[22.13731] - 220725 Toelichting
Tekst van het document
Buitenman 3, Lage Mierde
Buitenman 3, Lage Mierde
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende plannen 1.4 Leeswijzer
5 5 5 6 7
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Historie 2.2 Ruimtelijke structuur 2.3 Functionele inrichting 2.4 Planvoornemen 2.5 Te slopen bebouwing
8 8 8 9 10 10
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
12 12 12 22 23
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.3 Verkeer 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Stikstofdepositie 4.6 Geluidhinder 4.7 Geurhinder 4.8 Externe veiligheid 4.9 Bodemkwaliteit 4.10 Water 4.11 Ecologie 4.12 Archeologie en cultuurhistorie 4.13 Hoogspanningslijnen 4.14 Spuitzones gewasbescherming
25 25 26 28 28 29 31 32 34 35 36 37 41 43 43
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Algemeen 5.2 Plansystematiek 5.3 Toelichting op de regels
45 45 45 46
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
48 48 48
Bijlage bij toelichting Bijlage 1 Akoestisch onderzoek Bijlage 2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Buitenman 3 Lage Mierde Bijlage 3 Onderzoeksrapport toetsing in het kader van de soortenbescherming van de Wet natuurbescherming Bijlage 4 Aanvullend onderzoek Bijlage 5 Ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming
49 50 72
2
126 155 173
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
3
Buitenman 3, Lage Mierde
4
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Aanleiding Langs de Reusel (tussen Reusel en Baarschot), de Raamsloop (nabij Lage Mierde) en Landgoed De Utrecht liggen er vanuit het beheerplan voor Natura 2000-gebied Kempenland-West en de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor Waterschap De Dommel verschillende opgaven. In de huidige situatie van kanalisering van de beken Reusel en Raamsloop is er geen sprake meer van een natuurlijk peilbeheer. De beken kennen nu naast onnatuurlijk grote peilfluctuaties over het algemeen een lager peil. Water wordt in de huidige situatie minder goed vastgehouden, dat leidt tot verdroging van de beekdalen, natuurgebieden en ook van landbouwgronden wanneer sprake is van meer frequent terugkerende droge perioden. Naast verdroging is ook sprake van een verminderde waterkwaliteit in de beken en het stroomafwaarts gelegen natuurgebied Landgoed De Utrecht.
Om de waterkwaliteit te verbeteren en de natuurwaarden in het gebied te versterken, zijn doelen gesteld die een bijdrage leveren. De KRW richt zich hierbij op de waterkwaliteit en de morfologie van de beken, terwijl het Natura 2000-beheerplan is gericht op behoud en versterking van natuurwaarden in Natura 2000-gebied Kempenland-West. Daarnaast worden in het gebied aanverwante doelen nagestreefd vanuit Natuurnetwerk Brabant (NNB), het beleid rond Natte Natuur-parels (NNP), recreatie en klimaat. Waterschap De Dommel wil de doelen die voor het projectgebied zijn vastgesteld behalen met behulp van beekherstel en maatregelen om de grondwaterstand te verhogen en de kwelflux te verbeteren: ofwel vernatting van het gebied.
Om maatregelen voor beekherstel De Reusel uit te kunnen voeren is ervoor gekozen om ter hoogte van de Buitenman 3 in Lage Mierde meer ruimte te reserveren voor de beek. Het betreft hier het westelijk deel van het plangebied. Binnen het plangebied wordt alle bestaande bebouwing (woning, zorgatelier en bijgebouwen) gesloopt. Het meest oostelijke deel van het plangebied krijgt een woonbestemming, die het mogelijk maakt een nieuwe woning met bijgebouwen te kunnen realiseren. De inrichting van het terrein staat grotendeels open. Er moet uiteraard wel rekening worden gehouden met de wettelijke bepalingen.
Doel De vigerende planologische situatie is in strijd met de beoogde situatie en middels voorliggend bestemmingplan wordt de wijziging van bestemming 'Maatschappelijk' naar deels 'Natuur' en deels 'Wonen' mogelijk gemaakt.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
De locatie bevindt zich aan de Buitenman 3 te Lage Mierde. De Buitenman 3 is ten noorden gelegen van de kern de Lage Mierde. Op onderstaande afbeelding is de globale ligging van het plangebied met rood omkaderd. Direct ten westen van het plangebied is De Reusel gelegen. Het plangebied is ontsloten door de ontsluitingsweg 'Buitenman'.
Er is voor gekozen om het bestemmingsplan te beperken tot het perceel Buitenman 3 met de maatschappelijke bestemming, zodat de voorgestelde verbreding van de beek hier kan plaatsvinden. Aanpassing van het bestemmingsplan Buitengebied is verder niet noodzakelijk. De agrarische bestemming achter de huidige maatschappelijke bestemming kan gehandhaafd blijven.
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
5
Buitenman 3, Lage Mierde
Figuur 1.1 Ligging plangebied
1.3
Vigerende plannen
Op dit moment is het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" van de gemeente Reusel-de Mierden het vigerende bestemmingsplan in het plangebied. Ter plaatse van het projectgebied geldt thans de enkelbestemming "Maatschappelijk", zie figuur 1.2. Daarnaast zijn de volgende dubbelbestemmingen en aanduidingen ter plaatse van het plangebied (of delen daarvan) aanwezig:
Dubbelbestemmingen: - Archeologische verwachtingswaarde; - Natte natuurparel kern; - Natte natuurparel buffer.
Aanduidingen: - Beekherstel; - Ecologische hoofdstructuur; - Extensiveringsgebied; - Regionale natuur- en landschapseenheid; - Zoekgebied waterberging; - Bebouwingsconcentratie.
