CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[24.09755] Nota van Zienswijzen BP Buitengebied 2023

Commissie Ruimte 17 juni 2024, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied 202355.111 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 7

Nota van Zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied 2023 Reusel-De Mierden Inhoudsopgave: 1. Inleiding: - Proces - Ontvankelijkheid - Zienswijzen over de milieueffectrapportage 2. Zienswijzen instanties - Z074 GGD Brabant Zuidoost - Z075 Provincie Noord-Brabant - Z078 waterschap De Dommel 3. Zienswijzen algemeen - Z073 Agra-Matic - Z076 Groen Kempenland en Stichting Milieuwerkgroep Kempenland - Z077 Van Dun Advies - Z079 ZLTO, afdeling de Kempenstreek 4. Algemeen antwoord - A001 Stikstof - A002 Erfgoed, Archeologie en cultuurhistorie - A003 Landschappelijke inpassing - A004 Gewasbescherming - A005 Nieuwe initiatieven 5. Zienswijzen individueel - Z001 tot en met Z148 Overzicht adressen 6. Ambtshalve aanpassingen - Toelichting - Regels - Verbeelding

1

1. Inleiding 1.1. Proces Met het bestemmingplan ‘Buitengebied 2023’ wil de gemeente komen tot een actueel, uniform en eenduidig planologisch kader voor het buitengebied. Dat bestemmingsplan vormt een belangrijke bouwsteen om straks volledig over te gaan naar een Omgevingsplan, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat het bestemmingsplan voor deze datum als ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, mag het bestemmingsplan nog worden vastgesteld onder de werking van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Na vaststelling van het bestemmingsplan wordt het plan onderdeel van het “Omgevingsplan van rechtswege”. Begin 2021 heeft het Voorontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied 2021’ voor inspraak ter inzage gelegen. Hierop is, met het indienen van 204 inspraakreacties, uitvoerig gereageerd. De periode tot de ter visielegging van het ontwerpbestemmingsplan is gebruikt om gesprekken te voeren, het Voorontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied 2021’ aan te passen en gereed te maken om als Ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied 2023’ ter inzage te gaan. Het ontwerpbesluit, het Ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied 2023’ en het ontwerp planMER lagen vanaf maandag 3 juli 2023 tot en met maandag 28 augustus 2023 ter inzage. Normaal gesproken ligt een Ontwerpbestemmingsplan volgens de wettelijke bepalingen 6 weken ter inzage.

Vanwege de zomerperiode en de complexiteit van Ontwerpbestemmingsplan is besloten om deze termijn te verruimen naar 8 weken zodat iedereen voldoende in de gelegenheid werd gesteld om kennis te nemen van het Ontwerpbestemmingsplan, het ontwerp planMER en indien gewenst op te reageren. Op 12 juli en 23 augustus hebben 2 inloopdagen plaatsgevonden. Tijdens die dagen kon informatie worden ingewonnen of vragen gesteld. De inloopdagen waren zeer goed bezocht. Over het ontwerpbestemmingsplan en/of het MER zijn 147 zienswijzen ingediend. In deze Nota zijn die samengevat en van een reactie voorzien. In dat kader zijn alle zienswijzen in zijn geheel bij de beoordeling betrokken. Waar sprake is van aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan is dit aangegeven. Ook zijn er reacties ontvangen van instanties en andere betrokkenen. De commissie m.e.r. heeft advies uitgebracht over het planMER. De gemeenteraad neemt in de vergadering 2 juli 2024 een besluit over het planMER, de zienswijzen en vervolgens over de vaststelling van het bestemmingsplan. Daarna wordt iedereen ingelicht over de reactie op zijn of haar zienswijze. 1.2. Ontvankelijkheid Behalve de hieronder genoemde zienswijze, zijn de ingediende zienswijzen ontvankelijk. Z013 De Wildert 4 te Hooge Mierde. De zienswijze is tijdig ingediend, namelijk op 28-8-2023.

Het indienen voldeed niet aan de indieningsvereisten, doordat het per e-mail is toegestuurd. Hierdoor is de zienswijze niet-ontvankelijk. Desondanks wordt de zienswijze wel meegenomen in deze nota en voorzien van een antwoord. 1.3. Zienswijzen over het planMER De commissie m.e.r. heeft de zienswijzen ontvangen waarin de planMER wordt genoemd als onderwerp. Die zijn door de commissie betrokken bij hun advies van 2 november 2023. In de ‘Aanvulling op de planMER’ wordt ingegaan op het advies en in hoeverre dat advies leidt tot aanpassingen van het bestemmingsplan Buitengebied 2023. 1.4 Beoordeling zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan Alle zienswijzen zijn in zijn geheel gelezen en beoordeeld. Onder het kopje “Aanpassingen” is vermeld of en zo ja, op welke wijze het ontwerpbestemmingsplan wordt aangepast. De aanpassingen zijn vervolgens verwerkt in het bestemmingsplan, met wijzigingen bijhouden. Op deze wijze is direct duidelijk welke aanpassingen zijn aangebracht in de toelichting en regels.

Met het beschikbaar stellen van het vast te stellen het bestemmingsplan en de Nota Zienswijze aan de raad, worden alle indieners van een zienswijze op de hoogte gesteld dat de documenten via de website beschikbaar zijn en is er een mogelijkheid om in te spreken tijdens de commissie- en raadsvergadering (medio juni/juli 2024) waarin het besluit over het bestemmingsplan op de agenda staat.

2

2. Zienswijzen instanties Z074 GGD Brabant-Zuidoost (23.16096) Samenvatting 1. Gezondheidswaarden en gezonde leefomgeving. Belangrijk is dat milieufactoren in de leefomgeving zo min mogelijk bijdragen aan de ziektelast. Het klopt niet dat de gezondheid voldoende beschermd is als aan de wettelijke normen is voldaan. Het voldoen aan de milieuwetgeving betekent niet automatisch dat er sprake is van een verantwoord woon- en leefklimaat. Bij het bepalen van wettelijke grenswaarden worden ook andere aspecten dan enkel gezondheid, zoals bijvoorbeeld economische en technische haalbaarheid, meegewogen. Vandaar dat de GGD ter bescherming van de volksgezondheid gebruik maakt van gezondheidskundige advieswaarden, waar enkel gezondheidsaspecten aan ten grondslag liggen. Het advies is om in het plan deze waarden leidend te laten zijn of tenminste als streefwaarde op te nemen. Op brabantscan.nl is te zien hoe de inwoners van Reusel-De Mierden op dit moment hun leefomgeving ervaren. De resultaten uit de volwassenmonitor kan men meenemen bij de besluitvorming over de ontwikkelingen die mogelijk zijn binnen het bestemmingsplan. Uit de Veehouderij en Gezondheid Onderzoeken (VGO) en het endotoxinen-onderzoek blijkt dat wonen nabij (intensieve) veehouderijen tot gezondheidsrisico’s leidt.

Daarom is het belangrijk de emissies en immissies zo laag mogelijk te houden ter bescherming van de volksgezondheid. Daar waar het gaat om nieuwbouw van gevoelige bestemmingen adviseert de GGD om in ieder geval een afstand van 250 meter aan te houden en te voorkomen dat een dergelijke voorziening wordt gebouwd in een omgeving met meer dan 15 veehouderijen in een straal van 1 kilometer. 2. Geur. De GGD merkt op dat het percentage van de bevolking dat aangeeft (ernstig) geurgehinderd te zijn, boven de gezondheidskundige waarden ligt. Uitgangspunt moet daarom zijn dat het bestemmingsplan ten minste voorkomt dat de achtergrondgeurbelasting kan toenemen en het woon- en leefklimaat verslechtert, zowel in nieuwe situaties maar ook bij woningen waar al sprake is van een (te) hoge achtergrondbelasting. Onduidelijk is op welke wijze deze hinderpercentages moeten worden vertaald naar een geurbelasting. Geadviseerd wordt om 10 Ou resp. 20 Ou op te nemen in de planregels. In de geurgebiedsvisie van Reusel - De Mierden wordt ook aangesloten bij de 10 OU resp. 20 OU achtergrondbelasting, zoals ook de provincie NoordBrabant hanteert. 3. Fijnstof/endotoxine a. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ligt in de grootste delen van het plangebied rond de 15-17 µg/m3 (bron GCN).

