[24.09755] Nota van Zienswijzen BP Buitengebied 2023
Tekst van het document
Deelgebied Raamsloop
Deelgebied zuiden van Mispeleindse en Neterselse Heide
16
3. Zienswijzen algemeen Z073 Agra-Matic (23IK.1346) Samenvatting 1. Algemeen. Deze zienswijze dient gezien te worden als onderdeel van de zienswijzen die indiener op locatieniveau voor haar klanten heeft ingediend. 2. Stikstof. Indiener is van mening dat de regels met betrekking tot stikstof uit de planregels te beperkend zijn voor de agrarische bedrijfsvoering van haar klanten. In de definiëring van “toename van stikstofemissie”, in artikel 1.156 van de planregels, wordt gebruik gemaakt van een emissieplafond. Een emissieplafond is immers beperkender dan een depositieplafond. Niet alle emissie die wordt uitgestoten wordt ook omgezet naar depositie. Vanwege de Wet natuurbescherming en de daarmee gemoeide toetsing is het logischer om uit te gaan van depositie. Om te berekenen of er sprake is van toename van stikstof moet worden uitgegaan van de feítelijk aanwezige en planologisch legale situatie in relatie tot depositie, in plaats van emissie. Hiermee is onvoldoende rekening gehouden. Ook anderen hebben hierop gewezen. In de nota van inspraak verwijst ge gemeente naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1411). Daaruit zou blijken dat in de planregels wel degelijk uit kan worden gegaan van emissie. Dit is echter onjuist. In overweging 30.3 wordt betreffende planregel aangehaald.
Deze planregel gaat - anders dan u kennelijk meent - uit van depositie. De verwijzing naar de uitspraak kan indiener dan niet goed volgen. Dat uitgegaan moet worden van depositie in plaats van emissie blijkt onder meer ook uit de ruimtelijke procedure die wordt doorlopen voor de locatie Schepersweijer 4a te Reusel. Hier trekt indiener samen op met Hekkelman advocaten (advocaat gemeente) om de stikstofbepalingen in het bestemmingsplan aan te passen naar aanleiding van beroep bij de Raad van State. Daarnaast is in artikel 3.4.8, sub j, van de planregels, het volgende opgenomen: “de ontwikkeling mag niet leiden tot een toename van stikstofemissie vanuit de betreffende gronden of bouwwerken”. Deze bepaling is ook te beperkend voor de bedrijfsvoering van onze klanten. Middels deze bepaling wordt immers de bedrijfsvoering van onze klanten beperkt. Met deze bepaling mag immers alleen een omgevingsvergunning worden verleend voor bouwen buiten het bouwvlak, indien de bouwactiviteit niet leidt tot een toename van stikstofemissie. Dit betekent dus dat er enkel nog gebouwd mag worden als de stikstofemissie niet toeneemt en dit betekent ook dat extern salderen niet mogelijk wordt gemaakt.
Indiener en diens klanten verzoekt daarom de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening te houden met deze beperkende bepaling, door een flexibiliteitsbepaling op te nemen in de planregels en ervoor te zorgen dat middels deze flexibiliteitsbepaling extern salderen mogelijk wordt gemaakt. Door een afwijkingsbevoegdheid (ten aanzien van extern salderen) op de nemen in de planregels blijft de ruimte voor cliënten (en andere agrariërs) bestaan. In dat geval is het mogelijk om middels voorwaarden en eisen hiervan af te wijken. Dit is mogelijk door extern salderen bijvoorbeeld toe te laten in geval er sprake is van een onherroepelijke natuurvergunning, waarvoor een passende beoordeling is gemaakt. Reactie: 1. Algemeen. Deze opmerking wordt ter kennisgeving aangenomen. 2. Stikstof. Voor de reactie over dit onderwerp wordt verwezen naar hoofdstuk 4 “Algemeen antwoord” onder A001. Aanpassing Geen aanpassingen.
17
Z076 Stichting Groen Kempenland en Stichting Milieuwerkgroep Kempenland (23IK.1261) Samenvatting 1. Transparantie wijziging agrarische bouwvlakken en landschappelijke inpassing. Voor een aantal uitbreidingen/wijzigingen van bouwvlakken is ten onrechte geen verplichting opgenomen om landschappelijke inpassing uit te voeren. Uit de beantwoording van de inspraakreactie blijkt dat u ongemotiveerd ervoor kiest om geen retrospectieve toets uit te voeren. Hierdoor is het niet transparant welke agrarische bouwvlakken of nietagrarische bouwvlakken zijn gewijzigd en waarom deze wijziging van zo'n bouwvlak plaatsvindt. In bijlage 1 van de inspraakreactie hadden cliënten een aantal locaties aangegeven waarbij de agrarische bouwvlakken worden gewijzigd of vergroot zonder een robuuste landschappelijke inpassing. Verzocht wordt deze inventarisatie alsnog uit te voeren en vervolgens voor deze locaties een landschappelijke inpassingsplicht publiekrechtelijk te verankeren. 2. Verwijderen van aanduidingen intensieve veehouderij. Opgemerkt wordt dat ook actueel inzicht in de feitelijke situatie van het aanwezige aantal dieren per locatie ontbreekt. Dit inzicht is met name van belang in die situaties waarbij de vergunde situatie sterk afwijkt van de feitelijke situatie.
Bij de beantwoording van de inspraakreactie geeft het college aan, dat voor een aantal bedrijven twijfels zijn gerezen wat de status is van de agrarische activiteiten. Daarbij wordt aangegeven dat het niet mogelijk is om deze bedrijven 'weg te bestemmen' of aanduidingen intensieve veehouderij te schrappen, omdat dit leidt tot onaanvaardbare planschaderisico's. De aanduiding 'intensieve veehouderij' wil uw college alleen op eigen verzoek (van de eigenaar/het bedrijf) verwijderen, zo wordt in de beantwoording van de inspraakreactie aangegeven. Dit standpunt is niet alleen teleurstellend, maar inhoudelijk ongemotiveerd en onjuist. Het is vaste jurisprudentie, dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen moet aanwijzen en regels moet geven die hij uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De ruimtelijke motieven moeten bij het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voorop staan en moeten het besluit kunnen dragen. De vrees van uw college voor planschade ziet op financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingplan. Volgens vaste jurisprudentie kan dit alleen als uw raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd. Een financiële uitwerking van de geúite vrees voor toekenningen van planschadevergoedingen ontbreekt volledig.
Voorts ontbreekt de financiële onderbouwing waarom uw gemeente deze planschadekosten niet kan dragen. Op voorhand betwijfelen cliënten sterk of er wel in alle gevallen een planschade moet worden toegekend en dat het totale bedrag zo enorm zal zijn, dat er sprake is van een financiële onuitvoerbaarheid. Ook is het nog maar de vraag of iedere eigenaar ook een planschadeverzoek zal indienen. Met betrekking tot het houden van dieren is een inventarisatie door uw gemeente al vrij eenvoudig te doen door de landbouwtellingen (meitellingen) van 2022 en 2023 van adressen binnen het plangebied bij de Rijksdienst op te vragen. Indiener verzoekt u dit alsnog te doen, zodat geen bestemmingsplan wordt vastgesteld op basis van een achterhaalde situatie, omdat de bedrijfsactiviteiten reeds beëindigd zijn. Sticht Groen Kempenland heeft vorig jaar zelf het initiatief genomen om de landbouwtellingen (2018 t/m 2021) bij de rijksdienst op te vragen. Uit deze landbouwtellingen is gebleken dat bij een fors aantal adressen in 2021 geen of nauwelijks nog (in een hobbymatige omvang) dieren werden gehouden. Bij de meeste adressen was dit al meerdere jaren het geval. In de bijlage bij de zienswijze is een overzicht van locaties voor het houden van dieren, die mede om die reden ten onrechte zijn toegekend.
