CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[22.14329] - 220802 toelichting

Commissie Ruimte 18 september 2023, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied: Landhoeve Buitenman, Lage Mierde35.938 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

3.

De basisprincipes: Dit zijn de criteria die altijd in de aanvraag beschreven moeten worden. Uit de beschrijving moet blijken in welke mate een initiatief aansluit bij deze criteria. De meerwaarde voor de leefomgeving: Om de toeristische bestemming De Brabantse Kempen of een deelgebied (nog) verder te versterken worden initiatieven ook beoordeeld op de meerwaarde voor de (leef)omgeving. Deze meerwaarde kan op vele manieren naar voren komen. Het is aan de initiatiefnemer om hier op zijn eigen creatieve manier invulling aan te geven. Voorwaarden voor dag- en verblijfsrecreatie: Voor dag- en verblijfsrecreatie stellen we een aantal meer concrete standaard voorwaarden, in aanvulling op de basisprincipes.

Beoordeling 0. Concept Landhoeve Buitenman Bezoekers van Landhoeve Buitenman worden getrakteerd op een beleving van het leven en werken op een Kempische, biologische boerderij. Daarbij zet het bedrijf in op dagrecreatie in de vorm van informatieve workshops en rondleidingen, horeca en verblijfsrecreatie. De rondleidingen en workshops gaan over biologische land- en tuinbouw, het houden van vee, het cultuurhistorische landschap, natuurontwikkeling in het Reuseldal en vele andere dagrecreatieve activiteiten. Qua horeca zet men in op het serveren van streekproducten in de bestaande herberg en in de te realiseren orangerie (de groente- en kruidenkas). Verblijfsrecreatie voor logies wordt aangeboden in de vorm van gastenverblijven en enkele bed & breakfast kamers. Het bedrijfsplan van Landhoeve Buitenman is uiteengezet in paragraaf 2.3 van hoofdstuk 2. Bij onderstaande toetsing aan het “Toetsingskader dag- en verblijfsrecreatie” wordt verwezen naar passages uit dit bedrijfsplan. 1. De basisprincipes voor kwaliteit Karakteristiek en identiteit van de regio Past het initiatief bij de karakteristiek(en) en identiteit van de regio? Om daar een passend antwoord op te geven is getoetst aan de kernwaarden van De Brabantse Kempen. Deze zijn samengevat in het rapport “0-Meting Toeristisch Recreatief Aanbod” van House of Leisure (januari 2019).

Daarin wordt geconcludeerd wat de identiteit van de Kempen kenmerkt. Een koppeling tussen de veelzijdige, natuurlijke, bosrijke omgeving, waar ontspanning samengaat met bourgondisch genieten van het historische Brabantse plattelandsleven is richting gevend voor een duidelijke

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 46/95

identiteit van de Kempen. Groene ruimte, rust, Kempische gastvrijheid, ligging aan de grens met België en tussen Hart van Brabant en Brainport Eindhoven zijn de kernwaarden die tezamen de identiteit van de toeristischrecreatieve regio vormen. Er zijn diverse kansen om de Brabantse Kempen bij de bezoeker onder de aandacht te brengen als een aantrekkelijke toeristisch-recreatieve regio. Een van deze kansen is het aanbieden van een ‘(totaal)beleving’ voor de gasten die voor een dagje of vakantie een bezoek brengen aan De Kempen, zodat de bezoeker graag terugkomt. Landhoeve Buitenman biedt een dergelijke totaalbeleving aan. De Buitenman ‘verkoopt’ daarmee de identiteit van de Brabantse Kempen aan de bezoekers. Bijdrage aan gevarieerd en complementair recreatief aanbod Draagt het initiatief bij aan een gevarieerd en complementair recreatief aanbod in De Kempen? Uit de 0-meting van House of Leisure is gebleken wat de mogelijke kansen zijn op het gebied van ontwikkeling van toeristischrecreatief aanbod met een kans van slagen in de Brabantse Kempen. Dat zijn ‘slow leisure’ – bewust genieten van de (natuurlijke) omgeving, ‘experience leisure’ – toeschouwend deelnemer in actieve beleving en ‘urban leisure’, cultureel en bourgondisch genieten. Daarvan is momenteel al veel aanbod van slow leisure en is er meer behoefte aan experience leisure (actieve beleving van natuur en cultuur).

In de Kansenkaart wordt daarom het volgende geadviseerd als richting om de identiteit te specificeren: ‘een koppeling tussen de veelzijdige natuurlijke, bosrijke omgeving waar ontspanning samengaat met bourgondisch genieten van het historische Brabantse plattelandsleven’. Het concept van Landhoeve Buitenman legt precies die koppeling en biedt aldus een gevarieerd recreatief aanbod aan, waarbij de identiteit van de Brabantse Kempen wordt versterkt. Aansluiting bij de gewenste en kansrijke doelgroep(en) Door het verblijfsaanbod trekt De Brabantse Kempen veel families met kinderen. Senioren vormen een tweede doelgroep voor wie de regio interessant is. Door de veranderende samenstelling van huishoudens (minder gezinnen, meer singles, vergrijzing en ontwikkeling in de regio) ontstaan nieuwe groeimarkten die interessant (kunnen) zijn voor De Brabantse Kempen. Uit onderzoek blijkt dat de inwoners van De Brabantse Kempen over het algemeen minder avontuurlijk zijn en recreëren om ‘even weg te zijn van de dagelijkse beslommeringen’. Deze groep kiest vaak voor een wandeling of een fietstocht. De groep recreanten van buitenaf zijn levensgenieters, die actief en sportief recreëren. Deze groep gaat in de vrije tijd op zoek naar verrassende en inspirerende ervaringen, met name op het gebied van cultuur. Landhoeve Buitenman zet in op families met kinderen, schoolgroepen en senioren.

