[23.02372] - Ontwerpbestemmingsplan Sleutelstraat 16 toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 26 van 55
Archeologische beleidskaart 2021 Mogelijke verstoringen
Esdekken
Archeologisch beleid Categorie 1: Archeologisch monument Categorie 2: Gebied van archeologische waarde Categorie 3: Gebied met hoge verwachting (historische kernen en linten) Categorie 4: Gebied met hoge verwachting Categorie 5: Gebied met middelhoge verwachting Categorie 6: Gebied met lage verwachting Categorie 7: Gebied zonder archeologische verwachting Water
Afbeelding 13
Ter plaatse van het nieuwe bouwvlak is archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend veldonderzoek (IVO) uitgevoerd welke is toegevoegd als bijlage. Op onderstaande afbeelding is de beoogde situatie met een bedrijfswoning, een bijgebouw van 100 m2 en het bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 1.000 m2 (40x25) geprojecteerd.
Afbeelding 14 Diepte verstoorde bodem
Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de bedrijfswoning en het bijgebouw gebouwd worden ter plaatse van boring 1, 2 en 3. Uit de rapportage blijkt dat de bodem hier verstoord is tot -80, -85 respectievelijk -110 maaiveld (C-horizonten). Deze dieptes van verstoring reiken verder cq. komen
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 27 van 55
overeen met de vaste laag van geel zand welke van voldoende bodemgesteldheid zijn om op te funderen. De nieuwe loods wordt gebouwd op de reeds verstoorde grond ter plaatse van de mestputten van stal 4 en stal 5, zijnde de voormalige zeugenstallen. De putvloeren zijn hier tot -140 respectievelijk 160 maaiveld gestort overeenkomstig onderstaande uitsnede van de milieutekening. Daarbij wordt de achterkant van de loods gesitueerd bij boring 4 waar de bodem verstoord is tot -75 maaiveld. Ook voor de loods kan derhalve geconcludeerd worden dat de verstoringsdieptes verder reiken cq. komen overeen met de vaste laag van geel zand welke van voldoende bodemgesteldheid is om op te funderen.
Afbeelding 15 doorsnede putvloeren bestaande stallen 4 en 5
De toekomstige bedrijfsloods wordt gebouwd met spanten op poeren. Door gebruik te maken van de "Handreiking Archeologievriendelijk bouwen", toegevoegd in bijlage 8, met het funderingenplan (poerenplan) in onderstaande afbeelding zal de realisatie van de loods op deze manier een relatief beperkte bodemverstoringen veroorzaken. Met gebruik van het funderingenplan ter plaatse van de bedrijfsloods wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren.
Afbeelding 16 Beoogde poeren
Gezien de bodem reeds verstoort is ter plaatse van de bouwlocaties wordt de ondergrens van 500 m2 niet overschreden. Tevens wordt gebouwd binnen het bestaande bouwvlak waar aantoonbaar door de jaren heen diverse grondwerken hebben plaatsgevonden en overeenkomstig het huidige bestemmingsplan Buitengebied geen archeologische beperkingen zijn gelegd binnen het bouwvlak. Conclusie Het planvoornemen voorziet in realisatie van gebouwen waarbij bodemingrepen en nieuwbouwwerkzaamheden plaatsvinden. De gebouwen worden echter gebouwd binnen het
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 28 van 55
bestaand bouwvlak en op gronden die reeds zijn geroerd. Het initiatief heeft geen consequenties voor eventuele aanwezige archeologische waarden.
4.5 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
4.5.1 Relevante emissies en Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Sloop en bouwfase In onderstaande tabel zijn de machines en werktuigen weergeven welke noodzakelijk zijn in de sloop en bouwfase. Licht verkeer
224pZjaar
Middelzwaarvrachtverkeer
224pZjaar
Zwaarvrachtverkeer
56pZjaar
Type werktuig
Bouwjaar Brandstof Stage Vermogen SCR Brandstof Ad Aantal Brandstof Ad blue klasse/ l/uur1 blue draaiuren (kW) l/jaar l/jaar type IZuur:
Graafmachines
2014
Diesel
IV
200
Ja
12,3
0,37
28
345
10
Betonstorters/ pompen
2014
Diesel
IV
200
Ja
12,3
0,37
18
221
7
Vrachtwagens3
2014
Diesel
IV
200
Ja
1,2
0,04
35
42
1
Minigravers
2014
Diesel
IV
60
n.v.t.