Verzocht wordt per adres in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bouwvlakken/bestemmingen te wijzigen overeenkomstig de bijlage. Reactie 1. Transparantie wijziging agrarische bouwvlakken en landschappelijke inpassing. In de reactie op het vooroverleg van de provincie Noord-Brabant heeft de gemeente uitleg gegeven waarom geen retrospectieve toets is uitgevoerd. Abusievelijk is deze reactie niet toegevoegd aan de beantwoording van de inspraakreactie van Stichting Groen Kempenland. De reden dat geen retrospectieve toets is uitgevoerd is als volgt. Binnen de gemeente is de papieren versie van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ de juridisch geldende versie van het plan; niet de digitale versie. Doordat dit plan gedateerd is en hierop veel postzegel herzieningen zijn geweest, gaat een retrospectieve toets geen extra duidelijkheid geven. Het betreft een grote integrale herziening en een
18
2.
vergelijking tussen papier en digitaal kost veel extra tijd en geld. Aangezien het geen wettelijke verplichting is, heeft de gemeente ervoor gekozen om dit achterwege te laten. Voor wat betreft de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar hoofdstuk 4 “Algemeen antwoord onder A003. Verwijderen van aanduidingen intensieve veehouderij. In aanloop naar het voorontwerpbestemmingsplan is reeds een inventarisatie gehouden naar alle agrarische bedrijven. Hierbij is gekeken naar wat er op de locaties planologisch is toegestaan en welke milieuvergunningen daar nog onder liggen. Helaas zit het ruimtelijke ordeningssysteem in Nederland niet zo in elkaar, dat bij bedrijfsbeëindiging of intrekken van milieurechten, relatief gemakkelijk ook de planologische mogelijkheden verwijderd kunnen worden. De planologische mogelijkheden verwijderen, zonder dat daar instemming voor is gegeven of voorzienbaarheid is gecreëerd, kan door nadeelcompensatie een groot (en ook onnodig) financieel risico ontstaan voor de gemeente. De benadering van de gemeente is daarom anders. Op de eerste plaats, mocht de planologische mogelijkheden opnieuw in gebruik worden genomen, bijvoorbeeld door het aanvragen van een nieuwe milieuvergunning, dan moet het bedrijf aantonen dat de bedrijfsvoering passend is op die locatie, gelet ook op de omgeving.
Hierdoor is het opnieuw gebruiken van de locatie niet eenvoudig voor een ondernemer. Mocht het houden van dieren alsnog wel passend zijn, dan ziet de gemeente geen bezwaar dat een dergelijke locatie opnieuw in gebruik wordt genomen. Wellicht door het houden van aanzienlijk minder dieren. Ten tweede is van belang ook te beseffen dat deze gemeente een agrarisch georiënteerde gemeente is. Van de gemeente hoeven dierhouderijen niet overal te stoppen, zolang die op juiste plaats aanwezig zijn en met respect voor de omgeving. Tot slot werkt de gemeente met een ervencoach. Dit is iemand die het dialoog aangaat met boeren, ondernemers of al gestopte ondernemers binnen de agrarische sector. De gemeente wenst dat vanuit een dialoog tot een passende herbestemming gekomen kan worden als het agrarische bedrijf gaat stoppen of al gestopt is. Het voorstel om via de “meitellingen” te bepalen of een dierhouderij nog actief is en daar meteen planologische actie op ondernemen gaat de gemeente te ver. De “meitelling” wordt in het milieuspoor gebruikt om te bepalen of op basis van de gemeentelijke intrekkingsbeleid voor dierhouderijen de milieuvergunning in stand kan blijven of dat actie tot intrekken genomen moet worden. Bij het planologisch wijzigen van een locatie is ook een passende herbestemming noodzakelijk.
Daarover gaat, zoals hiervoor ook beschreven, de gemeente graag het dialoog over aan om zo per locatie tot een maatwerkoplossing te komen. Naar aanleiding van deze zienswijze, zijn de cijfers uit het KRD opgevraagd en vergeleken met de planologische situatie. Hieruit blijkt dat, behalve voor de locaties De Luther 12, Koestraat 8, Kerkweg 7, Sleutelstraat 10 en De Hoek 1, nog milieuvergunningen voor het houden van dieren actief zijn. De ervencoach wordt op de hoogte gebracht van de 5 genoemde locaties om daarover het gesprek aan te gaan om vervolgens via een eigen procedure te komen tot een passende herbestemming. Hierbij is het goed om te weten dat er al verschillende gesprekken hiervoor lopen.
Aanpassingen Geen aanpassingen. Z077 Van Dun Advies (23IK.1251) Samenvatting 1. Uitbreiding dieren en dierenverblijven. De regels van het ontwerpbestemmingsplan maken het bijna onmogelijk voor een veehouderij om door te ontwikkelen (het gaat hier om artikelen 3.1.2 en 4.1.2). Het bieden van meer oppervlakte aan dieren wordt in het kader van het dierwelzijn steeds meer gevraagd. Dit geldt tevens voor het innoveren van bedrijven. Deze ontwikkelingen van dierenwelzijn en innovatie gaan gepaard met veranderingen. Het ontwerpbestemmingsplan zorgt ervoor dat de veehouderijen niet mee kunnen met de recente en toekomstige ontwikkelingen. In de regels wordt gesteld dat er geen uitbreiding van dieren/dierenverblijven mag plaatsvinden. Er is wel een afwijkingsbevoegdheid opgenomen in artikel 43.3.1 voor het vergroten van de oppervlakte van dierenverblijven. De mogelijkheid voor het uitbreiden van de oppervlakte van dierenverblijven wordt echter door artikel 43.3.1 zeer beperkt.
19
2.
3.
4.
5.
Naast voorgenoemde wordt er een beperking opgelegd voor het uitbreiden in dieraantallen. Deze beperking is ook opgenomen in artikelen 3.1.2 en 4.1.2. Hiervoor is echter geen afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Het wordt op deze manier onmogelijk om in de toekomst uit te breiden of te innoveren. Ook omschakeling van ene diersoort naar de andere is dan niet mogelijk. Wij willen graag verzoeken om met de bovenstaande punten mee te denken met de belangen van de ondernemers door in ieder geval een afwijkingsbevoegdheid op te nemen voor het wijzigen in het aantal dieren, dan wel het verbod tot de uitbreiding van het aantal dieren op te heffen. Landschappelijke inpassing en kwaliteitswinst. In de voorwaarden artikel 43.3.1 zijn leden j, k en l extra toegevoegd ten opzichte van de regels uit de IOV. De gevraagde zorgvuldige landschappelijke inpassing dient minimaal 10% van de gezamenlijke oppervlakte van het bouwvlak en de bebouwing waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend te bedragen. Wordt bedoeld dat de landschappelijke inpassing: a. 10% dient te bedragen van én het bouwvlak én de bebouwing waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend? Of b. 10% van enkel de bebouwing waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend? Of c. 10% van enkel het bouwvlak? Ons inziens is 10% van het bouwvlak én de bebouwing niet haalbaar voor veel veehouderijen.
Dit geeft een aanzienlijke beperking aangezien dit tevens een grote investering betreft, naast de innovatie die gaat plaatsvinden met het realiseren van nieuwe bebouwing. Naast het bovenstaande dient er tevens kwaliteitsverbetering plaats te vinden. Een goede landschappelijke inpassing en kwaliteitswinst zijn aandachtspunten die moeten worden beoordeeld in het kader van een bestemmingsplanprocedure. Door deze voorwaarden als extra voorwaarde bij een bouwaanvraag op te nemen, worden de ondernemers gedwongen om extra investeringen te doen voor de uitbreiding van hun bedrijf. Conform de Landschapsinvesteringsregeling De Kempen is geen bepaling opgenomen voor extra kwaliteitswinst bij een toename van bebouwing binnen een bestaand agrarisch bouwvlak. Dit betekent dat ook dat er geen sprake is van extra waardevermeerdering en de voorwaarden betekenisloos is. De voorwaarden uit lid k en l zijn ons inziens niet noodzakelijk omdat deze aspecten reeds getoetst dienen te zijn in de planvorming. Bij de vorming van het bouwvlak dient onderzocht te zijn (geweest) of dit bouwvlak beperkingen oplevert voor de omgeving of aanwezige waarden. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen in artikel 3.4.8 en 4.4.8 dat de landschappelijke inpassing 10% van het bouwvlak dient te bedragen wanneer er wordt gebouwd buiten het bouwvlak.