6
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
Figuur 1.2 Vigerende bestemmingsplan
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de huidige situatie in het plangebied en het planvoornemen beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader van Europa, het Rijk, de provincie en de gemeente uiteen gezet. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet waarbij de plankaart en planregels worden besproken. Tot slot volgt in de hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van de inspraak en overleg.
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
7
Buitenman 3, Lage Mierde
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Historie
In het kader van beekherstel Reusel de Mierden, is uitvoerig onderzoek gedaan naar de cultuurhistorie van het gebied. Hieruit blijkt dat de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden vooral samenhangt met landschapselementen, die de oorspronkelijke structuur van het heidelandschap met oude akkercomplexen aantonen. De wegenstructuur wordt hoog gewaardeerd vanwege de relatie met de ontginning vanaf de middeleeuwen en het reliëf in het landschap. Het aantal gebouwde monumenten beperkt zich tot een rijksmonumentale langgevelboerderij aan de Wellenseind 6. Ook de landgoederen De Utrecht en Wellenseind met hun kenmerken en waarden zijn van cultuurhistorische waarde. Deze cultuurhistorische waarden passen bij de verhaallijn 'Bestuurlijk Brabant' uit het beleidskader erfgoed 2016 – 2020 van provincie Noord-Brabant. De landgoederen De Utrecht en Wellenseind laten een verleden zien van de rijke bestuurlijke elite in Brabant. De kenmerken en waarden van deze landgoederen dienen volgens het erfgoedbeleid van provincie Noord-Brabant ook behouden te blijven om de verhalen van Brabant te kunnen (blijven) vertellen.
Deze structuur van het heidelandschap,de wegenstructuur en de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen blijven met de beoogde ontwikkeling gehandhaafd. Doordat de ontwikkeling het mogelijk maakt om een deel van het plan te geven in te richten als natuur, treedt er een positief effect op ten aanzien van de historische waarde van het landschap.
2.2
Ruimtelijke structuur
De omgeving van het plan kenmerkt zich door voornamelijk agrarische kavels. De omgeving rondom de bebouwing is redelijk open, met direct aansluitend op de verspreid gelegen bebouwing opgaande beplanting en kleine bosjes. Direct ten westen van het plangebied is de beek de Reusel gelegen. De Reusel is in de huidige situatie zuid- naar noord geörienteerd. In de toekomstige situatie zal de Reusel echter een natuurlijker karakter krijgen. De Reusel buigt ten noorden van het plangebied meer af richting het noordoosten. Ten westen en ten noorden van het plangebied verandert de ruimtelijke structuur van voornamelijk agrarische kavels naar een bosachtige landschap. In het bosgebied ten noordwesten van het plangebied is een relatief groot bungalowpark gevestigd. Dit bungalowpark is omringd door bomen en struiken waardoor het park is ingepast in de bosomgeving.
De Buitenman zit direct verbonden aan de Hogeweg, de Wellenseind (N269),de Kruisvelden en de Beekakkerweg. De Hogeweg verbindt het westelijk buitengebied (inclusief het Bungalowpark en een aantal campings) met de kern Lage Mierde. De N269 is een autoweg en verbindt de kernen van (van noord naar zuid) Hilvarenbeek - Esbeek - Lage Mierde en Reusel.
8
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
Figuur 2.1. Ruimtelijke structuur
2.3
Functionele inrichting
In de omgeving van het plangebied zijn veel recreatieve functies in de vorm van campings en bungalowpark en bossen aanwezig. Ten noorden van het plangebied is het bestaande natuurgebied de Utrecht gelegen. Het gebied leent zich daardoor goed voor voetgangers en fietsers. Verder zijn er verscheidene agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied. Direct ten oosten van het plangebied is een maatschappelijke functie gelegen. De stedelijke functies zijn gevestigd in de kern Reusel. In de kern Reusel zijn onder meer functies zoals onderwijs, winkelvoorzieningen, horeca en sportvoorzieningen aanwezig.
Het gebouw dat onderdeel uitmaakt van het plangebied betreft een zorgatelier en een bedrijfswoning. In de toekomstige situatie worden deze gebouwen gesloopt. Het westelijk deel van het plangebied wordt ingericht als natuur en in het oostelijk deel van het plangebied wordt de nieuwbouw van een woning mogelijk gemaakt. De zorgatelier zal elders in de regio terug komen, een definitieve locatie is op dit moment nog niet bekend.
De beek De Reusel is gelegen direct ten westen van het plangebied. Het is in de huidige situatie niet mogelijk om lang de Reusel te wandelen of te fietsen. Met de beoogde ontwikkeling wordt de functie van de Reusel versterkt in het gebied waardoor er in de toekomst mogelijk meer ingespeeld kan worden op de recreatie mogelijkheden. Het versterken van de recreatiemogelijkheden zou goed kunnen aansluiten bij de recreatie mogelijkheden in de omgeving van het gebied.
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
9
Buitenman 3, Lage Mierde
2.4
Planvoornemen
Het plangebied wordt als het ware opgedeeld in twee nieuwe percelen (zie onderstaande figuur 2.2). Het westelijke deel wordt bestemd als natuur. In het kader van Beekherstel Reusel de Mierden vinden hier in de toekomst werkzaamheden plaats die dit gebied betrekken bij de beek de Reusel als natuur. Het oostelijk deel van het plangebied wordt bestemd als wonen en hier wordt middels de (bouw)mogelijkheden die de woonbestemming biedt (conform voorwaarden uit het in procedure zijnde voorontwerp-bestemmingsplan Buitengebied) 1 woning mogelijk gemaakt.
