[22.14329] - 220802 toelichting
Tekst van het document
Vanuit het radarstation Woensdrecht gelden eveneens geen belemmeringen nu de maximale bouwhoogte 113 meter bedraagt voor alle bouwwerken. Deze bouwhoogte wordt niet bereikt met onderhavig planvoornemen. Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkelingen passend zijn binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 24/95
3.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro)
Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.
Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Beoordeeld dient te worden of een recreatiebedrijf valt onder één van de genoemde ‘stedelijke ontwikkelingen’, om vervolgens te beoordelen of de ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte. Het begrip ‘andere stedelijke voorzieningen’, onderdeel van de definitie van ‘stedelijke ontwikkeling’, is niet gedefinieerd in het Bro. Op basis van de door het ministerie van Infrastructuur en Milieu uitgebrachte handreiking voor het toepassen van de ladder duurzame verstedelijking kan worden gesteld dat een recreatiebedrijf wél onder deze definitie valt. In de handreiking worden ‘leisurevoorzieningen’ als ‘andere stedelijke voorziening’ beschouwd. Een recreatiebedrijf is aan te merken als een leisurevoorziening en dus is in onderhavig besluit sprake van een stedelijke ontwikkeling. b.
Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan. Het vigerende planologische kader voorziet ter plaatse van de uitbreiding in een agrarische bestemming en een bosbestemming. Het planologisch(e) beslag van de nieuwe situatie op de ruimte is 8.673 m2. De uitbreiding van bebouwing, bestaande uit een kas, dierenverblijf en een
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 25/95
veldschuur bedraagt 2.818 m2. Er is dus sprake van een groter planologisch beslag op de ruimte, dus een nieuwe stedelijke ontwikkeling. c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Het gaat bij het bepalen van de behoefte om een markttechnisch samenhangend gebied: een interactiemilieu. Elke regio heeft zijn eigen kenmerken, identiteit en kracht. In praktijk komt een marktregio niet altijd overeen met een bestuurlijke regio of bestaande samenwerking. Een marktregio kan ook over provinciegrenzen heengaan en zelfs over de landgrens. De vraag komt gedeeltelijk vanuit de regio, maar ook vanuit Nederland en België. Wanneer wordt gekeken naar de marktontwikkelingen op het gebied van recreatie kan worden gesteld dat de hedendaagse consument kritisch en selectief is. Er wordt steeds meer een unieke en authentieke vakantiebeleving verlangd, die zelfs de thuissituatie qua comfort kan/moet overtreffen. De horeca, accommodatie en omgeving moeten daarop aansluiten. Hierdoor zullen ondernemers, met in het achterhoofd het grillige, dynamische en vooral ook prijsgevoelige karakter van de vrijetijdssector, voortdurend moeten inspelen op de steeds weer wijzigende consumentenbehoeften. Door de snelheid van de veranderingen is het voor hen echter onmogelijk om overal op in te haken. Er moeten dus keuzes gemaakt worden m.b.t. doelgroep(en) en de daarbij behorende producten.
Het basisproduct, dagrecreatie bestaande uit extensieve recreatie, informatieve rondleidingen en horeca én verblijfsrecreatie bestaande uit bed & breakfast en gastenverblijven moet altijd voldoen aan de eisen die daaraan gesteld worden door de recreant. Om te kunnen voldoen aan de wensen van deze recreanten wil Landhoeve Buitenman een uitbreiding van de reeds aanwezige recreatieve voorzieningen realiseren (zie daarvoor de beschrijving van het planinitiatief in hoofdstuk 2). De gemeente Reusel-De Mierden beschouwt de recreatieve sector als (hulp)motor van economische ontwikkeling en volgt daarbij de strategie van het beter benutten van routestructuren en natuurpoorten, waarbij initiatiefnemers op een bestaand boerenerf kleinschalige recreatieve voorzieningen kunnen toevoegen (Gemeente Reusel-De Mierden, Omgevingsvisie, mei 2018). Daarbij wil de gemeente rust, ruimte en afwisseling van het landschap vermarkten. Toerisme dient primair gericht te zijn op extensieve recreatie. Aanvullend hierop beschouwt de gemeente de landschapstypen van belang voor de ruimtelijke ordening. In onderhavig geval is in het oostelijk deel van het plangebied sprake van de landschappelijke kwaliteiten van een bebouwingsconcentratie in de vorm van een historisch lint.