Een duidelijke onderbouwing waarom deze landschappelijke inpassing 10% van het bouwvlak dient te bedragen ontbreekt. Een kleiner percentage kan in sommige gevallen namelijk ook zorgen voor een goede landschappelijke inpassing. Wij willen graag in eerste instantie verzoeken om de 10% los te laten, echter wanneer dit toch een harde eis is zouden wij graag een onderbouwing ontvangen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening wanneer deze 10% wordt doorgevoerd. Kleinschalige windmolens. In de bouwregels van diverse bestemmingen staat onder bouwwerken, geen gebouw zijnde, dat kleinschalige windmolens maximaal 12 meter hoog mogen zijn. De standaard kleinschalige erfmolens die in de handel zijn, hebben een ashoogte van 15 meter. Verzoek: 15 meter hoogte rechtstreeks mogelijk te maken. Bouwregels mestsilo’s. Tevens is opgenomen in de bouwregels dat mestsilo's niet hoger mogen zijn dan 6 meter. Dit is echter voor de praktijk heel laag aangezien de silo's ook overkapt moeten worden uitgevoerd. Hierbij valt op te merken dat mestbewerkingsinstallaties ook 12 meter hoog mogen zijn, terwijl deze exact dezelfde uiterlijke verschijningsvorm hebben. Dit is ook even hoog als de toegestane bedrijfsgebouwen. Verzoek: om een maximale hoogte van 12 meter voor mestsilo’s op te nemen. Spuitzone.
In artikelen 3.5.1 en 3.6.3 zijn regels opgenomen voor gewasbeschermingsmiddelen op landbouwpercelen. In deze artikelen wordt gesproken over 'gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie'. Er is echter geen duidelijk begrip vermeld hiervoor. Verzocht wordt om een nadere duidelijkere begripsbepaling op te nemen.
20
6.
7.
8.
9.
(Vollegrond) fruitteelt en boomteelt a. Er is geen definitie opgenomen voor (vollegronds)fruitteelt en boomteelt. Er kan momenteel discussie ontstaan over wat deze begrippen (artikel 3.5.1) nu exact inhouden. Verzocht wordt om deze definities op te nemen in het bestemmingsplan. b. Ook wordt opgemerkt dat er geen uitzondering is opgenomen voor een bedrijfswoning of voor biologisch geteelde producten. Verzocht wordt om hiervoor uitzonderingen op te nemen. c. Eveneens wordt opgemerkt dat de afwijkingsbevoegdheid in het kader van spuitzones enkel is opgenomen in artikel 3 van de regels. Verzocht wordt om deze afwijkingsbevoegdheid in alle bestemmingen op te nemen waar de regel over spuitzones van toepassing is. d. Opgemerkt wordt dat het op dit moment mogelijk is om de gewassen te bespuiten met gewasbeschermingsmiddelen zonder omgevingsvergunning. Binnen de genoemde zones betekent dit een beperking van de gebruiksmogelijkheden voor grondeigenaren. e. Tot slot valt hierbij op te merken dat met betrekking tot een kampeerterrein enkel rekening wordt gehouden met een boomgaard en niet met bijvoorbeeld vollegrondsfruit- en/of boomteelt. Waarom is hierin een onderscheid gemaakt? Bed&Breakfast (B&B). De regels van het ontwerpbestemmingsplan maakten het mogelijk om middels een melding een B&B mogelijk te maken binnen bijna iedere bestemming.
Een melding is een kennisgeving aan het bevoegd gezag, deze kan derhalve niet worden geweigerd. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat de voorwaarden ten behoeve van deze melding geen rekening houdt met omliggende functies. Omliggende veehouderijen kunnen worden beperkt wanneer er een B&B bij de naaste buren wordt gerealiseerd. Verzocht wordt om een B&B alleen mogelijk te maken met een omgevingsvergunning met een afweging over de belemmeringen van de omliggende functies. Nieuwe functie vrijkomende bedrijfswoning. In artikel 4.3.3 en andere bestemmingen is onder de kop bedrijfswoningen opgenomen dat bij vervangende nieuwbouw van een bedrijfswoning, de bedrijfswoning enkel ter plaatse van de bestaande fundering mag worden herbouwd. Om een vervangende nieuwbouw van een bedrijfswoning te realiseren op een nieuwe plek is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen in artikel 4.4.4. Onder de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.4.4 wordt de herbouw van een woning, op een andere plaats dan op dezelfde fundering, mogelijk gemaakt. Hierbij wordt in de voorwaarden onder lid g. geëist dat de voormalige bedrijfswoning gesloopt dient te worden. Het is op deze manier niet mogelijk om de voormalige bedrijfswoning in te zetten als bijvoorbeeld kantoorfunctie ondergeschikt bij een bedrijf.
Het is kapitaalvernietiging om eerst de voormalige bedrijfswoning hiervoor te slopen om daarna een nieuw gebouw te bouwen. Verzocht wordt om de voorwaarden in artikel 4.4.4 en andere artikelen als volgt uit te breiden: ”De voormalige bedrijfswoning dient te worden gesloopt, of dient te worden herbestemd voor een gebruik in overeenstemming met de geldende bestemming, niet zijnde een woning”. Stikstof. Voor wat betreft het aspect stikstof zijn wij er van op de hoogte dat dit moet worden vastgelegd in het bestemmingsplan in het kader van de effecten op de Natura 2000-gebieden. Bij bestemmingsplannen is dit een lastig aspect. Graag zouden wij hierin daarom een werkbare situatie willen creëren voor onze klanten. In het ontwerpbestemmingsplan wordt uit gegaan van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van de gronden en bouwwerken voor wat betreft het aspect stikstof. Echter wanneer er hier van wordt uitgegaan in iedere procedure, worden veel veehouderijen negatief beïnvloed. Bedrijven hebben namelijk een vergunning aangevraagd voor de exploitatie voor hun bedrijf (milieu en natuur) en met dit bestemmingsplan kunnen zij ineens niet meer de volledige vergunning benutten omdat het mogelijk is dat op moment van vaststellen het bedrijf minder/geen dieren heeft vanwege reguliere fluctuaties in de bedrijfsvoering.
Daarnaast is het bijna onmogelijk om na te gaan welke dieren er werden gehouden ten tijde van het vaststellen van het plan wanneer er een aantal jaar later de referentiesituatie moet worden bepaald. Er kan volgens jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2021:1603) in de regels van een bestemmingsplan worden vastgelegd dat er geen toename van stikstofdepositie mag plaatsvinden ten opzichte van de geldende Wet natuurbescherming op het moment van vaststellen van het bestemmingsplan. Wanneer de Wet natuurbeschermingsvergunningen met kenmerk/datum worden vastgelegd in de regels van het plan is dit op een correcte manier geborgd.
21
Naast het bovenstaande maakt het bestemmingsplan het onmogelijk om een toename van stikstofdepositie te mitigeren met toepassing van extern salderen. Er wordt namelijk gesteld dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van stikstofemissie vanuit de betreffende gronden of bouwwerken. Een afwijkingsbevoegdheid op deze voorwaarden is niet opgenomen in het bestemmingsplan. Het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid zou zorgen voor meer flexibiliteit voor ondernemers en is juridisch mogelijk zoals blijkt uit uitspraken, bijvoorbeeld zoals eerder genoemd. Verzocht wordt om een dergelijke afwijkingsbevoegdheid op te nemen. 10. Geur. In artikel 43.3.2 onder b is vermeld dat, indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages (12% bebouwde kom, 20% buitengebied), maatregelen moeten worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leidt van de achtergrondbelasting, welke minimaal de eigenbijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. Daarbij geldt tevens dat “er wordt voldaan aan de vastgestelde normen uit de Geurverordening”. Opgemerkt wordt dat de normen uit de geurverordening (0,1 ou E bebouwde kom, 5 ouE buitengebied) in praktijk nooit gehaald kunnen worden, met name voor de bebouwde kom. Stellen dat hieraan voldaan moet worden is dan ook geen werkbare regel. 11. Omgevingsvisie primaat landschap.