Van de toekomstige woning is nog geen ontwerp beschikbaar, omdat dit bestemmingsplan vooruitlopend op de verkoop van de grond wordt opgesteld. Ontwerp van de woning dient geheel conform de opgenomen (bouw)mogelijkheden en voorwaarden zoals opgenomen in de Regels te worden uitgevoerd. Parkeren dient op eigen terrein gerealiseerd te worden.
Figuur 2.2 Situatietekening met een indeling naar enkelbestemming
2.5
Te slopen bebouwing
De procedure van totstandkoming van dit bestemmingsplan kent een lang traject, waarbij intensief wordt samengewerkt tussen het Waterschap, de gemeente en de provincie. Een proces waarbij diverse disciplines en een goede ruimtelijke ordening de basis vormen.
Op basis van de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit - deel Buitengebied' is het plangebied beoordeeld. Een beschrijving van deze herziene welstandsnotitie is te vinden in paragraaf 3.4.2. Bij het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure wordt gekeken in hoeverre overtollige bebouwing/bijgebouwen gesloopt
10
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde moeten worden. Het huidige terrein heeft 5 gebouwen, waarvan 1 en 2 de (bedrijfs-)woning en het zorgatelier vormen en de gebouwen 3,4 en 5 bijgebouwen zijn. De gebouwen zijn in onderstaande figuur 2.3 weergegeven. De woning en het zorgatelier moeten sowieso gesloopt worden ten behoeve van de realisering van de natuurbestemming.
Figuur 2.3 Bestaande te slopen bebouwing binnen het plangebied
Vastgesteld kan worden dat de bijgebouwen geen cultuurhistorische waarde hebben of dat deze kwalitatief waardevol zijn. Op basis van het voorgaande en ter voorkoming van verrommeling van het landschap worden alle gebouwen gesloopt.
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
11
Buitenman 3, Lage Mierde
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Daarin beschrijft het kabinet in welke infrastructuurprojecten het wil investeren. De Rijksoverheid richt zich daarnaast op: rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water-)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden; rijksbelangen inzake (inter-)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie; rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk in de SVIR een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Deze ladder omvat een aantal beoordelingsstappen en heeft als doel duurzame gebiedsontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is vervolgens als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van één bedrijfswoning en het oprichten van één nieuwe woning waardoor de ontwikkeling niet Ladderplichtig is.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In de Structuurvisie Infrastructuur (SVIR) en Ruimte heeft de Rijksoverheid de nationale belangen omschreven waarvoor het Rijk zelf verantwoordelijkheid draagt. Een goede doorwerking van deze nationale belangen wordt juridisch geborgd via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
De nationale belangen betreffen onder meer onderwerpen op het gebied van de hoofdinfrastructuur (reserveringen rond hoofdwegen en hoofdspoorwegen, vrijwaring rond rijksvaarwegen en hoofdbuisleidingen), de elektriciteitsvoorziening, het vereenvoudigde regime van de ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied).
Doorwerking in het planvoornemen Met de ontwikkeling vinden er geen transformaties plaats aan de hoofdinfrastructuur of op overige nationale belangen. Het versterken van de natuur draagt bij aan de ecologische hoofdstructuur .
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Structuurvisie ruimtelijke ordening (Svro)
Op 7 februari 2014 hebben Gedeputeerde Staten de partiële herziening van de Svro vastgesteld. Deze nieuwe Structuurvisie is per 19 maart 2014 in werking getreden.
Er is bewust gekozen om een niet een geheel nieuwe visie op te stellen. Derhalve blijft zorgvuldig ruimtegebruik het uitgangspunt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen betekent dit dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied ter invulling van
12
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde ene ontwikkeling. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen. Bij ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied wil de provincie dat een ontwikkeling gepaard gaat met een investering in het landschap om de omgevingskwaliteit te waarborgen en daar waar mogelijk verder te versterken.
Beleidsuitgangspunten Het plangebied ligt volgens de provinciale Structurenkaart in 'groenblauwe mantel', deels in de 'Robuust water- en natuursysteem' en in de 'cultuurhistorische landschappen'.
Groenblauwe mantel De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Het zijn meestal gebieden grenzend aan het kerngebied natuur en water die bijdragen aan de bescherming van de waarden in het kerngebied. De waarden in de groenblauwe mantel zijn meestal gekoppeld aan landschapselementen, het watersysteem en de aanwezigheid van bijzondere planten en dieren.
Binnen de groenblauwe mantel is de agrarische sector een grote en belangrijke grondgebruiker. Het is nodig deze positie te behouden en / of een ontwikkeling in grondgebonden agrarisch gebruik te bevorderen. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water en landschap is een belangrijke opgave. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. Het beleid is er op gericht dat de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap toeneemt. Ontwikkelingen dienen qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel te passen. Ontwikkelingsmogelijkheden voor kapitaalintensieve functies en mogelijkheden voor verdere intensivering zijn beperkt.
Doorwerking in het planvoornemen De ontwikkeling geeft een deel van het plangebied terug aan de natuur. Hierdoor wordt de groenblauwe mantel versterkt ten opzichte van de huidige situatie. Doordat met de ontwikkeling slechts één woning wordt opgericht (waarvoor eerst een bedrijfswoning wordt gesloopt), is er geen sprake van extra ruimtebeslag of negatieve effecten op de groenblauwe waarden. De groenblauwe waarden worden zelfs versterkt doordat het project beekherstel Reusel de Mierden inspeelt op een natuurlijke meandering van de Reusel en doordat in het projectgebied een gedeelte wordt bestemd als 'natuur'. Hiermee wordt aangesloten bij de ruimtelijke structuur van het omliggende gebied.
Robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem De rivieren, de beken en kreken vormen binnen Noord-Brabant de samenbindende waterstructuur. Bij toekomstige ontwikkelingen in stad en land wil de provincie dat het patroon van beken en kreken beter beleefbaar wordt. De water-, natuur- en recreatieve ontwikkelingen worden sterker aan dit patroon gekoppeld en het systeem wordt meer ingericht en afgestemd op de gevolgen van de klimaatverandering. Dorpen en steden verbeteren de relatie met de rivier, de beek en krekenstructuur. Dit betekent dat de beken en kreken als doorgaande structuur meer kwaliteit krijgen. Daarbij wordt gekeken naar de grensoverschrijdende relaties van natuurgebieden en het watersysteem. Te denken valt aan grote natuurgebieden als de Brabantse Wal en de Biesbosch en de beken aan de zuidgrens van Brabant.
Doorwerking in het planvoornemen Door de ruimtelijke opgave (de sloop van het zorgatelier en de bedrijfswoning en het realiseren van een woning), wordt extra ruimte gecreëerd rond de bestaande waterstructuur. Middels het project "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
13
Buitenman 3, Lage Mierde beekherstel Reusel de Mierden wordt de ecologische structuur van de beek Reusel versterkt.
Cultuurhistorische landschappen De ontwikkeling is gelegen in het door de provincie aangewezen gebied 'cultuurhistorische landschappen'. Bij de ontwikkeling van het landschap spelen de kwaliteitsverbetering van het landschap, de cultuurhistorische landschappen en de gebiedspaspoorten een belangrijke rol. De provincie stimuleert uitwerking op regionaal schaalniveau en daarmee regionaal maatwerk en regionale samenwerking.
De provincie ziet een belangrijke rol voor de landbouw, recreatie en toerisme in de gebiedsgerichte en integrale aanpak in het buitengebied. In het bijzonder geldt dat in de aanpak en uitvoering van de Landschappen van Allure (Het Groene Woud, Maashorst en Brabantse Wal). Voor deze gebieden geldt dat de landbouw, met name verbrede landbouw, recreatie en toerisme belangrijke economische motoren zijn. Het accent ligt daarom minder op de primaire agrarische productie maar meer op groen ondernemerschap.
Doorwerking in het planvoornemen Doordat de ontwikkeling het mogelijk maakt om een deel van het plan in te richten als natuur, treedt er een positief effect op ten aan zien van de historische waarde van het landschap. Met het oprichten van één woning (waarvoor een bedrijfswoning wordt gesloopt) wordt de karakteristiek landschap niet aangetast. 3.2.2
Omgevingsvisie
Vooruitlopend en anticiperend op de in werking treding van de nationale Omgevingswet in 2022 hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. In de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie.
De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie wordt de komende jaren nader uitgewerkt in diverse programma's en in een provinciale omgevingsverordening.
Doorwerking in het planvoornemen De beoogde ontwikkeling is een lokale ingreep waarbij er een deel van het plangebied wordt teruggegeven aan de natuur. Doordat de ontwikkeling het mogelijk maakt om een deel van het plan te geven in te richten als natuur, treedt er een positief effect op ten aan zien van klimaatadaptatie.
14
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
3.2.3
Interim Omgevingsverordening
Op 25 oktober 2019 hebben Gedeputeerde Staten de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) vastgesteld. De IOV betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De IOV vormt een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet zal worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies.
De IOV is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de Omgevingsvisie. De nieuwe manier van werken met diep, rond en breed kijken is opgenomen uit de Omgevingsvisie en er wordt vaker een koppeling gelegd met omgevingskwaliteit door bijvoorbeeld sanering van leegstaand vastgoed elders. Vanuit de Brabantse omgevingsvisie wordt ruimte geboden aan goede initiatieven, waar met de IOV invulling aan wordt gegeven door het opnemen van doelvoorschriften. Met een 'ja, mits - benadering' wordt ruimte geboden aan maatwerk. Ruimtelijke ontwikkelingen worden toegestaan, mits aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt.
Naast de algemene regels ten aanzien van omgevingskwaliteit kent de IOV specifieke regels voor de daarvoor aangewezen gebieden. Het plangebied kent specifieke regels ten aanzien van de gebiedsaanduidingen: Landelijk gebied, Natuurnetwerk Brabant, Groenblauwe mantel, Attentiezone waterhuishouding, Behoud en herstel van watersystemen, Reservering waterberging, Beperkingen veehouderij en Stalderingsgebied.
Omgevingskwaliteit Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant dient invulling te worden gegeven aan een goede omgevingskwaliteit. Deze 'basisbeginselen' zijn opgenomen in artikel 3.5 t/m 3.9 van de IOV.
Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1. Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
Lid 2. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
15
Buitenman 3, Lage Mierde ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel.
Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.
Lid 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
Lid 2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
16
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4. Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.
Doorwerking in het planvoornemen Met de beoogde ontwikkeling wordt er van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' afgeweken middels een bestemmingsplanherziening. Met de ontwikkeling wordt het gebouw van het zorgatelier en de bijbehorende bedrijfswoning gesloopt en er komt één woning op een gewijzigde ligging voor terug. Het is nodig om deze woning op een andere locatie te realiseren omdat er meer ruimte wordt gegeven aan de natuur.
Er is voor de beoogde ontwikkeling toepassing gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking), hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet ladderplichtig is.
Er is in hoofdstuk 4 van deze toelichting toepassing gegeven aan de lagenbenadering van de ontwikkeling.
