[21.14197] - Bijlage 1 Nota Ruimtelijke Kwaliteit, deel Buitengebied
Tekst van het document
Toelichting landschappelijke inpassing
86
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.1
•
•
Ontwerpprincipes
• •
• • •
• • •
Behouden van het open en weidse karakter. Altijd een stevige beplanting toevoegen op het erf die een bijdrage levert aan beeldkwaliteit van robuuste boscomplexen in het ontginningenlandschap. In stand houden van de rechtlijnige en geordende verkaveling, en zo mogelijk, deze zichtbaarder maken door beplanting toe te voegen op de perceelsgrenzen. Behouden van zichtlijnen en waardevolle open ruimten. Waar mogelijk deze versterken. Aandacht voor behoud en bescherming van cultuurhistorische structuren, zoals zandpaden, dubbele bomenlanen en beken. Grootschalig, open en rationeel verkaveld landschap met grote percelen, blokverkaveling en lange, rechte (deels beplante) wegen. De bossen op de achtergrond vormen een mooi decor van deze relatief open gebieden. Laanbeplanting versterken langs alle wegen. Het landschap is zeer open met weinig aanwezigheid van beplanting, bosjes ontbreken. De overgang tussen jonge heideontginningen en agrarische cultuurlandschappen/ beekdalen is niet duidelijk zichtbaar door het ontbreken van beplantingen.
•
• • •
•
Door de afwezigheid van robuuste beplanting zorgt het landschap van de jonge ontginningen nog niet voor een ecologische verbinding met de omliggende natuurrijkere gebieden.
•
•
H.4
Binnen de grootschalige en de rationeel verkavelde jonge heideontginningen wordt er ruimte geboden voor grotere transformaties, maar hierbij dient wel het contrast tussen het open en weidse landschap en de groene uitstraling van het erf versterkt te worden met een robuuste groenstructuur langs de bedrijfsgebouwen. Dit is nodig om als tegenhanger te dienen voor de schaalgrootte van de bebouwing. De schaalgrootte van het landschap en bijbehorende zichtlijnen blijven behouden. Lanen worden versterkt en bij voorkeur aan weerszijden beplant met eik of linden (klimaatrobuust). Kleinere wegen met berk. Om de overgang tussen de jonge heideontginningen en agrarische cultuurlandschappen/beekdalen te accentueren worden landschappelijke overgangen aangeplant in de vorm van zogenoemde ‘groene kamerschermen’. Deze kamerschermen worden gevormd door landschappelijke beplanting met inheemse beplanting (dennen, berken, eiken). Hier worden zoveel mogelijk bestaande bosjes
•
en landschapselementen in opgenomen. De kamerschermen verbinden verschillende natuurgebieden met elkaar en vormen zo nieuwe ecologische schakels in het gebied en versterken tevens de kamerstructuur van het landschap. Kansen benutten voor bijdrage aan natuurontwikkeling, zoals akkerrandbeheer, kruidenrijke randen en bermen, bloemrijk grasland of poelen. Tussen de landbouwkamers en natuurgebieden is er een bebouwingsvrije buffer aanwezig. In deze buffer is geen bebouwing mogelijk maar worden de bosranden versterkt door middel van bosmantel/zoom vegetatie.
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
Uitstraling van het landschap
H.2
Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes landschap
Principeschets erfinrichting jonge ontginningenlandschap
87
H.5
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.5 H.4
Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven Uitstraling van het erf
•
•
Bestaande erven liggen momenteel veelal kaal in het landschap. Erven bestaan veelal uit één of meerdere grote bouwvolumes die ruimtelijke domineren en niet ingepast zijn. Er dient altijd sprake te zijn van een stevige erfbeplanting aan één zijde van het erf, haaks op het ontginningslint. Het landschap kenmerkt zich door zijn open en weidse karakter. De erfontwikkeling dient het contrast tussen het open en weidse landschap en het groene erf te versterken. Er is geen relatie met het omliggende landschap en het erf met haar bouwmassa. De bebouwing mag gezien worden, maar is ondergeschikt (niet beeldbepalend) aan de rust en ruimte die het landschap uitstraalt.