De dagjesmensen die voor de beleving op het boerenerfgoed kiezen (de beleving van de cultuur), zullen deels uit de eigen regio - en deels van buiten de regio komen. Landhoeve Buitenman speelt in op toenemende behoefte aan wandelen en fietsen van bewoners uit de eigen regio, met de aanleg van (onverharde) wandelpaden in een cultuurhistorisch landschap. De bezoekers van de verblijfsrecreatie komen uit heel Nederland en België en zelfs van verder. Met de bedrijfsuitbreiding wordt een langer verblijf gestimuleerd. Afgezien van de groepen die Landhoeve Buitenman poogt aan te trekken, zijn er ook algemene tendensen die voor alle groepen recreanten in de samenleving van toepassing zijn. De consument is kritischer en veeleisender geworden. Belevenis en betekenis is al langere tijd de nieuwe vorm. Er wordt een toenemend belang gehecht aan de betekenis van de vrijetijdsactiviteit voor de persoon en persoonlijke ontwikkeling. De verdieping van de ervaring wordt belangrijker gevonden. Daarbij neemt de interesse voor cultuurhistorie toe, waarbij aandacht is voor authenticiteit. Landhoeve Buitenman speelt daar op in als toeristische hub met de verstrekking van informatie over het Kempische landschap en het Reuseldal en het organiseren van rondleidingen voor diverse doelgroepen.

Landhoeve buitenman creëert bijzondere herinneringen met een interactief programma over het telen van biologische gewassen en het houden van vee in het kempische landschap. Tevens is de menukaart met biologische streekproducten continu in ontwikkeling. Op die manier worden herhaalbezoeken gecreëerd door mond-totmond reclame.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 47/95

Toont ‘goed ondernemerschap’ aan ‘Goed ondernemerschap’ kenmerkt zich door onderstaande criteria: Passie en overtuiging: Bevlogenheid, bezieling en inzet zijn belangrijk om een team mee te krijgen. Landhoeve Buitenman is in de eerste plaats een familiebedrijf, dat een goede basis vormt voor een hecht team, van landbouwwerkers in de landbouw tot en met horecamedewerkers. Ook buiten het team vinden er al decennia lang overleggen plaats met andere belangenorganisaties, zoals Brabants Landschap, ondernemersverenigingen de Brabantse Kempen en Land van de Hilver, Stichting de Heideboerderij, Waterschap De Dommel, gemeente ReuselDe Mierden en Provincie Noord-Brabant en vele anderen. Zij worden altijd actief betrokken bij de ontwikkelplannen van Landhoeve Buitenman. Visie en innovatie: Als ondernemer moet je een langetermijnvisie hebben en sturing geven aan innovatie binnen je bedrijf om het relevant te houden. Landhoeve Buitenman is door de jaren heen uitgegroeid van een landbouwbedrijf tot een veelzijdige onderneming die tegenwoordig inzet op natuurontwikkeling, landschapsbeleving, horeca en verblijfsrecreatie. De onderneming groeit momenteel uit naar een recreatiebedrijf, waarbij het aanbod aan dagrecreatieve- en verblijfsrecreatieve mogelijkheden voor de bezoekers toeneemt (maar met een duidelijk accent op de dagrecreatie).

De visie en innovatie drukt zich het beste uit in de reeds geleverde ontwikkelprestaties van Landhoeve Buitenman. Financiële prestaties: Als ondernemer is het belangrijk dat je financiën op orde zijn en dat je alle details kent. Landhoeve Buitenman heeft gedurende corona moeilijke jaren gekend, maar door de jaren heen voldoende financiële buffers opgebouwd. Tijdens corona heeft Landhoeve Buitenman leningen gekregen om de onderneming verder uit te breiden. Nationale en internationale impact: Het is altijd goed te weten wat de internationale trends zijn. Nederland is een klein land, dus je surft per definitie mee op grote internationale trends. Door trends als duurzaamheid en vergrijzing ben je toch een beetje een speelbal van wat er gebeurt. Tegelijkertijd moet je als ondernemer bewust zijn van de impact die jij kunt hebben. Het bedrijfsplan sluit aan bij de internationale trends. Zie daarvoor de motivatie onder het kopje ‘aansluiting bij de gewenste en kansrijke doelgroep(en)’. De nationale en internationale impact van Landhoeve Buitenman blijkt uit lovende recensies op sociale media platforms. Maatschappelijk verantwoord ondernemen: duurzaamheid is een van de belangrijke uitdagingen van deze wereld. Landhoeve Buitenman heeft duurzaamheid hoog in het vaandel.

Met een SDE+ (Stimulering Duurzame Energieproductie) subsidieregeling zijn in de zomer van 2019 de meeste daken van De Landhoeve voorzien van zonnepanelen. Per 5 september 2019 is de zonnepaneleninstallatie in bedrijf. Daarnaast wordt voedsel biologisch geteeld, wordt vee beweid en wordt geïnvesteerd in waterberging, landschap en natuur. Wenselijkheid van het initiatief de omgeving De omgeving is bepalend of een initiatief wenselijk is. Bij ontwikkelingen in het buitengebied is het landschap leidend. Er mag geen onevenredige hinder ontstaan voor de omgeving (bijvoorbeeld door voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, goede afwikkeling van verkeersstromen, geen overlast van geluid etc.). Het stimuleren en mogelijk maken van nieuwe vormen van dag- en verblijfsrecreatie. Landhoeve Buitenman is gelegen tussen het Reuseldal en de N269 en vervult daarmee een verbindende factor als natuurpoort. Het bedrijfsplan zet in op natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing en behoud van cultuurhistorische elementen in het landschap. Zie daarvoor paragraaf 2.3.10 en 3.3.2.3 in deze toelichting. Daarnaast ontstaat er geen hinder voor omwonenden in het kader van parkeren en akoestiek. Daarvoor wordt verwezen naar respectievelijk paragraaf 2.3.9 en 4.8 van deze toelichting.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 48/95

Voldoen aan andere beleidsdocumenten Het initiatief is getoetst aan de overige beleidsdocumenten die mogelijk van toepassing zijn (rijk-, provincie- en gemeentelijk beleid). Daarvoor verwijzen wij de lezer naar de overige toetsingskaders in dit derde hoofdstuk. Dialoog met omgeving Er hebben gesprekken plaatsgevonden met omwonenden/ belanghebbenden (omgevingsdialoog). De verslaglegging daarvan is opgenomen in gespreksverslagen. Deze zijn toegevoegd als bijlage 14. In paragraaf 7.2 in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke uitvoerbaarheid’ wordt uitvoerig ingegaan op de gevoerde gesprekken en resultaten van de omgevingsdialoog. 2. Toegevoegde waarde voor De Brabantse Kempen Neveneffect (spin-off) voor andere vrijetijdsvoorzieningen De Hertenwei, het nabijgelegen verblijfsrecreatiepark, is onlangs verkocht aan een nieuwe eigenaar en gaat verder onder de naam van “Vakantiepark de Brabantse Kempen”. Landhoeve Buitenman is momenteel al in gesprek getreden met de nieuwe eigenaar om te kijken hoe beide concepten elkaar kunnen versterken. Beide partijen zien mogelijkheden om de omgeving van het Reuseldal gezamenlijk op een aantrekkelijke en ecologische manier vorm te geven. De dagrecreatie van Landhoeve Buitenman vormt een waardevolle aanvulling op de verblijfsrecreatie van Vakantiepark de Brabantse Kempen en vice versa.

