[22.14329] - 220802 toelichting
Tekst van het document
Wel zijn er in één van de schuren meerdere sporen van Kerkuil aan getroffen in de vorm van braakballen en krijtstrepen. In de onderzoeksperiode juni en juli is de situatie t.a.v. Kerkuil anders. Er wordt activiteit van de Kerkuil waargenomen, er wordt geblazen vanuit de nestkast in één van de schuren en in juli wordt een uitgevlogen ‘jong’ op de grond waargenomen, waarbij een van de ouders in de nabijheid overvliegt. De Kerkuil maakt intensief gebruik van de omgeving van de planlocatie. De Kerkuil is niet waargenomen bij of in overige schuren en maakt van deze schuur geen gebruik. De werkzaamheden die zullen worden uitgevoerd in het plangebied zijn de sloop van schuur C en het opruimen van achterliggend terrein met opslag van steen en rommel. Met de sloop van schuur C in de nabijheid van de uilenkast in schuur B kan verstoring optreden voor Kerkuil in schuur B.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 67/95
Het is daarom van belang om: 1. Buiten de kwetsbare periode van Kerkuil werken 2. Een alternatieve locatie aan te bieden (reeds aanwezig in schuur A) 3. Het habitat in bestaand gebied of nieuw gebied te verbeteren 4. Een uilendeskundige in te schakelen 5. Een ecologisch werkplan op te stellen Dit mitigatieplan voor de kerkruil en de torenvalk is reeds in gang gezet, daarmee is een ontheffing Wet Natuurbescherming niet benodigd. Bevindingen vleermuis Omliggende opgaande zomen met aanplant van Elzen (Elzensingel) en ander groen ondergaan geen verdere ingreep. Daarmee wordt de lijnvorming/ omzoming rond de planlocatie niet veranderd. Aanwezige bomenlaan ondergaan geen verdere wijziging en de corridors die de omliggende singels vormen, blijven onveranderd. Het is redelijkerwijs niet aannemelijk dat aantasting van vliegroutes of foerageergebied zal ontstaan bij verwezenlijking van de voorgenomen plannen. Een ontheffing Wet natuurbescherming t.a.v. aantasting vliegroutes en foerageergebied niet nodig. Evenwel dient rekening gehouden te worden met het plaatsen van geschikte lichtbronnen binnen het plangebied. Aangezien er geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vastgesteld is het redelijkerwijs niet aannemelijk dat de Wet natuurbescherming ten aanzien van vaste rust- of verblijfplaatsen wordt overtreden.
Conclusie Ten aanzien van marterachtigen dient een ontheffing Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd. Deze wordt aangevraagd voorafgaand de bouw van de groente- en kruidenkas. Vanwege de aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied voor marterachtigen, is ontheffing mogelijk. Voor de kerkuil en de torenvalk is een mitigatieplan in uitvoering. Daarmee is een ontheffing Wet Natuurbescherming niet nodig. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen heeft inzichtelijk gemaakt dat met het initiatief het foerageergebied van de vleermuis niet wordt aangetast. Er zijn voor de vleermuis geen maatregelen noodzakelijk, noch is een ontheffing Wet Natuurbescherming benodigd. 4.7
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 68/95
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Recreatieverblijven zijn niet als geluidsgevoelige objecten aangemerkt, waardoor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek voor deze functies niet noodzakelijk is. Binnen het plangebied worden geen geluidsgevoelige objecten opgericht. Conclusie Het wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het woon- en leefklimaat. 4.8
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Motivatie gemengd gebied De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als gemengd gebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen reeds een hogere milieubelasting kent. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt als volgt omschreven in de VNG-publicatie: “Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 69/95
langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.” Landhoeve Buitenman ligt direct langs de hoofdstructuur, aan een bebouwingslint waar diverse functies voorkomen (recreatie, agrarische bedrijven, horeca). Derhalve is sprake van een gemengd gebied en gelden er kleinere richtafstanden. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Onderhavig bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een recreatiebedrijf mogelijk waardoor ter plaatse een bestaande milieu-inrichting (akkerbouwbedrijf met bouwvlak van milieucategorie 3.2) wordt omgezet naar een recreatiebedrijf (tevens milieucategorie 2). De Raad van State maakt in haar rechtsoverwegingen eveneens gebruik van bovenvermelde cursieve passage, afkomstig uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Zo is bij een vergelijkbare casus aan de Laag Beugt 3c te Heeswijk-Dinther. De Afdeling van mening geweest dat aldaar sprake was van een gemengd gebied: ‘De Afdeling is van oordeel dat de raad gelet op de omschreven omliggende bedrijvigheid en op de vrij hoge verkeersintensiteit op de Laag Beugt heeft kunnen uitgaan van een gemengd gebied.