H.1
• • •
• • • •
H.2
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
•
Ontwerpprincipes
Het erf heeft een groene robuuste uitstraling waarbij de schaal en korrelgrootte passend zijn bij de ontginningslinten in het landschap. Hierbij mag de bebouwing wel zichtbaar zijn, maar is deze met robuuste beplanting ingepast in het open landschap Altijd een stevige beplanting toevoegen van singels en hagen aan weerzijden van de langsgevels van de bebouwing op en rondom het erf. Het levert hierdoor een bijdrage aan de beeldkwaliteit van robuuste boscomplexen aan de randen van het ontginningenlandschap. Schuren hebben zadeldaken, hoofdgebouw heeft een kap. Kleurstelling is passend in het landschap en het gebiedsdeel. Silo’s contrasteren qua kleur niet met de omgeving. Voorerf met bomengroep en geschoren hagen. Laten zien dat deze lange singels aan weerzijden tot een ritme leidt wanneer je meerdere erven ziet.
Erf met robuuste beplanting op de erfgrens
Bijgebouw met zadeldak
Voorerf met boom en geschoren haag
88
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.1
Erfbeplanting •
•
•
De woonzone kent een groene inrichting met een moestuin, boomgaard, hagen, bomenweiden en/of solitaire (monumentale) bomen. De bedrijfskavel is landschappelijke ingepast met robuuste erfbeplanting. De hagen structuur kan doorlopen langs de bedrijfsgebouwen ter afscherming en inpassen van parkeren. Indien meerdere loodsen naast elkaar staan dan betreft het de inpassing aan weerzijden van de langszijden van de buitenranden. Rondom (historische) bebouwing dient sprake te zijn van open ruimte, die ingevuld kan worden met een bomenweide, fruitgaard of moestuin.
Ontwerpprincipes • • • •
Gebruik van gebiedseigen beplanting. Voorzijde (woonzone) groene inrichting met bijvoorbeeld een moestuin, boomgaard, hagen, bomenweiden en/of solitaire bomen; Gebruik van gebiedseigen beplanting. Gebruik van gebiedseigen beplanting. Bij kleinschalige bebouwing, met een oppervlakte van minder dan 1000m2, minimaal de aanplant van aaneengesloten struweel of (transparante) bomenrijen*, eventueel aangevuld met bomengroepen.
•
•
• •
De landschappelijke inpassingsstrook bij kleinschalige bebouwing heeft een minimale breedte van 5-10 meter langs de erfgrens. Bij grootschalige bebouwing, met een oppervlakte van 1000m2, meer dichte aaneengesloten landschapselementen gebruiken, zoals inheemse plantvlakken met bomen van de 1e en 2e grootte die het oppervlak en de afmeting hebben van het bedrijfsgebouw. Robuuste houtwallen/houtsingels of kleine blokbossen, maatvoering afgestemd op grootte bebouwing, volgens principe 2:1 Dus als de loods 50x200 meter bedraagt dan bedraagt het plantvlak ook 25 x 200m. Bij kleinschaligere bebouwing zijn houtsingels op perceelscheidingen van 8-10 meter breed voldoende. Erfbeplanting zoals struweel of bomengroepjes dienen de lange lengtes aan bebouwing te onderbreken ter aanvulling op de grote bosblokken langs de bedrijfsgebouwen.
struweel
bomenrijen (droge soorten)
houtsingel
bomenrijen (natte soorten)
bomenweide (berk)
boscomplexjes
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
•
•
Landschapselementen
H.2
Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven
fruitgaard (evt. omzoomd met haag)
89
H.5
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.4
bomengroepen/ vrijstaande bomen
H.5 H.4
Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven Bebouwing op het erf •
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
•
Woonfuncties zijn gelegen aan de voorzijde van het erf met daarachter bedrijfsmatige functies. Bij grote complexen liggen de stallen en schuren naast de woning, maar liggen qua voorgevel verder achter de rooilijn van de weg dan de woning.