Versterking en ontwikkeling van natuur en/of landschap Met een landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1 van de regels) wordt aansluiting gezocht bij cultuurhistorische elementen in het beekdallandschap en het beekherstelplan voor het Reuseldal. De meerwaarde voor het landschap blijkt uit de onderbouwingen van het landschappelijk inpassingsplan in paragraaf 2.3.10 en 3.3.2.3 in deze toelichting. Draagt bij aan tegengaan van leegstand van waardevol vastgoed De herberg is een 400 jaar oude Kempische schuur. Deze is in het verleden een pachthoeve van de witheren van Postel geweest. De schuur is verbouwd tot herberg en wordt gebruikt als café. Het café serveert lunch en diner met verse producten van de eigen boerderij. De gebouwen vormen tezamen een origineel stukje platteland. Het landgoed bestaat uit een bebouwingsensemble met nog de ooit lokaal, traditionele en oorspronkelijke opbouw van een Kempisch boerenerf en landschappelijke waarden. Het is dan ook zeker een maatschappelijke behoefte om het gehele landgoed, dus bebouwingsensemble en omliggend landgoed, te verduurzamen. Alleen een passend gebruik en passende bestemming kunnen een exploitatie genereren waarmee zulks duurzaam kan worden waargemaakt.

Door het toestaan van exploitatie van verblijfs- en dagrecreatie, wordt de mogelijkheid gecreëerd om een duurzaam beheer en onderhoud van de gebouwen en het landschap te garanderen. Benutten koppelkansen Door middel van een recreatieve ontwikkeling kunnen ook andere opgaven worden opgepakt. Dat hoeft geen recreatieve opgave te zijn, maar kan bijvoorbeeld ook een bijdrage zijn aan de duurzaamheidsdoelstellingen van een gemeente. Voor koppelkansen zoekt Landhoeve Buitenman samenwerking met andere ondernemers en organisaties, zoals het eerder genoemde recreatiepark “Vakantiepark de Brabantse Kempen”. In samenwerking met Brabants Landschap en Landgoed de Utrecht wordt de begrazing van de te verwerven natuurgebieden uitgebreid. Stichting de Heideboerderij ondersteunt en begeleidt het initiatief van begrazing van de natuurgronden, waarbij Landhoeve Buitenman tijdelijk vee zal stallen dat normaal elders weidegang heeft c.q. ingeschaard wordt.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 49/95

Waterschap de Dommel is in blijvend in overleg met Landhoeve Buitenman over de verwerving van grondposities voor natuurontwikkeling en landschapsontwikkeling. Landhoeve Buitenman helpt het waterschap bij de ontwikkeling van het beekherstelplan voor de Reusel met de aanleg van natuur- en landschapselementen. Provincie Noord-Brabant; belanghebbende bij natuurontwikkeling in het buitengebied en de ontwikkeling van het Reuseldal als onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant en Natura-2000 gebied. Daar het Reuseldal onderdeel uitmaakt als NNB, helpt Landhoeve Buitenman ook de provincie met de realisatie van het provinciaal belang van natuurontwikkeling van het NNB. Bovenstaande lijst van koppelkansen is niet uitputtend en behandelt slechts de voornaamste koppelkansen. De ontwikkeling van de plattelandsonderneming wordt eveneens gerealiseerd in samenwerking met de weidevogelvereniging, ‘landgoed ‘De Utrecht’, landgoed ‘Wellenseind’, ‘Kempengoed’, diverse VVV’s uit de gemeente en vele andere betrokken lokale en regionale instanties. 3. Voorwaarden voor dag- en verblijfsrecreatie Verblijfsrecreatie Landhoeve Buitenman ontwikkelt zich tot volwaardig recreatiebedrijf. In het principebesluit is verblijfsrecreatie voor 40 personen in de bestaande schuur toegestaan. Een verhoging van het aantal personen naar 50 is bestuurlijk ook akkoord bevonden, mits dit in het zelfde gebouw plaatsvindt.

De verblijfsrecreatie bevat 50 bedden en zal in één veldschuur worden gerealiseerd. Aan de voorwaarden van de principemedewerking wordt aldus voldaan. Het effect van 50 bedden op de parkeerbehoefte is meegenomen in de parkeerbalans. Per principebesluit is horeca in categorie B tot maximaal 500 m2 inclusief een buitenterras toegestaan. Voor regels omtrent horeca is de ‘oplegger’ van toepassing. Daarin staat vermeldt dat nieuwe zelfstandige horeca in het buitengebied niet per definitie onmogelijk is, maar moet wel aanvullend zijn op het geheel. Hierbij gaat het om het creëren van een balans in economische groei en een impuls geven aan - maar ook het behouden van - de leef-/woonomgeving en duurzame natuur. De nieuwe horeca betreft geen nieuwe zelfstandige horecaonderneming, maar is een uitbreiding van de bestaande horecaonderneming op Landhoeve Buitenman. De nieuwe horecalocatie in de groente- en kruidenkas en het bijbehorende terras (met terrastuin) is ondersteunend van aard. Deze staat ten dienste van het dagrecreatieve programma, zoals rondleidingen, workshops en andere educatieve programma’s voor groepen. De horeca wordt ontwikkeld in balans met de omliggende woonfuncties en natuur. Dit is reeds onderbouwd in de overige hoofdstukken van deze toelichting. Zie daarvoor paragraaf 2.3.9, 2.3.10 en 3.3.2.3 en 4.8.

