[22.13731] - 220725 Toelichting
Tekst van het document
27
Buitenman 3, Lage Mierde
Hogeweg 1/1a Het naastgelegen perceel aan de Hogeweg 1/1a heeft een maatschappelijke bestemming. Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' is de volgende specifieke vorm van de maatschappelijke bestemming toegestaan: "centrum voor ruimtelijke vormgeving: expositieruimte met werkruimten, waar geen (permanente) bewoning of verblijf is toegestaan". Op basis van deze specifieke maatschappelijke bestemming, valt deze locatie is te categoriseren onder milieucategorie 2. Er geldt een specifieke aanduiding, zodat de beoogde ontwikkeling tenminste op 10 meter afstand van de naastgelegen perceelgrens mogelijk is. Het naastgelegen perceel betreft Hogeweg 1/1a. De richtafstand van een bedrijf met milieucategorie 2 betreft in een gemengd gebied 10 meter. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling inpasbaar is conform de VNG-milieuzoneringen methodiek.
4.3
Verkeer
Inleiding In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed kunnen zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten deze hebben op de verkeerskundige situatie om in het voorkomend geval de noodzakelijk passende maatregelen te kunnen nemen.
Doorwerking in het planvoornemen In de huidige situatie is binnen het plangebied een bedrijfswoning en een zorgatelier gevestigd. In de nieuwe situatie worden deze objecten gesloopt en wordt binnen het plangebied één woning toegestaan. In vergelijk zullen in de toekomstige situatie minder verkeersbewegingen van- en naar het plangebied plaatsvinden (de maatschappelijke functie van het zorgatelier vervalt immers). In de toekomstige situatie zal het parkeren op eigen terrein moeten plaatsvinden. Het plangebied is voldoende groot en voorziet in voldoende parkeerplaatsen.
4.4
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden. Tot slot heeft het bevoegd gezag volgens Algemene wet bestuursrecht (Awb) als taak om belangen op een evenwichtige wijze af te wegen (art. 3.4) en besluiten deugdelijk te onderbouwen (art. 3.46).
Luchtkwaliteitseisen Op basis van artikel 5.16 Wm kan een bestemmingsplan worden vastgesteld indien: aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde, die behoort bij de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of
28
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen of het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Ruimtelijk-economische besluiten die "niet in betekenende mate" bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht van stoffen waarvoor bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde bevat, worden niet langer, zoals voorheen, individueel getoetst aan die grenswaarden. Als gevolg daarvan kunnen tal van kleinere projecten doorgang vinden, ook in situaties waar nog niet aan de grenswaarden wordt voldaan. De effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).
Bij besluitvorming is het dus van belang om te bepalen of een initiatief "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate" (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO² en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Doorwerking in het planvoornemen Het planvoornemen omvat het oprichten van één woning en de sloop van een bedrijfswoning en een zorgatelier. Met de ontwikkeling zijn activiteiten met een hoge luchtverontreiniging uitgesloten. Een dergelijke ontwikkeling is in de lijst uit de Regeling NIBM opgenomen. Hier kan daarom worden volstaan met de aanname dat de ontwikkeling van geringe omvang is en dat de luchtkwaliteit als gevolg hiervan “niet in betekende mate” zal verslechteren.
Volgens de monitoring NSL van de Rijksoverheid is de luchtkwaliteit rond de dichtsbijzijnde meetpunten (N269 Wellenseind) goed. De waarde van het dichtsbijzijnde punt bedraag 15.9 µg/m³ (NO2-concentratie), 18,1 µg/m³ (PM10-concentratie), 18,14 (PM2.5-concentratie), <0.75µ/m³ (EC-concentratie) en heeft 6,4 PM10 overschrijdingsdagen. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Nu de luchtkwaliteit niet in betekende mate zal verslechteren zal dit ook in de nieuwe situatie zo blijven. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Stikstofdepositie
Wettelijk kader Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) dient bij nieuwe activiteiten getoetst te worden of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden. Het plangebied grenst aan Natura 2000-gebied Kempenland - West. De Reusel maakt hiervan onderdeel uit. "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
29
Buitenman 3, Lage Mierde
In de beslisboom voor stikstofdepositie (hieronder) zijn de stappen weergegeven om vergunningsplicht vast te stellen.
Figuur 4.2 Beslisboom v oor stikstof depositie
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Hierin worden tijdelijke bouw- en sloopactiviteiten vrijgesteld van vergunningplicht. De vrijstelling geldt voor mobiele werktuigen, bouwverkeer én omleidingsroutes.
Vanuit vergunningverlening (Wnb) wordt alleen nog gekeken naar de permanente stikstofemissies en bijbehorende depositie tijdens de gebruiksfase, bijvoorbeeld door toename van verkeer en/of andere routeringen ervan.
Doorwerking in het planvoornemen Met de beoogde ontwikkeling neemt de structurele stikstofdepositie af omdat er met een maatschappelijke bestemming met een bedrijfswoning meer transportbewegingen naar het perceel te verwachten valt dan bij de functie waarin alleen wonen is toegestaan. De stikstofdepositie van de realisatiefase is vrijgesteld en hoeft niet te worden getoetst. De stikstofdepositie is door de gemeente beoordeeld. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
30
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
4.6
Geluidhinder
Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.
Wegverk eerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.
Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied.
Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting.
De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh). Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde.
Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; 5 dB voor overige wegen. Industrielawaai Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
31
Buitenman 3, Lage Mierde genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd. In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidsbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente een hogere waarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A).