4,6
n.v.t.
56
258
8
Trilplaat/Stampers
2014
Benzine
2takt
10
n.v.t.
1,2
n.v.t.
14
17
-
Hijskranen
2014
Diesel
IV
200
Ja
6,1
0,18
22
134
4
Verreikers
2014
Diesel
IV
100
Ja
10,5
0,32
80
840
25
Bovenstaande activiteiten en emissies zijn doorgerekend middels het rekenprogramma AERIUS, zie hiervan het afschrift in de bijlage, en heeft niet geleid tot rekenresultaten van meer dan 0,00 mol/ha/jr. op omliggende Natura 2000-gebieden.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 29 van 55
Gebruiksfase Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er sprake van onderstaande relevante emissies: -
dagelijks 8 lichte voertuigbewegingen richting west van bewoners bedrijfswoning en eigen bedrijf (CROW verkeersgeneratie vrijstaande woning) tot opgaand in heersend verkeersbeeld dagelijks 8 lichte voertuigbewegingen richting oost van bewoners bedrijfswoning en eigen bedrijf (CROW verkeersgeneratie vrijstaande woning) tot opgaand in heersend verkeersbeeld geen gasverbruikende stook/cv-installatie in bedrijfsgebouw. geen gasverbruikende cv-installatie in bedrijfswoning.
-
Vanuit een worst-case scenario kan worden beschouwd dat in de nieuwe bedrijfsloods circa 10 vrachtwagens gestald kunnen worden. Middels de nieuwe versie van AERIUS Calculator is berekend of er als gevolg van de verkeersbewegingen sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Als worst-case scenario is berekend dat op één dag 10 vrachtwagens in gebruik zijn en dat alle werknemers deze vrachtwagens op de locatie komen ophalen en wegbrengen.
-
dagelijks 10 lichte voertuigbewegingen richting west van personeel tot opgaand in heersend verkeersbeeld dagelijks 10 lichte voertuigbewegingen richting oost van personeel tot opgaand in heersend verkeersbeeld
-
Bovenstaande emissies zijn doorgerekend middels het rekenprogramma AERIUS, zie hiervan het afschrift in de bijlage, en heeft niet geleid tot rekenresultaten van meer dan 0,00 mol/ha/jr. op omliggende Natura 2000-gebieden. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000gebied betreft Kempenland-West op circa 2,6 kilometer, het deel dat voor stikstof gevoelig is van dit gebied ligt op circa 6,9 kilometer.
Afbeelding 17 Afstand tot stikstofgevoelig Natura2000-gebied en buitenlandse gebieden
Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 30 van 55
Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan.
4.6 Flora en fauna 4.6.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.
Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 4.6.2 Beoordeling Ten aanzien van het planvoornemen is een quickscan voor flora- en fauna uitgevoerd welke is toegevoegd als bijlage. In en rondom de woonboerderij, garage, de veestallen en de loods op de onderzoek locatie zijn geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen aangetroffen. De gebouwen zijn strak afgewerkt en geen gelegenheid voor nestvorming, hieronder zijn aanvullende foto's van de situatie ter plaatse opgenomen. Er behoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Een ontheffing noodzakelijk bij een negatief effect op beschermde soorten is niet noodzakelijk.