Bij het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied komen namelijk vrijwel geen andere functies voor, terwijl rondom het plangebied verschillende bedrijven zijn gevestigd en het perceel aan een drukke verkeersweg ligt.’ [ECLI:NL:RVS:2017:1187, r.o. 12.1 en 12.2]. In vergelijking met bovenstaande casus, is onderhavig plangebied gelegen aan een vele malen drukkere verkeersader. Tevens is sprake van de ligging in een bebouwingslint met een gelijke mate van functiemenging. Uit jurisprudentie van de Raad van State komt herhaaldelijk naar voren dat de Afdeling bij de beoordeling van de kwestie of een plangebied is gelegen in een gemengd gebied altijd en uitsluitend een beroep doet op de zelfde passages uit de VNG-brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ Enkele voorbeelden zijn een zaak in Horst a/d Maas [ECLI:NL:RVS:2012:BV5119: r.o. 2.6.8,] en een zaak in Waddinxveen [ECLI:NL:RVS:2015:1177: r.o. 3.1, 3.3, 3.3.1 en 3.3.2]. Motivatie categorie 2 bedrijf Voor de beoordeling of er sprake is van een bedrijf behorende tot milieucategorie 1 of 2 wordt de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ gehanteerd. Gelet op jurisprudentie zijn ook bedrijven mogelijk die op grond van deze lijst behoren tot milieucategorie 3.1 of hoger, maar die gelet op de concrete ontwikkeling vergelijkbaar zijn met een categorie 1 of 2 bedrijf.
In de bestaande situatie is sprake van een bestaand vollegrondsteeltbedrijf met horeca. Plattelandsonderneming Landhoeve Buitenman is in de huidige situatie met name gericht op dagrecreatie. De horeca is voor de plattelandsonderneming in de bestaande situatie al de grootste bron van inkomsten. Met de ontwikkeling worden meer activiteiten ontplooid omtrent dagrecreatie (horeca, rondleidingen, workshops) en verblijfsrecreatie (bed & breakfast en gastenverblijven). Het leveren van producten uit eigen teelt en van eigen veestapel vormt in de toekomstige situatie een ondergeschikte activiteit van het recreatiebedrijf.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 70/95
Navolgend worden alle toekomstige activiteiten binnen het recreatiebedrijf uiteengezet. Activiteiten Landhoeve Buitenman Onderdeel Milieucategorie & SBI-code VNG Bestaande inrichting
Richtwaarde VNG gemengd gebied
Aspect met grootste richtafstand
bedrijfsgebouwen akkerbouw
2 SBI-2008 011
10 m
geluid
café in herberg met terras boerderijwinkel
1 SBI-2008 561 1 SBI-2008 47 1 SBI-2008 5510 2 SBI-2008 5221
0m
-
0m
-
0m
-
10 m
geluid
0m
-
0m
-
10 m
geluid
50 m
geur
bed & breakfast parkeerterreinen Met uitbreiding café in kas met terras
bedrijfsgebouw akkerbouw
1 SBI-2008 561 1 SBI-2008 5510 2 SBI-2008 011
dierenverblijf voor rundvee
3.2 SBI-2008 0141/0142
gastenverblijf
Uit bovenstaande analyse van alle activiteiten binnen het recreatiebedrijf blijkt dat bijna alle activiteiten van het recreatiebedrijf te typeren zijn als een categorie 1 of categorie 2 activiteit ingevolge de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. De enige uitzondering hierop vormt het dierenverblijf voor rundvee. Dit betreft een categorie 3.2 functie. Zoals eerder in dit rapport aangegeven wordt het dierenverblijf ter verbetering van de beleving van de dagrecreanten gebruikt. Derhalve kan dit verblijf als ondergeschikt aan de recreatieve activiteiten worden beschouwd. Bovendien is het dierenverblijf kleinschalig. In het kader van de Wet natuurbescherming is door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant op 14 september 2018 een vergunning verstrekt voor het houden van 67 dieren, waarvan 40 zoogkoeien en 27 stuks bijbehorend vrouwelijk jongvee (kenmerk: Z/069681119571).