Er wordt met de beoogde ontwikkeling meerwaarde gecreëerd ten aanzien van ecologie, waterhuishouding en belevingswaarde van het gebied. Een deel van het plangebied wordt ingericht als natuur, waarmee de ontwikkeling ook bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Voor de uitvoering van het Projectplan Waterwet Reusel De Mierden Noord, is het nodig om ruimte te creëren langs de beek Reusel. Door de bestaande bedrijfswoning te slopen en deze woning als het ware "te verplaatsen" verder van de beek vandaan (door het oprichten van de woning verder van de beek) ontstaat deze ruimte. Dit heeft als gevolg dat de kwaliteit van het landschap versterkt wordt. Het Projectplan Waterwet heeft de volgende effecten op het gebied van landschap en recreatie: De aanleg van een meanderende beek geeft het beekdal van de Reusel in beginsel zijn natuurlijke karakter terug. Bij de herinrichting van de Reusel is in overleg met het gebied gezocht naar vormen om de historische percelering terug te brengen in het beekdal, zonder dat het open karakter verloren gaat. Soorten die worden aangeplant zijn passend bij het beekdal en de omgeving. Recreatiepaden in het gebied zijn opnieuw beschouwd en afgestemd op de natuurwaarden en recreatiebehoefte. Zo is ervoor gekozen een zonering aan te brengen zodat zowel de natuur als de recreant optimaal kunnen profiteren van het gebied. Door nieuwe paden aan te sluiten op reeds bestaande routes wordt met dit project bijgedragen aan een toekomstbestendig routenetwerk. In overleg met de streek zijn 4 locaties voor nieuwe oversteken bepaald. Dit maakt de beek en haar beekdal beleefbaar en zorgt voor betrokkenheid uit de streek.
Natuur Netwerk Brabant Artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
17
Buitenman 3, Lage Mierde
Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. Strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. Bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. Staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. Lid 2. Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.
Lid 3. Als de inrichting en beheer van het Natuur Netwerk Brabant binnen een gebied is verzekerd, stelt de gemeente binnen negen maanden een bestemmingsplan vast overeenkomstig het eerste lid.
Doorwerking in het planvoornemen De gronden van het plangebied welke gelegen zijn in Natuur Netwerk Brabant worden ontwikkeld tot (natte) natuur. De bestaande zorgatelier en de bijbehorende bedrijfswoning wordt uit het Natuur Netwerk Brabant verwijderd en buiten de begrenzing van het natuurnetwerk wordt een woning terug gebracht. Middels deze postzegelherziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' worden de gronden binnen het Natuur Netwerk Brabant van een passende herbestemming naar 'Natuur' voorzien, waarmee het behoud, herstel en bescherming van de ecologische waarden juridisch wordt geborgd.
Groenblauwe mantel Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.
Doorwerking in het planvoornemen Op de gronden van het plangebied welke gelegen zijn in de groenblauwe mantel wordt een woning gerealiseerd. Voor deze woning wordt een zorgatelier en bedrijfswoning in het naastgelegen Natuur Netwerk Brabant gesloopt en het terrein ter plaatse ontwikkeld als (natte) natuur. Hierdoor wordt over het hele plan gezien meer ruimte gegeven aan de natuur, wat bijdraagt aan de ontwikkeling van het watersysteem, ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied. De ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden van het gebied worden middels de bestemmingsplanregels beschermd.
Wonen in landelijk gebied Artikel 3.68 wonen in landelijk gebied
18
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Lid 2. Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Artikel 3.69 afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Doorwerking in het planvoornemen De ontwikkeling ziet toe op de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande bedrijfswoning en zorgatelier. Daarmee ziet voorgenomen plan op het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning in combinatie met vervangende nieuwbouw van een bestaande woning. Middels de herbestemming van het voormalige bouwperceel naar 'Natuur' wordt de sloop van de bedrijfswoning en bijbehorende bebouwing geborgd. Het aantal woningen in het plangebied blijft gelijk, er is geen sprake van splitsing in meerdere woonfuncties, wat tevens in de planregels middels de bestemming 'Wonen' is geborgd.
Attentiezone waterhuishouding Artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.
Lid 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
19
Buitenman 3, Lage Mierde
Lid 3. Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud.
Doorwerking in het planvoornemen Middels de planregels worden voor de gronden binnen de Attentiezone waterhuishouding de handelingen als genoemd in lid 2 vergunningplichtig gesteld, waarmee negatieve effecten op de hydrologische instandhoudingsdoelen voor het Natuur Netwerk Brabant worden voorkomen.
Reservering waterberging Artikel 3.36 Reservering waterberging Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Reservering waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.
Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van functies.
Doorwerking in het planvoornemen De gronden van het plangebied welke gelegen zijn in Reservering waterberging worden ontwikkeld tot (natte) natuur, hetgeen een bijdrage levert aan het waterbergend vermogen van dat gebied. Middels de bestemmingsplanregels worden de gronden beschermd en zijn handelingen die het waterbergend vermogen kunnen aantasten vergunningplichtig gesteld.
Behoud en herstel van watersystemen Artikel 3.27 Behoud en herstel van watersystemen Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.
Lid 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die: a. het oprichten van bebouwing beperken; b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken; c. het ophogen van gronden beperken. Doorwerking in het planvoornemen De gronden van het plangebied welke gelegen zijn in Behoud en herstel van watersystemen worden ontwikkeld tot (natte) natuur en ruimte voor de beek Reusel, hetgeen een bijdrage levert aan het behoud, beheer en herstel van watersysteem van de Reusel en het Natuur Netwerk Brabant. Middels de herbestemming van deze gronden naar 'Natuur' wordt het watersysteem beschermd en zijn handelingen die het infiltrerend en waterbergend vermogen van de gronden kunnen aantasten vergunningplichtig gesteld.