Onderzoeksresultaten Een geluidsonderzoek is uitgevoerd voor de wijziging van het bestemmingsplan van Buitenman 3, zie Bijlage 1. Uit dit onderzoek komen de volgende aandachtspunten.
Wegverk eerslawaai en geluidbeleid gemeente Reusel – De Mierden: Vanwege de Buitenman is de maximale afstand tot de 48 dB contour 20 meter en de maximale afstand tot de 53 dB contour 10 meter. Indien de nieuwe woning meer dan 20 meter van de wegas wordt gebouwd, zullen er geen overschrijdingen op de gevels optreden. Wordt de nieuwe woning binnen 20 meter van de wegas gebouwd, zal het verlenen van hogere waarden noodzakelijk zijn. In dit geval zal de achtergevel van de woning geluidluw zijn, waarmee voldaan wordt aan het geluidbeleid van de gemeente Reusel – De Mierden. In de onderstaande tabel zijn de dB waarden op de gevel op respectievelijk 1,5, 4,5 en 7,5 meter weergegeven.
Rekenhoogte [m]
Afstand wegas tot geluidcontour [m] 48 dB
53 dB
1,5
18
10
4,5
20
9
7,5
20
8
Tabel 4.2 Geluidsniv eau in relatie tussen de af stand v an de gev el v an de woning en de wegas
Om de afstand van 20 meter vanuit de wegas te kunnen garanderen wordt het bouwvlak voor de nieuw te bouwen woning op deze afstand tot de wegas gelegd. Hierdoor zijn er geen aanvullende maatregelen vereist.
Doorwerking in het planvoornemen Op basis van het geluidonderzoek is er voor gekozen om het bouwvlak op 20 meter van de wegas te projecteren. Daarmee wordt voldaan ten aanzien van de toetsresultaten van geluidhinder.
4.7
Geurhinder
Wettelijk kader De Wet geurhinder en veehouderij schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen
32
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden.
De grondslag hiervan ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij besluitvorming rond een bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Er moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad.
Ook voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (Belang veehouderij) (voorgrondbelasting); Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (Belang geurgevoelig object) (achtergrondbelasting). Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het plangebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang veehouderij). Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang geurgevoelig object).
Beoordeling belangen veehouderij (voorgrondbelasting) In de directe omgeving van het plangebied Buiteman 3 zijn de volgende veehouderijen aanwezig: Beekakkersweg 2 (ongeveer 1080 m) Beekakkersweg 3 (ongeveer 880 m) Buitenman 2 (ongeveer 340 m) Elzenstraat 6 (ongeveer 450 m) Elzenstraat 2 (ongeveer 650 m) De provincie Noord-Brabant heeft in 2013 een de kaart "GES Geur veehouderij op basis van hinderpercentages (2013), Noord-Brabant" ontwikkeld. Op deze kaart is een GES-score (Gezondheids Effect Screening-score) op basis van de opgetelde geurbelasting zichtbaar veroorzaakt door veehouderijen. De GES-scores zijn gebaseerd op een bepaalde kans op geurhinder. Een hinderkans van 5% betekent dat 5% van de mensen die daarnaar gevraagd wordt in een hinder-enquête aangegeven dat zij soms of vaak last hebben van geurhinder. De GES score wordt als volgt beoordeeld.
GES-score: 0 (Zeer goed) 1 (Goed) 3a (Redelijk tot vrij matig) 3b (Vrij matig tot matig) 4 (Matig) 6 (Onvoldoende) 7 (Ruim onvoldoende)
Hinderkans: 0% 0 – 5% 5 – 12% 12 – 20% 20 – 25% 25 – 39% >=39%
In figuur 4.3 is een uitsnede van de GES kaart weergegeven. Op basis van deze kaart herleidbaar dat het plangebied (stip) in een groen vlak gelegen is. Een donkergroen vlak heeft de GES-score goed.
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
33
Buitenman 3, Lage Mierde
Figuur 4.3: Uitsnede v an de kaart: 'GES Geur v eehouderij obv hinderpercentges (2013), Noord-Brabant'
Doorwerking in het planvoornemen Rekening houdend met de geringe omvang van het project (de sloop van een woning en de realisatie van een nieuwe woning op enkele meters afstand), verandert de geursituatie niet of is verwaarloosbaar ten opzichte van de huidige situatie. De aanwezige veehouderijen liggen op relatief grote afstand van het plangebied (340 meter of meer). Het plangebied is gelegen in een gebied waar weinig hinderkans is (0-5%) op basis van de CES-score. Deze kans zal niet toenemen met de beoogde ontwikkeling. Op grond van het voorgaande kan geconstateerd worden dat geurhinder geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid
Wettelijk kader
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het BRZO vallen, LPG-tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR). Het verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen hiermee rekening te houden. Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) In de regeling staan regels over de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op grond van het Bevi zijn in de Revi voor een aantal bedrijfscategorieën (zoals LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties, opslagplaatsen) vaste veiligheidsafstanden opgenomen.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is vergelijkbaar met het Bevi, maar dan van toepassing op buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het gaat om buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm (1,97 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa (16 bar) en om buisleidingen voor aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm (2,76 inch) en een druk van meer
34
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde dan 1600 kPa. Buiten de regels over het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico is in het Bevb bepaald dat in een bestemmingsplan de ligging van buisleidingen wordt weergeven en dat een regeling wordt opgenomen voor de belemmeringenstrook. Deze belemmeringenstrook ligt op vijf meter aan weerszijden van de buisleiding of vier meter in geval van aardgasleidingen met een druk tussen 1600 en 4000 kPa.