Dit landschap wordt gekenmerkt door oud agrarisch cultuurlandschap met afwisselend open kamers, laanbeplanting, houtwallen, bosrestanten en linten (in onderhavig geval het beekdallandschap). In het westelijk deel van het plangebied is sprake van de landschappelijke kwaliteiten van het beekdal. De beekdalen krijgen de ruimte om hun natuurlijke karakter terug te vinden en worden weer herkenbaar in het landschap. Voor het herstellen van het Reuseldal is uitvoering gestart, mede gericht op natuurontwikkeling, waterberging en een goede aansluiting op de natte natuurparels en het landgoed de Utrecht. De gemeente hecht daarnaast veel waarde aan toeristisch-recreatieve ontwikkelingen die een relatie hebben met de ontwikkeling van cultuurhistorische waarden, waarbij het kan gaan om educatieve recreatie in combinatie met vermaak in de vorm van een café met een terras. Bij Landhoeve Buitenman wordt, door het aanbieden van excursies op het bedrijf, ingegaan op de traditionele agrarische productiewijze in de streek de Kempen. Ook wordt door het organiseren van rondleidingen en excursies in de omgeving bijgedragen aan het beeld van de oorspronkelijke agrarische productiewijze. Het omliggende landschap vormde namelijk dé primaire agrarische productiefactor voor boerderijen.
De landhoeve ligt op een strategische locatie om van daaruit excursies in de omgeving te ondernemen, omdat het is gelegen te midden van een aantal verschillende landschapstypen dat een belangrijke plaats had in de oorspronkelijke agrarische productiewijze, namelijk: een beekdal, esgronden en de heide. Het plangebied is gelegen op de overgang van deze typen, waardoor de agrarische geschiedenis goed inzichtelijk te maken is. Het landschap en de cultuurhistorie van de gemeenten en streek worden daarbij niet enkel visueel inzichtelijk gemaakt. Door het toevoegen van nieuwe activiteiten zoals workshops/rondleidingen bij het dierenverblijf over het biologisch houden van vee en in een groente- en kruidenkas over het biologisch kweken
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 26/95
van gewassen wordt een totaalbeleving geboden. De uitbreiding maakt een verblijf op Landhoeve Buitenman een unieke ervaring voor de bezoeker. Bovenstaande motivatie toont aan dat er sprake is van een kwalitatieve behoefte voor uitbreiding van de dagrecreatieve - en verblijfsrecreatieve sector. Met een uniek concept op een unieke locatie wordt de bezoeker ontspanning, een inkijk in de biologische landbouw en cultuurhistorie geboden onder het genot van gerechten uit eigen regio. Dit sluit aan op de algemene trends binnen de toeristische – en recreatieve sector: authentieke op de regio gerichte horeca en aanbieden van outdoor en route gebonden activiteiten met aandacht voor natuur. d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? De beantwoording van de vraag of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro, kan worden aangemerkt, hangt af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.
Bij de beantwoording van deze vraag dient te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Deze vraag dient in onderhavig geval negatief te worden beantwoord, aangezien de vestiging en uitbreiding plaatsvindt op een agrarisch perceel buiten bestaand stedelijk gebied. Daarmee dient het planvoornemen als gelegen buiten bestaand stedelijk(e) gebied te worden beschouwd. e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Het gaat hier om de vestiging en uitbreiding van een bestaande plattelandsonderneming naar een recreatiebedrijf in het buitengebied. Deze vorm van bedrijvigheid is specifiek gebonden aan het buitengebied. Een verplaatsing van Landhoeve Buitenman naar het bestaand stedelijk gebied (bedrijventerrein) dan wel een andere locatie in het buitengebied is niet wenselijk, grotendeels strijdig met wet- en regelgeving en financieel niet haalbaar (kapitaalvernietiging).
De huidige locatie is vanwege de natuur de meest aangewezen plaats om te voorzien in de behoefte aan nieuwe kwalitatief hoogwaardige recreatieve voorzieningen. Het recreatiebedrijf wordt daarbij voldoende ontsloten via de reeds aanwezige infrastructuur en biedt voor de aanwezige recreanten ook voldoende directe mogelijkheden om aan te takken op de aanwezige langzaam verkeersstructuur. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is aan te merken als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. De 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' voorziet in een behoefte aan recreatieve voorzieningen en is niet realiseerbaar binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’
Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeersen vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 27/95
In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet. Beoordeling Het onderhavige planvoornemen heeft raakvlakken met elk van de ambities uit de Omgevingsvisie.
De realisatie van het plan draagt bij aan de totstandkoming van een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving. Conclusie Het onderhavige plan is passend binnen de in de Omgevingsvisie Noord-Brabant gestelde doelen. 3.3.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant: kaartbeelden instructieregels
Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via een de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening NoordBrabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2021 ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord Brabant. De regels zijn eenvoudiger opgeschreven en omgezet naar een nieuw digitaal systeem, met een meer gebruiksvriendelijke opbouw. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Omgevingsverordening biedt meer ruimte om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend plangebied is binnen de Omgevingsverordening grotendeels gelegen binnen het ‘Landelijk gebied’, in de ‘groenblauwe mantel’.
Een deel is gelegen binnen het ‘Natuur Netwerk Brabant’. Kaartbeelden van de Instructieregels voor gemeenten zijn op de volgende pagina’s weergegeven. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening. De toetsing wordt hierna uitgevoerd.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 28/95
Uitsnede kaart 4 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2022. Het plangebied is geduid met het rode kader.