Als aanvulling op de uitgevoerde quickscan is met initiatiefnemer en het bevoegd gezag bepaald dat werkzaamheden buiten het broedseizoen dienen plaats te vinden of als dit niet kan er vooraf door een ecoloog wordt bepaald dat er geen broedgeval zit dat kan worden verstoord. Door de ontwikkeling wordt het plangebied blijvend geschikt en aantrekkelijk voor alle soorten floraen fauna. Minder stikstof en verzuring en een toename aan structuur-rijke groenstructuren voor nest en foerageermogelijkheden.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 31 van 55
Afbeelding 18 strak afgewerkte bedrijfsgebouwen zonder openingen of kieren
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 32 van 55
Afbeelding 19 Afwerking gebouwen aan binnen en buitenzijde
4.6.3 Egel Op basis van de gebiedsgegevens komt de Egel voor in de omgeving van het plangebied. Deze is weliswaar vrijgesteld qua bescherming, maar met daar gaat het niet zo goed mee. Initiatiefnemer is zich bewust van de algemene zorgplicht ingeval de Egel tijdens de werkzaamheden wordt aangetroffen. Door de ontwikkeling wordt het plangebied blijvend geschikt en aantrekkelijk voor de egel. Door het behoud van het bosje, de knotwilgen, bomenrij en diverse nieuwe haagstructuren ontstaat als het ware een structuur-rijk gebied wat volop beschutting biedt in de vorm van deze kleine landschapselementen. Op onderstaande foto's is het te behouden bosje weergeven waar de Egel zich kan vestigen. Daarnaast is het niet de wens om de tuin de omheinen met een voor de Egel ondoordringbaar hekwerk.
Afbeelding 20 Bosje geschikt voor de Egel
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 33 van 55
Conclusie Met de quickscan is voldoende aangetoond dat een overtreding van de Wet natuurbescherming niet aannemelijk is. Het onderdeel staat het plan niet in de weg.
4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: ^ de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); ^ de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; ^ functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Beoordeling Voor de verplaatsing van de bedrijfswoning is een onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai welke is toegevoegd als bijlage. Het geluidniveau op de gevels voldoet, voor de gecumuleerde geluidbelasting, reeds aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Een hogere waarde besluit is in dit geval niet benodigd. Een gevelweringsrapport is evenmin nodig om aan te tonen dat aan de eisen van het Bouwbesluit wordt voldaan.
Conclusie Met het aanvullend onderzoek is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het onderdeel wegverkeerslawaai in voldoende mate aangetoond. Het onderdeel wegverkeerslawaai staat het plan niet in de weg.
4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.8.1 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het planinitiatief omvat het herbestemmen van een intensieve veehouderij met bedrijfswoning naar een sloop- grond- en aannemersbedrijf waar enkel de noodzakelijke werktuigen, materiaal, machines en voertuigen inpandig gestald worden. De werkzaamheden op locatie betreffen dus voornamelijk stalling van eigen werktuigen, materiaal, machines en voertuigen en het aan- en af rijden hiervan, vergelijkbaar met een milieucategorie 2 bedrijf. De bedrijfswoning wordt tevens verplaats.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 34 van 55
De milieugevoeligheid van de locatie verandert hierdoor enkel in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij, zie hiervoor paragraaf 4.8.2. De milieugevoeligheid ten aanzien van de aspecten stof, geluid en gevaar verandert niet.
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Door het plan wordt de bedrijfswoning verplaats zoals weergeven op onderstaande afbeelding.
In de omgeving van het plangebied, binnen een straal van 300 meter, zijn meerdere bedrijven gelegen zoals op onderstaande afbeelding weergeven. Gezien de bedrijfswoning ten noordoosten wordt verplaatst is dit enkel relevant voor de bedrijven Sleutelstraat 21 en Lange Dijk 5. Voor de overige bedrijven geld immers dat de woning verder weg komt en de milieugevoeligheid ten aanzien van de aspecten stof, geluid en gevaar niet verandert waardoor deze bedrijven door het planvoornemen per definitie niet verder gehinderd worden in hun bedrijfsvoering. Ook ten aanzien van het bedrijf op Sleutelstraat 21, zijnde een agrarisch loonbedrijf, verandert de situatie ten gunste en neemt de afstand van de woning tot het bedrijf toe tot 32 meter. De afstand van de woning tot het bouwvlak van het pluimveehouderijbedrijf op Lange Dijk 5 bedraagt 160 meter, wat op basis van de VNG-Handreiking voldoende afstand is tot het bedrijf (behoudens de afstand voor geur welke wordt behandeld in paragraaf 4.8.2).