Dagrecreatie Per principebesluit is de aangevraagde dagrecreatie goedgekeurd, bestaande uit een groente- en kruidenkas van maximaal 1.500 m2 met informatiecentrum en een dierenverblijf met een ronde vorm van maximaal 725 m2. Bovenstaande voorwaarden zijn vastgelegd in de planregels. De activiteiten samen leiden niet tot een grootschalige voorziening. Er is sprake van een grootschalige voorziening als blijkens een economisch effectenonderzoek het aantal bezoekers meer zijn dan 150.000 per jaar. Landhoeve Buitenman trekt momenteel 35.000 bezoekers op jaarbasis (schatting op basis van financiële gegevens). De verwachting is dat dit aantal, na uitvoering van de uitbreidingsplannen, toeneemt tot zo’n 50.000 bezoekers per jaar.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 50/95

Conclusie Met een uniek en gedegen bedrijfsplan toont Landhoeve Buitenman aan dat het recreatieconcept van meerwaarde is voor de versterking van de Kempische identiteit en de beleving van het Kempische landschap. Het plan voldoet aan de basisprincipes voor ruimtelijke kwaliteit, draagt bij aan een natuurlijke leefomgeving, maakt behoud cultuurhistorische elementen mogelijk (gebouwen en landschap). Ten slotte behartigt Landhoeve Buitenman belangen van andere ondernemers, overheden en andere betrokken organisaties. 3.4.2

Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden

Toetsingskader In mei 2018 is de “Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden” door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie is globaler van aard dan de voorgaande structuurvisies. De omgevingsvisie zet de gemeente Reusel-De Mierden kort en beeldend neer, formuleert vervolgens de ambities en geeft aan op welke wijze deze ambities verwezenlijkt kunnen worden. De gemeente Reusel-De Mierden beschouwt recreatie als (hulp)motor van economische ontwikkeling en volgt daarbij de strategie van het beter benutten van routestructuren en Natuurpoorten, waarbij initiatiefnemers op een bestaand boerenerf kleinschalige recreatieve voorzieningen kunnen toevoegen (Gemeente Reusel-De Mierden, Omgevingsvisie, mei 2018). Deze doelstelling staat geformuleerd in de omgevingsvisie . Daarbij wil de gemeente rust, ruimte en afwisseling van het landschap vermarkten. De recreatie dient primair gericht te zijn op extensieve recreatie.

Uitsnede visiekaart. Het plangebied is met een rode pijl aangeduid. Bron: Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden, mei 2018.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 51/95

Beoordeling In onderhavig geval is in het oostelijk deel van het plangebied sprake van de landschappelijke kwaliteiten van een bebouwingsconcentratie in de vorm van een historisch lint. Dit landschap wordt gekenmerkt door oud agrarisch cultuurlandschap met afwisselend open kamers, laanbeplanting, houtwallen, bosrestanten en linten (in onderhavig geval het beekdallandschap). In het westelijk deel van het plangebied is sprake van landschappelijke kwaliteiten van het beekdal. De beekdalen krijgen de ruimte om hun natuurlijk karakter terug te vinden en worden weer herkenbaar in het landschap. Voor het Reuseldal is uitvoering gestart, mede gericht op natuurontwikkeling, waterberging en een goede aansluiting op de natte natuurparels en het landgoed de Utrecht. Er wordt ingezet op extensieve landbouw en de perceelsranden worden waar mogelijk weer aangezet met elzensingels. Recreatieve routes voor fietsers en wandelaars markeren de randen van het beekdal en sluiten aan op het recreatieve routenetwerk. Deze leiden tot in de dorpen, zodat ook de dorpen weer meer aansluiten bij het landschap. Landhoeve Buitenman vormt de recreatieve poortfunctie naar het beekdal van de Reusel. In de omgevingsvisie staat voorts geschreven dat de recreatieve druk direct rond de Natuurpoorten hoog is.

Deze druk wordt met onderhavige ontwikkeling, namelijk de kleinschalige uitbreiding van dag- en verblijfsrecreatie, beter verspreid. Conclusie Het initiatief draagt bij aan de toekomstvisie van de gemeente met de ontwikkeling van het Reuseldal. 3.4.3

Beleidsnotitie voor bebouwingsconcentraties

Toetsingskader De gemeente Reusel-De Mierden heeft een uitwerking gemaakt van de nota Buitengebied in Ontwikkeling, de Beleidsnotitie voor bebouwingsconcentraties. De beleidsnotitie dient enerzijds als beleidskader en anderzijds als inspiratiekader. Deze beleidsnotitie geldt voor de verschillende bebouwingsconcentraties (clusters en linten) binnen de gemeentegrenzen om daarmee de kaders van de reikwijdte van de beleidsnota ‘Buitengebied In Ontwikkeling’ (BIO) aan te geven. De notitie richt zich op de kwaliteitsverbetering (i.c. sloop, landschappelijke inpassing) van clusters en linten in ruil voor (extra) mogelijkheden voor verbrede landbouw/landbouw met een neventak, VAB-beleid en Ruimte-voor-Ruimte. Voor bebouwingsconcentratie Wellenseind is een visie opgesteld. Kenmerkend voor de bebouwingsconcentratie zijn de zichtlijnen richting de beekdalen aan weerszijden van de provinciale weg. Deze zichtlijnen dienen behouden te blijven, waardoor slechts op een enkele locatie nieuwe bebouwing is toegestaan. In het zuiden van de bebouwingsconcentratie is geen nieuwe bebouwing toegestaan, zodat enige afstand blijft gewaarborgd tussen de kern Lage Mierde en de bebouwingsconcentratie. Beoordeling Het besluitgebied ligt in de bebouwingsconcentratie Wellenseind.