De algemene aanduidingsregel 'overige zone - primaat landschap' (artikel 47.3.6) zorgt er voor dat ontwikkelingen binnen dit gebied gericht dienen te zijn op 'versterking van het Kempisch kleinschalig karakter in landschappelijke en cultuurhistorische zin, met bebouwing en functies die passen bij de omgeving'. Deze aanduiding zorgt er voor dat er nadere eisen worden gesteld aan ontwikkelingen welke niet eerder zijn gesteld. Dit zorgt tevens voor belemmeringen in ontwikkelingen van veehouderijen. 12. Strijd met Omgevingsvisie. Het bestemmingsplan strookt niet met de Omgevingsvisie die door de gemeenteraad op 28-05-2018 is vastgesteld. In de Omgevingsvisie wordt namelijk vermeld dat er wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn voor agrarische bedrijven, zolang die ontwikkelingen een positieve bijdrage hebben voor de gezondheid van de omgeving. Echter, de regels van het bestemmingsplan zijn zo opgesteld, dat agrarische bedrijven bijna geen mogelijkheid meer hebben om een positieve ontwikkeling door te voeren. 13. Regels. a. In artikel 3.4.9 “Omzetten bouwvlak naar overig agrarisch bedrijf”, is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om het bouwvlak om te zetten naar een ‘overig agrarisch bedrijf’. Echter is deze afwijkingsbevoegdheid opgenomen onder het kopje ten behoeve van het afwijken van de bouwregels. Ons inziens is deze afwijkingsbevoegdheid opgenomen op een foutieve plaats. b.
Waarom staan er specifieke aanduidingen, bijvoorbeeld genoemd in artikel 4.1.1, terwijl in 4.1.2 staat dat ter plaatse van aanduidingen specifieke activiteiten zijn toegestaan? Verzamelen van de aanduidingen zou ons inziens logischer zijn (dit is bij meerdere bestemmingen het geval). c. Voorwaarde 6.4.2, lid g onder 2 gaat in op vergroting bouwvlak en vormverandering. Het artikel 6.4.2 gaat echter over uitbreiding oppervlakte bedrijfsbebouwing. Dit strookt niet met elkaar. Verzocht wordt om dit in overeenstemming met elkaar te brengen. Reactie 1. Uitbreiding dieren en dierenverblijven. Uit de resultaten van de planMER komt naar voren, dat mede vanwege de huidige strenge milieuregelgeving de milieugebruiksruimte voor agrarische ontwikkelingen in veel gebieden binnen de gemeente beperkt is. Er kunnen in het bestemmingsplan derhalve geen generieke ruime agrarische ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan worden opgenomen. Initiatieven die maatschappelijke meerwaarde opleveren voor landschap en samenleving worden echter door de gemeente welwillend behandeld. Hiervoor is veelal maatwerk noodzakelijk, waarvoor een afzonderlijke ruimtelijke procedure noodzakelijk is. Met de afwijkingsbevoegdheden opgenomen in artikelen 3.4.8, 4.4.8 en 43.3.1 heeft de gemeente desondanks ruimte ingebouwd om met een Omgevingsplanactiviteit (OPA) toch uitbreiding te realiseren.
Conform verzoek zal het verbod op uitbreiding van het aantal dieren worden geschrapt, zodat in aansluiting op het provinciaal beleid in het bestemmingsplan uitsluitend de oppervlakte dierverblijven wordt vastgelegd, die met inachtneming van de gestelde randvoorwaarden via een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid (artikel 43.3.1) kan worden vergroot.
22
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Daarnaast worden de gestelde randvoorwaarden in artikel 43.3.1 ten behoeve van uitbreiding van de oppervlakte dierenverblijven vergeleken met de bepaling in artikel 3.4.8, waarbij overbodige dubbelingen geschrapt worden. Landschappelijke inpassing en kwaliteitswinst. De regeling in artikel 43.3.1 gaat het om uitbreiden van dierenverblijf binnen het bestaand agrarisch bouwvlak, maar in afwijking van het bestemmingsplan. Daar stelt de provincie geen nadere eisen over landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering. (artikel 3.50 IOV en 5.64 OV). Deze voorwaarden kunnen hier dus vervallen. Daarentegen eist de gemeente dat bij de bouw van meer dan 100m2 voorzien moet worden van een landschappelijke inpassing. Die regeling wordt in stand gelaten. In de artikelen 3.4.8 en 4.4.8. is sprake van bouwen buiten het bouwvlak. De tekst in het artikel is duidelijk en het gaat om een landschappelijke inpassing van 10% van het bouwvlak en de oppervlakte van de gevraagde uitbreiding. Ook wordt op basis van de LIR kwaliteitswinst van het landschap gevraagd, te weten een investering van 20% van de waardevermeerdering. Aan beide moet voldaan worden. Als dat het geval is of er is geen waardevermeerdering dan hoeft dit niet (nogmaals). De regel in het bestemmingsplan is dus een toetsmoment en er kan per geval maatwerk worden geleverd.
Zowel ten aanzien van de landschappelijk inpassing en als van de kwaliteitswinst. Kleinschalige windmolens. Het bestemmingsplan staat binnen diverse bestemmingen kleinschalige windmolens toe van 12 meter. Daarnaast is een binnenplanse afwijking opgenomen om een kleinschalige windmolen tot maximaal 15 meter te kunnen realiseren, mits dit past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving. De gemeente heeft hier nog geen specifiek beleid voor gevormd. Daarnaast geven vergunningsaanvragen tot dusver ook geen aanleiding om de hoogte te verruimen. Bouwregels mestsilo’s. Het bestemmingsplan staat binnen een agrarisch bouwvlak mestsilo’s toe tot een bouwhoogte van 6 meter. Om een eventuele overkapping mogelijk te maken en meer gebruiksruimte te bieden, wordt de bouwhoogte verruimd tot 8,5 meter. Hiermee blijft het bouwwerk nog wel van ondergeschikte hoogte ten opzichte van andere bebouwing op het erf. Daarnaast wordt een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid toegevoegd tot een maximale bouwhoogte van 12 meter, mits dit past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving. Spuitzone. Conform verzoek wordt het begrip ‘voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies’, artikel 1.168 van het ontwerpbestemmingsplan, aangepast zodat duidelijk is welke functies hieronder vallen.
Zie overigens ook het antwoord in Hoofdstuk 4 “Algemeen antwoord”, onder A004. (Vollegrond) fruitteelt en boomteelt. a. Ten behoeve van de duidelijkheid is een definitie van (vollegronds) fruit- en/of boomteelt opgenomen. Bestaand gebruik is hierbij als uitzondering in de gebruiksregels opgenomen. b. In de betreffende artikelen wordt de regeling aangevuld zodat bedrijfswoningen en biologische teelt worden uitgezonderd van de aan te houden afstandsmaat. c. In artikel 4 en 5 is abusievelijk geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het verkleinen van de generieke 50 meter spuitzone. Dit wordt alsnog toegevoegd. d. Voor beantwoording van dit punt, zie reactie onder punt 6a. e. Bij de specifieke gebruiksregels is abusievelijk alleen genoemd dat 50 meter afstand gehouden moet worden van een boomgaard. Dit wordt veranderd in ‘bestaande vollegrondsfruit- en/of boomteelt’. Bed&Breakfast (B&B). In het ontwerpbestemmingsplan was inderdaad een meldingsmogelijkheid opgenomen voor een bed&breakfast binnen een bestaande bedrijfswoning. Bij nader inzien kan niet op voorhand worden uitgesloten dat bij de realisering hiervan omliggende dierhouderijen niet worden belemmerd. Deze regeling wordt daarom alsnog geschrapt. De afwijkingsbevoegdheid voor een bed&breakfast/kleinschalig logeren blijft evenwel in stand. Daarin is een afweging over effect op omliggende functies opgenomen.
Nieuwe functie vrijkomende bedrijfswoning. De gestelde voorwaarde voor de sloop van de voormalige bedrijfswoning in het geval van vervangende nieuwbouw komt uit het provinciaal beleid. Het is een regel waar de gemeente ook achterstaat. Ervaring leert dat het vrijkomende gebouw toch als een tweede woning werd gebruikt en dat het qua uitstraling niet meer passend is op het erf. Bovendien mag de bedrijfswoning 100 m3 groter zijn om een kantoorfunctie mogelijk te maken. Indien het noodzakelijk is om een andere afweging te maken, is in dat incidentele geval altijd maatwerk mogelijk. Daarvoor is dan wel een afzonderlijke ruimtelijke procedure vereist.