Aan de oostelijke gemeentegrens ligt deze iets hoger evenals rondom grote pluimveehouderijen en een concentratie van grootschalige varkenshouderijen. Dit betekent dat op dit moment in het plangebied de gezondheidskundige advieswaarde van de WHO (15 µg/m3) wordt overschreden (opmerking: in de MER wordt op blz. 171 gesproken over 20 µg/m3). Vanuit gezondheid bezien heeft toetsing aan de wettelijke normen veelal geen zin omdat deze in de praktijk niet worden overschreden én er onder deze normen nog gezondheidswinst is te behalen. Gezien het percentage van de bevolking dat zich ongerust maakt over de fijnstof in de leefomgeving, is het belangrijk hier in het bestemmingsplan rekening mee te houden. b. Het advies is in te zetten op het voorkomen van een toename van de fijnstofemissie en -immissie. Neem hierin de eisen mee ten aanzien van het toepassen van de best beschikbare technieken, zoals ook in de MER wordt aangegeven. Het belang hiervan wordt door de GGD onderschreven. Belangrijk aandachtspunt is dat bij nevenactiviteiten zoals kinderopvang ook rekening gehouden wordt met de fijnstofbelasting van het eigen bedrijf. Dit geldt ook ten aanzien van de endotoxine blootstelling. Voorkomen moet worden dat er nieuwe gevoelige bestemmingen worden gerealiseerd binnen de endotoxine richtafstand, ook als die gevoelige bestemming op het eigen bedrijf wordt gehuisvest. 4. Geluid.

Uitbreiding van veehouderijen binnen een bestaand bouwvlak is binnen het bestemmingsplan in bepaalde gebieden mogelijk en kan leiden tot een toename van de geluidsbelasting op gevels van bestaande woningen / gevoelige bestemmingen door bijvoorbeeld geluid afkomstig van luchtwassers/ ventilatoren en verkeer. Het advies is om bij een concreet verzoek tot wijziging van een vergunning de geluidsbelasting op de gevels van

3

5.

6.

7.

8.

nabijgelegen gevoelige bestemmingen/ te realiseren gevoelige bestemmingen te toetsen aan de gezondheidskundige advieswaarden van 50 dB Lden en 40 dB Lnight om zo hinder en /of slaapverstoring te beperken dan wel voorkomen. Verbouwen gewassen/ gewasbeschermingsmiddelen. Het is op dit moment niet mogelijk om een veilige afstand te bepalen waarbij er geen gezondheidseffecten optreden. Op basis van jurisprudentie wordt bij open teelt een afstand van 50 meter tussen teelt en woongebieden aangehouden (spuitvrije zone). Deze afstand is gebaseerd op een eerdere uitspraak van de Raad van State, maar is niet gezondheidskundig onderbouwd. De effectiviteit van maatregelen als een (hoge) haag is wetenschappelijk niet bewezen. De GGD is het dan ook niet eens met de opmerking dat nadelige gezondheidseffecten door meerdere factoren voorkomen kunnen worden tot een afstand van 25 tot 30 meter. Het advies is een zo groot mogelijke afstand aan te houden en hierbij 50 meter als minimum afstand aan te houden. Verkeer. In met name het worst case scenario opgenomen in de MER is sprake van een mogelijke toename van verkeer en daarmee samenhangend het ontstaan of vergroten van verkeersonveilige situaties. De aanleg van bredere wegen, maar vooral ook het aanleggen van gescheiden fiets-/ en wandelpaden verdient aandacht.

Immers, het gebruik van fiets en wandelen is belangrijk in de strijd tegen bijvoorbeeld overgewicht, maar ook het verbeteren van de luchtkwaliteit. Klimaatadaptatie/ duurzame energie. De GGD wijst erop dat bijvoorbeeld houtstook een belangrijke bijdrage levert aan de fijnstofemissie (met name PM2,5) en daarmee van grote invloed is op de luchtkwaliteit. Zoals ook eerder aangegeven adviseert de GGD om in elk geval duidelijke regels op te stellen rondom de condities waaraan moet worden voldaan om zo overlast/emissies van deze activiteiten te beperken/voorkomen. Gezien de bijdrage van houtstook aan verslechtering van luchtkwaliteit adviseert de GGD om geen snoeiafval te verkopen of gebruiken voor houtstook. Ook het hergebruik en/of sloop van vrijkomende agrarische bebouwing past binnen het invulling geven van de kernwaarden van de GGD. Het voorkomt verloedering van het buitengebied en kan door herbestemming bijdragen aan de doelstellingen zoals benoemd in het plan. Belangrijk is wel dat aard en schaal passen in het landschap en de omgeving en leiden tot een verbetering van de omgevingskwaliteit; voorkom dat milieufactoren leiden tot hinder en/of gezondheidsrisico’s voor toekomstige gebruikers/ omwonenden van een ontwikkeling. Toetsing aan de gezondheidskundige advieswaarden is hierbij een aandachtspunt. Aanbeveling.

Aanbevolen wordt om de gevolgen van de beleidskeuzes te blijven monitoren en waar nodig bij te sturen. Betrek hierbij ook de ambities zoals vastgelegd in de lokale nota volksgezondheid en de informatie die beschikbaar is via de Brabantse omgevingsscan voor Reusel-De Mierden. Voorkom dat er sprake is van een toename van ervaren hinder of een verslechtering van het woon- en leefklimaat.

Reactie 1. Gezondheidswaarden en gezonde leefomgeving. De adviezen van de GGD hebben onder meer betrekking op het hanteren van strengere normen c.q. streefwaarden (gezondheidskundige advieswaarde) over geur uit stallen van veehouderijen, luchtkwaliteit, endotoxinen en geluid. Daarnaast wordt geadviseerd uit te gaan van (grotere) minimumafstanden tussen bronnen van milieuoverlast (zoals drukke wegen en veehouderijen) en gevoelige functies in het buitengebied. De adviezen sluiten daarmee deels aan bij het gemeentelijke en provinciaalbeleid, zoals de strenge gemeentelijke geurnormen voor de vergunningverlening van veehouderijen, het sturen op de afname van de voor geur overbelaste situaties bij ontwikkeling van veehouderijen (provincie en gemeente) en het meewegen van de verwachte concentraties van endotoxinen bij het toetsen van initiatieven. Gedeeltelijk strekken de adviezen van de GGD verder, zoals het hanteren van minimum afstanden of strengere normen, dan nu is opgenomen in het gemeentelijke en provinciale beleid en daarmee ook verder dan dit bestemmingsplan. In het opgestelde milieueffectrapport is nader ingegaan op de overschrijding van de gezondheidskundige advieswaarden c.q. afstanden in het buitengebied en de wijze waarop deze adviezen (kunnen) worden betrokken in het bestemmingsplan.

4

2.

3.

Geur. In het MER wordt niet gesteld dat de 50%-regeling niet moet worden toegestaan onder de Chw. Er staat dat met toepassing van de Chw afgeweken kan worden van de 50%-regeling, binnen een bandbreedte van 0-50%. Hierbij wordt overigens opgemerkt dat de gemeente besloten heeft de regeling op basis van de Chw uit dit bestemmingsplan te schrappen. Op korte termijn wordt er gewerkt aan nieuw geurbeleid binnen de gemeente. In het kader van het nieuwe geurbeleid wordt opnieuw overwogen of de betreffende regeling wordt toegepast binnen de gemeente. Bij toepassing van de GGD-advieswaarden 5 Ou resp. 10 Ou achtergrondbelasting als voorwaarde voor uitbreiding zijn er vrijwel geen ontwikkelingen meer mogelijk. Daarbij werkt dit ook door naar de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (zolang de gemeente geen beleidsregel heeft voor ruimtelijke ontwikkelingen). Uit het MER volgt namelijk dat op ongeveer 83% van de woningen in de bebouwde kom de achtergrondbelasting hoger is dan de GGD-advieswaarde van 5 Ou. Op ongeveer 48% van de woningen (niet behorende bij een veehouderij) in het buitengebied is de achtergrondbelasting hoger dan de gezondheidskundige advieswaarde van 10 Ou. Daarbij zijn de scherpe voorgrondnormen in de geurverordening in lijn met GGDadviezen en een sturingsmiddel om de achtergrondbelasting versneld omlaag te krijgen.