Het dierenverblijf wordt uitsluitend mogelijk gemaakt binnen de bestemming ‘Recreatie – 5’ ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – dierenverblijf’. Bovendien is rekening gehouden met de positionering van het dierenverblijf ten opzichte van omliggende gevoelige objecten (woningen) waardoor (geur)overlast door derden minimaal zal blijven. De afstand van het dierenverblijf (gemeten vanaf de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – dierenverblijf’) tot het dichtstbijzijnde gevoelige object bedraagt 104 meter (de woning aan de Buitenman 1), daar een afstand van minimaal 50 meter is vereist. De totale bedrijfsvoering is derhalve vergelijkbaar met die van een categorie 2 bedrijf. Beoordeling Bij de beoordeling van een project voor de ontwikkeling van een bestaand agrarisch bedrijf tot recreatiebedrijf moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 71/95
omliggende gevoelige objecten. Anderzijds moet getoetst worden of ter plaatse van gevoelige functies binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Navolgend is getoetst aan de richtafstanden voor Landhoeve Buitenman, een recreatiebedrijf dat is te typeren als een categorie 2 functie ingevolge de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Landhoeve Buitenman Bedrijf en SBI-2008 code Recreatiebedrijf Landhoeve Buitenman Gevoelige objecten Object
Locatie
Richtwaarde VNG gemengd gebied
Aspect met grootste richtafstand
Buitenman 2
10 m
geluid
Locatie
Voldoet aan richtafstand? ja
woning
Wellenseind 5
Afstand tot Landhoeve Buitenman 28 m
woning woning
Wellenseind 6 Wellenseind 4
29 m 38 m
ja ja
woning woning
Wellenseind 3 Buitenman 1
33 m 26 m
ja ja
De nabij gelegen gevoelige objecten liggen op een afstand tussen de 25 en 40 meter van het plangebied. Uit de beoordeling (zie milieuzoneringenkaart) blijkt dat ruimschoots aan de richtafstanden uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ tot nabijgelegen gevoelige objecten wordt voldaan. Rondom de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – dierenverblijf’ is met een richtwaarde getoetst van 50 meter, omdat hier een dierenverblijf voor rundvee kan worden opgericht. Het dichtstbijzijnde gevoelige object ten opzichte van het dierenverblijf bedraagt de woning Buitenman 1. Met een gemeten afstand van 104 meter wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Geconcludeerd kan worden dat ten gevolge van het initiatief een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is geborgd ter plaatse van omliggende gevoelige objecten. Rondom het plangebied bevinden zich enkele omliggende bedrijven. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van. Op basis van de kamer van koophandel is voor de relevante percelen vastgesteld welke bedrijfsvoeringen aanwezig zijn. In onderstaande tabel is hiervan een overzicht weergegeven, waarbij de van toepassing zijnde SBIcode, milieucategorie en aan te houden richtafstanden zijn weergegeven. Uit de tabel hierna blijkt dat geen van de omliggende bedrijven een overlapping heeft met de richtafstand tot het plangebied.
Hinder in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar mag dan ook niet worden verwacht ter plaatse van het plangebied. Omgekeerd zullen de bestaande bestemmingen niet in hun huidige bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied. Overzicht bedrijven in de omgeving Bedrijf en SBI-2008 code
Locatie
Rundveehouderij 0141,0142 Transformatorgebouw 35, C1
datum referentie
Max. milieucat.
Richtwaarde VNG gemengd gebied
Afstand tot plangebied
Elzenstraat 6/8
3.2
50 m
110 m
Omgeving Adellaan/Adelstraat
2
10 m
45 m
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 72/95
Aldus wordt met het onderhavige bestemmingsplan voldaan aan de richtwaarden zoals die gelden volgens de VNG-publicatie. Omdat echter sprake is van een recreatiebedrijf met diverse functies is maatwerk in onderhavig geval op zijn plaats. Daarvoor biedt een akoestisch onderzoek industrielawaai uitkomst. Daarmee wordt het effect van de totale inrichting na uitbreiding van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op omliggende gevoelige bestemmingen/objecten onderzocht. Verslaggeving van het akoestisch onderzoek is opgenomen in onderstaande paragraaf. Onderzoek bedrijven en milieuzonering met akoestisch onderzoek industrielawaai Wematech heeft in juli 2022 in een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd als bijlage 12. Met het onderzoek is nagegaan in welke mate hinder op kan treden vanuit de omgeving ter plaatse van het plangebied aan de Buitenman 2 te Lage Mierde, waar de realisatie van dag- en verblijfsrecreatie mogelijk wordt gemaakt. Tevens is onderzocht in welke mate hinder kan optreden vanwege het recreatieterrein ter plaatse van de omliggende gevoelige objecten. Hiertoe is een inventarisatie gemaakt van mogelijk belemmerende bestemmingen in de omgeving van het plan op basis van de vigerende bestemmingsplannen.