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 35 van 55
Afbeelding 22 Omliggende bedrijven
Gemengd gebied De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een mengeling van functies. Er is sprake van grootschalige agrarische percelen, agrarische bebouwing en functies ten oosten van de planlocatie. Ten noordwesten is de bebouwde kom van Reusel gelegen. De planlocatie is zelf gelegen aan de Sleutelstraat wat zich het beste laat beschrijven als een divers bebouwingslint met diverse agrarische en niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen. De omgeving van het plangebied is hierdoor op basis van de VNG-Handreiking aan te merken als een 'gemengd gebied'. De adviesafstanden ten aanzien van geluid mogen hierdoor met één afstandstrap worden verlaagd.
Woon- en leefklimaat te verplaatsen bedrijfswoning Gezien de bedrijfswoning ten noordoosten wordt verplaatst is een beoordeling van het woon- en leefklimaat enkel relevant voor de bedrijven Sleutelstraat 21 en Lange Dijk 5. Voor de overige bedrijven geld immers dat de woning verder weg komt en de milieugevoeligheid ten aanzien van de aspecten stof, geluid en gevaar niet verandert waardoor de belasting op de woning per definitie afneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Zoals reeds in de vorige paragraaf uiteengezet ten aanzien van het bedrijf op Sleutelstraat 21, zijnde een agrarisch loonbedrijf, verandert de situatie ten gunste en neemt de afstand van de woning tot het bedrijf toe tot 32 meter. Op basis van de VNG-Handreiking dient minimaal een gecorrigeerde afstand van 30 meter aangehouden te worden. Hieraan wordt voldaan. De afstand van de woning tot het bouwvlak van het pluimveehouderijbedrijf op Lange Dijk 5 bedraagt 160 meter, wat op basis van de VNG-Handreiking voldoende afstand is tot het pluimveehouderijbedrijf (vleeskuikens), (behoudens de afstand voor geur welke wordt behandeld in paragraaf 4.8.2).
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 36 van 55
Woon- en leefklimaat omliggende woningen Door het veranderen van een intensief veehouderijbedrijf naar een sloop- grond- en aannemersbedrijf verandert de milieubelasting vanaf de planlocatie. Sloop- grond- en aannemersbedrijf Het sloop- grond- en aannemersbedrijf dat wordt gevestigd op de planlocatie voert zijn activiteiten altijd elders uit. Enkel het noodzakelijke materiaal en materieel wordt inpandig gestald binnen het plangebied in het bedrijfsgebouw. Op basis van de VNG-Handreiking zijn deze activiteiten het meest vergelijkbaar met een milieucategorie 2 bedrijf waarvoor een ongecorrigeerde adviesafstand van 30 meter van toepassing is. Op onderstaande afbeelding is de afstand gemeten tot de twee meest nabij gelegen woningen Sleutelstraat 21 en Lange Dijk 2. De afstand is gemeten van de bestemming 'Bedrijf' tot de gevel van de woningen. Hieruit blijkt dat aan de afstand van 30 meter wordt voldaan. Hierdoor mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen aanvaardbaar is in de nieuwe situatie. Daarbij wordt een intensief veehouderijbedrijf gesaneerd waardoor er sprake is van een verbetering.
4.8.2 Wet geurhinder en veehouderij Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de 'omgekeerde werking' van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting)
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 37 van 55
en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het 'Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij' (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van 'zeer goed' tot 'extreem slecht'. Deze termen zijn afkomstig uit de 'GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)'. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 1.
Voorgrondbelasting (oue/m3) < 1,5 1,5 - 3,5 3,5 - 6,5 6,5 - 10 10 - 14 14 - 19 19 - 25 > 25
Achtergrondbelasting (oue/m3) <3 3-7 7 - 13 13 - 20 20 - 28 28 - 38 38 - 50 > 50
Geurgehinderden C^)
Leefklimaat
<5 5 - 10 10- 15 15 - 20 20 - 25 25 - 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
Belangen omliggende veehouderijen De bestemmingswijziging mag de reguliere bedrijfsvoering van de omliggende veehouderijen niet schaden, c.q. het juridisch-planologisch toegestane gebruik niet belemmeren. Beoordeling In de omgeving van het plangebied zijn meerdere veehouderijbedrijven gelegen. Op onderstaande afbeelding zijn de meest nabij gelegen bedrijven weergeven. Het planvoornemen schaadt de belangen van omliggende veehouderijen niet. De milieuvergunning voor het houden van vee op de planlocatie wordt tegelijkertijd met onderhavig plan ingetrokken, hierdoor dient op basis van de Wgv enkel getoetst te worden aan een vaste afstand van 50 meter tot de woning Sleutelstraat 16. Hier wordt ten aanzien van alle omliggende bedrijven aan voldaan. De omliggende veehouderijbedrijven dienen met een afstand van 50 meter reeds in de bestaande situatie rekening mee te houden.