Uitsnede kaart 5 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant: Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en – berging. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2022. Het plangebied is geduid met het rode kader.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 29/95
Uitsnede kaart 6 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant: Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2022. Het plangebied is geduid met het rode kader.
3.3.2.1
Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied (artikel 3.73)
Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 30/95
d.
dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.
Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Beoordeling Ad. Lid 1 Met het initiatief is sprake van vestiging van een recreatiebedrijf op een bestaand bouwperceel. Een recreatiebedrijf kan worden beschouwd als een vrije-tijds voorziening. a. De vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting dat de gemeente Reusel-De Mierden heeft geformuleerd in de ‘Omgevingsvisie Reusel-De Mierden’. Hieraan is getoetst in paragraaf 3.4.1 van deze toelichting. Landhoeve Buitenman vormt een recreatieve poortfunctie naar het beekdal van de Reusel. De gemeente is van oordeel dat een recreatieve functie passend is in de omgeving. De ontwikkeling heeft geen substantiële effecten voor de mobiliteit van het gebied (zie tevens de toetsing aan Lid 2 van dit artikel). De ontwikkeling heeft een klein effect op de agrarische ontwikkelingen, omdat een bestaand agrarisch perceel wordt ingericht met groen en natuur.
De omgevingskwaliteit wordt versterkt met een landschappelijk inpassingsplan voor groen- en natuurontwikkeling met gebiedseigen beplanting. Dit inpassingsplan is opgenomen als bijlage 1 bij de regels van dit plan. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief bijdraagt aan de toekomstvisie van de gemeente met de ontwikkeling van het Reuseldal. b. Het bouwperceel wordt niet gesplitst. Het is binnen het bouwperceel wel mogelijk dat er meerdere BV’s gevestigd zijn. Dat laatste is vooralsnog niet het geval. c. Er is geen sprake van overtollige bebouwing op Landhoeve Buitenman. d. Dit bestemmingsplan heeft geen betrekking op de vestiging van een kantoor met baliefunctie, noch lawaaisport of mestbewerking. Ad. Lid 2 a. Het onderhavige initiatief behelst de vestiging en uitbreiding van een recreatiebedrijf in de ‘groenblauwe mantel’. In de directe omgeving van het plangebied zijn reeds recreatieve functies aanwezig, zoals recreatiebedrijf de Hertenwei en bungalowpark Vogelenzang. Bovendien wordt met onderhavig recreatiebedrijf aansluiting gezocht met de omgeving en het Reuseldal. Qua bouwmassa en situering wordt aansluiting gezocht bij bouwhoogtes en bouwrichtingen van de bebouwing op het bestaande erf. Dit wijkt niet af van de omliggende Kempische boerenerven. Om die reden past de omvang van de beoogde bebouwing in de omgeving.
De omvang van het bouwperceel van de boogde ontwikkeling bedraagt 20.095 m 2. Daarmee betreft het een ruimtelijke uitbreiding van het recreatiebedrijf. De huidige bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch’ heeft een bestemmingsvlak van 11.742 m2. Deze bestemming wordt omgezet naar de bestemming ‘Recreatie’ en deze wordt uitgebreid met 8.353 m2 tot een nieuwe omvang van 20.095 m2. Dit is een oppervlaktetoename van ongeveer 70%. Ten tweede is sprake van een toename van de planologische mogelijkheden voor uitbreiding van het aantal slaapplaatsen voor verblijfsrecreatie, een toename van de horecavoorzieningen met 500 m2, detailhandel tot 200 m2, een kas van 1.500 m2, een dierenverblijf van 718 m2 en een veldschuur van 600 m2, een en ander met
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 31/95
bijbehorende parkeervoorzieningen en overige voorzieningen op het erf. De toename van het bebouwd oppervlak bedraagt 2.818 m2. De vestiging van het recreatiebedrijf leidt niet tot een grootschalige ontwikkeling. In zekere zin is nu al sprake van recreatieve activiteiten. Het planologisch herbestemmen van de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch’ naar de bestemming ‘Recreatie’ sluit beter aan bij de bedrijfsactiviteiten. Het bedrijf is namelijk meer gericht op recreatie dan op agrarische bedrijfsactiviteiten. Deze laatstgenoemde activiteiten zijn na de ontwikkeling te beschouwen als ondergeschikt aan de recreatieve activiteiten. De publieksaantrekkende werking van het initiatief leidt niet tot parkeerproblemen, noch tot problemen met betrekking tot de ontsluiting van het gebied. Dit is onderbouwd in paragraaf 2.3.9 en 2.3.10. De maximale planologische bouw- en gebruiksactiviteiten worden in dit bestemmingsplan vervat in een planologische regeling. Zodoende borgt dit bestemmingsplan dat de recreatieve functies ook op de langere termijn passend zijn binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. b.
In dit bestemmingsplan zijn functieaanduidingen opgenomen, waarmee is bepaald welke specifieke gebruiksactiviteiten op welke locatie zijn toegestaan. Tevens zijn maxima bebouwingsoppervlakten aan de toegestane functies gekoppeld.
c.
