen in de beken Reusel en Raamsloop.
11
vaatplanten 9 Drijvende waterweegbree
I I
I Bestemmingsplangebied I Natuurnetwerk Brabant Natura2000
OpenBasisKaart - OSM - EPSG:28992
Figuur 7. Verspreiding over het bestemmingsplangebied van waarnemingen van vaatplanten. Tussen haakjes het aantal waarnemingen per soort.
Vogels Alle van nature in Nederland voorkomende vogelsoorten zijn beschermd onder de Omgevingswet. Vogelsoorten zijn onder te verdelen in soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is en overige soorten waarvan het nest alleen gedurende het broedseizoen beschermd is. In tabel 8 is aangegeven welke soorten een jaarrond beschermd nest hebben. Van deze soorten is eveneens aangegeven of de waarnemingen in de NDFF nesten of territoria betreffen. Dit is relevant omdat deze soorten over het algemeen langjarig hetzelfde nest gebruiken en moeilijk zelf een nest kunnen maken, vandaar ook de jaarronde bescherming van het nest. De overige vogelsoorten zijn meestal flexibeler in het vinden van een nestplek. Daarom is bij deze soorten minder relevant of de waarnemingen betrekking hebben op een nest. Op de verspreidingskaarten van de vogels is te zien dat het merendeel van de waarnemingen is gedaan in delen van het bestemmingsplangebied die tot het NNB en het Natura 2000-gebied behoren. Uit de data van de NDFF blijkt dat veel waarnemingen zijn verzameld in het kader van broedvogelmonitoringsprojecten. Dergelijke projecten worden door terreinbeherende organisaties uitgevoerd om de natuurkwaliteit te bepalen en het natuurbeheer op af te stemmen. Dit verklaart waarom er zoveel waarnemingen van vogels in deze gebieden zijn gedaan.
12
Tabel 8. Vogels, soorten en aantallen. # invoer = het aantal waarnemingen ingevoerd in de NDFF. Voor uitleg beschermingsregime, zie paragraaf Wettelijk kader. Jaarrond beschermd nest = het nest van deze soorten is ook buiten het broedseizoen beschermd.
Soorten
# Beschermingsregime invoer Bal Opmerkingen jaarrond beschermd S 11.2.2 nest
Vogels Aalscholver
73 x
Appelvink
15 x
Bergeend
6 x
Blauwborst
64 x
Blauwe reiger
1
Boerenzwaluw
3 x
x
Bonte vliegenvanger
129 x
Boomklever
164 x
Boomkruiper
237 x
Boomleeuwerik
118 x
Boompieper
234 x
Boomvalk
2 x
Bosrietzanger
34 x
Bosruiter
2 x
Bosuil
59 x
kolonie met 12 individuen
x
territoria vastgesteld
Braamsluiper
1
Brandgans
2 x
x
Bruine kiekendief
1
x
x
overvliegend
x
territoria vastgesteld en waarnemingen van nesten
Buizerd
43 x
Casarca
3 x
Dodaars
67 x
Ekster
21
Fazant
15 x
Fitis
196 x
Fluiter
4 x
x
Fuut
38 x
Gaai
32 x
Geelgors
307 x
Gekraagde roodstaart
173 x
Gele kwikstaart
13 x
Geoorde fuut
5 x
Goudhaan
32 x
Goudvink
33 x
Grasmus
161
x
Graspieper
9 x
Grauwe gans
46 x
Grauwe vliegenvanger
30 x
Groene specht
69 x
Groenling
6 x
Grote bonte specht
154 x
Grote Canadese gans
35 x
13
Staro
Soorten
# Beschermingsregime invoer Bal Opmerkingen jaarrond beschermd S 11.2.2 nest
Grote karekiet
12 x
Grote lijster
68 x
Grote zilverreiger
2 x
Grutto
55 x
Havik
16 x
Heggenmus
51
Holenduif
65 x
x
territoria vastgesteld
x
territoria vastgesteld
x
slaapplaats
x
Houtduif
96 x
Houtsnip
130 x
Huismus