23
Stikstof. Voor de beantwoording ten aanzien van dit onderdeel wordt verwezen naar hoofdstuk 4 “Algemeen antwoord” onder A001. 10. Geur. Artikel 43.3.2 stelt dat als de achtergrondbelasting hoger is dan de provinciale streefwaarden (12% en 20%) een veehouderij alleen mag uitbreiden onder de voorwaarde dat sprake is van een ‘proportionele afname’ van de achtergrondbelasting van geur. Dit staat ook zo geregeld in de (Interim) Omgevingsverordening. Als aanvullende regel is gesteld dat voldaan moet worden aan de vastgestelde normen uit de geurverordening. Door de strenge geurnorm van 0,1 ouE, is vrijwel iedere veehouderij overbelast op de kernen in Reusel-De Mierden. Op dit punt verwijzen wij ook naar de reactie van de GGD in hoofdstuk 2 “Zienswijzen instanties” onder Z074, waarin zorgen worden geuit over de geurhinder die inwoners van met name de kernen ondervinden. Als de voorgrondbelasting de gemeentelijke geurnormen niet mag overschrijden, dan kan vrijwel geen enkele veehouderij op basis van deze regel uitbreiden. Met dit artikel werd beoogd om bedrijven extra maatregelen op basis van de 50%-regeling op te leggen als ze wilden uitbreiden. Die regeling bestaat echter niet meer als zodanig. Daarom wordt de bepaling dat er voldaan moet worden aan de vastgestelde normen uit de gemeentelijke geurverordening geschrapt. 11. Omgevingsvisie primaat landschap.
De aanduiding ‘overige zone – primaat landschap’ betreft een doorvertaling van de vastgestelde gemeentelijk Omgevingsvisie. Om deze historische, kleinschaligere agrarische cultuurlandschappen te ontlasten gelden hier extra randvoorwaarden voor de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden. De bestaande bedrijven/activiteiten worden niet belemmerd. Het accent ligt hier op een aantrekkelijk woon- werk- en recreatiemilieu. Om de gewenste ontwikkeling te stimuleren is in artikel 6.4.2 een sloopbonus opgenomen voor niet-agrarische bedrijven binnen deze zone. In artikel 43.2.2 is omschakeling van agrarisch naar andere functies mogelijk op voorwaarde X1, met gebruiksruimte van 400m2 + 20% sloopbonus tot maximaal 1.000 m2. 12. Strijd met de Omgevingsvisie. De gemeente heeft getracht de Omgevingsvisie op een evenwichtige manier door te vertalen in het bestemmingsplan. De landbouw is en blijft een belangrijke gebruiker en beheerder van het buitengebied van de Kempen, maar is niet (meer) de enige speler in het buitengebied. Uit de resultaten van de planMER komt naar voren, dat mede vanwege de huidige strenge milieuregelgeving de milieugebruiksruimte voor agrarische ontwikkelingen in veel gebieden binnen de gemeente beperkt is. Er kunnen daardoor in het bestemmingsplan geen generieke ruime agrarische ontwikkelingsmogelijkheden worden opgenomen.
Initiatieven die maatschappelijke meerwaarde opleveren voor landschap en samenleving worden echter door de gemeente op basis van de Omgevingsvisie welwillend behandeld. Voor deze ontwikkeling is tegenwoordig veelal maatwerk noodzakelijk, waardoor een afzonderlijke ruimtelijke procedure noodzakelijk is. 13. Regels. a. De binnenplanse afwijking voor het omzetten naar een ‘overig agrarisch bedrijf’ is inderdaad een bestemmingsplanactiviteit in plaats van een bouwregel. Dit wordt aangepast door aanpassing van artikel 3.2.2 en het schrappen van 3.4.9. Daarnaast is dit ook toegevoegd aan artikel 4. b. Voor dit bestemmingsplan is gekozen voor een systematiek waar in artikel #.1.1 (toegestane functies) de aanduidingen staan die verder geen specifieke activiteit of beschrijving vragen. Met de opgenomen aanduidingen in artikel #.1.2 en verder wordt expliciet vermeld welke aanvullende regels gelden ter plaatse van die aanduiding. De gemeente ziet geen aanleiding tot het aanpassen van deze systematiek. c. Er is sprake van een omissie. De voorwaarde van artikel 6.4.2 lid g onder 2 wordt aangepast waarbij de zinsnede “bij vergroting van het bouwvlak en bij vormverandering” wordt verwijderd.
9.
Aanpassingen - Regels: a. Artikel 3.1.2 onder “grondgebonden veehouderij” in de regel met “voorwaarden voor houden van dieren” schrappen het woord “dieren/“. b. Artikel 3.1.2 onder “intensieve veehouderij” in de regel met “voorwaarden voor houden van dieren” schrappen het woord “dieren/“. c. Artikel 3.3.3 onder “Bouwwerken, geen gebouw zijnde” de regel met “Bouwhoogte mestsilo’s” de woorden “max. 6 m” vervangen door “max. 8,5 m” .
24
Artikel 3.4.1 toegevoegd wordt: “m. voor het bouwen van een dak op een mestsilo binnen het bouwvlak tot een maximale bouwhoogte van 12 meter”. e. Artikel 4.1.2 onder “grondgebonden veehouderij” in de regel met “voorwaarden voor houden van dieren” schrappen het woord “dieren/“. f. Artikel 4.1.2 onder “intensieve veehouderij” in de regel met “voorwaarden voor houden van dieren” schrappen het woord “dieren/“. g. de gestelde randvoorwaarden in artikel 43.3.1 ten behoeve van uitbreiding van de oppervlakte dierenverblijven worden vergeleken met de bepaling in artikel 3.4.8, waarbij overbodige dubbelingen geschrapt worden. h. Artikel 4.3.3 onder “Bouwwerken, geen gebouw zijnde” de regel met “Bouwhoogte mestsilo’s” de woorden “max. 6 m” vervangen door “max. 8,5 m” . i. Artikel 4.4.1 toegevoegd wordt: “l. voor het bouwen van een dak op een mestsilo binnen het bouwvlak tot een maximale bouwhoogte van 12 meter”. j. In artikel 4 en 5 wordt een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het verkleinen van de generieke 50 meter spuitzone. k. In artikel 3, 4 en 5 is bij de specifieke gebruiksregels opgenomen dat 50 meter afstand gehouden moet worden van een boomgaard. Dit wordt aangevuld bestaande vollegrondsfruit- en boomteelt. l. Artikel 6.4.2 lid g onder 2 wordt geschrapt de zinsnede “bij vergroting van het bouwvlak en bij vormverandering”. m. Artikel 43.3.2. onder b.
geschrapt wordt: “, waarbij eveneens geldt: 1. Er wordt voldaan aan de vastgestelde normen uit de gemeentelijke geurverordening”. n. Artikel 43.3.1 onder j. wordt geschrapt. o. Heel het plan: Bed&Breakfast (B&B). De meldingsplicht voor bed&breakfast binnen bestaande bedrijfswoning wordt geschrapt uit het bestemmingsplan. d.
Z079 ZLTO, afdeling Kempengrens (23IK.1260) Samenvatting 1. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Ter bescherming van het gewas en verminderen van de milieudruk wordt er in de plantaardige teelten steeds vaker gebruik gemaakt van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. We vinden de maximale oppervlakte van 2,5 ha veel te krap. Zeker ook omdat de Provincie geen bovenmaat aan deze tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen stelt. Verzocht wordt de maximale maat van 2,5 ha voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te schrappen. 2.
3.