Het bestemmingsplan bevat regels die bepalen dat opslag en stalling inpandig plaatsvindt. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;
d.
Het bestemmingsplan bevat geen bepaling dat de ontwikkeling verplaatst wordt naar een passendere locatie. De functies zijn te veel gebonden aan deze locatie.
Ad. Lid 3 a. De aard van de activiteiten is gevoelig en bovendien gebonden aan het landschap nabij het Reuseldal. Derhalve is vestiging op een bedrijventerrein niet wenselijk voor deze aan het buitengebied gebonden bedrijfsvoering. Tevens zou verplaatsing naar een bedrijventerrein kapitaalvernietiging betekenen. b. de oppervlakte van detailhandelsvoorzieningen wordt gemaximeerd tot een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. de omvang van de bebouwing ten behoeve van de vrije-tijds voorziening betreft ten hoogste minder dan hectare. De maximale oppervlakte is opgenomen in de regels van dit plan. 3.3.2.2
Aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening (artikel 3.75)
Toetsingskader Lid 1 In geval er sprake is van een watergebonden voorziening kan het bestemmingsplan onder overeenkomstige toepassing van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk maken, als elders een bouwperceel is gesaneerd en de daarop aanwezige bebouwing van ten minste gelijke omvang, met uitzondering van de bedrijfswoning, is gesloopt. Lid 2 In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: a. het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd;
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 32/95
b.
permanente bewoning is uitgesloten.
Beoordeling Ad. Lid 1 Met dit plan is geen sprake van een watergebonden voorziening. Ad. Lid 2 a. de regels van onderhavig bestemmingsplan borgen dat het terrein en de verblijfsrecreatievoorzieningen bedrijfsmatig worden beheerd; b. de regels van onderhavig bestemmingsplan borgen dat permanente bewoning van de recreatieverblijven is uitgesloten. 3.3.2.3
Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.9)
Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b, geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Beoordeling Opgave landschappelijke inpassing (lid 1) Hierna is voor de gronden die met onderhavig plan een andere bestemming krijgen toebedeeld onderbouwd dat de ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 33/95
Onderhavig plan betreft de vestiging en uitbreiding van een recreatiebedrijf dat gelegen is nabij het beekdal van de Reusel. Aveco de Bondt bv heeft een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Met dit landschappelijk inpassingsplan wordt voorzien in een versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse met gebiedseigen beplanting. Het inpassingsplan is opgenomen als bijlage 1 bij de regels. Onderstaand is vanuit een historische analyse van het landschap en een analyse van de huidige waarden van het landschap een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Analyse historisch landschap De planlocatie Buitenman 2 is gelegen ten noorden van de kern Lage Mierde. De historische boerderij is gelegen in het historische buurtschap Wellenseind, dat gelegen is op een hogere zandrug tussen de beekdalen van de Reusel en Raamsloop, die iets ten noorden van het buurtschap samen komen. Het landschap bestaat uit een bebouwingsconcentratie met daaromheen open akkercomplexen met enkele groenelementen (houtwallen en lanen). Naar het beekdal toe wordt het landschap dichter en de gronden natter, waardoor het landgebruik veranderd van akker naar weide en hooiland, omsloten door een fijnmazig netwerk van houtwallen. Achter het beekdal gaat het landschap over in een open heidelandschap met de Teulder en Wellenseindsche heide in het westen en de Mispeleindsche heide in het oosten.
Vanuit het buurtschap Wellenseind gaan diverse paden door het beekdal richting de gemene heidevelden. Ten noorden van het plangebied is later Landgoed de Utrecht ontstaan en zijn de heidegronden deels ontgonnen en deels omgevormd tot bos. De planlocatie omvat de complete overgang van het historische buurtschap op de hogere zandrug tot aan het beekdal van de Reusel.
Omgeving Wellenseind in 1900
Omgeving Wellenseind in 1893
Huidig landschap Anno 2019 is het historische landschap nog deels herkenbaar. De oude weg naar de Wellenseindsche heide (Buitenman) is als laan nog aanwezig in het landschap, maar wordt doorsneden door de Provinciale weg N269. De Reusel is gekanaliseerd en het besloten houtwallenlandschap is grotendeels verdwenen op enkele restanten na. Hierdoor is een meer open landschap ontstaan dat qua schaal meer past bij de historische akkers dan bij het beekdal. Ook het grondgebruik is door de kanalisering en ontwatering verandert van overwegend gras- en hooiland naar overwegend akkerland. Zo ook op het agrarische perceel aan de westzijde van de planlocatie, dat thans in gebruik is voor aspergeteelt.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 34/95
Luchtfoto plangebied anno 2019 met de natuurontwikkeling zichtbaar. Bron: Globespotter, cyclomedia, 2019.
Zicht op de Buitenman en het herkenbare open landschap. Bron: Globespotter, cyclomedia, 2019.