Afbeelding 24 omliggende actieve bedrijven aangegeven met groene stip
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 38 van 55
Achtergrond geurbelasting Door het planvoornemen daalt de achtergrondbelasting. De milieuvergunning voor het houden van dieren op Sleutelstraat 16 wordt immers ingetrokken. De huidige en toekomstige situatie ten aanzien van de achtergrond belasting is berekend op onderstaande punten.
Afbeelding 25 berekende immissiepunten
1 2 3 4 5 6
X-coor
Y-coor
139955 139956 139969 139966 139982 139991
373664 373672 373672 373664 373687 373681
NORM ,OU NORM JDU Achtergrond Achtergrond Bestaande Leefklimaat Gewenste Geurgebieds Verordening situatie vergunde situatie situtatie visie Brabant 20 20 20 20 20 20
20 20 20 20 20 20
56.764 54378 57 670 64 413
Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem s echt
16.657 15.901 15.821 16.587 14.017
Leefklimaat nieuwe situatie
Matig Matig Matig Matig Matig Matig
Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de planlocatie in de beoogde situatie sprake is van een 'matig' en daarmee aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voorgrond geurbelasting Ten aanzien van de omliggende veehouderijen is conform de Wgv een vaste afstand van 50 meter van toepassing (voor het houden van dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld). Aan deze afstand wordt voldaan. De meest dominante veehouderij (op basis van de geurkaart van achtergrondbelasting ODZOB) en meest nabij gelegen veehouderij (vleeskuikens) met dieren waarvoor wel een geuremissiefactor is vastgesteld is de veehouderij op Lange Dijk 2-2a met een vergunde geuremissie van 37.195 Ou/s. Deze veehouderij is gelegen op circa 100 meter afstand van de te verplaatsen bedrijfswoning. Middels het rekenprogramma V-Stacks Vergunning is de vergunde geurbelasting berekend op de te verplaatsen bedrijfswoning ten opzichte van de huidige woning in het plangebied, zoals hieronder weergeven. Uit de rekenresultaten blijkt dat sprake is van een kleine afname, en daarmee verbetering, van de voorgrond-geurbelasting. Tevens blijkt dat de voorgrond belasting meer dan 50% bedraagt van de achtergrondbelasting en daarmee bepalend is voor het woon- en leefklimaat op de nieuwe
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 39 van 55
bedrijfswoning. Gemiddeld is op de woning sprake van 10,0 ouE/mB, waarmee evenals met de achtergrondbelasting sprake is van een 'matige' en daarmee aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gegenereerd op: 23-03-2021
berekend met: V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 1
Naam van de berekening: 20210323-GVMJielasting van Lange Gemaakt op: 2021-03-23
9:19:47
Rekentijd: 0:00:40 Naam van het bedrijf: Luyten Sleutelstraat 16 belasting van Lange Dijk 2 Berekende ruwheid: 0.339 m Brongegevens: Volgnr.
BronlD
1
Stal A
X-coord. 139 970
Y-coord. 373 492
EP Hoogte 3j8
EP Diam. 1,0
EP Uittr. snelh. E-Aanvraag 0,40
9 170
Geb. Hoogte 4.4
2
Stal B
139 947
373 506
5,2
0,5
0,40
7 868
3.9
3
Stal C
139 925
373 503
4,9
0,5
4,00
5 394
3,2
4
Stal G
139 895
373 516
5,2
0,5
4,00
3813
3,5
5
Stal H
139 956
373 432
2,3
1,2
0,40
10 951
4.7
Geur gevoelige locaties Volgnr.
BronlD
X-coord.
Y-coord.