Huisvesting tijdelijke werknemers. Het bestemmingsplan maakt huisvesting onder voorwaarden mogelijk tot maximaal 160 m2 binnen bestaande / nieuw te realiseren gebouw. Uitgaande van norm van 10m 2 per persoon (SNF) is dat 16 personen. Uitgaande van de behoefte van ondernemers en het beperken van overlast voor de omgeving, zijn wij van mening dat het mogelijk moet zijn om op het erf tot maximaal 25 personen te huisvesten. Om te zorgen voor kwalitatief goede huisvesting, is het verzoek om het maximaal aantal van 25 personen aan te geven en geen maximale oppervlaktemaat. Voor het realiseren van huisvesting voor arbeidsmigranten dient te worden voldaan aan het SNF keurmerk. Wij vragen de gemeente om ook het AKF keurmerk (Agrarisch Keurmerk Flexwonen) te erkennen. Op dit moment wordt gewerkt aan een fusie van het SNF en AKF keurmerk. Stikstof. De gemeente merkt het gebruik van gronden waarbij een toename van de stikstofemissie plaats vindt, aan als strijdig gebruik. Op bouwland zijn lagere emissies bij mest uitrijden mogelijk dan op blijvend en tijdelijk grasland, omdat de mest op bouwland ondergewerkt kan worden waardoor de emissie lager is (Louis Bolk Instituut, Grasland maakt het verschil, p 23).
De bepalingen in het ontwerpbestemmingsplan zouden ertoe kunnen leiden dat een normale vruchtwisseling niet meer mogelijk is en dat er geen veranderingen meer mogelijk is van bouwland naar grasland. Om de uitspoeling van stikstof naar grond- en oppervlakte water te verminderen is grasland juist goed. De Raad van State heeft uitspraken gedaan over beweiden en bemesten. Uitspraak 202106903/1/R2 - Raad van State. Daarin staat opgenomen beweiden en bemesten niet meer vergunningplichtig is en dat men uit moet gaan van de planologische toegestane situatie ten tijde van aanwijzing. Was ten tijde van aanwijzing het betreffende perceel landbouwgrond, dan is bemesten niet vergunningplichtig en is er een normale
25
4. 5.
6.
7.
vruchtwisseling mogelijk. Verzocht wordt bij de emissie die vrijkomt bij het gebruik van gronden, de planologische toegestane situatie als uitgangspunt te nemen. Boerderijterras. Verzocht wordt de maximale maat van een boerderij terras te verruimen naar 200 m2, zodat dit ook daadwerkelijk een professionele tak binnen het bedrijf kan zijn. Zorglandbouw. De gemeente hanteert voor zorglandbouw een maximum van 375m2. Verzocht wordt om deze maximale oppervlakte los te laten. Dit komt de kwaliteit van de dienstverlening ten goede, zeker als er met meerdere (doel)groepen wordt gewerkt. Multifunctionele bedrijven. Steeds meer agrarische bedrijven starten een nevenactiviteit. De lijst met verschillende nevenactiviteiten zal naar onze inschatting de komende járen alleen maar langer worden. Voor multifunctionele bedrijven is het belangrijk dat zij snel in kunnen spelen op marktontwikkelingen en nieuwe kansen die zij signaleren voor de verdere ontwikkeling van hun bedrijf. Multifunctionele bedrijven bestaan in de basis uit meerdere bedrijfstakken. Verzocht wordt het voor multifunctionele bedrijven makkelijker te maken om aan de slag te gaan met nieuwe bedrijfsactiviteiten. Bijvoorbeeld middels een paraplubepaling voor multifunctionele agrarische bedrijven waarbij een bedrijf middels een melding nieuwe activiteiten kan toevoegen aan de bedrijfsvoering.
Dit is nu geregeld via een omgevingsvergunning. Geur. Dit betreft maatwerk wat de gemeente kan toepassen bij de beoordeling van ontwikkelplannen van veehouderij voor wat betreft geur uit stallen. Verzoek om aan de voorkant aan ondernemers duidelijk te maken hoe zij dit artikel toe gaan passen. Zodat de veehouder snel een beeld heeft of de aanvraag tot een positief resultaat kan komen of niet.
Reactie 1. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. In de nota van inspraak over het voorontwerpbestemmingsplan is op dit punt reeds een afweging gemaakt. Daarin was de reactie als volgt: “het feit dat de provincie het niet noodzakelijk acht om voor tijdelijke teeltondersteunende maatregelen een maximum oppervlaktemaat op te nemen, betekent niet dat de gemeente dat ook niet moet doen”. Naar aanleiding van de zienswijze is dit onderwerp heroverwogen. Nog steeds is er weinig aanleiding om de regeling anders in te richten. Om toch hierin flexibiliteit te bieden, wordt een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om af te wijken van de maximum van 2,5 ha tot een maximum van 5 ha. Voorwaarde die hieraan gesteld worden is dat het binnen de bestemming ‘Agrarisch’ ligt zonder waarden. Daarnaast mogen de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet gerealiseerd worden binnen het gebied dat is aangeduid als NNB. In lijn met de bestaande regeling moet voor gebieden aangeduid als ‘overige zone – ecologische verbindingszone’, ‘overige zone – behoud en herstel watersystemen’ en ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ de afweging worden gemaakt of en hoe aanwezige waarden worden aangetast. 2. Huisvesting tijdelijke werknemers. De gemeente streeft zoveel mogelijk naar scheiding van wonen en werken.
Er is op dit moment geen aanleiding om de huidige regels te verruimen. Ten aanzien van het AKF keurmerk het volgende. In de regels van het bestemmingsplan is geregeld dat voldaan moet worden aan het SNF-keurmerk, met daarbij de opmerking “of diens rechtsopvolger”. Er wordt op dit moment landelijk gewerkt aan de integratie van de huisvestingskeurmerken SNF en AKF. Zodra dat gelukt is dat de rechtsopvolger die gehanteerd gaat worden. Er is geen aanleiding om de regels op dit punt nu te wijzigen. 3. Stikstof. Voor de algemene beantwoording ten aanzien van stikstof wordt verwezen naar hoofdstuk 4 “Algemeen antwoord” onder A001. Ter aanvulling daarop nog het volgende. Het is een juridisch risico om de uitspraak over beweiden en bemesten te verwerken in de planregels vanwege de juridische houdbaarheid. Er vindt daarom geen aanpassing van de regeling plaats, wel wordt in de toelichting nadere uitleg/achtergrond gegeven. 4. Boerderijterras. Op basis van de regeling in het ontwerpbestemmingsplan kan ieder agrarisch bedrijf zonder nadere ruimtelijke procedure een kleinschalig boerderij terras realiseren, tot maximaal 50 m 2. Indien een vergroting van deze oppervlakte is gewenst kan dit via een binnenplanse afwijking worden gerealiseerd, waarbij dan wel getoetst wordt of omliggende functies en/of waarden niet onevenredig worden aangetast.
De gemeente ziet geen aanleiding tot aanpassing van deze regeling.
26
5.
6.
9.
Zorglandbouw. Op basis van de regeling in het ontwerp bestemmingsplan kan een agrarisch bedrijf via een binnenplanse afwijking als nevenactiviteit een zorgboerderij realiseren. De opgenomen maximale maatvoering is overgenomen van de huidig geldende regeling. Indien een verdere vergroting van deze oppervlakte is gewenst is nader maatwerk nodig, waarin onder meer nader beschouwd dient te worden hoe deze nevenactiviteit zich verhoudt tot de agrarische hoofdactiviteit. Hiervoor dient een afzonderlijke ruimtelijke procedure te worden gevolgd. Indien sprake is van omschakeling van het agrarische bedrijf, waarbij de zorgfunctie de toekomstige hoofdfunctie wordt, kan via een binnenplanse aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit de toegestane oppervlakte worden verruimd. De gemeente ziet geen aanleiding tot aanpassing van deze regeling. Multifunctionele bedrijven. De trend dat er in steeds ruimere mate sprake is van een verbrede landbouw is iets wat de gemeente ook signaleert. Daar wordt met dit bestemmingsplan ook ruimte voor geboden. Deels met directe mogelijkheden, deels indirect met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Het blijft daarbij van belang om een goede afweging te maken of de hoofdactiviteit, de agrarische onderneming, als zodanig nog herkenbaar en bepalend is voor de locatie. De nevenactiviteiten, de verbreding, dienen dan als ondersteuning.