Bij de landschapsontwikkeling in 2014/2015 ten behoeve van bestemmingsplan “Buitengebied 2009, partiële herziening Buitenman 2” zijn enkele delen van de planlocatie al aangeplant met bos. Dit betreft onder andere een strook langs de beek en de overhoeken van de percelen. Hierdoor is een meer besloten landschap ontstaan, maar is ook de historische vorm van de percelen en groenstructuren minder herkenbaar geworden. Toelichting landschappelijk inpassingsplan De basis voor het landschappelijke inpassingsplan betreft het herstel van de historische landschapsstructuren en het versterken van het contrast tussen de verschillende elementen. Hierdoor wordt het landschap weer herkenbaar en neemt de biodiversiteit in het gebied toe. De huidige natuurontwikkeling wordt als basis genomen voor het verder ontwikkelen van het landschap. Door historische lijnen, zoals de houtwallen, weer terug te brengen in het huidige landschap wordt de kenmerkende
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 35/95
structuur van rechthoekige percelen, omsloten door houtwallen en kleine bosjes die haaks op het beekdal gelegen zijn, weer hersteld. Het landschap wordt weer opgedeeld in kamers, zodat het kleinschalige karakter richting het beekdal weer beleefbaar wordt vanaf Landhoeve Buitenman. Dit sluit aan bij het plan om de Reusel weer naar zijn historische meanderende vorm te herstellen en het natte karakter van het beekdal te versterken. De bestaande bospercelen worden verder aangevuld met een mix van inheemse boomvormers, aansluitend bij de bestaande soorten in het bos. Kensoorten voor het bos zijn berk (Betulaceae), zomereik (Quercus robur) en zwarte els (Alnus glutinosa), aangevuld met enkele vruchtdragende soorten zoals krent (Amelanchier) en lijsterbes (Sorbus). In de houtwallen die de overgang tussen de verschillende biotopen aanduiden vormt de zwarte els de hoofdsoort. Deze soort wordt aangevuld met berk en zomereik en enkele vruchtdragende streekeigen houtwalsoorten zoals meidoorn (Crataegus), wegedoorn (Rhamnus cathartica) en sleedoorn (Prinus spinosa). Hierdoor vormen de houtwallen een goede biotoop voor vele vogels en zoogdieren, als voedselvoorziening en als schuilplaats, waaronder de op de planlocatie mogelijk voorkomende uilensoorten.
Om de interactie tussen de verschillende gebieden te versterken worden in het centrale gedeelte van de houtwal doorkijken aangebracht door de onderbegroeiing weg te laten. Hierdoor ontstaat een visuele interactie tussen de verschillende delen en blijft de kenmerkende groenstructuur leidend en wordt de nieuwe bebouwing binnen het bestemmingsvlak ‘Recreatie – 5’ landschappelijk ingepast. De velden worden heringericht als weide en hooiland (bloem- en kruidenrijk nat grasland), waarmee het landgebruik weer correspondeert met het historische landgebruik omstreeks het jaar 1900. Deze weiden kunnen begraasd worden door vee, zoals het Kempische heideschaap. Hiermee wordt een onderdeel van de lokale cultuurhistorie weer in ere hersteld. Een ‘Oude Akker’ in een landschappelijke kamer blijft behouden. De cultuurhistorie zal voor de bezoeker/recreant nog verder beleefbaar gemaakt worden door het open stellen van het landschap en informatievoorziening in de vorm van informatieborden, rustplaatsen en recreatieve routes. Financiële en feitelijke borging landschappelijke inpassing (lid 2) In onderhavig geval wordt toepassing gegeven aan lid 2a. Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling.
Veel gemeenten hebben in het kader van het regionaal overleg afspraken gemaakt met de provincie over de toepassing van de kwaliteitsverbetering landschap. Reusel-De Mierden is aangesloten bij ‘Landschapsinvesteringsregeling De Kempen’. Om de investering in kwaliteitsverbetering van het landschap te bepalen is voor het recreatiebedrijf een berekening gemaakt. De berekening is toegevoegd als bijlage 3 bij onderhavige toelichting. Uit deze berekening blijkt dat er een bijdrage van € 11.439,20 geleverd moet worden. Deze noodzakelijke bijdrage zal deels gecompenseerd worden met afwaardering van agrarische gronden naar natuurgrond en kwaliteitsverbetering van het landschap met landschappelijke inpassing (toegevoegd als bijlage 1 bij de regels). De kosten voor de aanleg van natuurwaarden en landschappelijke inpassing bedragen € 26.926,22. De beheerkosten van het landschap bedragen €29.431,65. In totaal bedraagt de investering daarmee €56.357,87. Met een extra investering van €44.918,67 is ruimschoots voldaan aan de basisinspanningen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap. Met een voorwaardelijke verplichting in de regels wordt de landschappelijke kwaliteit van het gebied financieel, juridisch en feitelijk geborgd.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 36/95
Ad. Lid 3 De in Lid 1 gemotiveerde verbetering van de landschappelijke kwaliteit bevat: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle terreinen; d. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant; e. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Ad. Lid 4 In dit geval wordt geen toepassing gegeven aan het tweede lid onder b. 3.3.2.4
Overige artikelen aangaande de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (artikel 3.5 t/m 3.8)
Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (Paragraaf 3.1.2) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Artikel 3.6) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1) nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2) er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel.