• • •
Ontwerpprincipes • • • • • • • •
Woonfunctie aan voorzijde van het erf. Bedrijfsmatige functies naast of achter de kopgevel van de woning. Eenduidige situering van de bedrijfsbebouwing (in dezelfde richting gelegen). Compacte erfindeling. Bebouwing sluit aan bij streekeigen architectuur. Bebouwing in de (nabije) omgeving kan dienen als inspiratie. De bedrijfswoning en grote stallen/loodsen zijn altijd voorzien van een zadelkap. Tegengaan van het toevoegen van/omvormen naar burgerwoningen. Materialisering: haal inspiratie uit lokale materialen of pas nieuwe toe die in harmonie zijn met het bestaande. Eenvoud en harmonie zijn de sleutelwoorden. Bebouwing staat altijd op enige afstand van de ontsluitingsweg zodat er een groen en representatief voorerf gecreëerd kan worden.
H.2
•
H.1
Situering bebouwing
•
Bij grote complexen liggen de stallen en schuren naast de woning. Deze bedrijfsgebouwen liggen qua voorgevel dan verder achter de rooilijn van de weg dan de woning. Van oudsher is er sprake van een gezamenlijke ontsluiting voor het voorerf en de bedrijfskavel. Als uitgangspunt wordt een gezamenlijke ontsluiting gehanteerd, tenzij dit het functioneren van de bedrijfsvoering op het erf aantoonbaar belemmert. Bij een gescheiden ontsluiting is een sterke landschappelijke inpassing van het gehele erf een vereiste.
Representatief groen voorerf
(Bedrijfs)gebouwen in eenzelfde richting gesitueerd. Woning aan de voorzijde, bedrijfsbebouwing erachter
90
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.1
Vormgeving bedrijfsbebouwing/stallen/ schuren • • •
• •
•
•
Zonnepanelen/collectoren • • • • •
Zonnepanelen/collectoren voldoen (bij voorkeur) aan de volgende randvoorwaarden: De panelen worden seriegewijs en aaneensluitend op de zadeldaken van de bedrijfsgebouwen aangebracht. De panelen worden geconcentreed tot een aaneengesloten groep aangebracht. Bij voorkeur worden zwarte matte panelen gebruikt zonder aluminium omlijsting. Bij zeer grote dakvlakken .>50 m kan er een verticale geleding worden aangebracht van enkele meters breed, ondermeer voor onderhoud.
91
H.5
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.4
Rechthoekige stal met zadeldak en metalen platen in gedekte kleur aan de geveld. Zonnepanelen aaneensluitend op het bedrijfsgebouw.
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
•
Het gebouw heeft een eenvoudige, rechthoekige opzet. Het dakvlak is beeldbepalend. Wenselijk is een dak-gevelverhouding van 2:1 Bij een grote afwijking van de dakgevelverhouding wordt er een grotere inspanning gevraagd ten aanzien van de kwaliteitsverbetering. Bij bedrijfsgebouwen bedraagt de goothoogte maximaal 5 meter en de nokhoogte 12 meter. Een extra kwaliteitsverbetering kan geleverd worden door een stevigere landschappelijke inpassing en/of de vormgeving van het gebouw. Geleding in het dakvlak is niet wenselijk, tenzij er sprake is van het toevoegen van een extra architectonische kwaliteit (zoals het benadrukken van zicht in de stal) Bij een a-symmetrische vormgeving van het gebouw dient de hoge goothoogte op het erf georiënteerd te zijn en de lage goothoogte op het landschap.
Materiaal- en kleurgebruik bebouwing • Voor de gevels worden natuurlijke materialen gebruikt (baksteen/hout) in een donker kleurgebruik. • Bij gebruik van metalen platen aan de gevels, deze een gedekte tint geven (bijvoorbeeld donkergroen). • Geen gebruik van witte en grijze bakstenen. • Voor daken wordt de kleur antraciet toegepast, of een vergelijkbare donkere tint. • Windveren en daklijsten worden in een gedekte tint uitgevoerd passend bij het dakvlak. Geen gebruik van witte windveren en daklijsten. • Luchtwassers worden bij voorkeur geïntegreerd in het ontwerp voor het bedijfsgebouw zodat er sprake is van één geheel (extra inpassing voor de kwaliteitsverbetering). • Bedrijfsmatige elementen (silo’s, luchtwassers, e.d.clusteren, geen verspreiding over de bedrijfskavel). • Luchtwassers, die niet geïntegreerd kunnen worden, hebben een gedekte kleur passend bij het kleurgebruik van het bedrijfsgebouw.