Geurbelasting
6
toetspunt 1 (huidige
139 955
373 664
11.7
7
toetspunt 2 (huidige
139 956
373 672
11,0
8
toetspunt 3 (huidige
139 969
373 672
11,1
9
toetspunt 4 (huidige
139 966
373 664
11,8
10
toetspunt 5 (nieuwe)
139 982
373 687
9.8
11
toetspunt 6 (nieuwe)
139 991
373 681
10,2
Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat de omliggende veehouderijen niet worden geschaad in hun belangen door het planvoornemen. Tevens blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is tevens geen sprake van belemmeringen voor het initiatief in het kader van bedrijven en milieuzonering en de Wet geurhinder en veehouderij.
4.9 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen (2006) van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 40 van 55
Afbeelding 26: Uitsnede Risicokaart.nl
Beoordeling Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het toevoegen van een risicobron, het betreft enkel de herbestemming van een bedrijfslocatie. In de omgeving van het plangebied zijn nagenoeg geen risicobronnen gelegen. Op 3,9 kilometer is een gasleiding, de bijbehorende risicocontour rijkt niet over het plangebied. Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het gehele plangebied ligt op circa 4,2 kilometer van snelwegen (A67), dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Beperking, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid In artikel 7 van het Bevt is bepaald dat een verantwoording van de mogelijkheden voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van mensen moet worden verantwoord indien een plangebied binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen is waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit de risicokaart volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van de A67.
Daarbij wordt de planlocatie, evenals in de bestaande situatie, in de beoogde situatie enkel gebruikt door personen die goed zelfredzaam zijn (geen kwetsbare doelgroepen). Daarbij is voldoende ruimte om te schuilen in geval van een toxisch scenario én mag worden aangenomen dat de bebouwing voldoet aan het Bouwbesluit. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 41 van 55
4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Effect op de luchtkwaliteit (NIBM) Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ^ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ^ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ^ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ^ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.
Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: ^ voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; ^ voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Beoordeling Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: - woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; - kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 42 van 55
Wanneer onderhavig plan wordt vergeleken met een kantoorlocatie wordt ruimschoots onder het vloeroppervlak van 100.000 m2 gebleven en is uitgaande van het 3^! criterium geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.10.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 pg/m3. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 pg/m3. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 pg^3.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2019).
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 43 van 55
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18^/m3. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11 ^/m3. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.
4.11 Gezondheid Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld.
Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m3 aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EUZm3 niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 44 van 55
individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m3 eenvoudig bepaald kan worden. Beoordeling Het endotoxine toetsingskader is bedoeld voor nieuwe gevoelige bestemmingen in het buitengebied die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid. Het plan voorziet in het wegbestemmen van een intensieve varkenshouderij met in de bestaande situatie een vergunde endotoxine-uitstoot. Dit is een verbetering voor de volksgezondheid. Tevens is sprake van één bestaand gevoelig object, namelijk de bedrijfswoning. Er is daarmee geen sprake van een nieuw gevoelig object. En gezien het maar één woning betreft niet bepalend voor de "volksgezondheid". Eind 2020 is op basis van nieuwe inzichten de beoordeling van endotoxinen in het kader van de doorwerking in de ruimtelijke ordening door de gemeente (uitvoerend ODZOB) gewijzigd. Omzetting van een bedrijfswoning bij een veehouderij naar een andere functie (wonen, bedrijfswoning bij een bedrijf niet zijnde veehouderij) is mogelijk mits er geen sprake is van een cumulatief probleem. Op locatie is geen sprake van een cumulatief probleem (geurbelasting is aanvaardbaar, geen geitenhouderijen binnen 2 kilometer) en de afstandseis die geldt vanwege het endotoxine toetsingskader is derhalve niet van toepassing voor de herbestemming van de planlocatie.
Daarbij wordt de bedrijfswoning verplaatst in een richting van de meeste omliggende veehouderijbedrijven af. Conclusie Het onderdeel 'gezondheid' in relatie tot endotoxinen vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico's. Beoordeling Conform KRD Noord-Brabant zijn in gemeente Reusel twee geitenhouderijen aanwezig, welke hieronder zijn weergeven met de afstand tot de planlocatie: Molendijk 10, Hulsel (5 km) De Baan 3, Hooge Mierde (5,6 km) In de naastgelegen gemeente Bladel zijn geen geitenhouderijen aanwezig.