Daarom is er geen noodzaak om ten aanzien van de achtergrondbelasting aan te sluiten bij de GGD-advieswaarden. Fijn stof. a. Uit het MER (inclusief aanvulling) volgt dat er geen noodzaak is om in het bestemmingsplan aan bestaande veehouderijen een algemeen verbod op toename van fijnstofemissie op te leggen, maar het is wel aan te bevelen om vanwege het gezondheidsbelang het omschakelen naar een pluimveehouderij uit te sluiten in de regels van het bestemmingsplan. Deze aanbeveling is overgenomen in het (ontwerp) bestemmingsplan door voor bestaande pluimveehouderijen een specifieke functieaanduiding ‘pluimveehouderij’ op te nemen en ten aanzien van deze aanduiding geen flexibiliteitsbepalingen op te nemen. Het verkrijgen van een nieuwe functieaanduiding pluimveehouderij is niet mogelijk binnen dit bestemmingsplan en zal altijd via een ‘buitenplanse’ toestemming verkregen moeten worden. Hetzelfde is geregeld voor geitenhouderijen. Verder is omschakeling naar intensieve veehouderij niet toegestaan. b. De gemeente heeft de “Beleidsregel Toetsingskader fijnstof-endotoxine vergunningaanvragen in de varkensen pluimveehouderij” vastgesteld conform het endotoxine toetsingskader ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’.

Deze beleidsregel ziet net als het endotoxine toetsingskader alleen toe op vergunningaanvragen van pluimvee- en varkenshouderijen. Omgekeerd kan deze beleidsregel / het endotoxine toetsingskader gebruikt worden voor het beoordelen van het woon- en leefklimaat en de omgekeerde werking bij plannen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (woningen en andere gevoelige objecten), maar dit is niet in een beleidsregel vastgelegd. Er zijn in het bestemmingsplan geen nieuwe bestemmingen gesitueerd binnen endotoxine risicocontouren van veehouderijen. Wel maakt het bestemmingsplan onder voorwaarden via een omgevingsvergunning nieuwe gevoelige objecten en functies mogelijk. Artikel 43.2 maakt onder voorwaarden via een omgevingsvergunning ontwikkeling van de volgende gevoelige functies mogelijk: 1.wonen in een voormalige bedrijfswoning, 2.recreatiewoningen en 3.maatschappelijke- en zorgvoorzieningen. Eén van de voorwaarden is dat de functie aanvaardbaar moet zijn uit een oogpunt van een milieu hygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. Hieronder valt ook het aspect endotoxinen in relatie tot gezondheid. Binnen de bestemmingen 3 Agrarisch, 4 Agrarisch met landschapswaarden, 6 Bedrijf, 12 Horeca, 13 Maatschappelijk, 23 Sport en 28 Wonen, wordt via een omgevingsvergunning onder voorwaarden herbouw van een woning op een andere locatie mogelijk gemaakt.

Deze voorwaarden sluiten niet uit dat de nieuwe woning in een endotoxine risicocontour gesitueerd wordt. Om de gezondheidsrisico’s ter plaatse van de nieuwe woning of herbouw ervan uit te sluiten, wordt als aanvullende voorwaarden opgenomen dat bij herbouw op de andere locatie sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hieronder valt dan ook het aspect endotoxinen. Verder staat het bestemmingsplan via een omgevingsvergunning nevenfuncties toe binnen een bedrijfsbestemming waaronder verblijfsrecreatie en een zorgboerderij. Ook hier wordt als aanvullende voorwaarde opgenomen dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5

4.

5.

6.

7.

8.

Geluid. Ontwikkeling van veehouderijen is onder voorwaarden mogelijk. In artikel 43.3.1 staat als voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting van belangen van omwonenden en bedrijven mag plaatsvinden. Hieronder valt ook het gezondheidsbelang. De gezondheidskundige advieswaarden zijn hierin niet als voorwaarde opgenomen, maar kunnen wel in de beoordeling worden betrokken. In 43.3.2 staan aanvullende voorwaarden voor veehouderijen en in 43.3.3 voor hokdierhouderijen opgenomen, maar deze sluiten aan bij de provinciale regels in de omgevingsverordening en zien niet toe op geluid. Gewasbeschermingsmiddelen. In het ontwerpbestemmingsplan is een regeling opgenomen, waarin de geadviseerde minimumafstand van 50 meter wordt geborgd. Met een omgevingsvergunning kan daar wel van worden afgeweken, maar dan moet er sprake blijven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In die afweging zit dan ook de effectbeschrijving van een kortere afstand tot gevoelige functies. Er vindt overigens nog een aanpassing plaats van deze regeling. Daarvoor wordt verwezen naar de beantwoording in Hoofdstuk 4 “Algemeen antwoord” onder A005. Verkeer. Er is kennisgenomen van het advies ten aanzien van verkeer. Dit maakt echter geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

Bij de herstructurering van wegen binnen de gemeente wordt nadrukkelijk aandacht gegeven aan verkeersveiligheid en het stimuleren van andere mobiliteitsvormen. Klimaatadaptatie/duurzame energie. Er is kennisgenomen van het advies ten aanzien van het ontmoedigen van houtstook en het advies om bij hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijven gezondheid als aandachtspunt mee te nemen. Aanbeveling. Er is kennisgenomen van de aanbeveling om bij beleidsvorming en ontwikkelingen rekening te houden met gezondheid, waarbij gebruik gemaakt kan worden van een Nota volksgezondheid en informatie van de Brabantse omgevingsscan (BROS).

Aanpassingen - Regels: In de volgende artikelen wordt de voorwaarde ‘er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ opgenomen: o Extra woning: artikelen 3.4.2, 3.4.4, 3.4.4, 3.4.5, 4.4.2, 4.4.3, 4.4.4, 4.4.5, 6.4.3, 12.4.3, 13.4.3, 23.4.3, 28.5.2, 28.7.1, 43.2.2 onder, Horecabedrijf, 43.2.2 onder Specifieke voorwaarden voor wonen in een voormalige (agrarische) bedrijfswoning en Specifieke voorwaarden recreatiebedrijf en Aanvullende voorwaarden maatschappelijke- en/of zorgvoorzieningen; o B&B: Artikel 12.6.1 , 28.7.2, 29.5.1; o Omzetting naar Recreatie/zorgboerderij: 3.6.1., 4.6.1. , 6.6.2; o Kleinschalig kamperen: Artikel 46.2. Z075 Provincie Noord-Brabant (23.16308) Samenvatting 1. Waardering. Wij constateren met waardering dat het ontwerp bestemmingsplan zich goed verhoudt tot ons provinciale beleid. Niettemin constateren wij dat het plan op een aantal onderdelen (nog) niet in overeenstemming is met de IOV. 2. Vergroting omvang agrarische bouwvlakken. Het gaat in deze gevallen om vormverandering van een agrarisch bouwblok behorende bij een veehouderij. In onderstaande gevallen is sprake van een uitbreiding boven de maximale toegestane omvang, zonder nadere onderbouwing. Daarom is het bestemmingsplan op deze onderdelen in strijd met artikel 3.49, 3.5 tot en met 3.9 IOV. a. Haarweg 1 Hooge Mierde; b. Weeldsedijk 4 Hooge Mierde; c. Laarakkerdijk 1-1a Reusel; d.

Peel 13 Reusel; e. Postelsedijk 11 Reusel; f. Postelsedijk 13-13a Reusel; g. Schepersweijer 4 Reusel. 3. Planregeling.

6

a.

4.

Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid / systematiek uitbreiding. Opgemerkt wordt dat de plansystematiek die in het bestemmingsplan wordt gevolgd een goede administratie van de verleende vergunningen noodzakelijk maakt, om een en ander te kunnen verwerken in het toekomstige omgevingsplan. b. Systematiek beëindiging (VAB-regeling). In artikel 3.2.2, 4.2.2 en artikel 43 van de planregeling is gekozen voor de systematiek waarbij geen sprake is van een herbestemming, maar van vergunningverlening voor niet-agrarische activiteiten. Deze systematiek past niet in het provinciale beleid. Met een vergunning voor een activiteit wordt immers de agrarische bedrijfsbestemming niet verwijderd. Voor derden is het daarnaast ook niet zichtbaar dat op de locatie geen agrarisch bedrijf meer aanwezig zou (mogen) zijn. Planologisch gezien blijft daardoor een (her)start van het bedrijf mogelijk op basis van de mogelijkheden zoals opgenomen in de planregeling voor agrarische bedrijven. c. Uitgestelde sloop. In samenhang met het voorgaande is ook de uitgestelde sloop (artikel 43.2.2 onder c van de planregeling) in strijd met het provinciale beleid bij omschakeling naar een nieuwe functie. In dat geval moet immers sprake zijn van zorgvuldig ruimte gebruik, sloop van overtollige bebouwing, etc.