Doorwerking in het planvoornemen In de omgeving van het plangebied is één relevante risicobron, een bungalowterrein met een bovengrondse propaantank van 8 m³. Het plangebied ligt ruim buiten de aanwezige risicoafstanden van deze propaantank. Daarmee wordt de propaantank als niet relevant beschouwd. Verder kan worden opgemerkt dat in de nieuwe situatie het aantal woningen gelijk blijft en de aanwezige maatschappelijke functie zal verdwijnen. Het aantal aanwezige personen zal afnemen, zodat de ontwikkeling een positief effect heeft op het groepsrisiconiveau van de bevoorradingsroute.
Figuur 4.4 Aanwezige risicobronnen (ev -signaleringskaart.nl)
4.9
Bodemkwaliteit
Wettelijk kader In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden mocht bestaan van een saneringssituatie.
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
35
Buitenman 3, Lage Mierde
Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien niet aan die voorwaarden kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd.
Doorwerk ing in het planvoornemen In 2020 heeft MILON bv in het kader van de onderhavige ontwikkeling aan de Buitenman 3 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in zijn geheel terug te vinden als Bijlage 2 bij deze toelichting. Hieronder wordt kort ingegaan op de conclusies van dit onderzoek.
Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse is ten hoogste een licht verhoogde concentratie barium aangetoond in het grondwater en er is geen asbestgehalte boven de grenswaarde voor nader onderzoek aangetoond.
Aanvullend of nader onderzoek is niet noodzakelijk. Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige gebruik van de locatie en de voorgenomen transactie.
Algemeen wordt opgemerkt dat dit verkennend bodemonderzoek geen bewijsmiddel is zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond kan een partijkeuring (AP04) noodzakelijk zijn.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.
4.10
Water
Wettelijk kader In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
Doorwerking in het planvoornemen Met de beoogde ontwikkeling worden er geen negatieve effecten verwacht op gebied van water. Met de beoogde ontwikkeling wordt een deel van het plangebied bestemd als natuur ten behoeve van beekherstel de Reusel. De bedrijfswoning en het zorgatelier zullen worden gesloopt en er zal één nieuwe woning worden gerealiseerd. De nieuwe woning zal op voldoende afstand van de nieuwe ligging van de beek worden gerealiseerd, waardoor er geen hinder van de bijbehorende grondwatereffecten zal optreden. Hiermee neemt het bebouwde oppervlak af en zal er een positief effect optreden ten aanzien van waterinfiltratie.
36
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
4.11
Ecologie
Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming.
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten.
Onderzoek plangebied Het herinrichten van de locatie en het slopen van de aanwezige bebouwingen is een ruimtelijke ingreep zoals bedoeld in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Om na te gaan of (negatieve) effecten op onder de Wnb beschermde soorten kunnen optreden, is een toets nodig in het kader van de Soortenbescherming (Hoofdstuk 3 van de Wnb). De gegevens die voortvloeien uit de quickscan geven duidelijkheid of een aanvullend onderzoek en een daaruit volgende toetsing aan het onderdeel Soortenbescherming van de Wnb (natuurtoets) noodzakelijk is.
Gebiedsbescherming De voorgenoemde ontwikkeling is in het kader van het uitvoeren van de quickscan verder niet getoetst aan de Gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de Wnb). In paragraaf 4.5 Stikstofdepositie is hierop al ingegaan.
Houtopstanden De houtopstanden zijn geregeld in Hoofdstuk 4 van de Wnb. Binnen het plangebied waar een woonbestemming wordt gerealiseerd worden geen bomen worden gekapt. De 3 beschermingsregimes voor houtopstanden zijn daarmee niet aan de orde. Doet zich de situatie voor dat er wel gekapt moet worden, dan dient hier nog op te worden getoetst. Mogelijk dat dan een herplantplicht aan de orde is. Er vindt wel bomenkap plaats binnen het projectgebied Beekherstel. Deze bomenkap is vrijgesteld van toetsing.
Een beknopte beschrijving van de natuurwet en -regelgeving is in Bijlage 3 opgenomen.
Natuurnetwerk Brabant (NNB) De bestemming 'Natuur' betreft ongeveer de helft van het plangebied en vormt het meest westelijke deel van het plangebied. Binnen de natuurgebieden in Brabant is dit gedeelte aangegeven als zoekgebied. "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
37
Buitenman 3, Lage Mierde Meer specifiek is het aangegeven als 'nog om te vormen'. Door dit bestemmingsplan wordt de bestaande bebouwing afgebroken en wordt het plangebied deels NNB. Het plangebied maakt onderdeel uit van het Beekherstelproject van de Reusel, waardoor de begrenzing van de NNB al geregeld is. De provincie is vanaf het begin betrokken geweest bij de totstandkoming van dit plan, zodat verdere afstemming niet nodig is voor wat betreft NNB en haar begrenzing.
Conform het Natuurbeheerplan Noord-Brabant ligt er parallel aan de weg Buitenman een strook NNB van in totaal 1.352 m². Het betreft hier het natuurdoeltype N16.04, Vochtig bos met productie'. Deze strook moet de bestemming 'Natuur' krijgen om blijvend te kunnen vallen onder het NNB. Op onderstaande figuur is globaal de begrenzing van het NNB aangegeven (groene kleuren), inclusief het grijze gebied, 'nog om te vormen'.