Artikel 3.7) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 37/95
3.
Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Artikel 3.8) - meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Ad. voorwaarden artikel 3.6: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Met onderhavig initiatief is hiervan sprake, omdat sprake is van een bestaand bouwvlak. b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 3.2.3 getoetst. c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van het beoogde bouwvlak is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven. Ad. voorwaarden artikel 3.7: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van de toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b.
Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen een positief effect op het natuurnetwerk (vanwege natuurontwikkeling), het energienetwerk (vanwege de plaatsing van zonnepanelen) en waterwegen (vanwege afkoppeling van hemelwater op een omliggende watergang). De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 2. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 38/95
Ad. voorwaarden artikel 3.8: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan kwaliteitsverbetering door invulling te geven aan de combinatie van natuurontwikkeling met recreatie op een daarvoor geschikte locatie. Het gebied krijgt daarmee een nieuwe kwaliteitsimpuls. 3.3.2.5
Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel (artikel 3.22)
Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op de groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Beoordeling Ad. Lid 1 a. De gronden binnen onderhavig plangebied die zijn gelegen binnen deze structuur worden ontwikkeld tot (natte) natuur en bos, hetgeen een bijdrage levert aan het behoud, herstel en bescherming van het watersysteem in de groenblauwe mantel. De grondwaterstand wordt gereguleerd voor behoud van de natuur in het Reuseldal, wat de bescherming van het watersysteem bevordert; b. In dit bestemmingsplan worden regels opgenomen ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c.
Voor de toetsing aan dit sublid wordt verwezen naar paragraaf 3.3.6, waar de kwaliteitsverbetering landschap centraal staat. In deze paragraaf wordt uitgebreid ingegaan op de bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Tevens wordt verwezen naar de toetsing aan de soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming in hoofdstuk 4. Ad. Lid 2 Een uitgebreide beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken is beschreven in paragraaf 3.3.6. Tevens wordt verwezen naar de toetsing aan de soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming in hoofdstuk 4.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 39/95
3.3.2.6
Bescherming Natuur Netwerk Brabant (artikel 3.15)
Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. Beoordeling Ad. Lid 1 a. De gronden binnen onderhavig plangebied die zijn gelegen in de structuur Natuur Netwerk Brabant binnen perceel dat bekend staat als Hooge en Lage Mierde, sectie M, perceelnummer 127 worden ontwikkeld tot (natte) natuur en bos, hetgeen een bijdrage levert aan het behoud, herstel en bescherming van het NNB; b. Een deel van dit perceel is reeds bestemd naar de bestemming ‘Natuur’. Met onderhavig initiatief wordt het volledige perceel herbestemd naar de bestemming ‘Natuur’. Met behulp van beperkende planregels en een omgevingsvergunningenstelsel die verbonden zijn aan deze bestemming worden de gronden beschermd; c. Bestaande planologische gebruiksactiviteiten blijven toegestaan, totdat de duurzame ontwikkeling van het Natuur Netwerk Brabant is gerealiseerd. 3.3.2.7
Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant (artikel 3.18)
Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. Beoordeling Ad. Lid 1 Onderhavig bestemmingsplan maakt regels mogelijk binnen de bestemming ‘Groen – Landschappelijk inpassing’ en ‘Natuur’, waarmee kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie en het recreatieve medegebruik daarvan, worden toegestaan. Het gaat onder andere om het toestaan van picknicktafels en bankjes, waarmee de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant niet worden aangetast. 3.3.2.8
Attentiezone waterhuishouding (artikel 3.26)
Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over:
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 40/95
a. b. c. d.
het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.
Beoordeling Ad. Lid 1 Uit de kaarten behorende bij de Keur volgt dat perceel H126 grotendeels in een attentiegebied is gelegen. De overige percelen zijn aangeduid als beschermd gebied ‘waterhuishouding’. Het attentiegebied is in de vigerende planregeling reeds aangeduid met de aanduiding ‘milieuzone – attentiegebied EHS’. Deze beschermende gebieden zijn reeds vastgelegd in het vigerend bestemmingsplan met een gebiedsaanduiding en worden één op één overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Met uitzondering van perceel H126 liggen alle overige percelen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen de voornoemde gebieden zijn geen bouwactiviteiten voorzien.
Uitsnede Keurkaart waterschap De Dommel. Bron: Keur, 2022.