Onderhavig plan voorziet in de bouw van een dierenverblijf, een groente- en kruidenkas en één veldschuur binnen de bebouwingsconcentratie. De nieuwe bebouwing wordt ten westen van de bestaande bebouwing van Landhoeve Buitenman geplaatst. Conclusie Gesteld kan worden dat het initiatief passend is binnen het gemeentelijke ruimtelijke beleid.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 52/95

4

Planologisch relevante (milieu)aspecten

4.1

Inleiding

Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • ecologie; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • externe veiligheid; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.2

Bodem

Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 53/95

Beoordeling: historisch onderzoek Econsultancy heeft een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (april 2019). In de rapportage van het bodemonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen enkele deellocaties, weergegeven op een overzichtskaart. Per deellocatie heeft Econsultancy een advies gegeven voor verder onderzoek. Het onderzoek heeft uitsluitend de locaties bestudeerd waar bebouwing wordt opgericht of bebouwing wordt gesloopt. Onderstaand is deze overzichtskaart weergegeven en is beschreven welke onderzoeksstrategie gevolgd zal worden voor het verkennend bodemonderzoek. Het bodemonderzoek is toegevoegd als bijlage 4 bij de toelichting.

Strategie voor verkennend bodemonderzoek, uitgesplitst naar deellocatie. Bron: Econsultancy, 2019.

Deellocatie A De meest noordelijk gelegen schuur heeft een dak van asbestverdachte materialen. Door regen kan een inspoelingslaag met asbest in de toplaag onder het dak zijn ontstaan. Econsultancy adviseert om noordelijk van de schuur een onderzoek asbest in bodem conform NEN 5707 uit te voeren. Deellocatie B Op deze deellocatie zijn er veel bodemvreemde materialen op het maaiveld waargenomen, waaronder puin en de opslag van asbestverdacht materiaal. Tevens is er een verhardingslaag in de bodem aangetroffen. Econsultancy adviseert op deze deellocatie een verkennend bodemonderzoek alsmede een verkennend onderzoek asbest in bodem/puin (NEN 5740/5707) uit te voeren conform de strategie “verdacht, heterogene verontreinigen, niet lijnvormig“ (VED-HE-NL). Deellocatie D: weiland Econsultancy adviseert deze deellocatie te onderzoeken volgens de strategie “onverdacht, grootschalig” (ONVGR). Vooralsnog worden er geen verontreinigingen op deze deellocatie verwacht.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 54/95

Beoordeling: veldonderzoek Econsultancy heeft een nader veldonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de genoemde deellocaties in het historisch bodemonderzoek. Deellocatie A: spatzone noordelijk gelegen schuur Zintuiglijk zijn in de grond geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is 4,6 mg/kg d.s. asbest aangetroffen. Omdat analytisch asbest is aangetoond, wordt de vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie “verdacht” is op het voorkomen van een verontreiniging met asbest, bevestigd. De concentratie is echter dermate laag, dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie B: erf Plaatselijk (inspectiegaten B06 en B07) is op het erf een halfverharding aangetroffen. De halfverharding bestaat volledig uit puin. Het materiaal in de halfverharding is onderzocht op de aanwezigheid van asbest. In de fractie > 20 mm is geen asbest aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm 9,8 mg/kg d.s. asbest aangetroffen. Plaatselijk zijn in de bovengrond zwakke bijmengingen met puin en houtskool waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de zintuiglijk verontreinigde bovengrond en de zintuiglijk schone boven- en ondergrond niet verontreinigd is met de onderzochte stoffen. In de grond is verder zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater niet verontreinigd is met de onderzochte stoffen.

Omdat analytisch asbest is aangetoond in een funderingslaag, wordt de vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie “verdacht” is op het voorkomen van een verontreiniging met asbest, bevestigd. De concentratie is echter dermate laag, dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie D: weiland Zintuiglijk zijn in de grond geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de zintuiglijk schone boven- en ondergrond niet verontreinigd is met de onderzochte stoffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater matig verontreinigd is met nikkel en licht verontreinigd is barium en/of koper. Omdat het grondwater licht tot matig verontreinigd is met zware metalen, dient de onderzoekshypothese “onverdacht” formeel te worden herzien. De concentratie nikkel overschrijdt de tussenwaarde en daarmee formeel gezien het criterium voor nader bodemonderzoek. Echter dergelijke diffuse verontreinigingen worden veelvuldig aangetroffen in de regio, zonder dat hiervoor een eenduidige bron aan te wijzen is (verhoogde achtergrondconcentratie). Nader onderzoek hiernaar wordt dan ook niet zinvol geacht. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten van het historisch onderzoek en het verkennend bodemonderzoek inclusief asbestonderzoek (zie bijlage 4) bestaan er geen aanleidingen voor het doen van nader onderzoek.

Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 55/95

4.3

Waterhuishouding

Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Voor een compleet overzicht van het actuele toetsingskader wordt verwezen naar de hoofdstuk 3, 4 en 5 in de watertoets van Econsultancy. Deze is toegevoegd als bijlage 5 bij onderhavig bestemmingsplan. Het belangrijkste toetsingskader voor dit initiatief is het “Beekherstelplan Reusel-De Mierden”, dat betrekking heeft op een groot deel van het plangebied. Beoordeling De waterparagraaf van Econsultancy beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het plan oplegt.

Daarnaast worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan hierin meegenomen en omvat het op basis van de gemaakte afwegingen een wateradvies. De belangrijkste bevindingen worden hieronder behandeld. In het wateradvies zijn behoudens de beleidskaders ook de omgevingsaspecten, zoals de hoogteligging, bodemopbouw, hydrogeologie en de grondwaterstanden betrokken. Ontwatering De ontwatering zal ten aanzien van de toekomstige (bouw)peilen in de toekomstige situatie niet overal voldoende zijn. Met name aan de oostzijde van perceel H126 zal de ontwateringsdiepte niet overal voldoende zijn. Het rood gearceerde vlak in onderstaande figuur geeft aan waar de ontwatering ten aanzien van het toekomstige bebouwingsvlak (gele vlak) zeer waarschijnlijk niet voldoende zal zijn. Binnen dit gebied zal het bestaande maaiveld deels opgehoogd (moeten) worden.