In voorliggend onderzoek is voor de bestemmingsplannen “Buitengebied 2009”, ‘Wellenseind 3’, ‘Buitengebied 2009, partiele herziening Buitenman 2’ en ‘Landgoed Wellenseind’ beoordeeld welke bestemmingen relevant zijn en mogelijk hinder (geur, stof, geluid en gevaar) ter plaatse van het plangebied kunnen veroorzaken. Tevens is voor de bestemmingen die binnen het plangebied zijn gelegen beoordeeld of mogelijk hinder verwacht mag worden. Voor de bestemmingen die een overlap hebben met het initiatief dan wel met omliggende gevoelige bestemmingen (als gevolg van de bestemmingen binnen het plangebied) is nader beschouwd welke bedrijven daadwerkelijk aanwezig zijn. Uit het hinderonderzoek is gebleken dat geen van de omliggende bedrijven een overlap hebben met het plangebied, waardoor hinder (geur, stof, geluid en gevaar) als gevolg van deze bedrijven niet mag worden verwacht ter plaatse van het plangebied. Omgekeerd zullen de bestaande bestemmingen niet in hun huidige bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en het doorlopen stappenplan uit de VNG publicatie is gebleken dat voor de aspecten stof, geur en gevaar geen relevante hinder mag worden verwacht ter plaatse van omliggende gevoelige objecten als gevolg van de planontwikkeling.
Uitgangspunten akoestisch onderzoek industrielawaai De recreatieve bedrijfsvoering van Landhoeve Buitenman (plangebied) heeft echter wel een overlap met enkele omliggende gevoelige bestemmingen (woningen) voor het aspect geluid. Om de daadwerkelijke geluidbelasting ter plaatse van de gevoelige objecten vast te kunnen stellen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Binnen de bestemming recreatie zijn/worden diverse activiteiten/ voorzieningen geprojecteerd, te weten een: • herberg met terras; • logeeraccommodatie met terras; • kantoor/ werkplaats; • bedrijfswoning; • opslagschuur; groente en kruidenkas met winkel en restaurant met terras (horeca categorie B); • roundhouse stal met rundvee en/of schapen; • landbouwschuur (opslag landbouwvoertuigen en voer); • kleinschalige biologische landbouw; • diverse parkeerplaatsen.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 73/95
Conclusies Uit het onderzoek is gebleken dat als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie niet aan de normstelling van zowel de ruimtelijke ordening als de milieuwetgeving kan worden voldaan. Het toepassen van BBT-maatregelen is hierdoor noodzakelijk. Uit het onderzoek blijkt dat aan de normstelling voor de ruimtelijke ordening en de milieuwetgeving kan worden voldaan indien de navolgende geluidreducerende maatregelen worden toegepast: • Het geluidniveau in zowel het restaurant/ feestzaal en in het café zal teruggebracht moeten worden voor de representatieve bedrijfssituatie. In onderstaande tabel zijn de ten hoogst toelaatbare geluidniveaus in het restaurant/feestzaal en het café per periode weergegeven. • Ter plaatse van de noordzijde van de herberg wordt een afschermende voorziening om het terras geplaatst met een lengte van ca. 8 meter en een hoogte van 2 meter. • Ten zuiden van de verblijfsrecreatie wordt een afschermende voorziening om het terras geplaatst met een lengte van ca. 12 meter en een hoogte van 2,1 meter. • De inham ter plaatse van de zuidgevel van de herberg dient dichtgezet te worden (bijvoorbeeld met een glazen wand). Ruimte
Toegestaan binnenniveau [dB(A)] Dagperiode 07.00-19.00 uur
Avondperiode 19.00-23.00 uur
Nachtperiode 23.00-07.00 uur
Restaurant/feestzaal
82
80
80
Café
82
82
80
Maximale geluidniveaus Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de optredende maximale geluidniveaus ten hoogste 62/59/59 dB(A) in respectievelijk de dag-/ avond- en nachtperiode wordt berekend. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 70/65/60 dB(A) conform zowel de VNG-publicatie als de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. Indirecte hinder Uit de rekenresultaten blijkt dat ten hoogste 39 dB(A) etmaalwaarde wordt berekend ter plaatse van de woning van derden. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de VNGpublicatie. Ruimtelijke ordening Uit de rekenresultaten voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gedurende de representatieve bedrijfssituatie blijkt dat, na het toepassen van BBT maatregelen, ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde wordt berekend. Op grond van tabel 3.2 is deze geluidbelasting te kwalificeren als een goed woon- en leefklimaat. Hieruit kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Omdat als gevolg van de maximale geluidniveaus en de indirecte hinder de richtwaarden uit de VNG publicatie niet worden overschreden kan ook als gevolg van deze aspecten een acceptabel woon- en leefklimaat worden gewaarborgd. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat het plangebied aan de drukke (ca.