Ad. Lid 2 Het bestemmingsplan stelt regels over het verzetten van grond, aanleg van drainage, verlagen van grondwaterstand en het beperken van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakken. Deze regels zijn
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 41/95
opgenomen in de dubbelbestemmingen “Waarde – Natte natuurparel buffer” en “Waarde – Natte natuurparel kern”. In afwijking van de regel is ter realisatie van de natuurontwikkeling en landschappelijke inpassing als bedoeld in het landschappelijke inpassingsplan, als opgenomen in bijlage 1, geen omgevingsvergunning voor het aanleggen en/of uitvoeren van werken benodigd. 3.3.2.9
Behoud en herstel van watersystemen (artikel 3.27)
Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die: a. het oprichten van bebouwing beperken; b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken; c. het ophogen van gronden beperken. Beoordeling Ad. Lid 1 De gronden binnen onderhavig plangebied die zijn gelegen binnen deze structuur worden ontwikkeld tot (natte) natuur en bos, hetgeen een bijdrage levert aan het behoud, herstel en bescherming van het watersysteem. Dit is in overeenstemming met het beekherstelplan Reusel-De Mierden. Voor een gedetailleerde beschrijving van het inrichtingsplan wordt verwezen naar de watertoets van Econsultancy (bijlage 5, hoofdstuk 5). De uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan, conform de doelstellingen van het beekherstelplan, is opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan (bijlage 1 regels). Ad. Lid 2 Het bestemmingsplan stelt regels die oprichting van bebouwing -, aanbrengen van verharding - en ophogen van gronden beperken.
In afwijking van de regel is ter realisatie van de natuurontwikkeling en landschappelijke inpassing als bedoeld in het landschappelijke inpassingsplan geen omgevingsvergunning voor het aanleggen en/of uitvoeren van werken benodigd. 3.3.2.10
Regionale waterberging (artikel 3.35)
Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Regionale waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid: a. bepaalt dat uitsluitend het oprichten van een gebouw ten dienste van de waterberging is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter; b. stelt beperkingen aan het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden, voor zover deze activiteiten niet worden uitgevoerd in het kader van normaal beheer en onderhoud. Lid 3 Een bestemmingsplan kan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toestaan als het plan een onderbouwing bevat dat hierdoor het waterbergend vermogen van het gebied niet wordt belemmerd.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 42/95
Beoordeling Ad. Lid 1 Op dit moment kan bij extreem hoogwater in de Reusel een groot gedeelte van het planlocatie overstromen. Om dit te voorkomen wordt binnen de planlocatie een lage kade (40 cm hoog) aangelegd. Deze kade zorgt ervoor dat bij hoogwater in de Reusel alleen nog de natuurgronden in het beekdal overstromen, ook in extreme situaties. In onderstaande figuur zijn modelberekeningen weergegeven die voor het beekherstelplan Reusel zijn gemaakt
Waterdiepte (in cm) bij overstroming van de Reusel als gevolg van hoogwater dat eenmaal per 10 jaar voorkomt (links) en hoogwater dat eenmaal per 100 jaar voorkomt (rechts). Bron: Definitief Projectplan Waterwet Reusel De Mierden Noord.
De totale toename verhard oppervlak bedraagt ongeveer 3.820 m2. Op basis van de uitgangspunten van de waterbeheerder bedraagt de waterbergingsopgave voor het plan bedraagt ca. 230 m3 (3.820 m2 x gevoeligheidsfactor 1,0 x 0,06). Ter compensatie wordt een groene buffer/wadi aangelegd. Bij de aanleg van een groene buffer wordt het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig getransporteerd naar een natuurlijke laagte waar het vervolgens wordt vastgehouden en kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. Wanneer het maaiveld ter plaatse van gebied dat aangeduid is als bloemrijk grasland wordt verlaagd tot een diepte van 0,2 meter is, uitgaande van een talud van 1 op 5, ca. 1.250 m2 benodigd om de volledige wateropgave van 230 m3 te kunnen bergen. Het waterbergend vermogen van het plangebied neemt zodoende niet af. De uitvoering van de waterbergende voorziening is opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan (bijlage 1 regels). Ad. Lid 2 a. het oprichten van een gebouw ten dienste van de waterberging is toegestaan in de planregels. De bouwhoogte van het gebouw bedraagt maximaal 2 meter; b. Het bestemmingsplan stelt beperkingen aan het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden.
In afwijking van de regel is ter realisatie van de natuurontwikkeling en landschappelijke inpassing als bedoeld in het landschappelijke inpassingsplan, als opgenomen in Bijlage 1, geen omgevingsvergunning voor het aanleggen en/of uitvoeren van werken benodigd.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 43/95
Deze beschermingsregels zijn vertaald naar de dubbelbestemming “Waterstaat – Regionale waterberging”. Ad. Lid 3 In het bestemmingsplan wordt geregeld dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, kunnen worden toegestaan, indien het waterschap van oordeel is dat het waterbergend vermogen van het gebied niet wordt belemmerd. 3.3.2.11
Reservering waterberging (artikel 3.36)
Toetsingskader Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Reservering waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van functies. Beoordeling Zie de toetsing aan artikel 3.35, lid 1 en lid 3. 3.3.2.12
Zorgvuldige veehouderij (artikel 2.73)
Toetsingskader Lid 1 Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor veehouderijen in Landelijk Gebied dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij is verboden. Lid 2 Het verbod uit het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging van een bestaand gebouw naar dierenverblijf aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; b. de maatregelen onder a. in ieder geval voldoen aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regels als bedoeld in artikel 5.11 Nadere regels zorgvuldige veehouderij; c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving, inpasbaar is in de omgeving; d.