Dit is onvoldoende geborgd met de bepaling dat sloop van bebouwing moet plaatsvinden 'binnen een daarvoor in de omgevingsvergunning op te nemen termijn' zoals bepaald in de planregeling. Waaraan wordt deze termijn gekoppeld? En hoe verhoudt zich dat met het feit dat op basis van de planregeling weer verzocht kan worden om een vergunning voor het opricht van bebouwing met betrekking tot een agrarisch bedrijf? d. Vestiging zonnepanelen. Ook de bepaling met betrekking tot de vestiging van zonnepanelen (artikel 43.2.2 sub c onder 5) is in strijd met het provinciale beleid. De vestiging van een zonnepark is verbonden aan een aantal voorwaarden. In dit geval betreft het een zonneveld met een oppervlakte van maximaal 5.000 m2. Als geen sprake is van zonne-energie voor alleen eigen gebruik, dan betreft dit een nietagrarische bedrijfsactiviteit die niet op elke plek wenselijk is. Daarvoor moet toepassing gegeven worden aan de basisprincipes zoals vastgelegd in de IOV zoals de ontwikkelingsrichting van het gebied, de lagenbenadering, kwaliteitsverbetering van het landschap, etc. Artikelsgewijze reactie op de planregeling a. Artikel 1.106 begripsbepaling van een landbouwmechanisatiebedrijf. In de begripsomschrijving is aangegeven dat het gaat om een agrarisch-technisch hulpbedrijf.

De activiteiten die een dergelijk bedrijf ontplooit zoals met name het verhuren van machines maakt dat dit een niet-agrarisch bedrijf betreft. Dit onderscheid heeft gevolgen voor de voorwaarden waarop een dergelijk bedrijf zich op basis van het provinciaal beleid kan vestigen. Verzocht wordt dit begrip uit de planregeling te halen. b. Artikel 3.4.7 / 4.4.7 tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen. Op basis van deze bepalingen kan een omgevingsvergunning verleend worden in afwijking van het bepaalde in artikel 3.3.4 / 4.3.4 . Deze bepalingen zijn nog in strijd met het provinciale beleid doordat slechts moet worden aangetoond dat de aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast. Gemist worden de voorwaarden zoals dat deze mogelijkheid niet geldt voor gronden die op basis van het provinciale beleid gelegen zijn binnen het NNB, Ecologisch verbindingszone, aardkundig waardevol gebied, behoud en herstel watersystemen, etc. Het beleid binnen deze aanduidingen is gericht op herstel en ontwikkeling van de daar aanwezige of te beschermen waarden. Daar past geen ontwikkeling bij die slechts de aanwezige waarden 'niet onevenredig' aantast. Daarnaast zijn 'overige teeltondersteunende voorzieningen' op basis van de begripsbepaling permanente voorzieningen.

Verzocht wordt deze bepaling minder algemeen te formuleren en daarbij de voorwaarden zoals bepaald in de artikel 3.54 IOV op te nemen. c. Artikel 3.4.8 / 4.4.8 Omgevingsvergunning bouwen buiten het bouwvlak. In deze artikelen wordt gemist de mogelijkheid dat het verlenen van een omgevingsvergunning niet geldt voor gronden die op basis van het provinciale beleid gelegen zijn binnen het NNB. Daarnaast mist een voorwaarde met betrekking tot externe werking op het NNB. d. Artikel 3.4.9 omzetten bouwvlak naar overig agrarisch bedrijf. Op basis van het provinciale beleid in artikel 3.59 IOV (naast de basisvoorwaarden) is omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf binnen de

7

e.

f.

g.

h.

i.

j.

k.

groenblauwe mantel aan voorwaarden verbonden. Verzoek: deze voorwaarden toe te voegen aan de planregeling. Artikel 3.6.1 sub b onder 5/4.6.1 sub b onder 5. De vestiging van een overig-agrarisch bedrijf is niet toegestaan op basis van artikel 3.59 IOV. Ook niet als nevenfunctie. De planregeling sluit vestiging binnen de groenblauwe mantel echter niet uit. Dat is strijdig met het provinciale beleid. Verzoek: de uitsluiting in de groenblauwe mantel op te nemen. Artikel 6.6.1 Omgevingsvergunning ander soort bedrijf. Deze bepaling maakt het mogelijk om middels een omgevingsvergunning het vestigen toe te staan van een ander soort bedrijf dan op basis van de Staat van bedrijven is toegestaan. Het vestigen van agrarisch verwante bedrijven en agrarisch technische hulpbedrijven binnen de groenblauwe mantel is niet toegestaan. Deze mogelijkheid is in artikel 6.6.1 echter niet uitgesloten. Verzoek om deze bepaling hierop aan te vullen. Artikel 3.6.1/6.6.2 Omgevingsvergunning nevenactiviteit. Deze artikelen maken het mogelijk om met een omgevingsvergunning statische opslag met een maximum van 2.000 m2 als nevenactiviteit toe te staan. Naar onze mening heeft een dergelijke omvang een dusdanig bedrijfsmatig karakter dat het niet meer te zien valt als nevenactiviteit.

Het betreft dan de vestiging van een niet-agrarische bedrijfsactiviteit die aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 3.73 IOV in aanvulling op de basisprincipes (paragraaf 3.1.2 IOV) getoetst moet worden. Verzoek: strijdigheid met het provinciaal beleid op te heffen. Artikel 8.1.1 onder d Bestemming 'Bos' extensief agrarisch grondgebruik. Op grond van deze bepaling is binnen de bestemming “Bos” natuurbeheer in de vorm van het laten grazen van dieren mogelijk. Het laten begrazen van gronden door dieren is niet verenigbaar is met het natuurtype 'bos' en is niet te categoriseren als natuurbeheer. Deze activiteit is dan ook niet toegestaan op gronden gelegen binnen het NNB. Verzoek: In artikel 8.1.1 onder d op te nemen de voorwaarde dat begrazen niet is toegestaan binnen het NNB. Artikel 23.4.1: Afwijken van de bouwregels, algemene afwijking. In de bepaling is opgenomen dat het passend moet zijn binnen de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving. Maar lichtmasten, ballenvangers en schutsbanen met een hoogte van 15, respectievelijk 22 meter kunnen invloed hebben op bijvoorbeeld het NNB in de vorm van externe werking. Wij missen de voorwaarde dat geen onevenredige inbreuk op het NNB (ofwel direct ofwel via externe werking) mag plaatsvinden. Dit is in strijd met het provinciale beleid.

Verzocht wordt om op te nemen de afweging dat het passend moet zijn binnen de omgeving in het algemeen. Artikel 27.3 onder c Water – Natuur, afwijken van de bouwregels. Met een omgevingsvergunning kan kleinschalige bebouwing in de vorm van een dierenverblijf worden opgericht ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering. Een dierenverblijf wordt op grond van de van toepassing zijnde begripsbepaling (artikel 1 Wvg) gezien als een al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden. Dit betreft een voorziening behorende bij agrarische bedrijfsvoering. Dit is wezenlijk anders dan een schuilhut. Op basis van het provinciale beleid kunnen bebouwing en voorzieningen ten behoeve van (agrarische) bedrijfsvoering, dus in ieder geval dierenverblijven, uitsluitend binnen het bouwvlak/bouwperceel worden opgericht. Bovendien is het toevoegen van oppervlakte dierenverblijf aan allerlei voorwaarden verbonden. De oprichting/nieuwvestiging van bebouwing in de vorm van een dierenverblijf buiten een bouwblok en zonder toepassing te geven aan de daaraan gestelde voorwaarden is daarom niet mogelijk. Verzocht wordt deze bepaling uit de planregeling te halen. De oprichting van schuilhutten binnen een kernrandzone kan op basis van het provinciaal beleid mogelijk zijn. Artikel 28.7.1 Wonen, afwijken van de gebruiksregels.