Beperkingen veehouderij / Stalderingsgebied In artikel 3.51 afwijkende regels beperkingen veehouderij worden aanvullende regels gesteld ten aanzien van de vestiging, omschakeling naar of uitbreiding van een veehouderij. Artikel 3.52 aanvullende
20
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde regels stalderen ziet toe op aanvullende regels over de uitbreiding van oppervlakte dierverblijven van hokdierhouderijen.
Doorwerking in het planvoornemen Voorgenomen ontwikkeling ziet niet toe op de ontwikkeling van veehouderij binnen het plangebied. De bestemmingsplanregels voorzien daarnaast niet in de mogelijkheid tot oprichting van een veehouderij in het plangebied. 3.2.4
Meerwaardecreatie en kwaliteitsverbetering landschap
Het begrip meerwaardecreatie is een belangrijke kernwaarde uit de verordening. Het is een basisprincipe waar bijvoorbeeld kwaliteitsverbetering van het landschap onder valt (artikel 3.8 en 3.9). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Passende functies kunnen zich ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van een gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie.
De provincie Noord-Brabant heeft de concept handreiking ‘Kwaliteitsverbetering van het Landschap, de rood met groen regeling’, gepubliceerd. Het doel van deze handreiking is informatie bieden om invulling te geven aan de ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Verordening ruimte. De handreiking geeft een aanzet hoe invulling kan worden gegeven aan het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Belangrijk doel van de rood-met-groen koppeling is dat omgevingskwaliteiten worden versterkt door het voeren van een bewust (ruimtelijk) kwaliteitsbeleid. Landschappelijke inpassing (het ‘groen’) maakt deel uit van de ontwikkeling (het ‘rood’).
De regel voor kwaliteitsverbetering van het landschap uit de verordening richt zich niet alleen op de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie zelf, maar heeft juist ook als doel de kwaliteit in de directe omgeving van de projectlocatie van de omgeving te verbeteren (binnenplanse verevening). In sommige gevallen is het moeilijk of niet wenselijk om de gewenste kwaliteitsverbetering van het landschap op de projectlocatie en de directe omgeving daarvan te realiseren. Voor dat soort specifieke gevallen kent de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de mogelijkheid van bovenplanse verevening, waarbij de vorming van een gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie kan zijn. De fysieke prestatie in het landschap vindt daarbij elders plaats.
Er zijn in grote lijnen drie methodes (met varianten) denkbaar om een kwantitatieve invulling van de rood-met-groen koppeling te geven, namelijk: door maatwerk te leveren per ontwikkeling met menselijke expertise; door het ‘rood’ om te rekenen naar euro’s en die euro’s in te zetten voor ‘groen’; door de oppervlakte ‘rood’ om te rekenen naar een oppervlakte ‘groen’. In de ‘Landschapsinvesteringsregeling De Kempen’ (d.d. 14 mei 2012) is vastgelegd welke "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
21
Buitenman 3, Lage Mierde
kwaliteitsverbetering in het landschap moet worden uitgevoerd. Hier wordt rood omgerekend naar euro’s en deze kunnen worden ingezet voor groen. Er wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën, namelijk:
Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen eisen worden gesteld voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit van het landschap (artikel 3.2 VR niet van toepassing);
Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij wel zorg wordt gedragen voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit, maar waar geen sprake hoeft te zijn van aanvullende kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.2 VR niet van toepassing);
Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij een investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt verlangd (artikel 3.2 VR van toepassing).
Doorwerking in het planvoornemen In deze situatie wordt een maatschappelijke bestemming opgesplitst in een bestemming 'Natuur' en een bestemming 'Wonen'. Enerzijds gaat het hier om een waardevermindering nu het perceel zijn maatschappelijke functie verliest en in grootte wordt gehalveerd. Anderzijds ontstaat een waardestijging nu de helft van het perceel een woonbestemming krijgt. Door het bestemmen als 'Natuur' wordt een belangrijke kwaliteitsverbetering van het landschap bereikt. Immers dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het beekherstel van de Reusel. De beek kan ter plaatse van het perceel Buitenman 3 worden verbreed en de gronden kunnen verder natuurlijk worden ingericht.
Verder kan worden opgemerkt dat sprake is van meerwaardecreatie. Door opgaven en ontwikkelingen in het gebied te combineren ontstaat een meerwaarde. Immers het verbreden van de beek ter plaatse draagt bij aan het beekherstel als totaal, die grotere opgaven en belangen kent. Ook zal de algehele en fysieke leefomgeving worden verbeterd, nu alle bestaande bebouwing op het perceel wordt gesloopt (vanuit de maatschappelijke functie). Nieuwbouw van een woning met bijgebouwen kan nu plaatsvinden op de helft van het voormalige perceel Buitenman 3, zodat hier ook sprake is van een kwaliteitsverbetering.
De aanleg en instandhouding van bestemming 'Natuur' wordt feitelijk en juridisch verzekerd door het opnemen van regels binnen het bestemmingsplan en door een specifieke bestemming dan wel aanduidingen op de verbeelding.
3.3
Regionaal beleid
Waterschap de Dommel In 2015 heeft het Waterschap de Dommel het waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de
22
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde periode 2016-2021 gaat doen om deze doelen te halen. In het plan worden de volgende doelstellingen voor water uitgewerkt:
droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. De maatregelen die het waterschap treft voor de realisatie van de doelstellingen worden uitgewerkt in programma's.