Met de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van het toevoegen van een nieuwe gevoelige functie. Tevens wordt voldaan aan de minimale afstand van 2 kilometer tot omliggende geitenhouderijen. Conclusie Het onderdeel 'gezondheid' in relatie tot geitenhouderijen vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 45 van 55
4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.13 Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Het beleid is erop gericht om het watersysteem op orde te brengen en vervolgens op orde te houden. Dit betekent dat er zo min mogelijk wateroverlast ontstaat en dat de waterkwaliteit voldoende is. Het beleid van het waterschap Brabantse Delta is gericht op het voorkomen van rechtstreekse lozingen op het oppervlaktewater. De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater is 'vasthouden, bergen, afvoeren. Ten aanzien van de waterkwaliteit is de voorkeursvolgorde: 'schoonhouden, scheiden en zuiveren'.
Voor nieuwbouwinitiatieven is het uitgangspunt dat deze 'waterneutraal' dienen te zijn. Dit betekent dat de ontwikkelingen niet mogen leiden tot verslechteringen aan het watersysteem. Voorkomen moet worden dat het water versneld afgevoerd wordt ten gevolge van een toename van het verhard oppervlak. Schone oppervlakken worden indien mogelijk niet op een gemengd rioleringssysteem aangesloten. De voorkeur gaat uit naar een aansluiting van het hemelwater op een afzonderlijk hemelwaterstelsel. Voor daken, goten en overige regenwatervoorzieningen en wegverhardingen dienen bij voorkeur niet-uitlogende bouwmaterialen te worden gebruikt. Om de waterkwaliteit te verbeteren, wordt ook in bestaande situaties waar mogelijk schoon verhard oppervlak afgekoppeld van het rioolstelsel. Deze oppervlakken krijgen een eigen afvoervoorziening, waardoor het gemengd stelsel minder wordt belast. Hiermee wordt het aantal overstortgebeurtenissen met vervuild water vanuit het gemengde stelsel verminderd.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 46 van 55
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem.
De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen.
Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ^ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt ^ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan ^ Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners,
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 47 van 55
bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: ^ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ^ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ^ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Uniformering Keuren De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. De keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is.
Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x Gevoeligheidsfactor x 0,06. Beleid gemeente Reusel-De Mierden Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater.
In het 'Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021' (VGRP) beschrijft de gemeente Reusel-De Mierden de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Reusel-De Mierden voor de periode 2017-2021. Vertrekpunt is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Beoordeling
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 48 van 55
Onderhavig plan voorziet in een afname van bebouwing en verharding. Tevens wordt het bouwvlak verkleind en wordt een maximale maatvoering aan bebouwing opgenomen. Ten aanzien van het planvoornemen geldt derhalve geen bergingsverplichting. In de huidige situatie is rondom de planlocatie voldoende oppervlakte om hemelwater oppervlakkig te laten afvloeien en infiltreren. Hierdoor is geen wateroverlast te verwachten in of in de omgeving van de planlocatie. Het afvalwater afkomstig van de planlocatie wordt evenals in de bestaande situatie afgevoerd middels het reguliere vuilwaterriool. Conclusie De ontwikkeling is passend binnen het vigerende beleid omtrent het aspect water.
4.14 Parkeren Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de "Reparatiewet BZK" op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en Z of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. Beoordeling Er is genoeg ruimte nodig voor het manoeuvreren en rangeren van de machines, werktuigen, vrachtwagens en het parkeren (personen)auto's en vrachtwagens. Het parkeren zal niet plaatsvinden op of langs de openbare weg. Voor de inrichting van de parkeerplaatsen is gebruik gemaakt van de richtlijnen van het CROW. De beoogde bedrijfsvoering op locatie wordt conform de CROW-parkeernormen 381 (2018) als arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf gezien. Er komen relatief weinig werknemers en relatief weinig bezoekers op het bedrijf. De totale bruto vloeroppervlakte van het bedrijf bedraagt 1.000 m2. De locatie bevindt zich in het buitengebied.