15 x
Huiszwaluw
10 x
IJsvogel
18 x
Kauw
9 x
Kerkuil
1
x
Kievit
81
x
Kleine bonte specht
62 x
Kleine karekiet
130 x
Kleine plevier
7 x
Kneu
21
Knobbelzwaan
6 x
x
Koekoek
76 x
Koolmees
151
x
Koperwiek
2 x
Krakeend
49 x
Kruisbek
18 x
Kuifeend
15 x
Kuifmees
179 x
Kwartel
25 x
Matkop
22 x
Meerkoet
58 x
Merel
90 x
Middelste bonte specht
82 x
Nachtzwaluw
17 x
Oeverzwaluw
7 x
Ooievaar
1
Patrijs
55 x
Pimpelmees
96 x
Putter
66 x
x
Raaf
1
Rietgors
27 x
x
Rietzanger
1
Ringmus
3 x
x
Roodborst
166 x
Roodborsttapuit
129 x
Scholekster
25 x
Sijs
6 x
14
Staro
Soorten
# Beschermingsregime invoer Bal Opmerkingen jaarrond beschermd S 11.2.2 nest
Slobeend
32 x
Sperwer
4 x
Spotvogel
72 x
Spreeuw
80 x
Sprinkhaanzanger
6 x
Staartmees
18 x
Steenuil
2 x
Tafeleend Tjiftjaf
x
territoria vastgesteld
x
sporen en nest indicerend gedrag
x
territoria vastgesteld en waarnemingen van nesten
9 x 295 x
Toendrarietgans
2 x
Torenvalk
5 x
Tuinfluiter
118 x
Tureluur
3 x
Turkse tortel
3 x
Veldleeuwerik
71
Vink
244 x
x
Vuurgoudhaan
78 x
Waterhoen
22 x
Waterral
4 x
Watersnip
4 x
Wespendief
6 x
Wielewaal
18 x
Wilde eend
88 x
Winterkoning
140 x
Wintertaling
16 x
Witgat
2 x
Witte kwikstaart
17 x
Wulp
92 x
Zanglijster
99 x
Zomertaling
17 x
Zomertortel
17 x
Zwarte kraai
153 x
Zwarte mees
94 x
Zwarte roodstaart
19 x
Zwarte specht
22 x
Zwartkop
362 x
15
-iguur 8. Verspreiding over het bestemmingsplangebied van waarnemingen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Tussen haakjes het aantal waarnemingen per soort.
vogels overige # Aalscholver 9 Appelvink 9 Bergeend 4 Blauwborst * Blauwe reiger 9 Boerenzwaluw 9 Bonte vliegenvanger 4 Boomklever 9 Boomkruiper 4 Boomleeuwerik 4 Boompieper 4 Bosrietzanger 9 Bosruiter 9 Bosuil 4 Braamsluiper 9 Brandgans 9 Casarca 9 Dodaars 9 Ekster 9 Fazant 9 FitiS 4 Fluiter 9 Fuut 9 Gaai 9 Gee Igors 9 Gekraagde roodstaart 9 Gele kwikstaart 4 Geoorde fuut 4 Goudhaan 9 Goudvink 4 Grasmus 9 Graspieper 4 Grauwe gans 9 Grauwe vliegenvanger 9 Groene specht 9 Groenling 9 Grote bonte specht 9 Grote Canadese gans 9 Grote karekiet
Grote lijster 9 Sijs Grote zilverreiger 9 Slobeend Grutto Spotvogel Heggenmus Spreeuw 9 Sprinkhaanzanger Holenduif 9 Staartmees Houtduif Houtsnip 9 Tafeleend Huiszwaluw 9 Tjiftjaf Dsvogel 9 Toendrarietgans Kauw 9 Torenvalk Kievit 9 Tuinfluiter Kleine bonte specht 9 Tureluur Kleine karekiet 9 Turkse tortel 9 Veldleeuwerik Kleine plevier Kneu 9 Vink Knobbelzwaan 9 Vuurgoudhaan 9 Waterhoen Koekoek Koolmees 9 Waterral 9 Watersnip Koperwiek Krakeend 9 Wielewaal 9 Wilde eend Kruisbek Kuifeend 9 Winterkoning 9 Wintertaling Kuifmees Kwartel 9 Witgat 9 Witte kwikstaart Matkop 9 Wulp Meerkoet 9 Zanglijster Merel Middelste bonte specht 4 Zomertaling 9 Zomertortel Nachtzwaluw Oeverzwaluw 9 Zwarte kraai 9 Zwarte mees Ooievaar 9 Zwarte roodstaart Patrijs Pimpelmees 9 Zwarte specht 9 Zwartkop Putter Raaf I | Bestemmingsplangebied Rietgors ___ Natuumetwerk Brabant Rietzanger Natura2000 Ringmus OpenBasisKaart Rood borst Roodborsttapuit Scholekster
Figuur 9. Verspreiding over het bestemmingsplangebied van waarnemingen van overige vogelsoorten.
16
P199237.010.R1