9.000 mvt/etmaal) weg Wellenseind (Provinciale Weg N269) is gelegen, waardoor het akoestisch woon en leefklimaat ter plaatse van de
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 74/95
omliggende woningen reeds aangetast wordt. Zo worden op basis van de geluidbelasting per postcodegebied ter plaatse van de omliggende woningen reeds geluidbelastingen van > 60 dB berekend, wat te kwalificeren is als een slecht tot zeer slecht woon- en leefklimaat. Conclusie Na het treffen van geluidreducerende maatregelen aan de herberg en de terrassen kan worden voldaan aan de normstelling uit de VNG-publicatie en kan derhalve een acceptabel woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. De uitvoering van de maatregelen zijn geborgd in de planregels van dit plan. De exacte locatie en beschrijving van de geluidwerende voorzieningen is opgenomen in bijlage 2 van de planregels. 4.9
Geurhinder
Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft onder andere normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van díe veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen; de dominante veehouderij. De gemeente Halderberge heeft geen geurverordening vastgesteld. Derhalve zijn de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Halderberge is niet gelegen buiten een concentratiegebied van veehouderijen. In artikel 3 van de Wgv zijn de geurnormen op gevoelige objecten bepaald. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht.
Onverminderd artikel 3 van de Wgv bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen.
Uitsnede achtergrondbelastingkaart (bron: Atlas Leefomgevingskwaliteit, 2019).
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 75/95
Beoordeling De Wgv vormt uitsluitend het toetsingskader voor veehouderijen. Omgekeerd is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet wenselijk dat gevoelige objecten binnen bestaande geurcontouren van veehouderijen worden opgericht. Met onderhavig initiatief wordt een recreatiebedrijf opgericht en derhalve een gevoelige bestemming opgericht en uitgebreid. Vanwege de grote afstand tot veehouderijen wordt aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De achtergrondbelasting binnen het plangebied is goed (GES 1). Dat wordt bevestigd door de achtergrondbelastingkaart (percentage geurgehinderden). Het plan maakt de oprichting van een nieuw café/restaurant mogelijk. De richtafstand voor een café/restaurant in de VNG-uitgave bedraagt 10 meter. Het nieuwe café/restaurant wordt planologisch mogelijk gemaakt op meer dan 50 meter van bestaande gevoelige objecten aan de Wellenseind. Aan de richtafstand wordt voldaan. De bereiding van voedingsmiddelen leidt niet tot onevenredige geurhinder op omliggende gevoelige functies. Aan de verblijfsrecreatie hoeft niet getoetst te worden, omdat deze uitmaakt van de zelfde inrichting. In de huidige situatie beschikt Landhoeve Buitenman over een milieuvergunning voor het houden van rundvee. In de paragraaf ‘Luchtkwaliteit’ zijn de bestaande vergunde dierenrechten weergegeven.
Het aantal zoogkoeien op deze vergunning bedraagt 150. Dit aantal wordt naar beneden bijgesteld met onderhavig initiatief, tot maximaal het ammoniakplafond in de verleende vergunning Wet natuurbescherming. De nieuwe veebezetting bedraagt dan ongeveer 65-70 zoogkoeien, De overlast van geurhinder afkomstig van runderen wordt derhalve eveneens beperkt. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige objecten in de directe omgeving verbetert ten opzichte van de actuele vergunde situatie. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geurhinder geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. Ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat verzekerd. 4.10 Spuitzones Toetsingskader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen gevoelige objecten zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn dus evenmin bruikbaar (ABRvS 23 september 2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (water toevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht, maar ook hierin zijn geen afstandsnormen voor spuitzones opgenomen. Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, zoals een woon- en tuinbestemming, in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is indicatief. Het is een afstand die door de Afdeling
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 76/95
bestuursrechtspraak van de Raad van State zonder nadere onderbouwing wordt geaccepteerd (ABRvS 23 september 2009, 200900570/1/R2 & ABRvS 15 februari 2006, 200504921/1), maar dat betekent niet dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Met andere woorden: onder omstandigheden kan van de vuistregel worden afgeweken. Omdat elk geval anders is, dient dit per situatie te worden onderzocht en afgewogen. Beoordeling De VNG-publicatie regelt ten aanzien van boomkwekerijbedrijven een richtafstand van 30 meter. De Raad van State past daarentegen de vuistregel toe om een afstand van 50 meter aan te houden tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector en boomteeltsector waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (zie bijvoorbeeld ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855). Landhoeve Buitenman is een biologische boerderij en gebruikt geen chemische bestrijdingsmiddelen. Er zijn daarom geen effecten te verwachten op gevoelige functies binnen het plangebied (verblijfsrecreatie). Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn geen boomkwekerijen gelegen. Een gezondheidseffect omwille spuitzones op de gevoelige functies binnen het plangebied is eveneens niet te verwachten.