is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m 3; f. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief; g. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 44/95
Beoordeling Ad. Lid 1 In onderhavig geval maakt het bestemmingsplan het stallen van dieren mogelijk voor een korte periode per jaar ten behoeve van natuurbeheer en recreatie. Dieren worden beweid en de opbrengst (het vlees en andere bijproducten) wordt geserveerd in de herberg/het café of verkocht in de boerderijwinkel. Dieren worden slechts voor een korte periode per jaar gestald. Beweiding vindt plaats in de geest van de natuurlijke kringloop. Van een veehouderij is geen sprake. Artikel 2.73 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is dus formeel gezien niet van toepassing. Ad. Lid 2 Landhoeve Buitenman zal hoe dan ook maatregelen treffen om een zorgvuldig dierenverblijf ten behoeve van natuurbeheer en recreatie te exploiteren. Landhoeve Buitenman wil aantonen dat zij op een verantwoorde manier, één met het landschap en de natuur, dieren houden. Daarom is alsnog een BZV-score bepaald. Via deze link of op de website https://bzv.brabant.nl/gedeeldscenario is deze te verkrijgen, met als scenario code 07b4f0a626c246b1a1957dbf22a14a7c. Het recreatiebedrijf scoort vooral punten op de inrichting en omgeving, specifiek het onderdeel ‘verbinding, biodiversiteit en omgeving’. Bezoekers krijgen namelijk goed zicht op de stal en er wordt veel geïnvesteerd in groen (landschappelijke inpassing en natuurontwikkeling). De totaal score voor het proefscenario bedraagt 7,84.
De onderdelen inzake geurhinder en fijn stof hoeven niet nader gemotiveerd geworden, omdat geen emissiefactoren gelden voor geur/fijnstof bij zoogkoeien. Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de buurtbewoners. De verslaglegging daarvan is opgenomen als bijlage 14 van de toelichting. In de planregels wordt opgenomen dat vee voor een korte periode per jaar wordt gestald ten behoeve van natuurbeheer en recreatie. Van een veehouderij is dan formeel gezien zeker geen sprake. 3.3.2.13 Conclusie toetsing Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De vestiging en uitbreiding van het recreatiebedrijf Landhoeve Buitenman voldoet aan de gestelde regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast en de natuur van het Reuseldal wordt verder tot ontwikkeling gebracht. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Toetsingskader dag- en verblijfsrecreatie De Kempen
Toetsingskader De gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden vormen een toeristische eenheid in De Brabantse Kempen. Het landschap bestaat uit heidevelden, vennen en bossen waarin aantrekkelijke dorpen en kernen zijn gelegen. De toeristisch- recreatieve infrastructuur is uitgebreid. Ook zijn er diverse grote verblijfsaccommodaties. Zowel de bezoeker als de inwoner maakt veelvuldig gebruik van de toeristisch-recreatieve mogelijkheden. De sector is dan ook van groot economisch belang en draagt bij aan de leefbaarheid van de gemeenten. Het geactualiseerde ‘Toetsingskader dag- en verblijfsrecreatie de Kempen’ vormt de basis om te werken aan het behoud van het Kempisch landschap met een kwalitatief en divers toeristisch-recreatief product. Daarnaast wordt bij de ontwikkeling van aanbod geredeneerd vanuit de behoefte van zowel bestaande als kansrijke doelgroepen.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 45/95
Daarbij spelen bereikbaarheid, beleving, diversiteit en kwaliteit een belangrijke rol. En uiteraard moeten toeristisch-recreatieve ontwikkelingen passen bij de identiteit van de Kempengemeenten. Met de actualisatie worden de volgende doelen bereikt: • De gemeenten bieden duidelijkheid aan ondernemers welke informatie ondernemers moeten aanleveren om een aanvraag in te dienen. • Voor de gemeenten biedt de actualisatie handvatten om de aanvragen voor (nieuwe) ontwikkelingen goed en op uniforme wijze te beoordelen. De vier Kempengemeenten willen sturing geven aan nieuwe ontwikkelingen door vooral faciliterend en stimulerend te zijn en kaderstellend als het gaat om behoud en versterking van de kwaliteit. De Kempengemeenten willen de hoge kwaliteit van toerisme en recreatie immers behouden en versterken. In het afwegingskader wordt daarom ‘kwaliteit’ centraal gesteld. Het afwegingskader voor initiatieven met dag- en verblijfsrecreatie is als volgt opgebouwd: 1. 2.