Daar geldt voor een minimale parkeernorm van 0,8 parkeerplaats per 100 m2 bvo en een maximale parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Conform de CROW-parkeernormen 381 (2018) dient bij een vrijstaande woning in het buitengebied een parkeernorm van 2,0 tot 2,8 parkeerplaats aangehouden te worden. Er is op de oprit behorende bij de woning voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren. Binnen de planlocatie is voldoende ruimte voor parkeren en manoeuvreren. Het draaien en terug de weg op rijden gebeurt op eigen terrein. Hiermee blijft de Sleutelstraat vrij van opstopping.
4.15 Verkeer Als gevolg van voorliggende planontwikkeling verandert de verkeerssituatie bij de planlocatie. De bestaande ontsluiting aan de Sleutelstraat voor licht verkeer en aan de Lange Dijk voor zwaar verkeer blijft echter behouden. Ten opzichte van de huidige intensieve veehouderij zal de verkeersintensiteit in de beoogde situatie niet merkbaar toenemen. Zwaar verkeer blijft ontsloten via de verkeersluwere Lange Dijk.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 49 van 55
De locatie is goed ontsloten voor autoverkeer aan zowel de Sleutelstraat als De Lange Dijk. Verkeersonveilige situaties zijn door het planvoornemen niet te verwachten. De aspecten 'verkeer en parkeren' vormen geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling.
4.16 Spuitzone's In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Er dient getoetst te worden of hierdoor wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: ^ De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: o Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. o Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor.
^ De wijze van teelt: o Teelt in de open lucht of containerteelt. o Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. ^ Feitelijke omstandigheden: ^ Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.). Bij voorliggend initiatief is er een houtwal aanwezig aan de oostzijde van het plangebied. Aan de zuid en oostkant is tevens een weg gelegen. Aan de noord en west zijde van het woonhuis is rondom meer dan 50 strekkende meter in eigendom en heeft de grond een bestemming waar geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De gehele planlocatie is tevens omzoomd met opstaande beplanting zoals hagen, bosjes, houtwallen en hagen. In de huidige situatie zijn deze fysieke eveneens al aanwezig. In de omgeving zijn nieuwe activiteiten met toepassing van bestrijdingsmiddelen voor de boomteelt op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2021' niet rechtstreeks mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Hiervoor moet een afwijkingsbesluit worden genomen waarbij ook getoetst moet worden op een goede ruimtelijke ordening en gevoelige functies. Gezien het huidige gebruik in de omgeving, de grondeigenaren van omliggende gronden en de kenmerken van het gebied is een dergelijke activiteit ook niet reëel te verwachten. Gezien deze omstandigheden kan geconcludeerd worden dat er, voor wat betreft de spuitzone, een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden op het plangebied.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 50 van 55
4.17 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Uit deze wijziging blijkt dat de omvang van een project niet het enige criterium is om wel of geen m.e.r.(- beoordeling) uit te voeren.
Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage wordt onder categorie D11.2 en D11.3 gesproken over de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject respectievelijk een geheel industrieterrein. Het onderhavig plan voorziet enkel in de wijziging van een bestaand agrarisch intensief veehouderijbedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf, waarbij 1.510 m2 aan bedrijfsgebouw wordt gesloopt en een relatief kleine omvang van 1.000 m2 bedrijfsbebouwing resteert.
Derhalve wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject of de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie niet noodzakelijk. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r.
Bestemmingsplan Sleutelstraat 16 Reusel Pagina 51 van 55
5 UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een wijzigingsplan, bestemmingsplan of verlenen van een Omgevingsvergunning voor een bouwplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij: * het kostenverhaal anderszins verzekerd is; * er geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw is; * er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meerdere woningen. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt betreft een 'bouwplan'. Omdat er een anterieure overeenkomst is afgesloten met de initiatiefnemer, is het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' en hoeft er geen exploitatieplan opgesteld te worden. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is.
5.2 Procedure 5.2.1 Vooroverleg Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het concept-ontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, de Veiligheidsregio Brabant zuidoost en Waterschap De Dommel. Alle partijen gaven aan in te stemmen met het voorliggende ontwerpbestemmingsplan. 5.2.2 Tervisielegging Na het wettelijk vooroverleg wordt dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegd als ontwerp. De resultaten hiervan worden te zijner tijd in deze toelichting verwerkt. 5.2.3 Vaststelling Het bestemmingsplan wordt op te zijner tijd vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente ReuselDe Mierden.