Conclusie Spuitzones vormen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling 4.11 Externe veiligheid 4.11.1
Inrichtingen en externe veiligheid
Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met een propaantank op recreatiepark de Hertenwei. Voor deze propaantank geldt een veiligheidsafstand van 15 meter. De afstand van de bestemming ‘Recreatie – 5’, het verblijfsgebied voor recreanten, tot de propaantank bedraagt ongeveer 350 meter.
Het plangebied is derhalve gelegen binnen de veiligheidszone van de propaantank. Binnen het plangebied was van oudsher reeds een recreatiefunctie toegestaan. Daarom is met onderhavig bestemmingsplan geen sprake van de toevoeging van een (beperkt) kwetsbaar object.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 77/95
Uitsnede van de risicokaart. Met de paarse contour is het plangebied geduid. Bron: risicokaart.nl, 2019.
Conclusie Met onderhavig bestemmingsplan is geen sprake van een plaatsgebonden risico. Het groepsrisico neemt niet toe. Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 78/95
4.11.2
Transport en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In de nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes gelegen. Transportroutes vormen geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.11.3
Buisleidingen en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 106 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de inventarisatie is gebleken dat in de nabijheid van het plangebied geen van de genoemde leidingen aanwezig zijn. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan. Voor alle externe veiligheidsaspecten heeft de veiligheidsregio Brabant Zuidoost het standaardadvies van toepassing verklaard. Dit advies is opgenomen als bijlage 13 van de toelichting.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 79/95
4.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Het onderhavige initiatief voorziet in de vestiging en uitbreiding van een recreatiebedrijf op het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf, waarbij een dierenverblijf mogelijk wordt gemaakt en het te verwachten aantal bezoekers per week ongeveer 800 personen bedraagt. In de paragraaf 4.6 is reeds aangetoond dat voor het
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 80/95
houden van dieren de stikstofdepositie is verleend met een vergunning Wet natuurbescherming. Voor het overige geldt dat de toename aan verkeersbewegingen ter plaatse van het plangebied relatief beperkt is. Gelet hierop en gezien de ondergrens van NIBM kan het onderhavige plan als NIBM worden aangemerkt. Bovendien neemt de gewenste veestapel met het initiatief af ten opzichte van de bestaande vergunde situatie. Hierna is een uitsnede van de bestaande milieuvergunning opgenomen. Daarop is te zien dat de ammoniakemissie 635 NH3 kg per jaar bedraagt en de fijnstofemissie 13 pm10/kg/jaar. De aangevraagde emissies met de Wet natuurbescherming bedragen 282,8 kilogram NH3 per jaar. De milieuvergunning wordt hierop aangepast. De fijnstofemissie van koeien zal eveneens meer dan de helft afnemen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief. Ter plaatse van het plangebied is een goed woon- en leefklimaat aanwezig, Fijnstof waarden zijn lager dan 18 microgram per kubieke meter. Dat blijkt uit de landelijke Grootschalige concentratie- en depositiekaarten van Nederland. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
Actueel vergunde situatie Landhoeve Buitenman. Bron: Web-bvb Brabant. Fijn stof concentraties gemeente Reusel-De Mierden. Bron: GCN, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 81/95
Actueel vergunde situatie Landhoeve Buitenman. Bron: Web-bvb Brabant
4.13 Gezondheid en endotoxinen Toetsingskader Op 7 juli 2016 zijn de onderzoeksrapporten ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)’ en ‘Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij’ gepubliceerd, waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door blootstelling aan emissies afkomstig van deze veehouderijen Endotoxinen zijn voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn) stofemissie. Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling heeft een minimale toename van fijn stof tot gevolg (voertuigbewegingen van bewoners). De te verrichten beoordeling kijkt nu met name of de beoogde woning een onaanvaardbare hoge endotoxinebelasting zal ondergaan. In een straal van 2 kilometer rond het plangebied zijn slechts vijf veehouderijen gelegen, namelijk aan de Beekakkerweg 2, Dunsedijk 1a, Mispeleind 10, en Tinnen Pot 6. De dichtstbijzijnde van deze bedrijven is het melkveebedrijf aan de Beekakkerweg 2, gelegen op ongeveer 1 kilometer. Deze bedrijven emitteren nauwelijks fijn stof op grond van de verleende vergunningen. Vanwege de grote afstand tot stallen wordt niet verwacht dat endotoxinen een bedreiging zullen vormen voor de gezondheid van toekomstige bewoners binnen het plangebied. Het plangebied ligt buiten de zone van 2 kilometer van geitenhouderijen.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 82/95