Figuur 4.5 Gedeelte Natuurnetwerk op basis van kaart Natuurgebieden in Brabant
Onderzoeksvragen quickscan Het onderzoeksrapport, zie Bijlage 3, geeft een algemene indruk van het plangebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch beschermde soorten. De onderzoeksvragen zijn als volgt: 1. Welke beschermde soorten kunnen in of rondom het plangebied binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep verwacht worden of zijn op basis van aanwezige biotopen niet uit te sluiten? 2. Is voor het uitvoeren van de ingreep aanvullend onderzoek nodig om de aanwezigheid van beschermde soorten na te gaan? Zo ja, voor welke soorten? 3. En welke effecten kunnen deze beschermde soorten ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteit? 4. Is voor het uitvoeren van de ruimtelijke ingreep een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming aan de orde? Onderzoeksresultaten Uit de quickscan komt het volgende naar voren: 1. Beschermde vaatplanten, grondgebonden zoogdiersoorten, vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde nesten van vogels, algemene broedvogels, amfibieën en ongewervelde diersoorten komen voor of kunnen op basis van de aanwezige habitat niet worden uitgesloten. 2. Beschermde vissen en reptielen komen niet voor of kunnen op basis van de aanwezige habitat
38
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde worden uitgesloten. Het is daardoor voor deze soortgroepen uitgesloten dat negatieve effecten optreden. 3. Voor beschermde vaatplanten, grondgebonden zoogdiersoorten, jaarrond beschermde nesten van boombroedende vogels, amfibieën en ongewervelde diersoorten geldt dat: a. Negatieve effecten te voorkomen zijn door niet te werken in de beekloop van de Reusel en/of aan de oevers, de aanwezige opgaande structuren zo veel als mogelijk behouden en de poel ten zuiden van het plangebied in zijn geheel te behouden. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de broedperiode van vogels en de winterperiode van Alpenwatersalamander. b. Indien de uitvoering van de werkzaamheden hier op wordt aangepast, treden geen (significant) negatieve effecten op en hoeft geen nader onderzoek en/of een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. c. Er kunnen algemene grondgebonden zoogdiersoorten en algemene amfibieën in het plangebied voorkomen. Voor deze soorten geldt bij ruimtelijke ingrepen een vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing voor overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Wel is te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11) van toepassing. 4. Voor vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van gebouwbroedende vogels (huismus) geldt dat: a.
Nader onderzoek naar het voorkomen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen en van huismus noodzakelijk is om na te gaan wat de functie van het gebouw (woonhuis en zorgatelier) is voor beschermde soorten en of sprake is van overtreding van de verbodsbepalingen. b. Gezien de aanwezige sporen van vleermuizen (soort en aantal onbekend), is de voorgenomen planning om de woning in het voorjaar van 2021 te slopen niet haalbaar. 5. Voor algemene broedvogels geldt ten slotte dat zij in het plangebied tot broeden kunnen komen. Globaal gesproken loopt de broedperiode van half maart tot half juni, dit is afhankelijk van de klimatologische omstandigheden. Ten aanzien van broedende vogels zijn in het kader van de Wnb geen overtredingen van verbodsbepalingen te verwachten mits: a. buiten het broedseizoen wordt gewerkt (periode van augustus tot 15 maart) of; b. voor het broedseizoen wordt begonnen zodat broedvogels tijdig een andere broedlocatie kunnen kiezen en zo niet verstoord worden. Nader onderzoek Voor vleermuizen en huismussen is een nader onderzoek bij de woning en het zorgatelier noodzakelijk om na te gaan welke functie de bebouwing heeft voor deze soorten.
Vleermuizenonderzoek moet in specifieke perioden van het jaar uitgevoerd worden. Het onderzoek wordt conform de voorschriften van het vigerende Vleermuizenprotocol uitgevoerd. Globaal gesproken worden er minimaal 2 à 3 bezoeken in het voorjaar (periode van half april tot eind juni medio juli) en minimaal 2 bezoeken in het najaar (periode vanaf juli tot half oktober) uitgevoerd, waar de bezoeken vaak minimaal 20 tot 30 dagen uiteen liggen. Het onderzoek is noodzakelijk om uitsluitsel te geven over de aanwezige soorten, aantallen en verblijfsfuncties (kraam-, zomer-, paar- en/of winterverblijfplaats).
Onderzoek naar huismus dient plaats te vinden conform de voorschriften uit het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei (of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni) geen aanwezigheid kan worden aangetoond.
Doorwerk ing in het planvoornemen Voor de sloop van de bebouwing is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Voorafgaaand aan de sloop dient nader onderzoek te zijn verricht. Het verlenen van een omgevingsvergunning is hierna pas mogelijk.
Resultaten nader onderzoek "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
39
Buitenman 3, Lage Mierde
Door Vos Natuurbeheer is nader onderzoek uitgevoerd op basis van de quickscan Flora en Fauna. Het rapport is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Onderzoek heeft uitgewezen dat: in het te slopen woonhuis is één kraamkolonie van de gewone dwergvleermuis aanwezig; in het te slopen gebouw is één zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis aanwezig; de aanwezigheid van een of enkele gewone dwergvleermuizen in de winter in het gebouw is niet uit te sluiten; andere essentiële functies voor vleermuizen als foerageergebied en vliegroute zijn aanwezig binnen het plangebied echter zijn er geen negatieve effecten op deze functies te verwachten. Er worden geen bomen gekapt waardoor deze functies behouden blijven; in het plangebied zijn geen functies voor huismus aanwezig. Sloop van het woonhuis heeft tot gevolg dat één kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis worden vernield. Voorgaande wordt gezien als een overtreding van artikel 3.5 lid 4 van de Wet natuurbescherming. Het tijdig aanbieden van vervangende verblijfplaatsen biedt mogelijkheden om het effect te mitigeren, mits de vleermuizen voldoende tijd hebben om deze vervangende verblijfplaatsen te ontdekken en daar naar kunnen uitwijken. Bij de mitigerende maatregelen moet rekening worden gehouden met het aantal dieren dat van de verblijfplaats gebruik maakt.