H.2
Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven
H.5 H.4
Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven Vormgeving bijgebouwen •
•
• • • • • • •
H.1
en
Hoofdgebouw staat parallel op enige afstand aan de weg. Bebouwing staat altijd op afstand van de weg zodat er een groen en representatief voorerf gecreëerd kan worden. Er is altijd sprake van een eenvoudige opzet met een enkelvoudige bouwmassa aansluiting bij de streekeigen architectuur. Er is ruimte voor een eigentijdse interpretatie. Representatieve bebouwing in de (nabije) omgeving kan dienen als inspiratie. Hoofdgebouwen hebben altijd een kap. De goothoogte van een (bedrijfs)woning is 5 meter en de nokhoogte is 10 meter. Geschakelde bouwmassa’s zijn niet toegestaan. De architectuur is altijd landelijk, traditioneel of eigentijds vormgegeven. (Bedrijfs)woningen en bijgebouwen sluiten zoveel mogelijk aan qua vormgeving. Toevoegingen, zoals erkers, dakkapellen, aan- en uitbouwen, zijn altijd ondergeschikt aan de hoofdmassa.
H.2
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
•
(bedrijfs)woningen
Materiaal- en kleurgebruik • Natuurlijke materialen, zoals hout en/ of bakstenen voor de gevels hebben de voorkeur. Anders gebruik maken van materiaal met een natuurlijke uitstraling. • Gedekte tinten voor gevels en daken. • Voor daken wordt bij gebruik van dakpannen de kleur rood of antraciet toegepast, of een vergelijkbare donkere tint. • Traditionele vormen van dakbedekking, zoals daken van riet, zijn toegestaan. • Een beeldbepalend gebruik van witte gevels is alleen toegestaan indien er sprake is van een hoge architectonische kwaliteit (vanwege de afwijkende kleurstelling ten opzichte van de omgeving).
Nieuwe woning in traditionele bouwstijl
Moderne woning met natuurlijk materiaalgebruik
92
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.1 H.2
Duurzaamheid
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
Zonnepanelen/collectoren voldoen (bij voorkeur) aan de volgende randvoorwaar-den: • Het behoud van de kwaliteiten van het (beeldbepalende) gebouw staat voorop. • Een zonnepaneel/collector is een ondergeschikte toevoeging aan een hoofdgebouw, een aan- of uitbouw, of een bijgebouw. • Zonnepanelen/collectoren worden niet op het voorgeveldakvlak van een gebouw geplaatst. • Zonnepanelen/collectoren dienen op ten minste 0,5-1 meter van de dakrand te liggen. • Zonnepanelen/collectoren dienen de dakhelling van het dak aan te houden. Op een plat dak mag gekozen worden voor een optimale helling. • Zonnepanelen/collectoren worden in of direct op het dakvlak geplaatst. • Meerdere zonnepanelen/ collectoren worden op een horizontale lijn gerangschikt.