Dit artikel maakt splitsing van een cultuurhistorisch waardevol gebouw in de vorm van een woonboerderij mogelijk. Uitgangspunt in het provinciale beleid is dat er geen sprake kan zijn van nieuwvestiging van woningen in het buitengebied. Met splitsing wordt een nieuwe zelfstandige woonbestemming toegevoegd en daarmee is er sprake van nieuwvestiging. Splitsing van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is onder voorwaarden zoals bepaald in de IOV wel mogelijk. Het moet dan wel gaan om cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, dan wel een beeldbepalende woonboerderij zoals bedoeld in artikel 3.69 IOV. Verzoek: in het plan te

8

5.

bepalen de afbakening wanneer sprake is van een cultuurhistorisch waardevolle woonboerderij in de vorm van bijvoorbeeld een begripsbepaling. l. Artikel 48.1 sub c onder 4 Algemene afwijkingsregels, bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde. In dit artikel wordt de voorwaarde gemist dat geen sprake mag zijn van aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Verzoek: op nemen dat geen aantasting mag plaatsvinden van NNB. Overige opmerkingen a. Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij. In de planregeling wordt een verwijzing gemist naar de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). Verzoek: het begrip alsnog toe te voegen aan de planregeling. b. Kwaliteitsverbetering van het landschap. In de planregeling wordt een aantal keer verwezen naar de Nota ruimtelijke kwaliteit, de LIR De Kempen en het document Uitgangspunten toepassing kwaliteitsverbetering landschap Noord-Brabant. Deze documenten zijn niet bijgevoegd bij de planregeling waardoor deze hun bindende werking missen. Daarnaast is het onduidelijk hoe de documenten zich tot elkaar verhouden en hoe ze zich verhouden tot de verplichte kwaliteitsverbetering bij ontwikkelingen in het landelijk gebied zoals vastgelegd in de IOV. Verzoek: de documenten als bijlage bij de planregeling te voegen en duidelijk te maken welke rol ze precies spelen in relatie tot kwaliteitsverbetering van het landschap.

Wellicht door een en ander te verduidelijk in artikel 1.103 van de planregeling. c. Natuur Netwerk Brabant. In het bestemmingsplan is de 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant' opgenomen. Het daaraan gekoppelde beschermingsregime staat in artikel 47.2.7. De zone komt niet volledig overeen met het provinciale werkingsgebied 'NNB'. Op kleine stukjes missen wij deze zone nog. Verzoek: deze zone volledig overeenkomstig het werkingsgebied NNB op de verbeelding te verwerken. Daarnaast is het beschermingsregime zoals opgenomen in artikel 47.2.7 te summier. Uitgangspunt is dat het plan regels bevat gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en daarbij ook rekening houdt met andere aanwezige waarden en kenmerken zoals (maar niet uitputtend) rust en stilte. In artikel 47.2.7 van de planregeling wordt onder strijdig gebruik slechts bepaald 'het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen' en 'het verwijderen van houtopstanden'. Verzoek: het beschermingsregime te laten aansluiten met de bepalingen met betrekking tot het NNB in de IOV (artikel 3.15 en verder).

Reactie 1. Waardering. De opmerking wordt voor kennisneming aangenomen. 2. Vergroting omvang agrarische bouwvlakken. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn de genoemde locaties opnieuw beoordeeld. Bij de beoordeling daarvan is ook rekening gehouden met individuele zienswijzen die voor die adressen zijn ingediend. Als dat het geval is, staat dat hieronder ook aangegeven. Daarbij wordt de volgende werkwijze gehanteerd: - Met dit bestemmingsplan is getracht om, daar waar mogelijk, de planologische situatie zoveel mogelijk overeen te laten komen met de feitelijk aanwezige situatie. Gelet op de minimale verandering van het bouwvlak ziet de gemeente in onderstaande gevallen geen beperkende redenen om het bouwvlak minimaal van vorm te veranderen. Normaliter vraagt de gemeente bij vormveranderingen om een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfslocatie. Aangezien voor de ruimtelijke kwaliteitsborging in het bestemmingsplan is opgenomen dat bij de bouw van nieuwe bedrijfsgebouwen van groter dan 100 m2, een zorgvuldige landschappelijke inpassing moet worden gerealiseerd en dat die ook in stand moet worden gehouden, is het op die manier ook verzekerd dat ook deze locatie in de toekomst op een zorgvuldige wijze is ingepast. a. Haarweg 1, Hooge Mierde. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ heeft de locatie een omvang van 2,08 ha.

In het voorontwerp- en in het ontwerpbestemmingsplan is de oppervlakte even groot. Daarentegen heeft er wel een vormverandering plaatsgevonden. Gelet op de opmerking in de

9

3.

aanhef van punt 2, is de gemeente van mening dat dit niet in strijd is met de regels van de provinciale omgevingsverordening. b. Weeldsedijk 4, Hooge Mierde. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ heeft de locatie een omvang van 2,54 ha. In het voorontwerp- en in het ontwerpbestemmingsplan is de oppervlakte even groot. Daarentegen heeft er wel een vormverandering plaatsgevonden. De constatering dat ook met de vormverandering voorzieningen buiten het bouwvlak liggen is correct. In de herbeoordeling is te zien dat de locatie door de vormverandering onbedoeld het gebied ‘beperkingen veehouderij’ ingroeit. Dit is niet de bedoeling en legt ook onbedoeld beperkingen op het bedrijf. Het bouwvlak van het bedrijf wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke planologische situatie. In het kader van nazorg op dit bestemmingsplan, wordt door de gemeente overwogen hoe om te gaan met de overblijvende planologische strijdigheden. c. Laarakkerdijk 1-1a, Reusel. Voor dit adres is een individuele zienswijze ingediend, Z101. Met de zienswijze is bewijslast aangeleverd dat hier sprake is van een kennelijke fout in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’.

Uit dossieronderzoek is gebleken dat met het bestemmingsplan Buitengebied, herziening fase 1b (niet in procedure gebracht) en bestemmingsplan Buitengebied 2017 (niet vastgesteld) de gemeente zich al heeft ingespannen om de kennelijke fout te corrigeren. Het bouwvlak wordt, in lijn met zienswijze Z101, teruggebracht naar het bouwvlak zoals dat in het voorontwerpbestemmingsplan was opgenomen. d. Peel 13, Reusel. Voor dit adres is een individuele zienswijze ingediend, Z110. De beoordeling daarvan leidt tot de conclusie dat het bouwvlak moet worden aangepast om strijd met NNB te voorkomen. e. Postelsedijk 11, Reusel. Voor dit adres is een individuele zienswijze ingediend, Z115. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ heeft de locatie een omvang van 4,36 ha. In het voorontwerp- en in het ontwerpbestemmingsplan is de oppervlakte inderdaad vergroot, namelijk 4,48 ha. Dat is niet de bedoeling en wordt aangepast, zodat hier enkel een oppervlakte neutrale vormverandering plaatsvindt. In het kader van nazorg op dit bestemmingsplan, stelt de gemeente een actieplan op voor de overblijvende planologische strijdigheden. f. Postelsedijk 13-13a, Reusel. Voor dit adres is een individuele zienswijze ingediend, Z116. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ heeft de locatie een omvang van 1,69 ha.

In het voorontwerp- en in het ontwerpbestemmingsplan is de oppervlakte respectievelijk 1,69 en 2,00 ha. In inspraakreactie 14 zoals opgenomen in de nota van inspraak, behorende bij het ontwerpbestemmingsplan, is uitgelegd dat het bouwvlak is verruimd naar 2,0 ha ten behoeve van ruwvoeropslag. Hiervoor is een aanduidingsvlak opgenomen, waarin geregeld is dat uitsluitend dit gebruik hier is toegestaan en hier dus niet mag worden gebouwd. Dit is conform artikel 3.53 lid 3 van de IOV en artikel 5.67 lid 3 van de OV. Ten behoeve van een eenduidige regeling, conform gewenste plansystematiek in dit bestemmingsplan, wordt het aanduidingsvlak ‘overige zone – ruwvoeropslag’ buiten het bouwvlak geplaatst. Dit wordt overigens ook nog gedaan voor de locaties Hooge Mierdseweg 5a, Hoolstraat 3, Meirweg 3, Neterselsedijk 23a en Neterselsedijk 31. Deze aanpassing heeft verder geen gevolgen voor de planologische mogelijkheden. g. Schepersweijer 4, Reusel. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ heeft de locatie een omvang van 1,65 ha (16.493 m2). In het ontwerpbestemmingsplan is de oppervlakte inderdaad groter, namelijk 1,66 ha (16.583 m2). Dat is niet de bedoeling en wordt aangepast, zodat hier enkel een oppervlakte neutrale vormverandering plaatsvindt.