Ook biedt het de kans om de effect te beoordelen op de omliggende waarden en functies. De indirecte regels zorgen dat er een toets moment aanwezig blijft. Dit is op basis van een melding onvoldoende mogelijk. Geur. De betreffende regeling is inderdaad maatwerk. Artikel 49.2 regelt de Chw-bevoegdheid op basis waarvan de gemeente mag afwijken van de 50%-regeling. Dit artikel stelt enkele criteria, waardoor duidelijk wordt op welke overbelaste objecten (ter plaatse van overbelaste objecten op grondgebied van de gemeente Reusel–De Mierden) deze bevoegdheid van toepassing is. Daarmee is het ook duidelijk voor veehouderijen of ze hiermee te maken kunnen krijgen als ze een aanvraag indienen. De voorgrondbelasting moet hoger moet zijn dan de wettelijke geurnormen uit de voormalige Wgv en ook de achtergrondbelasting moet hoger zijn dan de provinciale streefwaarden. Door alleen overbelaste situaties boven de wettelijke waarden voor de voorgrondbelasting te betrekken richt het artikel (en de Chw-bevoegdheid van de gemeente) zich op alleen hoog overbelaste situaties. Er worden in dit artikel dus geen geurnormen gesteld, zoals in de zienswijze wordt aangegeven. Ook ziet dit artikel / deze Chwbevoegdheid niet toe op overbelaste gevoelige objecten buiten de gemeentegrenzen.
Deze Chw-bevoegdheid wordt afzonderlijk van het bestemmingsplan nader uitgewerkt door de gemeente (in een beleidsregel of het definitieve omgevingsplan) op basis van een maatwerkaanpak. Dit artikel wordt daarom ambtshalve verwijderd uit het bestemmingsplan.
Aanpassingen - Regels: a. Aan artikel 3 wordt een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om af te wijken van de maximum van 2,5 ha tot een maximum van 5 ha. b. In artikel 4 en 5 worden tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen uitgesloten binnen het gebied dat is aangeduid als NNB. In lijn met de bestaande regeling moet voor gebieden aangeduid als ‘overige zone – ecologische verbindingszone’, ‘overige zone – behoud en herstel watersystemen’ en ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ de afweging worden gemaakt of en hoe aanwezige waarden worden aangetast.
27
3. Algemeen antwoord A001 Stikstofregeling De constatering dat het opnemen van een wettelijke juiste stikstofregeling lastig is, wordt door de gemeente onderschreven. Ten aanzien van dit onderwerp is het ook niet de wens van de gemeente dat dit opgenomen wordt in het bestemmingsplan. Wij hopen dat op landelijk niveau op korte termijn oplossing komt in de impasse tussen de bescherming van de kwetsbare natuur in Nederland en het economisch en agrarisch belang van de agrarische sector. Tot die tijd kan de gemeente niets anders dan een stikstofregeling opnemen in het bestemmingsplan. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan wordt nog éénmaal de laatste jurisprudentie nagelopen om een zo correct mogelijke stikstofregeling op te nemen. Die regeling heeft dan tot doel om minimaal te zorgen dat het bestemmingsplan vastgesteld kan worden en een kans heeft om onherroepelijk te worden verklaard op dit punt. Daarbij hoopt de gemeente dat er beweegruimte ontstaat, onder andere voor de agrarische sector. Met de huidige regeling wordt voldaan aan de meest recente jurisprudentie. Ten onrechte wordt in de zienswijzen aangegeven dat uitsluitend sprake is van een emissieplafond. In de regels is voor het bepalen van de stikstofdepositie op een Natura2000-gebied, de emissie van het betreffende bedrijf bepalend. Zij het dat in de definitie in 1.156 onder c.
is bepaald dat, indien de depositie, als gevolg van de emissie – volgens de berekening met de Aeriuscalculator – kleiner is dan 0,00 mol/ha/jaar, geen sprake is van toename van emissie. De regels zijn voor wat betreft de 0,005 mol/ha/jaar in het ontwerpbestemmingsplan gecorrigeerd op basis van recente jurisprudentie. De term ‘een toename van stikstofemissie’ is in de begripsbepalingen (artikel 1.156) gedefinieerd. Zoals ook hierboven aangegeven, is onder c. de depositie op het Natura2000-gebied als maatgevend opgenomen. Dit betekent dat intern salderen mogelijk is. Extern salderen kan niet mogelijk gemaakt worden via de stikstofregeling in het bestemmingsplan. Dit volgt uit jurisprudentie. Bij toepassen van externe saldering is een buitenplanse omgevingsvergunning nodig. Het opnemen van een lijst van natuurvergunningen is lange tijd een logische doorvertaling geweest. Echter, gezien de onduidelijkheden rondom de emissievrije stalsystemen, dienen alle vergunningen inhoudelijk te worden beoordeeld op: a. Wel of geen PAS-vergunning; b. Niet benutte-vergunde ruimte i.r.t. emissiearme stalsystemen.
Tijdens de ontwerpfase van het bestemmingsplan was de kamerbrief van de Minister in reactie op de gerechtelijke uitspraken en de daarop volgende vergunningenstop van de provincie Noord-Brabant leidend: voor alle emissiearme stalsystemen, inclusief luchtwassers, moet een passende beoordeling gemaakt worden. Dit betekent dat nietgerealiseerde vergunde emissiearme stalsystemen opnieuw passend beoordeeld moeten worden. Uit de Raad van State uitspraak Den Hout van januari 2024 volgt dat dit alleen geldt voor de onderzochte (brongerichte) emissiearme stalsystemen waar de jurisprudentie zich op richt en dus niet voor de niet-onderzochte stalsystemen inclusief alle luchtwassers. A002 Erfgoed Veel zienswijzen hebben betrekking op het verwerken van de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorisch ensemble’, ‘Waarde - Cultuurhistorische elementen’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone - cultuurhistorisch waardevol object’ en de effecten daarvan op de bedrijvigheid. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is in paragraaf 3.4.5 aandacht besteed aan het erfgoedbeleid: cultuurhistorie en archeologie. In aanvulling daarop is het volgende van belang. In 2020-2021 heeft de gemeente Reusel-De Mierden de erfgoedkaart uit 2011-2012 geactualiseerd. Hierdoor zijn de cultuurhistorische waardenkaarten en de archeologische verwachtingen- en waardenkaarten verder verfijnd.
Met de cultuurhistorische waardenkaart zijn gebouwen, ensembles, historische geografische lijnen en vlakken, groen en aardkundig waardevolle gebieden op kaart
28
aangegeven. Op 13 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Reusel-De Mierden ‘Bouwstenen voor de Toekomst, Erfgoednota gemeente Reusel-De Mierden’ (hierna: de Erfgoednota) vastgesteld. Hierin is een archeologische en cultuurhistorische waardenkaart opgenomen. In bijlage 1 van deze Erfgoednota is de Erfgoedmeetlat opgenomen. Op basis daarvan is bepaald welke waarden beschermd moeten worden. In de periode tussen 2011 en dit (ontwerp)bestemmingsplan werden de CHW-waarden beschermd op basis van de Erfgoedverordening 2011. Vanaf 71-2022 tot en met 30-12-2023 gold de Verordening fysieke leefomgeving Reusel-De Mierden (VFL), vastgesteld op 14 december 2021, waarin de Erfgoedverordening was verwerkt. De VFL is op 15 november 2022 beperkt aangepast en opnieuw vastgesteld. In juridische zin - was en - is in de bescherming van de archeologische en cultuurhistorische waarden al voorzien. Het bestemmingsplan voegt daaraan niks toe. Doordat de bescherming nu in het bestemmingsplan is geregeld zijn, na inwerkingtreding van het bestemmingsplan, de betreffende bepalingen uit de VFL niet meer van toepassing. In plaats dat de regels voor het beoordelen van aanvragen voor een omgevingsvergunning verspreid staan in twee algemeen verbindende voorschriften (verordening en bestemmingsplan) wordt dat nu voor de praktijk vereenvoudigd in alleen het bestemmingsplan.