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect gezondheid en endotoxinen geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen in het plangebied. 4.14 Lichthinder Toetsingskader De toelichting van het bestemmingsplan bevat een paragraaf over de wijze waarop in de juridische regeling is omgegaan met het aspect licht. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 onder d Bro. In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Awb. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Er vindt, uitzonderingen daargelaten, geen directe vertaling plaats van het aspect licht in de juridische regeling van het bestemmingsplan (verbeelding en regels). Wel moet in de planvorming rekening worden gehouden met het aspect licht in relatie tot toegelaten functies. Beoordeling Lichthinder als gevolg van de bedrijfsvoering kan, afhankelijk van het jaargetijde, in meer of mindere mate optreden. Ten eerste kan verlichting in bebouwing hinder veroorzaken. Ten tweede kan men hinder ondervinden van verkeer (inschijnende koplampen). Kas Met het plan wordt de bouw van een kas mogelijk gemaakt. De kas bevindt zich op ongeveer 80 meter van de woning van Wellenseind 5. Overige woningen zijn verder weg gelegen.
Voor een recreatiebedrijf wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 50 meter gehanteerd. In een gemengd gebied, wat het geval is langs de Wellenseind, geldt bovendien een richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschots aan voldaan. In het kader van milieuzonering wordt voldaan aan de richtafstand van de kas ten opzichte van het gevoelige object. De kas zal enkel in gebruik zijn voor recreatieve doeleinden. De belichting in de kas zal uitgevoerd worden als sfeerverlichting, niet voor industrieel/agrarisch gebruik. De belichting zal als het donker is enkel gedurende openingsuren van de horeca worden gebruikt. Een en ander is dus nog afhankelijk van de nog aan te vragen horecavergunning. Om lichthinder zo veel mogelijk te voorkomen zal Landhoeve Buitenman voor een gepaste natuurlijke erfafscheiding zorgen ter hoogte van het perceel Wellenseind 5. Daardoor wordt lichthinder vanaf de kas in de woning voorkomen. Inschijnende koplampen Tegenover de inritten van Landhoeve Buitenman zijn geen woningen gelegen. De dichtstbijzijnde woning is de nieuwe ruimte voor ruimte woning aan de Wellenseind, gelegen op 65 meter en 80 meter van de inritten. De rijrichting van de inritten zijn niet gelegen in de richting van deze woning.
Hoewel enige lichtuitstraling als gevolg hiervan niet valt uit te sluiten, kan evenwel worden geoordeeld dat geen sprake is van een onaanvaardbare situatie. Het gaat dan namelijk slechts om kortdurende momenten dat het verkeer de parkeerterreinen verlaat. Verder liggen de woningen rondom Landhoeve Buitenman langs een drukke verkeersweg. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de lichtuitstraling die bewoners eventueel van het plan ondervinden, niet zodanig is dat er geen sprake zou zijn van een goede ruimtelijke ordening.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 83/95
De woning ten noorden van Landhoeve Buitenman kan evenmin lichthinder ondervinden van inschijnende koplampen. Een bestaande schuur tussen de woning en het parkeerterrein op de Landhoeve Buitenman vervult een lichtwerende functie. Bovendien is de erfafscheiding tussen beide percelen van ruim voldoende groen voorzien. Lichthinder als gevolg van inschijnende koplampen is ook hier uitgesloten. Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het aspect lichthinder beoordeeld. Er zijn geen maatregelen nodig ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande, gevoelige, omliggende functies. 4.15 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer2. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 3.
Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.16 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.);
2 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én
leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 3 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 84/95
2. 3.
Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de vestiging en uitbreiding van een recreatiebedrijf. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het onderhavige initiatief voorziet in de vestiging en uitbreiding van een recreatiebedrijf op het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf. Het plan dient getoetst te worden aan activiteit D10 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een permanent kampeer- en caravanterrein.