Situering ontwatering (ontwatering binnen rood gearceerd blak is niet voldoende t.a.v. toekomstige functie). Bron: waterparagraaf Econsultancy, 2022.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 56/95

Waterbergingsopgave De totale toename verhard oppervlak bedraagt zodoende 3.820 m2. De nieuwe parkeergelegenheid wordt verhard met grind en is daarmee als volledig onverhard beschouwd. Op basis van de uitgangspunten van de waterbeheerder bedraagt de waterbergingsopgave voor het plan bedraagt ca. 230 m 3 (3.820 m2 x gevoeligheidsfactor 1,0 x 0,06). In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) conform de uitgangspunten van de waterbeheerder binnen de plangrenzen worden verwerkt. Econsultancy doet daarvoor twee suggesties, namelijk het verbreden van de afwateringssloot ten zuidwesten van het erf of de aanleg van een ‘groene buffer’ (wadi) op het veld ten zuidwesten van het erf. De suggestie van Econsultancy is opgepakt. Landhoeve Buitenman heeft een zoekgebied voor de ‘groene buffer’ (wadi) opgenomen ten noordwesten van het erf. Bij de aanleg van de groene buffer wordt het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig getransporteerd naar een natuurlijke laagte waar het vervolgens wordt vastgehouden en kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. Wanneer het maaiveld ter plaatse van het gebied dat aangeduid is als bloemrijkgrasland wordt verlaagd tot een diepte van 0,2 meter is, uitgaande van een talud van 1 op 5, ca.

1.250 m2 benodigd om de volledige wateropgave van 230 m3 te kunnen bergen. Het zoekgebied is ongeveer 3x zo groot. Daarmee is er voldoende ruimte om de wateropgave binnen het plangebied te bergen. Er zijn goede mogelijkheden om regenwater van het erf af te voeren naar de wadi. Daarvoor kan een buis onder de sloot tussen het erf en het bloem- en kruidenrijk grasland worden aangelegd die het water afvoert. Het bloemenmengsel zal tevens het water goed vasthouden. De wadi is opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan en gekoppeld aan een voorwaardelijke verplichting in de planregels.

Zoekgebied groene buffer / wadi. Bron: landschappelijke inpassingsplan, Aveco de Bondt, 2022.

Riolering Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. In de beoogde waterhuishoudkundige situatie blijft het bedrijfsafvalwater geloosd worden op het gemeentelijk riool. Over de toename is in de hoeveelheid afvalwater die geloosd gaat worden zijn voor alsnog geen exacte gegevens

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 57/95

beschikbaar. Door de gemeente is aangegeven dat de capaciteit van de drukriolering beperkt is en dat tijdens drukke periodes het riool aan de maximale capaciteit zit. Uitbreiding en et aanbieden van meer afvalwater is daardoor niet zomaar mogelijk zonder aanpassingen. De eventuele kosten voor het aanpassen van het riool zijn voor de initiatiefnemer. Tijdens het verdere planproces zal het toekomstig vuilwater aanbod worden berekend zodat bekeken kan worden welke aanpassingen aan het bestaande riool nodig zijn en of dit technisch ook mogelijk is. Indien aansluiting op het bestaande riool niet haalbaar blijkt zal voor de verwerking van het afvalwater gezocht worden naar alternatieven. Vergunningaanvraag Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden.

Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht: • Toename verhard oppervlak; • Het graven van water; • Het plaatsen van kunstwerken; • Tijdelijke grondwateronttrekkingen, (indien er meer dan 100m3/h wordt onttrokken en/of de onttrekking langer dan een half jaar en/of op meer dan 9 meter diepte plaatsvindt); • Tijdelijke lozingen van bemalingswater (indien er meer dan 100m3/h wordt onttrokken en/of de onttrekking langer dan een half jaar en/of op meer dan 9 meter diepte plaatsvindt). Een deel van het plangebied betreft gronden die in eigendom zijn van het waterschap. Vanzelfsprekend dient Landhoeve Buitenman alleen vergunningen voor bovenstaande activiteiten aan te vragen en/of een melding te doen, voor zover deze op (pacht)gronden van Landhoeve Buitenman plaatsvinden. Keur en toetsingskaders Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het plangebied is op kaartbeelden van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant gelegen in een gebied voor ‘attentiezone waterhuishouding’, ‘behoud en herstel van watersystemen’, ‘regionale waterberging’ en ‘reservering waterberging’. Hoe het plan daar rekening mee houdt is te zien in de betreffende provinciale toetsingskaders in paragraaf 3.3.2.8 t/m 3.3.2.11.

Dit is tevens behandeld in de waterparagraaf van Econsultancy (bijlage 5). Duurzaam waterbeheer Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt gebruik geen gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding wordt het landelijke beleid gevolgd. Voor bestrijding op verhardingen zal gebruik, voor zover toegestaan, plaats vinden door branden, heet water en/of borstelen.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 58/95

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd. In de regels wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen tot realisatie van de waterberging. Waar nodig wordt er bij de uitvoering van het initiatief een watervergunning aangevraagd en/of een melding gedaan. 4.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Met de rode contour is het plangebied geduid.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 59/95

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

Uitsnede Interactieve erfgoedkaart Reusel-De Mierden. Met de rode contour is het plangebied geduid.

Beoordeling Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant blijkt dat het plangebied is gelegen in een cultuurhistorisch vlak van de Kempen. Deze vlakken van historische geografie zijn op de gemeentelijke kaart gewaardeerd als ‘hoog’ en ‘redelijk hoog’. Op de gemeentelijke kaart is de herberg onderdeel van het gehucht ‘Wellenseind’. De westelijke graslanden van het plangebied hebben de duiding ‘historisch vlak – hoog’ (Beemden) en maken onderdeel uit van het Beekdal van Stroom en Reusel. De aspergevelden in het plangebied (zuidwesten) hebben de duiding ‘historisch vlak – redelijk hoog’ en hebben de benaming Oude Akkers. Het gebied ten zuiden van Tilburg staat bekend als de Kempen en bestaat uit een zwak golvend landschap, doorsneden door de beken Reusel, Spruitenstroompje, Rovertsche Leij, Poppelsche Leij en Leij. De bodem is opgebouwd uit oude zand- en leemlagen, waarover dekzand is afgezet. Tussen deze beekdalen liggen uitgestrekte plateaus. De beekdalen bestonden uit broekbos, een nat bos van elzen, essen en wilgen op een venige bodem. De