Doorwerking in het planvoornemen Een van deze programma's is beekherstel Reusel de Mierden. Het onderhavige project wordt uitgevoerd ten behoeve hiervan. Daarmee wordt er ingespeeld op het waterbeheerplan van Waterschap De Dommel.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie
Op 22 mei 2018 heeft de gemeente Reusel-De Mierden een omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie, welke voortborduurt op de in 2013 vastgestelde toekomstvisie, geeft richting aan de ingezette koers in ruimtelijke zin en schetst het programma voor de toekomst.
Voor het buitengebied worden vier landschapstypen onderscheiden, te weten de oude agrarische cultuurlandschappen, de beekdalen, jonge heideontginningen en de uitgestrekte bossen met enkele heidecomplexen. De bos- en heidegebieden zijn en blijven van grote waarde. Voor deze gebieden wordt naar een duurzaam evenwicht tussen productiebos-gemengd bos en natuur-recreatie gestreefd. De beekdalen krijgen de ruimte om hun natuurlijk karakter terug te vinden en herkenbaar te worden in het landschap. Voor het Reuseldal is de uitvoering gestart, mede gericht op natuurontwikkeling, waterberging en een goede aansluiting op de natte natuurparels en het landgoed De Utrecht.
Op de strategiekaart van de omgevingsvisie is het plangebied aangewezen als: Primaat-Bos en Natuur:Bescherming en ontwikkeling van kwaliteit en/of omvang van de bestaande waarden (cultuurhistorie, natuur, maatschappelijke waarde), zoals waardevolle natuurgebieden, cultuurhistorisch waardevolle elementen en beeldbepalende linten en buurtschappen. Primaat-Landschap: Versterken van het Kempisch karakter in landschappelijke en cultuurhistorische zin en stimuleren van een gezonde leefomgeving met ruimte voor groen en ontmoeting. Primaat-Water en klimaatadaptatie: Vergroten van de wisselwerking in de beekdalen tussen de functies waterberging, waterkwaliteit en natuur (ecologische verbinding) in combinatie met beleving (recreatie). Bestendigen-bestaande Situatie: Behouden van de bestaande situatie waarbij voor boscomplexen "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
23
Buitenman 3, Lage Mierde wordt ingezet op een meer geïntegreerd bosbeheer en vermindering van de monofunctionaliteit en voor (redelijk ongeschonden) agrarische cultuurlandschappen wordt ingezet op versterking van de landschapselementen. Doorwerking in het planvoornemen De ontwikkeling heeft een zeer beperkte impact op de ruimtelijke omgeving in het buitengebied van de Reusel. Het Primaat-Bos en natuurgebied wordt versterkt doordat een deel van het plangebied wordt teruggegeven aan de natuur. Dit betreffende deel krijgt de bestemming 'bos' of 'natuur'. Hierdoor wordt er aangesloten aan de gewenste ruimtelijke structuur uit het omgevingsvisie van de gemeente Reusel. Het Kempische karakter wordt niet aangetast omdat er geen structuur veranderingen plaatsvinden op een schaalniveau waardoor het karakter van het gebied wordt veranderd. De infrastructuur blijft eveneens onaangetast. De water en klimaatadaptatieopgave in het gebied wordt middels het plan, de Beekherstel Reusel De Mierden, versterkt. Tot slot treden er geen negatieve effecten op gebied van de bossen dan wel bosbeheer, agrarische cultuurlandschappen of landschapselementen. Met de beoogde ontwikkeling worden deze aspecten juist versterkt doordat een deel van het plangebied wordt teruggegeven aan de natuur. Tot slot wordt er in gezet om de monofunctionaliteit van het gebied te verminderen.
Doordat met de ontwikkeling de bestaande zorgatelier wordt gesloopt, treedt er een negatief effect ten aanzien op gebied van functionaliteit. Echter zal deze functie elders in de omgeving worden opgericht. 3.4.2
Nota Ruimtelijke Kwaliteit - deel Buitengebied
De gemeenteraad heeft op 2 november 2021 de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit, deel Buitengebied ' vastgesteld. De nota bevat het geactualiseerde welstandsbeleid voor het buitengebied van de gemeente. In de herziening van de welstandsnota wordt niet alleen gekeken naar de gebouwen, maar ook naar de kwaliteit van de omgeving en de landschappelijke inpassing. De nota heeft een meer open houding, waarbij niet toetsen en verplichten, maar inspireren, voorlichten, stimuleren en begeleiden centraal staan. In het kader van de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit - deel Buitengebied' streeft de gemeente, samen met de provincie, naar de sloop van overtollige bebouwing en naar kwaliteitsverbetering in het buitengebied. Overtollige, niet in het landschap passende bebouwing dient te worden gesloopt. Belangrijke afwegingsfactoren zijn onder andere bestemmingswijziging, functie, cultuurhistorische waarden en monumentale status van de bebouwing. Algemene slogan is 'Minder grijs, meer groen'. In deze situatie is sprake van het doorlopen van een bestemmingsplanprocedure, waarbij alsdan het uitgangspunt is het slopen van alle overtollige bebouwing/bijgebouwen.
Volgens de Nota Ruimtelijke Kwaliteit ligt het perceel op de overgang van de landschapstypen 'beekdallandschap' en 'oud agrarisch cultuurlandschap'. Vanuit het beekdal geldt dat het volume van het hoofdgebouw en bijgebouwen passend moet zijn in dit landschapstype en geen verstorend beeld mag opleveren. Vanuit het oud agrarisch cultuurlandschap wordt aangegeven dat het erf bestaat uit een ensemble van hoofdgebouw en bijgebouw, omringd door erfbeplanting. Woningen en bijgebouwen sluiten op elkaar aan.