Verder is de kans dat bij de sloop van de woning mogelijk gewone dwergvleermuizen worden verstoord. Een overtreding op grond van artikel 3.5 lid 3 van de Wet natuurbescherming. Een effect dat niet te vermijden is. Ook hier geldt dat tijdig vervangende verblijfplaatsen dit effect kunnen mitigeren. Ook bestaat de kans dat bij de sloop de gewone dwergvleermuizen worden gedood. Een overtreding op grond van artikel 3.5 lid 1 Wet natuurbescherming. Deze effecten kunnen voorkomen door tijdig voorafgaande aan de sloop maatregelen te nemen waarmee vleermuizen uit het gebouw worden geweerd.
Voorts kunnen ingrepen negatieve effecten hebben zoals het verstoren van broedende vogels, het vernielen van nesten van vogels of het doden van egels. Deze effecten worden gezien als overtredingen op grond van de Wet natuurbescherming. Deze effecten zijn te voorkomen door te werken buiten het broedseizoen en door werkzaamheden door een ter zake deskundig ecoloog te laten begeleiden.
Activiteitenplan In verband met de aanwezigheid van een kraamverblijfplaats en een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en mogelijk dat in de winter in het gebouw ook gewone dwergvleermuizen aanwezig zijn en op basis van de zorgplicht moet de sloop op aangepaste wijze worden uitgevoerd. Ten behoeve is hiervoor een activiteitenplan opgesteld.
Vervangende verblijfplaatsen Ter vervanging van de kraamverblijfplaats en de zomerverblijfplaats wordt er een vleermuistoren gebouwd binnen een straal van 100 meter vanaf de huidige kraamverblijfplaats en zomerverblijfplaats. Deze vleermuistoren zal een vergelijkbare bouwwijze hebben als de huidige woning met de zelfde hoogte en positionering. Er komt een bakstenen toren met spouwmuur en verschillende openingen in de buitenmuren waar vleermuizen de spouw in kunnen. Daarnaast komt er een gepotdekselde boven gevel in het schuine gedeelte waar meer dan voldoende ruimtes aanwezig zijn voor vleermuizen om in te kruipen. Er komt een pannendak op de toren die vergelijkbaar is met het huidige pannendak met kraamverblijfplaats in het woonhuis met van binnen ook de zelfde balkenconstructie. In afbeelding 3 wordt een vergelijkbare vleermuistoren getoond. Het uiteindelijke ontwerp zal t.z.t. overlegd worden
40
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde samen met de ontheffingsaanvraag.
Werende maatregelen Om te voorkomen dat de gewone dwergvleermuizen bij de sloop worden gedood worden er voorafgaande aan de sloop werende voorzieningen getroffen. Bij de bekende kraam-, en zomerverblijfplaats worden exclusion flaps toegepast. Dit betreft twee lagen stevige folie. De onderste laag wordt tegen de muur aangebracht zodat vleermuizen daar niet op kunnen landen. De tweede laag wordt daarboven aangebracht op zo'n manier dat er een kier van enkele centimeters ontstaat tussen de twee lagen folie. De uitvliegopening blijft hierbij vrij zodat vleermuizen kunnen wegvliegen maar niet bij de verblijfplaats kunnen terug keren. Ook bij alle andere mogelijke verblijfplaatsen worden op die manier vleermuizen uit het gebouw geweerd. Deze maatregel wordt uitgevoerd tenminste drie dagen voor de sloop van het gebouw in een periode waarin de avondtemperatuur niet beneden de 10°C daalt. Na twee dagen vindt 's avonds een controle plaats door vleermuisdeskundigen waarbij wordt nagegaan of er inderdaad geen vleermuizen uit het gebouw komen. Als dat het geval is kan het gebouw gesloopt worden. Als er onverhoopt toch nog vleermuizen uit het gebouw komen worden in overleg met een vleermuisdeskundige aanvullende maatregelen getroffen waarna nogmaals een controle plaatsvindt.
Ontheffingsaanvraag in kader Wet natuurbescherming In februari 2021 is een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming ingediend. De aanvraag is gedaan op basis van een aangetroffen kraam- en paarverblijf van de gewone dwergvleermuis. De ontheffing is gedaan voor het opzettelijk verstoren en voor het beschadigen of vernielen van een vaste rust- of verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. De ontheffingsaanvraag is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.
Conclusie: op basis van de ontheffingsaanvraag.