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 60/95

hogere, droge delen van het terrein waren ingenomen door eiken-berkenbos en daar waar het natter was kon men grote open veengebieden en natte heidevelden verwachten, met hier en daar vennen. Behalve de dorpen lagen er tal van kleinere buurtschappen en individuele boerderijen, die deel zijn gaan uitmaken van de landgoederen of zijn verdwenen. Aan het eind van de 19e eeuw zijn ten zuiden van Tilburg en bij Esbeek enkele grote landgoederen aangelegd: landgoed De Utrecht en landgoed Gorp en Roovert. Landgoed De Utrecht heeft zijn naam te danken aan de levensverzekeringsmaatschappij De Utrecht die op de grens van Nederland en België een groot ontginningsproject ondernam als geldbelegging. De maatschappij kocht grote heidevelden en liet deze door de Nederlandse Heidemaatschappij ontginnen en inrichten. Aanvankelijk was het doel vooral gericht op de houtproductie, maar in de loop van de twintigste eeuw is de inrichting mede bepaald door recreatieve en landschappelijke doelen. Tegenwoordig is ook natuurontwikkeling op dit enorme landgoed van belang. De Kempen bestaan uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de middeleeuwse hoeves en buurtschappen (met kleine akkercomplexen) die de kern vormden van de landgoederen of die daarin zijn opgenomen. Voor dit landschap zijn de volgende doelstellingen van toepassing: • • • •

Versterking van het contrast tussen oude ontginningen met akkers enerzijds en voormalige woeste gronden; Versterking van het natte karakter van beekdalen en (voormalige) vennen; De natuurontwikkeling, waterberging en economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit; Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door de vergroting van de beleving.

Met het landschappelijk inpassingsplan wordt getracht om cultuurhistorie terug te brengen naar het plangebied. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen als bijlage 1 bij de regels. De agrarische gronden worden heringericht als weide en hooiland, waarmee het landgebruik weer correspondeert met het historische landgebruik omstreeks het jaar 1900. Het landschappelijk inpassingsplan neemt diverse lijnelementen omstreeks het jaar 1900 op in het landschap. Tevens blijft één oude akker behouden. Resumé wordt het historische cultuurlandschap van de Kempen hersteld. De graslanden en de akkers worden ingericht worden als bloem- en kruidenrijk grasland. Deze kunnen beweid worden met vee, zoals het Kempische heideschaap. Hiermee wordt een onderdeel van de lokale cultuurhistorie weer in ere hersteld. Het landschap wordt bovendien opengesteld voor recreanten. De herberg blijft bestaan als onderdeel van het gehucht ‘Wellenseind’. Door passend bestemming als ‘Recreatie’ blijft onderhoud vaan de herberg mogelijk. Conclusie Het voornemen herstelt de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. 4.5

Archeologie

Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaald dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken)

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 61/95

rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan is ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – archeologische verwachtingswaarde’ toegekend. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m², een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

Econsultancy heeft in maart 2019 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is toegevoegd als bijlage 6 bij de toelichting. Op basis van de gegevens van het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in het overgangsgebied van een laaggelegen beekdal naar een hoge dekzandrug ligt. Deze situatie is aantrekkelijk voor de jagers-verzamelaars tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum. Er geldt een hoge verwachting voor deze periodes. Tijdens het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen worden de nederzettingen met name gesitueerd op de hogere delen van de dekzandrug. Er worden dan ook geen nederzettingssporen verwacht. Mogelijk is het gebruik voor begravingen. Er geldt een middelhoge verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Ook voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een middelhoge verwachting. Het plangebied ligt buiten de historische kern en ook op de historische kaarten is geen bebouwing zichtbaar. Mogelijk zijn er sporen van agrarisch gebruik aanwezig. Uit het booronderzoek blijkt dat onder de bouwvoor een 30 tot 55 cm dikke verstoring aanwezig is Deze verstoring is aangetroffen tot een diepte van 70-100 cm –mv. De verwachte enkeerdgrond is niet meer aanwezig, met uitzondering van boring 4 en 5.

De scherpe overgang van de enkeerdlaag naar de C-horizont wijst mogelijk op afgraving van de grond voordat de enkeerdlaag is opgeworpen. Er kan niet worden geconcludeerd hoeveel cm van de C-horizont zijn afgegraven vanwege het gebrek aan een intacte bodemopbouw in het plangebied. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. De gemeente Reusel-De Mierden (in deze ODZOB) stemt niet in met het selectieadvies van Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Het plangebied zou 70-100 cm diep verstoord zijn tot op het onderliggende dekzand. Dit zou veroorzaakt kunnen zijn door afgraving of door de teelt van asperges. Of het onderliggende dekzand verder diep verstoord is, kan niet worden aangetoond. Omdat geen duidelijkheid bestaat over de bodemverstoring en of hiermee ook de archeologische laag die zich bevindt in het onderliggende dekzand, is aangetast, kan de archeologische verwachting nog niet worden bijgesteld. De archeologische waarde van het plangebied is dan ook nog onvoldoende duidelijk.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 62/95

Omdat uit het archeologisch vooronderzoek blijkt dat de kans op archeologische waarden in het plangebied hoog is, dient er overal waar in het plangebied bodemingrepen dieper dan 50 cm gepland staan of met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek en zo nodig een doorstart naar een opgraving te worden uitgevoerd. Archeologisch vervolgonderzoek gaat plaatsvinden in het stadium van een concrete omgevingsvergunningaanvraag voor de bouw van een of meerdere gebouwen. In de planregels wordt de vigerende planologische dubbelbestemming overgenomen. Resten blijven daarmee in situ bewaard. Conclusie Voorlopig wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – archeologische verwachtingswaarde’ gehandhaafd. Bij een aanvraag omgevingsvergunning dient een archeologisch proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Indien het proefsleuvenonderzoek uitwijst dat in het plangebied daadwerkelijke, behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn en deze door de beoogde ontwikkeling zullen worden aangetast, er rekening gehouden dient te worden met een ‘directe doorstart’ naar het opgraven van een deel of delen van het terrein. Het besluit hierover ligt bij de gemeente. 4.6

Ecologie

4.6.1

Natuurgebieden

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en her-plantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Beoordeling Econsultancy heeft een toets gebiedsbescherming uitgevoerd (mei 2019). De resultaten daarvan worden onderstaand besproken. De onderzoeksrapportage is toegevoegd als bijlage 8 bij de toelichting. Natura 2000 De onderzoekslocatie is gelegen in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kempenland-West, bevindt zich aangrenzend aan de westzijde van de onderzoekslocatie en op circa 200 meter afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie. Binnen de inrichting

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 63/95

zal in een dierenverblijf rundvee gehouden worden. Het houden van rundvee betekent ook een ammoniakemissie, die leidt tot stikstofdepositie op gevoelige fauna binnen Natura 2000 gebieden. Overige bedrijfsactiviteiten zijn ook meegenomen in de aanvraag, zoals het gebruik van landbouwmachines en de verkeersaantrekkende werking. De modelberekening gaat uit van 40 zoogkoeien en bijbehorend 27 stuks rundvee. Er is reeds door de provincie Noord-Brabant een vergunning Wet natuurbescherming verleend voor 280,8 kg NH3/jaar (Definitieve beschikking van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, kenmerk: Z/069681-119471, d.d. 14 september 2018). Aanvullend onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000. Bron: Econsultancy, mei 2019.