Gelet op de opmerking in de aanhef van punt 2, is de gemeente van mening dat de locatie verder niet in strijd is met de regels van de provinciale omgevingsverordening. Planregeling. a. Systematiek uitbreiding. De opmerking wordt ter kennisgeving aangenomen. De gemeente deelt de mening dat een overzichtelijke administratie noodzakelijk is om straks adequaat het Omgevingsplan te wijzigen.

10

4.

Overigens worden naar aanleiding van zienswijze Z077 de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden voor het oprichten van bebouwing buiten het bouwvlak (artikel 3.4.8) en uitbreiding van oppervlakte dierenverblijven (artikel 43.3.1) op elkaar afgestemd, zodat sprake is van een eenduidige regeling. b. Systematiek VAB-regeling. De systematiek van de VAB-regeling zoals opgenomen in artikel 3.2.2, 4.2.2 en artikel 43 richt zich niet op het wijzigen van de bestemming, maar op vergunningverlening voor nietagrarische activiteiten in het kader van hergebruik van de voormalige agrarische bedrijfslocaties. Wijzigingsplannen zijn niet meer mogelijk onder de Omgevingswet. De provincie acht de regeling zoals deze is opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan niet passend met het provinciaal beleid. Het bezwaar is dat op deze manier de bestaande agrarische bedrijfsvoering niet juridisch-planologisch kan worden verwijderd. Die constatering is correct. De bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden blijven van toepassing. Echter, de unieke omstandigheid, namelijk het niet mogelijk zijn van een vorm van wijziging van het plan, noopt de gemeente tot het zo goed mogelijk afgrendelen van de bestaande mogelijkheden.

Hiermee is het mogelijk toch enige flexibiliteit te bieden bij stoppende agrarische locaties, terwijl tegelijkertijd wordt voorkomen dat er hergebruik plaatsvindt van de agrarische functies op plaatsen die in de toekomst niet meer gewenst zijn. Let wel, het wederom in agrarisch gebruik nemen van een locatie hoeft niet voor alle locaties een probleem te zijn. Om aan de zienswijze van de provincie tegemoet te komen, wordt aan artikel 43.2.2 toegevoegd naast de regel dat: “aangetoond moet zijn dat het (agrarisch) bedrijf ter plaatse definitief is beëindigd” ook dat:“ Hierbij wordt in elk geval aangetoond dat de milieuvergunningen zijn ingeleverd”. Dit heeft als gevolg dat als er opnieuw gebruik gemaakt gaat worden van de planologische mogelijkheden, eerst via een nieuwe milieuvergunning voor die locatie moet zijn aangetoond dat voldaan kan worden aan de milieuregels en dat sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. c. Uitgestelde sloop. De opgenomen bepaling dat sloop van bebouwing moet plaatsvinden “binnen een daarvoor in de omgevingsvergunning op te nemen termijn” wordt als te onbepaald geacht, zeker in samenhang met hetgeen onder b. is benoemd en daarmee strijdig met het provinciaal beleid. Deze regel was uit pragmatische overwegingen opgenomen om zo te komen tot een efficiënt mogelijke omzetting.

Aangezien daarmee niet van tevoren een objectieve invulling hieraan gegeven kan worden, wordt deze regel alsnog geschrapt uit de artikelen 43.2.2 sub c onder 1 en 4 (zoals genummerd in het ontwerpbestemmingsplan). d. Zonnepanelen. De gemeente heeft de ambitie uitgesproken om energieneutraal te zijn en stimuleert daarvoor initiatieven ten behoeve van duurzame energie. De opgenomen regeling vloeit voort uit het vastgestelde beleidskader ‘Grootschalige Zon- en Windenergie De Kempen’. Aangezien de regeling uitsluitend betrekking heeft op locaties met een bestaand bouwvlak, binnen bestaand ruimtebeslag, wordt de regeling niet als strijdig gezien met het provinciaal beleid. Vanwege voortschrijdend inzicht wordt binnen alle overheidslagen momenteel meer terughoudend omgegaan bij dergelijk nieuwe initiatieven. Er worden andere ruimtelijke afwegingen gemaakt. Gelet ook op de huidige capaciteitsproblemen van het energienetwerk, is het de vraag of de realisatie van grondgebonden zonnepanelen tot maximaal een 0,5 ha binnen een (voormalige agrarische bouwvlak) in ruil voor beëindiging en sloop van een agrarisch bedrijf nog haalbaar en wenselijk is. Om deze redenen is besloten de regeling te wijzigen, maar niet volledig te schrappen.

Aan de regels wordt toegevoegd dat zonnepanelen op de grond tot een 0,5 ha binnen het oorspronkelijke bouwvlak enkel is toegestaan, wanneer die al feitelijk aanwezig zijn. Er is dan zekerheid van een aansluiting. De hoop is dat dit als een stimulans kan werken om de sloop van de stal waar de zonnepanelen op lagen te bewerkstelligen. Dit draagt bij aan de ontsteningsopgave. Artikelsgewijze reactie op de planregeling a. Artikel 1.106 begripsbepaling landbouwmechanisatiebedrijf. Met het integreren van andere bestemmingsplannen in dit algemene bestemmingsplan is deze term mee overgaan in de begripsbepalingen. Dit begrip komt verder niet voor in de planregels, omdat voor dergelijke bedrijven het begrip ‘agrarisch-technisch hulpbedrijf’ wordt gebruikt. Genoemd begrip wordt uit de regels verwijderd.

11

b.

c.

d.

e.

f.

g.

Artikel 3.4.7 / 4.4.7 tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen. ‘Overige teeltondersteunende voorzieningen’ heeft enkel betrekking op boomteelthekken. Dit is een permanente voorziening die op basis van de Omgevingsverordening onder het begrip ‘permanente voorzieningen’ wordt geschaard. De regels worden hierop aangepast. Ten aanzien van ‘tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen’ zijn in de provinciale Omgevingsverordening geen nadere regels gesteld. In het bestemmingsplan is de aanleg en realisatie van ‘tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen’ binnen het NNB uitgesloten. Binnen de gebieden aangeduid als ‘overige zone – ecologische verbindingszone’, ‘overige zone – behoud en herstel watersystemen’ en ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ is dit ook uitgesloten, maar kan dit met een binnenplanse afwijking alsnog worden aangevraagd. Hierbij kan de afweging gemaakt worden of en hoe aanwezige waarden worden aangetast. Een aanpassing van de regels wordt niet noodzakelijk geacht. Artikel 3.4.8 / 4.4.8 Omgevingsvergunning bouwen buiten het bouwvlak. Volgens de gebruikte plansystematiek zijn gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ niet gelegen binnen het NNB.

Met gebruik van de bedoelde omgevingsvergunning is het niet de bedoeling dat hierdoor aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB ontstaan. Artikel 3.4.8 en 4.4.8 (zoals genummerd in het ontwerpbestemmingsplan) worden aangepast met de toevoeging dat “oprichting van bebouwing buiten het bouwvlak niet mag leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB”. Artikel 3.4.9 omzetten bouwvlak naar overig agrarisch bedrijf. In de toelichting is genoemd dat een omschakeling naar een ‘overig agrarisch bedrijf’ in de groenblauwe mantel onder voorwaarden is toegestaan. Dit is abusievelijk niet in de regels opgenomen. Er wordt een binnenplanse afwijking opgenomen, zoals bij artikel 3.4.9 met als aanvullende randvoorwaarde dat de situering binnen de groenblauwe mantel bij omschakeling uitsluitend is toegestaan, als dit bijdraagt aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied. Artikel 3.6.1 sub b onder 5/4.6.1 sub b onder 5. In de genoemde artikelen wordt niet gesproken over een ‘overig agrarisch bedrijf’, maar over een ‘overig niet-agrarisch bedrijf’. Hoewel de benaming veel op elkaar lijkt, wordt hier niet hetzelfde mee bedoeld. Een en ander is gedefinieerd in respectievelijk artikel 1.9 onder c. en 1.119 (zoals genummerd in het ontwerpbestemmingsplan). Artikel 6.6.1 Omgevingsvergunning ander soort bedrijf.