4.12
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1998. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet welke naar verwachting in 2019 in werking treedt. Tot die tijd valt dit onderdeel binnen de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Hierin staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
Onderzoek In het kader van het beekherstel Reusel De Mierden is een archeologisch bureau onderzoek en een cultuurhistorische verkenning verricht. Het onderhavige plan maakte deel uit van het onderzoeksgebied van de Natte Natuurparel. Uit dit onderzoek komt naar voren dat het plangebied is gelegen in een archeologisch- en cultuurhistorisch waardevol landschap. Het onderzoeksrapport van het beekherstel is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
41
Buitenman 3, Lage Mierde
Figuur 4.6 Cultuurhistorische Waardenkaart (Prov incie Noord-Brabant.nl)
Doorwerking in het planvoornemen Op basis van de archeologische verwachtingskaart en de gegeven afwegingen voor het nemen van natuurmaatregelen kan een ruimtelijk ontwerp worden opgesteld. Hoe hoger de verwachting, hoe groter en dieper de ingrepen, hoe omvangrijker het archeologisch risico, met name op de ter plaatse bekende vindplaatsen. Uitgangspunt is dat de bekende vindplaatsen ruimtelijk worden gespaard. Op basis van het ruimtelijk ontwerp volgt een archeologisch vervolgonderzoek op de plekken waar daadwerkelijk graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Een dergelijk onderzoek zal in eerste instantie verkennend zijn om de in dit onderzoek opgestelde verwachting te toetsen en de intactheid van de bodem te bepalen. Het onderzoek zal enkel betrekking hebben op de het gebied met de natuurbestemming.
In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' is archeologische waarde al eerder vastgesteld. Voor het oostelijk gedeelte van het plangebied, waarbinnen de nieuwbouwwoning zal worden gerealiseerd wordt de archeologische dubbelbestemming overgenomen. Op deze wijze worden de (mogelijke) archeologische waarden binnen dit gedeelte zeker gesteld. Immers voor het oprichten en/of sloop van een object is archeologisch onderzoek vereist.
Cultuurhistorie Zoals gezegd is het plangebied een eerste stap naar het beekherstel. Er bestaat een risico dat het beekherstel en versterking van de natuurwaarden leiden tot aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen en verlies van samenhang in het landschap. De belangrijkste elementen die het landschap
42
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde samenhang geven zijn de kleinschalige strookvormige percelering in de beekdalen, de historische zandwegen, de lanenstructuur, de akkercomplexen en de heiderestanten. Om de unieke elementen van de Kempen ook in de toekomst te behouden is aan de provinciale cultuurhistorische waardenkaart een strategie opgesteld voor omgang met de cultuurhistorische waarden. Voor het plangebied bestaat deze strategie uit de volgende kernpunten: Behoud door (her)ontwikkeling of versterking van de samenhang van dragende structuren van de regio; De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten; Planologische bescherming van de waarden/kenmerken van de landgoederen. Als algemeen uitgangspunt geldt dat het beekherstel en de natuurontwikkeling plaatsvindt door afstemming op het karakter van het betreffende landschapstype. Er wordt daarbij rekening gehouden en gebruik gemaakt van bestaande wal- en houtsingelstructuren, wegenstructuren en verkavelingsstructuren. Voor de beekdalen wordt aansluiting gezocht bij de kenmerkende kleinschalige strookvormige percelering. In het oude agrarische cultuurlandschap dient de verkaveling en opbolling van akkercomplexen behouden te blijven.
Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden er geen werkzaamheden verricht waardoor het cultuurhistorisch landschap en/of objecten negatief worden aangetast. Door natuurontwikkeling in het westelijk deel van het plangebied heeft dit een positief effect op de landschapskwaliteit als geheel. Het onderhavige plan maakt het mogelijk om het gebied meer te laten aansluiten op het omliggende waardevolle landschap in vergelijk met de huidige situatie.
4.13
Hoogspanningslijnen
In de nabijheid van het plangebied (Buitenman 3) zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. De dichtsbijzijnde hoogspanningslijn ligt in de nabijheid van Hapert (ongeveer 10 km ten zuidoosten van het plangebied). Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
4.14
Spuitzones gewasbescherming
Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een afstand van 50 meter aangehouden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel.
Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt op de locatie en de plaatselijke omstandigheden. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering.
Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van akkers welke in gebruik zijn voor open teelten zoals "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
43
Buitenman 3, Lage Mierde boomteelt.
44
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planopzet
Algemeen
Het bestemmingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een bestemmingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden.
Het bestemmingsplan is een digitaal bestand in gml-formaat, waarin geometrisch bepaalde planobjecten zijn vastgelegd. Technisch gezien is een bestemmingsplan zodoende een verzameling objecten (zoals bestemmingsvlakken), waaraan informatie (zoals ligging en naam) is gekoppeld. Om het plan te kunnen raadplegen zijn in feite drie onderdelen van belang: een digitale en analoge verbeelding van de geometrisch bepaalde planobjecten (plankaart); de juridisch bindende regels van het bestemmingsplan (planregels); een bijbehorende toelichting (plantoelichting). Het bestemmingsplan kan geraadpleegd worden door middel van computersoftware; in ieder geval via de internetpagina www.ruimtelijkeplannen.nl. Met de software kunnen verschillende kaarten van het bestemmingsplan opgeroepen worden door het aan- of uitvinken van planobjecten. Door interactie met het kaartbeeld worden de regels van de betreffende bestemmingen weergegeven. Ook kan de toelichting worden opgeroepen.
Om de vergelijkbaarheid te bevorderen bestaat er een landelijke standaard voor de verbeelding van bestemmingsplannen (SVBP2012). De toepassing van de SVBP2012 is verplicht. Hiermee wordt geborgd dat alle bestemmingsplannen overeenkomen voor wat betreft kleurgebruik, naamgeving, gebruik van arceringen en dergelijke.
Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de koppeling tussen de regels en de verbeelding. In de volgende paragraaf staat uitgelegd welke systematiek voor dit bestemmingsplan gehanteerd is en hoe de eigenschappen van het plangebied zich hebben vertaald in de toegekende bestemmingen. De paragraaf daarna geeft een korte toelichting per artikel van de planregels.
5.2
Plansystematiek
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Alleen de regels en de verbeelding zijn juridisch bindend. De plantoelichting bevat de achtergronden, onderzoeken en motieven van het plan. De toelichting is enerzijds voor de besluitvorming van belang, maar kan daarnaast van belang zijn bij het interpreteren van de regels of de verbeelding. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. De juridische planopzet en de inhoud van de toegekende bestemmingen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voortvloeiende uit de Wro is het plan mede gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
Op de verbeelding zijn bestemmingen toegekend aan de diverse aanwezige functies. Bij het opstellen van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
45
Buitenman 3, Lage Mierde
5.3
Toelichting op de regels
Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. De bestemmingen en gebiedsaanduidingen zijn grotendeels overgenomen uit het voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2021 en daar waar nodig afgestemd op onderhavig plan. Hieronder worden de in het plangebied voorkomende bestemmingen beschreven.
Enkelbestemmingen Artikel 3: Natuur Het westelijk deel van het plangebied, dat direct aan de Reusel is gelegen, wordt bestemd als Natuur. Het betreft grond die in het kader van het project beekherstel Reusel de Mierden ingericht zal worden ten behoeve van natuurontwikkeling.
Door voor bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunning verplicht te stellen worden de gronden beschermd tegen aantasting.
Artikel 4: Wonen Het oostelijk deel van het plangebied wordt bestemd als Wonen. De regels ten aanzien van de woonbestemming in het bestemmingsplan Buitengebied zijn hier van toepassing. In feite is de bestemming 'Wonen' voor zover van toepassing overgenomen, toegesneden op de feitelijke situatie.
Op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bouwwerken' zijn de betreffende gronden niet aan te merken als achtererfgebied, zoals bedoeld in artikel 1 behorende bij bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze aanduiding is opgenomen om te voorkomen dat (vergunningvrije) bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de functie wonen. Op deze manier wordt de afstand tussen het naastgelegen bedrijf en de (eventuele) bouwwerken bij de woning geborgd. Verder wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt voorkomen dat de bedrijfsvoering wordt beperkt op het naastgelegen perceel.
Dubbelbestemmingen Artikel 5 en 6: Waarde - Archeologie 3 respectievelijk Waarde - Archeologie 4.1 De voor ‘Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4.1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische verwachtingswaarden van deze gronden. Beide bestemmingen zijn integraal overgenomen uit het voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2021,
Artikel 7: Waarde - Attentiegebied Natuuur Netwerk Brabant' Over het gehele plangebied geldt hier de betreffende bestemming. De bestemming moet voorkomen dat de huidige hydrologische situatie van de nabijgelegen hydrologisch kwetsbare natuurgebieden niet verder verslechtert. Extra bescherming wordt mogelijk gemaakt door een omgevingsvergunningplicht voor werkzaamheden en ingrepen in het gebied, die invloed hebben op de waterhuishouding.
46
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
Gebiedsaanduidingen Het gaat hierbij om verschillende aanduidingen, die voor een deel hun oorsprong vinden het geldende bestemmingsplan. Waar nodig zijn de aanduidingen voorzien van een beschrijving. overige zone - behoud en herstel watersystemen Deze gronden zijn vooral bedoeld voor de instandhouding van waarden voor de verwezenlijking, behoud en herstel van de ontwikkeling van een natuurlijk watersysteem. Deze gebieden hebben ruimtelijke beperkingen voor activiteiten die het realiseren van het watersysteemherstel belemmeren of onnodig kostbaar maken. In het plangebied is bij de inrichting hier rekening mee gehouden. overige zone - beperking veehouderij Doel van deze aanduiding is om verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Voor begrenzing is aansluiting gezocht bij de extensiveringsgebieden rondom kernene en natuur volgens de Reconstructiewet. overige zone - groenblauwe mantel Het gaat hier om gronden grenzend aan en rondom kerngebieden natuur en water die bijdragen aan de bescherming van de waarden in het natuurkerngebied. De gronden met deze aanduiding hebben zowel een bufferfunctie als een verbindende functie tussen de afzonderlijk meest waardevolle natuurgebieden. overige zone - zoekgebied waterberging Het gaat hierbij om gronden die als reserveringsgebieden waterberging gelden.
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
47
Buitenman 3, Lage Mierde
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te geven over de uitvoerbaarheid van het plan. Volgens de Wro moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal op een andere wijze is gegarandeerd. Van een dergelijk bouwplan is in dit geval sprake (artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening).
Het Waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant hebben de percelen en gebouwen aangekocht en dragen het risico voor de sloop. Voor de gemeente is hiermede de financiële uitvoerbaarheid voldoende verzekerd. De conclusie is dan ook dat het plan financiële uitvoerbaar kan worden geacht.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak Op grond van artikel 3.1.6 onder e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken.
Samen Doen Het overkoepelend project “Beekherstel Reusel De Mierden Noord” is in samenwerking tussen de gemeente Reusel-De Mierden, Stichting Brabants Landschap, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO), provincie Noord-Brabant en particuliere grondeigenaren. Aan de totstandkoming van dit project zijn meerdere werksessies, informatiebijeenkomsten en individuele keukentafelgesprekken vooraf gegaan. Het project voor herinrichting wordt door de deelnemende partijen breed gedragen. Met de directe omgeving rond het plangebied (Buitenman 3 Lage Mierde) zijn afgelopen periode meermaals individuele gesprekken gevoerd. Meer specifiek over het beekherstel en over vervangende woningbouw. Het plan is goed ontvangen.
Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1, lid 1 juncto artikel 3.1.6, lid 1 onder c Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Een concept van het ontwerpbestemmingsplan wordt voorgelegd aan vooroverlegpartners.
Zienswijzen Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) ligt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken voor een ieder ter visie.
48
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
Bijlage bij toelichting
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
49
Buitenman 3, Lage Mierde
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek
50
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
RAPPORT Buitenman 3, Lage Mierde Akoestisch onderzoek i.h.k.v. wijziging bestemmingsplan Klant:
Waterschap De Dommel
Referentie: BG3628_T&P_RP_2102051108 Status:
Definitief/1.0
Datum:
16 februari 2021
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Larixplein 1 5616 VB EINDHOVEN Transport & Planning Trade register number: 56515154 +31 88 348 42 50 T harrie.van.lieshout@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Buitenman 3, Lage Mierde Ondertitel: Referentie: BG3628_T&P_RP_2102051108 Status: 1.0/Definitief Datum: 16 februari 2021 Projectnaam: Projectnummer: BG3628 Auteur(s): Harrie van Lieshout, Dagmar Bouwman
Gecontroleerd door: Niek van Enckevort Datum: 5 februari 2021 Goedgekeurd door: Chris van Doveren Datum: 16 februari 2021
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever.Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 16 februari 2021
BG3628_T&P_RP_2102051108
1
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
3
2
Wegverkeerslawaai
4
Wettelijk kader
4
2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5
Omvang geluidzones wegen en stedelijk-/buitenstedelijk gebied Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en geluidbelasting Aftrek conform art. 110g Wgh De plicht tot toetsing aan grenswaarden Gemeentelijk hogere waarden beleid
4 5 5 5 6
3
Uitgangspunten
7
De onderzochte situatie
7
Gebruikte rekenmethode
7
Gegevens wegverkeer
7
3.3.1 3.3.2 3.3.3
Etmaalintensiteiten Verharding wegdek Optrektoeslag
7 7 8
4
Resultaten
9
Wegverkeer
9
4.1.1
Maatregelen aan de gevels
12
5
Conclusie
13
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2
16 februari 2021
Wegverkeerscijfers Rekenmodel wegverkeer
BG3628_T&P_RP_2102051108
2
Projectgerelateerd
1
Inleiding
Ten noorden van Lage Mierde bevindt zich de locatie van het perceel Buitenman 3. De huidige bestemming is ‘Maatschappelijk’ en zal gedeeltelijk worden gewijzigd naar ‘Wonen’. De locatie ligt aan een 60 km-zone weg, waardoor er een geluidonderzoek gedaan dient te worden in het kader van het veranderen van het bestemmingsplan. Figuur 1 geeft de ligging van het huidige en toekomstige bestemmingsplan van Buitenman 3 weer.
Figuur 1 Huidige en toekomstige situatie Buitenman 3. De ligging van het bestaande pand is aangegeven met de zwarte pin. De ligging van de huidige bestemming ‘Maatschappelijk’ is aangegeven met een vlak met zwart gestippelde lijnen. Het gedeelte dat wordt gewijzigd naar ‘Wonen’ is aangegeven met het gele vlak.
De locatie van de te veranderen bestemming ligt binnen de geluidzone van de wegen Buitenman en Hogeweg. De laatstgenoemde weg is niet meegenomen in dit onderzoek, omdat de verkeersintensiteit (nagenoeg) nul is. Verder ligt de locatie van het bestemmingsplan buiten de zone van de provinciale weg N269, waardoor de geluidbelasting ten gevolge van deze weg niet wordt berekend en getoetst. Vanwege de (relatief grote) afstand tot de spoorwegen en het dichtstbijzijnde industrieterrein zijn deze ook niet relevant. Er wordt alleen een onderzoek verricht betreffende wegverkeerslawaai. De exacte locatie van de nieuwe woning is onbekend. Om deze reden worden in dit geluidonderzoek geluidscontouren bepaald.
16 februari 2021
BG3628_T&P_RP_2102051108
3
Projectgerelateerd
2
Wegverkeerslawaai
Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd. Betreffende wegverkeer gaat het om de Buitenman.
Wettelijk kader Voor de Buitenman is de Wet geluidhinder van toepassing. Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) biedt het wettelijk kader voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van een weg. Het wettelijke Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (Rmg2012) stelt de regels voor het bepalen van de geluidbelastingen. Uitgangspunt voor het bepalen van de toekomstige geluidbelasting is volgens het Rmg2012 het zogenoemde maatgevende jaar. Dit doorgaans is het 10de jaar na vaststelling van het bestemmingsplan.
2.1.1
Omvang geluidzones wegen en stedelijk-/buitenstedelijk gebied
In art. 74 Wgh zijn de geluidzones gedefinieerd. De geluidzones zijn te beschouwen als aandachts- of onderzoeksgebieden. De wettelijke breedte van de geluidzone wordt bepaald door het aantal rijstroken van de weg, en het binnen- of buitenstedelijke karakter van de omgeving langs de weg. In de volgende tabel zijn de wettelijke zonebreedten opgesomd die de Wgh kent. Tabel 2-1 Zonebreedten wegverkeer Aantal rijstroken