Natuur Netwerk Brabant De westzijde van onderzoekslocatie maakt deel uit van het Natuurnetwerk Brabant. Het betreft nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting) en vochtig bos met productie. Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijk situatie mogelijk veranderen. Er is reeds een nee, tenzij-toets uitgevoerd bij de aanvraag Wet natuurbescherming en dit is namens de provincie akkoord bevonden in het vaststellingsbesluit van de vergunning Wet natuurbescherming. Houtopstanden De te kappen bomen aan de noordzijde op de onderzoekslocatie vallen onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Bij het verwijderen van deze bomen dient een melding gedaan te worden. Aangezien de bomen niet op dezelfde locatie terug geplant kunnen worden, dient tevens een ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 64/95

Conclusie Onderhavig initiatief kan voldoen aan de vereisten ten aanzien van gebiedsbescherming. De vergunning Wet natuurbescherming is verleend voor een ammoniak-plafond van 280,8 kg NH3/jaar. Activiteiten, zoals het tijdelijk houden van rundvee en schapen, zijn toegestaan tot het plafond op basis van de Wet natuurbescherming en Wet milieubeheer. Deze verplichting is opgenomen in de regels van onderhavig bestemmingsplan. Ten tijde van realisatie van het roundhouse dierenverblijf wordt een milieumelding gedaan met een exacter aantal schapen en runderen. In het kader van onderhavig bestemmingsplan wordt de bestemming ‘Natuur’ opgenomen voor het westelijk deel van het plangebied dat is gelegen binnen Natuur Netwerk Brabant. 4.6.2

Flora en fauna I (quickscan)

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.

Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Econsultancy heeft in opdracht van initiatiefnemer een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Buitenman 2 te Lage Mierde. Econsultancy heeft een quickscan flora & fauna uitgevoerd (mei 2019). De resultaten daarvan worden onderstaand besproken. De onderzoeksrapportage is toegevoegd als bijlage 8 bij de toelichting. De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfsmatige activiteiten uit te breiden middels de gefaseerde aanleg van de veldschuur (fase I); de realisatie van een kas met daarin (biologische) tuinbouw, een horecagelegenheid met buitenterras, een informatiecentrum en de bouw van een dierenverblijf voor het houden van zoogkoeien (fase II).

Tevens zullen er renovatiewerkzaamheden plaatsvinden.

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 65/95

De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in de tabel hieronder. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Bron: Econsultancy, mei 2019.

Conclusie fase I Voor de uitvoering van de werkzaamheden in fase I is geen nader onderzoek benodigd naar beschermde soorten. In verband met het aantreffen van een kerkuilenkast en een steenuilenkast in een van de schuren op de

datum referentie

29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1

P 66/95

onderzoekslocatie, dienen voor de realisatie van de veldschuur in fase I de werkzaamheden te worden uitgevoerd volgens een ecologisch werkprotocol. Conclusie fase II Vóór de start van fase II dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar kerkuil, steenuil, kleine marterachtigen, amfibieën en steenmarter. Indien er sloop- en/of renovatiewerkzaamheden aan de schuren plaatsvindt, dient een nader onderzoek naar vleermuizen te worden uitgevoerd. De toren-valkkast die op de locatie aanwezig is dient buiten de kwetsbare periode onder ecologische begeleiding te worden verplaatst vóór de start van fase II. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat beschermde soorten verstoring ondervinden van de voorgenomen herontwikkelingen, zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming waarschijnlijk niet te voorkomen. In dit geval dient met behulp van een ecologisch projectplan een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij provincie Noord-Brabant. Ten allen tijden dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht ten opzichte van algemene grondgebonden zoogdieren, algemene broedvogels en algemene amfibieën. 4.6.3 Flora en fauna II (aanvullend soortenonderzoek) Veldbiologische Werken heeft in 2020 onderzoek gedaan naar marterachtigen, uilen en vleermuizen. De rapportages daarvan zijn respectievelijk opgenomen als bijlage 9, 10 en 11 van onderhavige toelichting.

Onderstaand worden de belangrijkste conclusies behandeld. Bevindingen marterachtigen Wildcamera’s hebben waarnemingen van (kleine) marterachtigen opgenomen. Uit de opnames kan worden afgeleid dat deze dieren delen van de planlocatie gebruiken als corridor van en naar hun foerageergebied. De corridor bestaat uit een vrij lage, smalle houtsingel waarin een houtril verweven is. Het foerageergebied bevindt zich niet op de planlocatie. Het exacte foerageergebied kon echter niet gelokaliseerd worden, maar bevindt zich op grotere afstand van het plangebied globaal bij de beek de Reusel met omliggend bos, wilgenstruweel en weides (deze aanname is op basis van mondelinge mededelingen van verschillende waarnemingen omwonenden). Bij schuren, woning en op het erf werden geen (sporen van) marterachtigen waargenomen. Door de toekomstige geplande ingreep kan de corridor voor marterachtigen worden aangetast. Hierdoor is een ontheffing Wet Natuurbescherming noodzakelijk. Vanwege de aanwezigheid van voldoende leefgebied voor marters in de directe leefomgeving, ligt het in de lijn der verwachting dat ontheffing wordt verleend. Bevindingen kerkuil en steenuil Er zijn gedurende de onderzoeken in het voorjaar geen paartjes waargenomen van Steenuil of Kerkuil. Er zijn geen broedgevallen geconstateerd in de reeds aanwezige schuren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=0476e19e-93d5-4a27-b2bd-c9a8eb417852