In genoemd artikel wordt geregeld dat met een binnenplanse afwijking een ander soort niet-agrarisch bedrijf zich ter plaatse kan vestigen. In de provinciale Omgevingsverordening wordt vestiging van een ‘agrarisch-verwant bedrijf’ of ‘agrarischtechnisch hulpbedrijf’ (3.61 IOV) uitgesloten binnen de groenblauwe mantel. Er is hier wel een uitzondering op (3.73 IOV), waarvoor een maatwerkprocedure nodig is. Artikel 6.6.1 wordt aangevuld met de regel dat vestiging ‘agrarisch-verwant bedrijf’ en ‘agrarisch-technisch hulpbedrijf niet worden toegestaan. Artikel 3.6.1/6.6.2 Omgevingsvergunning nevenactiviteit. Het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ bevatte al een gestaffelde benadering voor statische opslag. Met direct recht was 500 m2 aan statische opslag toegestaan en binnen bebouwingsconcentraties 1.000 m2. Met een binnenplanse afwijking was die ruimte op te rekken tot respectievelijk 1.000 m2 en 2.000 m2. Het onderscheid tussen binnen en buiten een bebouwingsconcentratie is losgelaten, waarbij generiek bepaald is dat overal direct 1.000 m2 aan inpandige statische opslag als nevenactiviteit is toegestaan en met een binnenplanse afwijking 2.000 m2. Hier zijn wel voorwaarden aan gekoppeld, waarbij bijvoorbeeld de agrarisch functie als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar moet zijn. Vanwege de zienswijze is dit punt opnieuw beoordeeld.

Via de vastgestelde nota van uitgangspunten dat de basis diende voor het ontwerpbestemmingsplan, was het idee om generiek meer ruimte te geven voor statische opslag. Bij nader inzien deelt de gemeente het standpunt van de provincie dat met een statische opslag van 2.000 m2 de grens tussen nevenactiviteit en hoofdactiviteit aanzienlijk vertroebeld. Een heroverweging van de locatie op basis van artikel 3.73 IOV is dan beter op zijn plaats, waarvoor een maatwerkprocedure nodig is. Artikel 3.6.1, 4.6.1 en 6.6.2 worden hierop aangepast.

12

h.

i.

j.

Artikel 8.1.1 onder d. Bestemming 'Bos' extensief agrarisch grondgebruik. Conform verzoek wordt aan de bestemming ‘Bos’, in artikel 8.1.1 onder d, toegevoegd dat extensief agrarisch grondgebruik gericht op natuurbeheer door grazers niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – natuur netwerk brabant’. Artikel 23.4.1: Afwijken van de bouwregels, algemene afwijking. Conform verzoek wordt aan de bestemming ‘Sport’, in artikel 23.4.1, toegevoegd dat bij de oprichting van hogere lichtmasten, ballenvangers en schutsboom geen sprake mag zijn van onevenredige aantasting van de natuurwaarden van het NNB. Artikel 27.3 onder c Water – Natuur, afwijken van de bouwregels. Dit betreffende artikel is één op één overgenomen uit het geldende bestemmingsplan ‘Landgoed De Utrecht’. Binnen deze bestemming is het niet logisch dat een dierenverblijf ten behoeve van een agrarische bedrijfsvoering wordt mogelijk gemaakt. Uit artikel 27.3 wordt ‘dierenverblijf’ verwijderd. Een afwijkingsmogelijkheid voor een schuilhut blijft behouden.

k.

5.

Artikel 28.7.1 Woningsplitsing. In artikel 3.69 van de provinciale Interim Omgevingsverordening is de mogelijkheid opgenomen voor woningsplitsing voor ‘cultuurhistorisch waardevolle bebouwing’ en voor ‘beeldbepalende woonboerderij’. Voor splitsing van een beeldbepalende woonboerderij wordt een tegenprestatie gevraagd via de regel ‘maatwerk met als doel omgevingskwaliteit’, vergelijkbaar met een halve ruimte voor ruimte titel. Deze mogelijkheid wordt niet in dit bestemmingsplan opgenomen, omdat hier een maatwerkprocedure voor nodig is. De mogelijkheid van splitsing van ‘cultuurhistorisch waardevolle bebouwing’ is wel opgenomen en werd met artikel 28.7.1 beoogd te regelen. In de toelichting wordt verduidelijkt wat de verschillen zijn tussen “cultuurhistorisch waardevol” en “beeldbepalend”. Daarnaast wordt in de regels verduidelijkt dat splitsing alleen kan indien aangeduid als ‘Waarde – Cultuuhistorische elementen’ en nadat door een bouwhistorisch onderzoek is aangetoond dat het een pand met cultuurhistorische waarde betreft. l. Artikel 48.1 sub c onder 4 Algemene afwijkingsregels. Conform verzoek wordt aan artikel 48.1 onder g. als randvoorwaarde toegevoegd dat er geen sprake mag zijn van onevenredige aantasting van de natuurwaarden van het NNB. Overige opmerkingen a. Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij.

In artikel 43.3.2 en 47.2.2 (zoals genummerd in het ontwerpbestemmingsplan) wordt verwezen naar “nadere regels zorgvuldige veehouderij” behorende bij de provinciale Omgevingsverordening. Volledigheidshalve wordt in artikel 1 een begripsbepaling opgenomen met een verwijzing naar de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en de eventuele rechtsopvolgers daarvan. b. Kwaliteitsverbetering van het landschap. Om te volden aan de regels over ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ is in de planregels het begrip ‘kwaliteitswinst van het landschap’ opgenomen. Dit staat in de begrippen, artikel 1.103 (zoals genummerd in het ontwerpbestemmingsplan), omschreven. Daarnaast is opgenomen dat bij de kwalitatieve beoordeling van initiatieven, waaronder de beoordeling van de landschappelijke inpassing, gebruik gemaakt moet worden van de gebiedspaspoorten uit de gemeentelijke ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit, deel buitengebied’ (NRK). Die vormt daarvoor het toetsingskader. Voor de kwantitatieve toetsing van de vereiste kwaliteitsverbetering wordt gebruik gemaakt van de regionaal afgestemde ‘Landschapsinvesteringsregeling De Kempen’ en het addendum daarop. Deze zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen. Voor de kwalitatieve invulling en de eveneens noodzakelijke landschappelijke inpassing, vormt de gebiedspaspoorten uit de gemeentelijke NRK mede het toetsingskader.

Dit punt van de zienswijze geeft geen aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan. c. Natuur Netwerk Brabant. De aanduiding ‘overige zone – natuur netwerk brabant’ wordt op enkele ontbrekende stukken aangevuld en/of de gebiedsbestemming gewijzigd naar ‘Agrarisch met waarden – natuur en landschap’, conform het provinciaal werkingsgebied NNB, zoals opgenomen in de IOV. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt, dat gebleken is dat op enkele locaties sprake is van kennelijke

13

onjuistheden. Hiervoor wordt verzocht om middels het provinciaal delegatiebesluit de grenzen van locaties aan te passen. De beschermingsregeling van het NNB in artikel 47.2.7 (zoals genummerd in het ontwerpbestemmingsplan) wordt aangevuld, zodat de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken is geborgd en ook rekening wordt gehouden met andere aanwezige waarden zoals rust en stilte. Aanpassingen - Toelichting: a. In de toelichting wordt verduidelijkt wat de verschillen zijn tussen “cultuurhistorisch waardevol” en “beeldbepalend”. - Verbeelding: b. Op de verbeelding wordt de aanduiding ‘overige zone – natuur netwerk brabant’ op enkele ontbrekende stukken aangevuld, conform het provinciaal werkingsgebied NNB, zoals opgenomen in de IOV. - Regels: c. Na artikel 1.47 wordt toegevoegd: “1.48 Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV): provinciaal beleidsinstrument dat door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant als beleid is vastgesteld en dat maatregelen benoemt voor individuele bedrijven die de transitie naar zorgvuldige veehouderij bevorderen. d. Artikel 1.106 begripsbepaling landbouwmechanisatiebedrijf wordt geschrapt. e.

Na artikel 1.51 wordt toegevoegd: “1.52 Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing: gebouw dat als cultuurhistorisch waardevol geïnventariseerd is en als zodanig aangeduid of door de commissie ruimtelijke kwaliteit als zodanig wordt beoordeeld.” f. Artikel 1.154 2e gedachtebolletje ‘Permanente (teeltondersteunende) voorzieningen (boomteelthek)’ wordt na “containervelden” toegevoegd: “en boomteelthekken” g. Artikel 1.154 laatste gedachtebolletje ‘Overige (teelt)ondersteunende voorzieningen (boomteelthek)’ wordt geschrapt. h. in artikel 3.3.4. wordt de tabel “overige (teelt)ondersteunende voorzieningen” geschrapt. i. in artikel 3.4.7 worden in de aanhef de woorden "en overige” en in de tekst de woorden “en/of overige” geschrapt. Artikel 3.4.8: na lid c. wordt een nieuw lid ingevoegd: “d. “oprichting van bebouwing buiten het bouwvlak niet mag leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB”. De overige leden worden vernummerd. k. In artikel 3.6.1 onder b. wordt geschrapt de tekst “1. statische opslag met en maximum van 2.000 m2 uitsluitend in bestaande bebouwing;”. De overige worden vernummerd. l. In artikel 4.3.4. wordt de tabel “overige (teelt)ondersteunende voorzieningen” geschrapt. m. In artikel 4.4.7 worden in de aanhef de woorden "en overige” en in de tekst de woorden “en/of overige” geschrapt. n. Artikel 4.4.8: na lid c.

wordt een nieuw lid ingevoegd: “d. “oprichting van bebouwing buiten het bouwvlak niet mag leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB”. De overige leden worden vernummerd. o. Aan artikel 3.4.9. na sub h. wordt toegevoegd: “i. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel en als dit bijdraagt aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied”. j.

p. q.

In artikel 4.6.1 onder b. wordt geschrapt de tekst “1. statische opslag met en maximum van 2.000 m2 uitsluitend in bestaande bebouwing;”. De overige worden vernummerd. Artikel 6.6.1 na lid k. wordt toegevoegd: “l. vestiging van een agrarisch-verwant bedrijf en agrarischtechnisch hulpbedrijf is verboden”.

14

In artikel 6.6.2 onder c. wordt geschrapt de tekst “1. statische opslag met en maximum van 2.000 m2 uitsluitend in bestaande bebouwing;”. De overige worden vernummerd. s. In artikel 8.1.1 onder d. wordt toegevoegd de tekst: “,ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – natuur netwerk brabant’ is extensief agrarisch grondgebruik gericht op natuurbeheer door grazers niet toegestaan”. t. In artikel 23.4.1 wordt na het woord “omgeving" toegevoegd: “en er geen sprake mag zijn van onevenredige aantasting van de natuurwaarden van het NNB”. u. In artikel 27.3 lid c. worden de woorden “dierenverblijf of” verwijderd. v. aan artikel 43.2.2 onder “Voorwaarden voor alle functies” sub a. wordt toegevoegd: “Hierbij wordt in elk geval aangetoond dat de milieuvergunningen zijn ingeleverd”. w. in artikel 43.2.2 onder “Voorwaarden voor alle functies” sub c. onder 1. en 4. wordt geschrapt de tekst: “binnen een daarvoor in de omgevingsvergunning op te nemen termijn”. x. In artikel 43.2.2 onder “Voorwaarden voor alle functies” sub c. onder 5.

wordt vervangen de tekst: “voor de functie duurzame energie in de vorm van zonnepanelen op gronden en/of daken tevens een absoluut maximum van 5.000 m2 geldt” door de tekst: “voor de functie duurzame energie in de vorm van zonnepanelen op gronden geldt dat deze alleen van toepassing is als de zonnepanelen al aanwezig en aangesloten op het elektriciteitsnet zijn en tevens geldt een absoluut maximum van 5.000 m2 binnen het oorspronkelijke bouwvlak”. y. Artikel 47.2.7 wordt aangepast naar: “Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – Natuur Netwerk Brabant’ geldt dat de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken die te worden geborgd, waarbij ook rekening wordt gehouden met andere aanwezige waarden zoals rust en stilte; en voorts gelden de volgende specifieke regels:”. z. Artikel 48.1 onder g. wordt toegevoegd: “6. Er mag geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de natuurwaarden van het Natuurnetwerk Brabant”. r.

Z078 Waterschap De Dommel (23IK.1218) Samenvatting Door de herinrichting van de Raamsloop en de inrichting van de Natte Natuurparel De Utrecht wijkt de feítelijke situatie inmiddels af van het voorliggende ontwerpbestemmingsplan. Hierdoor worden de huidige functies, waaronder de overige waterkering onvoldoende ruimtelijk beschermd. 1. Deelgebied Raamsloop a. Ten noordoosten van Lage Mierde heeft in 2022 de herinrichting van de beek Raamsloop en aangrenzende percelen plaatsgevonden. Op de ontwerpbestemmingsplankaart is de Raamsloop als een rechte lijn opgenomen. Verzocht wordt om de nieuwe meanderde loop op de plankaart op te nemen. b. In dit deelgebied is een voormalige watergang opgenomen met de bestemming ‘Water’. Deze voormalige watergang is bij de herinrichting van het gebied gedempt. De bestemming ‘Water’ kan op deze locatie aangepast worden naar de bestemming ‘Natuur’. c. Langs de Raamsloop en een voormalige zijwatergang ligt in dit deelgebied nog de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering’. De waterkering is langs deze watergangen verwijderd. Daarom kan deze medebestemming vervallen. d. De strook met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ kan onderdeel worden van de bestemming 'Natuur’. e. Parallel aan de straat Vogelenzang ligt een overige waterkering. Verzocht wordt de overige waterkering op de plankaart en in de regels op te nemen. 2.

Deelgebied Ten zuiden van Mispeleindse en Neterselse Heide a. Ten zuiden van de Mispeleindse en Neterselse heide, grofweg tussen de Beersedijk en de Meirweg, heeft in 2022 herstel van de Natte Natuurparel De Utrecht plaatsgevonden. Deze voormalige watergang is gedempt en kan op deze locatie aangepast worden naar de bestemming ‘Natuur’.

15

b. c.

In dit deelgebied is een strook met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ opgenomen. Voor deze strook kan de bestemming omgezet worden naar de bestemming ‘Natuur’. Op de grens tussen het heidegebied en het voormalig landbouwgebied is een watergang opgenomen. Deze is gedempt en de bestemming kan aangepast worden naar de bestemming ‘Natuur’.

Reactie 1. Deelgebied Raamsloop a. Het meanderen van de Raamsloop ligt gedeeltelijk binnen het provinciale inpassingsplan ‘KempenlandWest omgeving De Utrecht’. Dat plangebied maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Voor zover het meanderen van de Raamsloop wel onderdeel uitmaakt van dit plangebied, wordt aangepast op basis van de door het Waterschap De Dommel aangeleverde kaart. b. De verbeelding wordt aangepast, waarbij de bestemming van de gedempte watergangen wordt gewijzigd van ‘Water’ naar ‘Natuur’. c. De verbeelding wordt aangepast, waarbij de waterkering van genoemde locatie wordt verwijderd. d. De verbeelding wordt aangepast, waarbij twee stroken conform omliggende gronden worden gewijzigd van ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Natuur’. e. De verbeelding wordt aangepast, waarbij de overige waterkering, parallel aan de Vogelenzang, wordt opgenomen. 2. Deelgebied ten zuiden van Mispeleindse en Neterselse Heide a. De verbeelding wordt aangepast, waarbij de bestemming ‘Water’ wordt aangepast naar de aangrenzende bestemming ‘Natuur’. b. De verbeelding wordt aangepast, waarbij de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ wordt aangepast naar de aangrenzende bestemming ‘Natuur’. c. De verbeelding wordt aangepast, waarbij de bestemming ‘Water’ wordt aangepast naar de aangrenzende bestemming ‘Natuur’. Aanpassing - Verbeelding: Genoemde aanpassingen op onderstaande locaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=087b717d-a042-49f1-bcaf-d8ddb7c98388