In het geval van een dergelijk project is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit betrekking heeft op meer dan 250.000 bezoekers per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer heeft of een oppervlakte van 10 hectare of meer heeft in een gevoelig gebied. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Daarnaast is een plan m.e.r.-plichtig als het het houden/fokken van de volgende aantallen vleesrunderen of schapen betreft: • 1200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7); • 2000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3); Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling beneden de drempel waarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 85/95
Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale Milieuverordening. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat een deel van het plangebied gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant. Deze gronden zijn gelegen in het westelijk deel van het plangebied en worden bestemd tot natuur en bos. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de bescherming van deze gronden omdat op deze manier juridisch gezien geen ander gebruik is toegestaan. Ook grenst het plangebied aan een natura 2000 gebied (Kempenland-west) en een Vogel- of Habitatrichtlijngebied. Zoals reeds aangegeven draagt onderhavig plan bij aan de verdere ontwikkeling en bescherming van deze gebieden. Van een (negatieve) externe werking is derhalve geen sprake. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie of een waterwingebied.
Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Bèlvéderegebied. Uit onderhavig hoofdstuk blijkt tevens dat de vestiging en uitbreiding van een recreatiebedrijf op een agrarisch bouwperceel geen nadelige milieugevolgen met zich mee zal brengen als het gaat om bijvoorbeeld geluid of luchtkwaliteit. Conclusie Zoals beschreven in de voorafgaande alinea’s zijn er geen ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’ te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 86/95
5
Juridische plantoelichting
5.1
Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2
Opbouw van de regels
Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3
Regels
5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In het eerste artikel, ‘begrippen’, worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 ‘Wijze van meten’ Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeeldingen geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 87/95
5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Artikel 3 Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden 1 De voor ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, extensief recreatief medegebruik en behoud van landschapswaarden en natuurwaarden. Artikel 4 Groen – Landschappelijke inpassing Deze bestemming is van toepassing op de realisatie van de landschappelijke inpassing. In de regels van de bestemming ‘Recreatie – 5’ wordt een aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – voorwaardelijke verplichting’ opgenomen, waarmee realisatie van de landschappelijke inpassing binnen de bestemming ‘Groen’ wordt verplicht. Artikel 5 Natuur Deze bestemming betreft de gronden die als nieuwe (natte)natuur aangelegd is en wordt. Het betreft gronden die een onderdeel gaan vormen van grotere bos- en natuurcomplexen die onderdeel zijn van het Natuur Netwerk Brabant (NNB), maar in tegenstelling tot de bestemming bosgebied bestaan uit grasland-, heide- en moerasvegetaties. Meer dan in bosgebieden ligt hier het primaire doel bij natuurbeheer. Door voor bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunning verplicht te stellen worden de gronden beschermd tegen aantasting.
Artikel 6 Recreatie – 5 Realisatie van de recreatieve voorzieningen van recreatiebedrijf Landhoeve Buitenman geschiedt op basis van de regels uit deze bestemming. Een bouwvlak en een aantal aanduidingen zorgen ervoor dat de dagrecreatieve voorzieningen geclusterd worden gebouwd ten westen van het bestaande erf. De groente- en kruidenkas met horeca in categorie B is uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – bezoekerscentrum’. Het dierenverblijf is uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – dierenverblijf’. Recreatief nachtverblijf is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – gastenverblijf’. Detailhandel is toegestaan binnen de aanduidingen ‘bezoekerscentrum’ en ‘horeca’. Aan de bestemming zijn voorwaardelijke verplichtingen gekoppeld voor de landschappelijke inpassing en de waterberging en het akoestisch klimaat. Artikel 7 Waarde – Archeologie – archeologische verwachtingswaarde De voor ‘Waarde - Archeologie - archeologische verwachtingswaarde’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische verwachtingswaarden van de gronden.
Artikel 8 – Waarde – Natte natuurparel buffer en Artikel 9 – Waarde – Natte natuurparel kern De voor ‘Waarde - Natte Natuurparel buffer’ en ‘Waarde - Natte Natuurparel kern’ aangegeven gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden in de kern en de bufferzone van de natte natuurparel.
datum referentie
29 juli 2022 172004_AdB_RAP_0001_v3.1
P 88/95
Artikel 10 – Waterstaat – Regionale waterberging De voor ‘Waterstaat - Inundatiegebied’ aangegeven gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor tijdelijke opvang van water en de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde. 5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 11 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 12 Algemene bouwregels In dit artikel is bepaald welke regels er gelden voor bestaande bouwwerken en eventuele herbouw en is bepaald hoe ten aanzien van het bouwen binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ moet worden omgegaan met ondergeschikte bouwdelen. Artikel 13 Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregels zien toe op een verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming. Van dit verbod kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken. Artikel 14 Algemene aanduidingsregels De algemene aanduidingsregels zien toe op een verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming. Van dit verbod kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken.