[23.21499] 230918 Regels Bestemmingsplan Laarakkerdijk 2-2a en Voorste Heikant 3 Reusel
Tekst van het document
Voor veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' en/of 'grondgebonden veehouderij' geldt dat de oppervlakte van de inpassing minimaal 100Zo van de gezamenlijke oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' en de bebouwing waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend dient te bedragen; 2. kwaliteitswinst: er vindt een kwaliteitswinst van het landschap plaats; j. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; k. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; l. de ontwikkeling mag niet leiden tot een toename van stikstofemissie vanuit de betreffende gronden; m. er is sprake van hydrologisch neutraal bouwen.
14.3.2 Algemene voorwaarden veehouderij Voor een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij gelden de volgende bepalingen: a.
er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, welke zijn opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten; b. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 1207o en in het buitengebied niet hoger is dan 2007o, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke minimaal de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert, waarbij eveneens geldt: 1. er wordt voldaan aan de vastgestelde normen uit de gemeentelijke geurverordening; c. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
81
14.3.3 Aanvullende voorwaarden hokdierenhouderijen In het kader van staldering gelden de volgende bepalingen: a.
Een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij is uitsluitend toegestaan indien bewijs is overlegd dat: 1. binnen het stalderingsgebied als bedoeld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; 2. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: - ingeval van sloop, tenminste 12007o van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; - ingeval van herbestemming, minimaal 20007o van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen 3. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling b. als bestaande oppervlakte dierenverblijf als bedoeld onder a. geldt het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; c. het te saneren dierenverblijf als bedoeld onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden: 1.
het betreft een legaal opgericht feitelijk aanwezig dierenverblijf 2. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren. d. het bewijs dat aan de voorwaarden van het bepaalde onder a. tot en met c. is voldaan, is uitgegeven door of namens Gedeputeerde Staten.
14.4 Parkeren en laden en lossen a.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor wijziging van het gebruik moet op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid worden gerealiseerd en vervolgens in stand worden gehouden. b. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid als bedoeld onder a. als wordt voldaan aan het beleid zoals opgenomen in 'Module 8. Ruimtelijke Ontwikkelingen' van het 'Gemeentelijk Verkeers- en VervoersPlan (GVVP)' d.d. 19 september 2017, dan wel als dit beleid wordt gewijzigd of herzien, wordt voldaan aan het actuele beleid op het moment dat de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. c. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor wijziging van het gebruik moet, als het beoogde gebruik van een bouwwerk en/of gronden aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort, en vervolgens in stand worden gehouden. d. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a. en c.
als bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt aangetoond dat anderszins is geborgd dat onevenredige parkeeroverlast en onevenredige verkeersoverlast als gevolg van het laden en lossen van goederen in het openbaar gebied wordt voorkomen.
82
14.5 Toepassing bevoegdheden Crisis- en Herstelwet (21ste Tranche) 14.5.1 Geurbelasting In afwijking van artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij, zoals bedoeld in artikel 7af lid 14 van de Crisis- en herstelwet, kan het bevoegd gezag bepalen dat: a.
de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging minder bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand; of b. de totale geurbelasting na die wijziging minder bedraagt dan het gemiddelde van de in de verordening vastgelegde waarde en de geurbelasting die de inrichting voorafgaand aan het toepassen van de maatregel veroorzaakte.
14.5.2 Geurbelasting uitbreiding dierenverblijf In afwijking van de artikelen 3.115, tweede lid, aanhef en onder b, en 3.118, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals bedoeld in artikel 7af lid 15 van de Crisis- en herstelwet, kan het bevoegd gezag bij uitbreiding van een dierenverblijf bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de geurbelasting, bedoeld in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van dat besluit, minder bedraagt dan het in dat lid bedoelde gemiddelde.
14.5.3 Van toepassing verklaring Het bepaalde onder 14.2.1 en 14.2.2 is van toepassing op situaties waarbij: a.
sprake is van een beoordeling van een ontwikkelplan van een veehouderij voor wat betreft het aspect geur uit stallen; b. sprake is van een overschrijding van de wettelijke voorgrondnorm van 3 Ou op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom (bebouwingsconcentratie geur) en 14 Ou op geurgevoelige objecten in het buitengebied; c. sprake is van een overschrijding van de achtergrondnorm van 10 Ou op een geurgevoelig object in de bebouwde kom (bebouwingsconcentratie geur) en/of sprake is van een overschrijding van de achtergrondnorm van 20 Ou op een geurgevoelig object in het buitengebied; d. en concrete mogelijkheden zijn om via de inzet van beschikbare en betaalbare technieken de geuremissie en geurbelasting te beperken, rekening houdend met het type en grootte van het bedrijf en de bijdrage van het bedrijf aan de te hoge achtergrondbelasting.
14.6 Voorrangsregeling Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt dat in afnemende mate prioriteit wordt verleend aan de dubbelbestemming: a. b. c. d. e.
Leiding - Riool; Waarde - Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant; Waterstaat - Waterberging; Waterstaat - Waterkering; Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3, Waarde - Archeologie 4.1, Waarde - Archeologie 4.2, Waarde - Archeologie 5.1, Waarde - Archeologie 5.2, Waarde Archeologie 6; f. Waarde - Cultuurhistorie; g. Waarde - Aardkundig waardevol gebied.
83
4 Overgangs- en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht 15.1 Overgangsrecht bouwwerken 15.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
15.1.2 Omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 15.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 15.1.1 met maximaal 1007o.
15.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 15.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
15.2 Overgangsrecht gebruik 15.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
15.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 15.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
15.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 15.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
15.2.4 Strijd met voorheen geldend bestemmingsplan Het bepaalde in 15.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
84
Artikel 16 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Buitengebied, Laarakkerdijk 2-2a à Voorste Heikant 3 Reusel
85