H.4
93
H.5
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.5 H.4 H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen H.2 H.1
Toelichting op de erfinrichting Uitstraling op de omgeving Er dient in principe altijd sprake te zijn van een groene uitstraling van het gehele erf in het jonge ontginningenlandschap. Dit betekent een ondergeschikte positie (niet beeldbepalend) van bedrijfsgebouwen ten opzichte van landschapselementen. Bij de intensieve veehouderij dient een goede balans gevonden te worden tussen bedrijfsbebouwing en de mogelijkheden van een robuuste inpassing zoals beschreven bij de ontwerpprincipes. De bedrijfsbebouwing mag gezien worden, maar ligt nooit ‘kaal’ in het landschap (‘kaal’ betekent zonder de steun van beplanting). Hoe groter de bebouwing is, des te meer aaneengesloten landschapselementen gevraagd worden om de balans tussen het erf en het landschap te behouden. Uitsluitend bedrijfsbebouwing die een aantoonbare hoge architectonische kwaliteit hebben en een meerwaarde bieden voor de recreatie (zoals zichtstallen), mogen zich beeldbepalender ‘presenteren’. Maat en schaal van de erfbeplanting Het type landschapselementen is afhankelijk van de mate waarin nieuwe ontwikkelingen beeldbepalender dreigt te worden. Het type erfbeplanting dient afgestemd worden op de maat en schaal van de bebouwing. De minimale vereiste is de realisatie van een aaneengesloten landschapselement op één zijde van het erf,
94
haaks op het ontginningslint. Het is gewenst dat op overige zijden het beeld van de bebouwing onderbroken wordt door bomengroepen* of boomgaarden. Bij grootschalige bebouwing, > 1000m², is dichtere en meer hoog opgaande beplanting nodig, zoals brede houtsingels (bomen en struiken). Een landschappelijke inpassingsstrook van 10 meter meter breed langs de erfgrens is voldoende voor kleinschaligere erven (50 meter lengte) voor de ontwikkeling van een aaneengesloten brede houtsingel.
verhouding 2:1 (breedte loods: halve breedte bosstruweelstrook) langs de erfgrenzen geeft de gewenste robuuste groenstructuur. Ontwikkelingsrichting van het erf De ontwikkelingsrichting is variabel, maar dient wel zoveel mogelijk gekoppeld te worden aan het ontginningslint. Zodoende ontstaat er niet een uitgesproken diep of breed erf, maar een meer rechthoekig tot blokvormig erf passend bij de verkavelingsstructuur van het landschap.
Kleinschalige bebouwing Bij kleinschalige bebouwing, < 1000m2 kan een bomengroep, boomgaard of (transparante) bomenrijvoldoende zijn voor een goede samenhang tussen het erf en het landschap. Een landschappelijke inpassings- strook van 5-10 meter breed langs de erfgrens is dan voldoende. Grootschalige bebouwing Bij grootschalige bebouwing, > 1000m2, is vooral meer aaneengesloten beplanting nodig om deze niet beeldbepalend te laten zijn. Voor de inpassing van deze gebouwen zijn robuuste landschapselementen gewenst. Het toevoegen van houtwallen/-singels en/ of boscomplexjes zorgt voor een betere samenhang tussen het erf en het landschap (geringere beeldkwaliteit van het gebouw). Een landschappelijke inpassingsstrook die in de
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.1
De minimale vereiste bestaat uit een boscomplexje met een minimale breedte van 20 meter over de gehele erfgrens. Het boscomplekx staat aan één zijde van het erf en staat haaks op het ontginningslint. Bij complexen met een lengte groter dan 50 meter geldt de genoemde verhouding 2:1 voor de breedte van de bosstrook (breedte loods: halve breedte bosstruweelstrook). Over het algemeen zegt de uitstraling van een gebouw veel over de functie die het heeft. Afhankelijk van de functie en de vormgeving van het gebouw is het wenselijk dat deze zich in meer of mindere mate ‘presenteert’ in het landschap.
Gebiedseigen nieuwe bebouwing Randvoorwaarde voor nieuwe bebouwing, beeldbepalende objecten die zich willen laten zien, is dan ook een zichtbare architectonische vormgeving met landelijke uitstraling Dit betekent niet dat de historische bouwkunst de blauwdruk vormt voor nieuwbouw. Integendeel. De historische bouwkunst dient te worden beschouwd als inspiratiebron voor nieuwe bebouwing in het buitengebied, zodat de nieuwe bebouwing een bijdrage levert aan het gebiedseigen karakter.
voorbeeld: Goede standaardverhouding tussen dak en gevel van 2:1
voorbeeld: Ongewenste verhouding tussen dak en gevel (meer gevel dan dakvlak)
voorbeeld: Goede standaardverhouding voorbeeld: tussen dak en gevel van 2:1, Goede standaardverhouding door dakverlenging over de gevel tussen dak en gevel van 2:1, door dakverlenging (overstek)
95
H.5
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.4
Vormgeving Bedrijfsmatige bebouwing kent veelal een sobere doelmatige vormgeving en uitstraling. Deze eigenschappen en de huidige maat en schaal van deze gebouwen zorgen ervoor dat het over het algemeen wenselijk is, dat deze gebouwen niet beeldbepalend zijn (zie ook uitleg bij de er erfinrichting). Het buitengebied
staat echter ook vol met bebouwing die een weerspiegeling vormen van het verleden en een rol hebben om deze geschiedenis beleefbaar te houden. Dit zijn beeldbepalende objecten, zoals monumenten en karakteristieke bebouwing, waarvan het wenselijk is dat deze bebouwing juist zichtbaar aanwezig is in het landschap.