Een beoordeling in het kader van deze nota heeft al plaatsgevonden in paragraaf 2.5
24
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
M.e.r.-beoordeling
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaand aan het ruimtelijke plan dat voorziet in ontwikkelingen met (mogelijk) belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit-m.e.r.
Een bestemmingsplan (of uitwerkingsplan) kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen); indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Op grond van het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage moet het bevoegd gezag, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, zich er alsnog van vergewissen of activiteiten geen significante milieugevolgen kunnen hebben. Voor bestemmingsplannen die betrekking hebben op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Toetsing In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Hierbij wordt 'het bestemmingsplan' zowel genoemd in kolom 3 (plannen) als kolom 4 (besluiten). Doordat dit uitwerkingsplan voorziet in directe eindbestemmingen voor wat betreft de binnen het plangebied geplande ontwikkeling, wordt voldaan aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. De ontwikkeling in dit uitwerkingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit uitwerkingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht, aangezien de drempelwaarden niet worden overschreden. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met bovenstaande drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat er dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau. Zo kent het plangebied een aanzienlijk kleinere oppervlakte en voorziet het plan in maximaal 1 woning, terwijl pas bij 2000 woningen of meer sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht. Daarnaast blijkt uit de volgende paragrafen in dit hoofdstuk dat dit plan geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
25
Buitenman 3, Lage Mierde
Doorwerking op het plan Conclusie is dat de gewenste ontwikkeling niet tot belangrijke milieugevolgen zal leiden. Een MER of m.e.r.-beoordeling, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer, is daarmee niet nodig.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Beleidsmatig kader Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder voor de (woon-)omgeving veroorzaken door lawaai, onaangename geuren, stof, trillingen, verkeers- en parkeeroverlast. Daarom is het nodig om bedrijfsactiviteiten (of andere functies die het leefmilieu belasten) op een aanvaardbare afstand van woningen of andere hindergevoelige functies te situeren, al dan niet gecombineerd met het treffen van speciale maatregelen. Voor de milieuzonering in dit plan is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009).
Methodiek In de publicatie worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in zes categorieën, variërend van lichte tot zeer zware milieuhinder. Per milieucategorie zijn richtafstanden tot hindergevoelige functies opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstypen: een rustige woonwijk en een gebied met een menging van functies. In tabel 4.1 zijn deze richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur.
Milieucategorie
Richtafstanden in 'rustige woonwijk'
Richtafstanden in 'gemengd gebied'
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3
50-100 meter
30-50 meter
4
200-300 meter
100-200 meter
5
500-1.000 meter
300-700 meter
6
1.500 meter
1.000 meter
Tabel 4.1 Richtaf standen per milieucategorie.
De VNG-publicatie is geen wet, maar wel een algemeen aanvaarde richtlijn voor de toepassing van milieuzonering in een ruimtelijk plan. Niettemin gaat de publicatie uit van richtafstanden, die in algemene zin bepaald zijn op basis van gemiddelde productieprocessen. Dat betekent dat bij de toepassing van de publicatie altijd ook de feitelijke situatie ter plaatse in ogenschouw moet worden genomen.
Doorwerking in het planvoornemen De gemeente Reusel-De Mierden heeft in 2017 een Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. In de GVVP is in module 5 aangegeven over welke wegen vracht- en landbouwverkeer plaatsvindt. Hierin is tevens aangegeven dat over de Buitenman vracht- en landbouwverkeer plaatsvindt. Conform de VNG-milieuzoneringsmethodiek mag daarom het plangebied beschouwd worden als een 'gemengd gebied. Op grond van het voorgaande mag in deze situatie worden getoetst aan de richtafstanden zoals weergegeven in tabel 4.1 in kolom 'Richtafstanden in 'gemengd gebied''.
26
"Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)
Buitenman 3, Lage Mierde
In de omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven gevestigd (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1 Aanwezige bedrijv en nabij het plangebied
Het gaat hierbij om de volgende bedrijven/ bedrijfsactiviteiten:
Wellenseind 3t De bedrijfsbestemming aan de Wellenseind 3t betreft een 'Nutsvoorziening'. De afstand van het plangebied tot de bedrijfsbestemming bedraagt ongeveer 300 meter. De dichtsbijzijnde woning die niet bij het bedrijf behoort ligt op een afstand van ongeveer 36 meter. Deze bedrijfsbestemming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling conform de VNG-milieuzoneringen methodiek.
Bungalowpark Vogelzang Op ongeveer 130 meter van het plangebied is het Bungalowpark Vogelzang gelegen. Het bungalowpark valt onder de categorie 'vakantiecentra' Vakantiecentra worden gerekend tot milieucategorie 3.1. De ‘grootste afstand’ daarbij bedraagt 30 meter (aspect geluid) in een gemengd gebied. Het plangebied ligt op een grotere afstand dan 30 meter, waardoor het bungalowpark geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling conform de VNG-milieuzoneringen methodiek.
Omliggende landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw bedrijven De omgeving van het plangebied is overwegend agrarisch georiënteerd. De grootste afstand ten opzichte van agrarisch gerichte bedrijven bedraagt 100 meter (geur) bij een gemengd gebied. Binnen een afstand van 100 meter van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Daarmee vormen de aanwezige agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied geen belemmering ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. Het plan is daarmee inpasbaar conform de VNG-milieuzoneringen methodiek "Buitenman 3, Lage Mierde" (concept)