Dat voorkomt misverstanden en zorgt voor een betere afstemming. In de toekomst komen deze regels in het Omgevingsplan, waarin alle regels over de fysieke leefomgeving gebundeld worden. Cultuurhistorie: De interactieve erfgoedkaart van de gemeente Reusel-De Mierden met toelichting is te raadplegen op de website https://atlas.odzob.nl/kaarten. Voor een helder overzicht zijn de kaarten per gemeente op afzonderlijke tabbladen inzichtelijk gemaakt. Dit bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische verankering van dit beleidsdocument, zoals dat door de gemeenteraad met de Erfgoednota is vastgesteld. De kaarten worden jaarlijks geactualiseerd door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. De kaartaanpassingen hebben geen directe doorwerking op het bestemmingsplan, maar kan wel bij de motivatie van afwijkingsbevoegdheden worden gebruikt. De erfgoedkaart is een GIS-kaart met een groot aantal lagen, die grofweg zijn ingedeeld naar landschap, historie en archeologie. Binnen deze hoofdindeling zijn de geïnventariseerde gegevens verder onderverdeeld naar 40 thema’s en vervolgens naar subthema. Door het aanklikken van een element volgt summier informatie. Het nummer verwijst naar de catalogus waar de uitgebreide beschrijving van het object of gebied te vinden is. Elk object of gebied bezit een eigen “Uniek nummer” dat als volgt is opgebouwd: gemeentenummer. themanummer. subthemanummer.
volgnummer (bijv. 1.14.4.085). De gemeentelijke erfgoedkaart bestaat uit de volgende elementen: Verstoringenkaart; Erfgoedkaart fysisch, archeologisch en historisch landschap en verder onderverdeeld naar thema en subthema; Archeologiekaart, bestaande uit: o Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; o Archeologische beleidskaart. Cultuurhistoriekaart, bestaande uit: o Cultuurhistorische waardenkaart; o Cultuurhistorische beleidskaart. Rapport met toelichting en onderbouwing. Bij het rapport horen de volgende bijlagen: o Overzicht van betrokkenen bij de erfgoedkaart; o SRE verwachtingsmodel; o Database archeologie erfgoedkaart Kempen en A2; o Catalogus cultuurhistorische inventarisatie erfgoedkaart per gemeente; o Catalogus archeologische onderzoeken per gemeente; o Inventarisatie verstoringenformulieren per gemeente; o Resultaat booronderzoek Kempen; o Overzicht van rijks- en gemeentelijke monumenten per gemeente; o Overzicht van archeologisch waardevolle gebieden, cultuurhistorische ensembles en aardkundige waarden per gemeente.
29
De archeologische en cultuurhistorische waarden die hieruit voortvloeien zijn nader onderbouwd in de toelichting op de erfgoedkaart met bijlagen, https://atlas.odzob.nl/portal/apps/experiencebuilder/experience/?id=75144f32389248c497b4430aecca851b&page=R eusel-De-Mierden. In de planregels van het ontwerpbestemmingsplan zijn vervolgens aan de diverse elementen regels verbonden. Die maken ontwikkelingen niet per se onmogelijk, maar vragen wel om bij ontwikkelingen rekening te houden met de toegekende waarden. Waar in de zienswijze aangegeven is dat de kaarten niet juist zijn, zijn die locaties extra gecontroleerd. In alle gevallen is duidelijk geworden dat er wel waarden zijn opgenomen op cultuurhistorische waardenkaart. Zo zit er aan diverse activiteiten een omgevingsvergunningstelsel gekoppeld. Het is de sterke wens van de gemeente om zorgvuldiger om te gaan met het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed. Daarom is ook eerder de Erfgoednota vastgesteld. Op deze wijze wordt dat beschermd, maar kunnen er wel op zorgvuldige wijze ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Al met al worden in het kader van deze bestemmingsplanprocedure geen inhoudelijke kaartaanpassingen gemaakt. Dat is straks wel mogelijk in het Omgevingsplan (de opvolger straks van dit bestemmingsplan), nadat een inhoudelijk beoordeling heeft plaatsgevonden.
Toch kunnen er bij het overnemen van kaarten en vergelijking met de feitelijke situatie foutjes optreden. Als door nieuwe inzichten de begrenzing van de cultuurhistorisch waardenkaart is veranderd en een gebied of object niet langer als waardevol is aangemerkt dan wordt de erfgoedkaart aangepast. Dit werkt niet meteen door in dit bestemmingsplan, maar met een afwijkingsmogelijkheid is het wel mogelijk om met een onderbouwing af te wijken van de toegekende waarden. De cultuurhistorische kaart kan daar als motivatie voor gebruikt worden. In een aantal gevallen is opgemerkt dat individuele gebouwen geen cultuurhistorische waarden (meer) hebben. Deze staan dan ook niet als waardevol op de kaart. Wel behoort zo’n gebouw tot een verzameling gebouwen die wel aangeduid is, bijvoorbeeld een gehucht of buurtschap, want dat gaat terug tot in het verre verleden, soms tot de late middeleeuwen. In dat geval zijn er toch waarden die beschermd worden en is zorgvuldigheid vereist. In paragraaf 5.2.6 van de toelichting is dit verwoord. In het buitengebied van Reusel-De Mierden zijn er geen gemeentelijke monumenten. Er is wel een lijst met potentiële gemeentelijke monumenten en een lijst met beeldbepalende panden, bijvoorbeeld langgevelboerderijen. De objecten op deze lijsten zijn nog niet nader beoordeeld en daarom ook niet apart aangeduid in het (ontwerp)bestemmingsplan.
Ook zijn er verschillende cultuurhistorisch waardevolle ensembles aanwezig binnen de gemeente. Daaraan is wel een gebiedsaanduiding toegekend, waarmee de betreffende gebiedskenmerken worden beschermd. Op verzoek van de provincie (zie hoofdstuk 2 “Zienswijzen instanties”, zienswijze Z075) wordt de mogelijkheid tot splitsing van een beeldbepalende woonboerderij zoals opgenomen in artikel 28.7.1 aangepast, zodat wordt voldaan aan het provinciaal beleid, zoals opgenomen in artikel 3.69 van de provinciale Interim Omgevingsverordening. Hiertoe wordt onderscheid gemaakt in aangewezen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en een beeldbepalende woonboerderij, waarvoor een aanvullende fysieke tegenprestatie ter versterking van omgevingskwaliteit wordt vereist. De aanvullende prestatie moet op basis van het ‘maatwerk met als doel omgevingskwaliteit’ vergelijkbaar zijn met die van een halve Ruimte-voor-ruimte titel. In de zienswijzen is opgemerkt dat volledige sloop of verwijdering van een bouwwerk die als cultuurhistorisch zijn aangemerkt niet mogelijk is. Dit is onjuist. Vergunningverlening voor sloop is mogelijk bij de aangeduide ensembles en elementen. Bij de aangeduide gebieden is sloop niet aan de orde. Alleen bij objecten is geen uitzondering mogelijk. Dit is per bestemming (gelijk) geregeld.
Hoewel het hier heel specifieke objecten betreft, zoals een kruisbeeld en dergelijke, lijkt bij nader inzien een mogelijkheid tot vergunningverlening in uitzonderingssituaties wel wenselijk. De uitzonderingsregel die door een indiener van een zienswijze is voorgesteld wordt opgenomen in artikel 47.2.4. Het betreft: “Voor het slopen van bouwwerken gelegen binnen de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol object' is een omgevingsvergunning vereist. Alvorens de omgevingsvergunning kan worden verleend, wint het bevoegd gezag
30
schríftelijk advies in bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien en nadat het college het advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden in overweging heeft genomen en een positief besluit heeft genomen.”. Archeologie: Gronden die aangemerkt zijn als verstoord, zijn niet opgenomen in een archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Nader onderzoek is hier niet meer nodig en daarom is in het bestemmingsplan ook geen dubbelbestemming opgenomen. Voor de overige gronden is dat wel opgenomen. Het beschermingsregime is vervolgens afhankelijk van de verwachtingswaarde dat archeologische vondsten gedaan kunnen worden. In dit bestemmingsplan is de beleidskaart voor archeologie één op één overgenomen. Er zijn enkele omissies vastgesteld aan de hand van de zienswijzen. Die zijn bij de betreffende zienswijzen toegelicht en worden gecorrigeerd. Vaak wordt door indieners beweerd dat een perceel verstoord is door grondbewerking en bouw- en graafwerkzaamheden in het verleden. Daarbij is onbekend of onduidelijk in welke mate verstoring heeft plaatsgevonden. Het ontbreekt aan concreet bewijs voor de stelling dat een heel perceel is verstoord op een diepte die van belang is voor archeologische vondsten. Er is daarom geen aanleiding om af te wijken en de archeologisch dubbelbestemming te schrappen.