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
Specifieke randvoorwaarden jonge ontginningen Voor de erven gelden grotendeels dezelfde randvoorwaarden als voor de erfontwikkelingen in het overige ontginningenlandschap. Echter, aangezien hier uitsluitend sprake is van grootschalige bebouwing, wordt er standaard een zeer stevige landschappelijke inpassing gevraagd.
H.2
Toelichting op de vormgeving van gebouwen
H.4
H.5
Vormgeving: De goede standaard In het buitengebied vindt men een grote diversiteit aan (agrarische) bedrijfsbebouwing. Elk gebouw heeft zijn eigen maatvoering, vorm, materialisering, kleurgebruik en mate van detaillering. Ondanks de verschillen in deze elementen bestaat er toch een stereotype bedrijfsbebouwing voor het buitengebied.
wordt. Nieuwe stalvormen kunnen tevens de betekenis van het dakvlak sterk verminderen (zoals zaagtandstallen) en geven daardoor een onrustig beeld in het landschap. In deze gevallen is het gewenst om aandacht te besteden aan: de vormgeving van de bedrijfsbebouwing, of: te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van het erf.
Bedrijfsgebouwen die een goede balans vinden in de samenhang met het landschap en daardoor een aangename uitstraling hebben, bestaan uit een beeldbepalend dakvlak en een lage goothoogte. Een dak-gevelverhouding van ongeveer 2:1 functioneert als een goede standaard.
Zorgvuldige vormgeving Door aandacht te besteden aan de vormgeving van bedrijfsgebouwen met een hoge goothoogte (vanwege functionele eisen), kan men door een aandachtige vormgeving het dakvlak alsnog een beeldbepalende uitstraling geven.
H.2
Voorbeeld Een bedrijfsgebouw met een nokhoogte van 11 meter en een goothoogte van 3,5 meter voldoet aan de verhouding van 2:1 (7m dakvlak/3,5m gevel). Afwijken van de goede standaard Vanwege schaalvergroting en de daarbij behorende grotere maatvoering van bedrijfsgebouwen dreigt de aangename uitstraling van bedrijfsgebouwen met een beeldbepalend dakvlak en een lage goothoogte verloren te gaan. Vanwege functionele eisen zijn goothoogten hoger. Dit verandert de verhouding tussen de gevel en het dakvlak. Het dakvlak wordt minder beeldbepalend doordat de gevel dominanter
H.1
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
Toelichting op de vormgeving van agrarische (bedrijfs)gebouwen
96
aanwezig om de visuele uitstaling van het gebouw te verminderen, dan het geval is in een open landschap. Nieuwe grote maat aanplant (bomen minimaal 2e grootte) passend bij de schaal en maat van de ingreep is dan nodig.
Voorbeeld Door middel van hoogwaardige architectuur/ vormgeving van het pand en door middel van materiaalgebruik kan het dakvlak een beeldbepalende uitstraling krijgen. Landschappelijke inpassing Per deelgebied dient te worden gekeken of de aanwezige landschapselementen voldoende kwaliteit bieden om bebouwing, die afwijkt van de goede standaard (verhouding 2:1), in te passen in het landschap Voorbeeld In een kleinschalig landschap met hoog opgaand groen zijn meer landschapselementen
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.1 H.2 H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen H.4
97
H.5
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.5 H.4 H.1
H.2
H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen
Inspiratiepagina Jonge Heideontginningen
98
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
H.1 H.2 H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen H.4
99
H.5
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”
3.5
BUURTSCHAPPEN EN LINTEN
100
“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”