CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[21.14197] - Bijlage 1 Nota Ruimtelijke Kwaliteit, deel Buitengebied

Gemeenteraad 2 november 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Nota Ruimtelijke Kwaliteit - deel Buitengebied20.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

H.4

Kruidenrijke zone

41

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven Bebouwing op het erf

Het erf bestaat uit woonbebouwing en opstallen zoals schuren, deze vormen samen met het landschap en de erfbeplanting een eigen ensemble die terughoudend is en bescheiden oogt in het boslandschap.

Ontwerpprincipes •

• • • •

Bebouwing heeft een maximale goothoogte van 5 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter en komt daarmee niet boven de boomkruinen uit. Bebouwing sluit aan bij streekeigen architectuur. Bebouwing in de (nabije) omgeving kan dienen als inspiratie. Bebouwing staat altijd op afstand van de ontsluitingsweg om het bosgevoel te behouden. Houd rekening met de hiërarchie van het hoofdgebouw. Materialisering: haal inspiratie uit lokale materialen of pas nieuwe toe die in harmonie zijn met het bestaande. Eenvoud en harmonie zijn de sleutelwoorden.

H.1

H.2

H.3: Gebiedspaspoorten - Bossen en vennen

•

Bebouwing op enige afstand van de weg

Bebouwing komt niet boven de boomkruinen uit

42

Eenvoudige materialisering

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2 H.3: Gebiedspaspoorten - Bossen en vennen H.4

43

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4 H.1

H.2

H.3: Gebiedspaspoorten - Bossen en vennen

Inspiratiepagina Bossen & Vennen

44

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2 H.3: Gebiedspaspoorten - Bossen en vennen H.4

45

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

3.2

OUD AGRARISCH CULTUURLANDSCHAP

46

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2

Gebiedsbeschrijving Legenda Oud agrarisch cultuurlandschap Oud agrarisch Cultuurlandschap Oude akkercomplexen

Vestiging op de hogere delen Het maakt onderdeel uit van een zwak golvend dekzandplateau dat doorsneden wordt door de beeklopen van de Reusel en de Raamsloop. Dit dekzandplateau zorgde voor gunstige, hoge en droge, omstandigheden waarop men zich van oudsher vestigde en waarop de dorpen en buurtschappen ontstonden. De dekzandruggen hebbenGemeente een grofzandige en arme bodem waar regenwater infiltreert, grens dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Kernen Overige bebouwing Perceelgrenzen Waterlichamen Waterlopen

Infrastructuur (wit)

Hoog en laag in gebruik Tussen de hogere delen stroomden de twee beken dit was ideaal voor een gemengde bedrijfsvoering (akkerbouw en veeteelt). Het oud agrarisch cultuurlandschap bestaat uit individuele akkers. Akers op de hoger gelegen dekzandrug, grasland langs de beekjes tussen de zandruggen, en: het boerenerf tussen de hoger gelegen akkers en de lager gelegen weilanden, op de enk. Aanplant van landschapselementen Om de gewassen te beschermen tegen wildvraat en wind werden (veelal) rechtlijnige landschapselementen aangeplant op de perceelsgrenzen, haaks op de weg. Deze landschapselementen, zoals houtwallen- en singels, lanen van eiken- en berkenbomen en bosrestanten vormden een aaneengesloten geheel waartussen de erven gelegen waren. Hierdoor kenmerkt het oud agrarisch cultuurlandschap zich met haar kampen van oudsher door een groen en kleinschalig karakter. Slingerende wegen In het buitengebied is de wegenstructuur slingerend en grotendeels voorzien van laanbeplanting. Langs de wegen liggen verspreide erven, met name rondom kruispunten verdicht tot (historische) linten en buurtschappen.

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

Het oud agrarisch cultuurlandschap is een fraai kleinschalig landschap rondom de dorpen gesitueerd met open, vaak hoger gelegen (bolle) akkers of akkercomplexen met mozaïekvormige en onregelmatige verkavelingsstructuren en beemden.

Kleine hoogteverschillen In het landschap is sprake van kleine hoogteverschillen, waardoor de percelen veelal een grillige verkaveling kennen. Mede door de hoogteverschillen hebben de wegen een bochtig verloop en liggen de erven verspreid in het landschap. Het hoogteverschil werd nog eens vergroot doordat de arme gronden werden opgehoogd met mest en heideplaggen om deze vruchtbaar te maken. Dit heeft geresulteerd in de karakteristieke oude akkers (enken). H.4

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische kempische eigenheid als kwaliteit”

47

H.5

© 2009 OpenStreetMap

H.5 H.4

12

H.1

H.2

O m g ev i n g s v i s i e

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

Door de wijze van ploegen is de glooiende bolle vorm ontstaan. Op de akker is vrijwel geen sprake van beplanting of water, waardoor de glooiende openheid karakteristiek is.

G e m e e n t e R e u s e l - D e M i e rd e n

Oude akkers De oude akkers zijn kenmerkend voor de arme Brabantse zandgronden. Boeren hebben jaar na jaar de aarde verrijkt via dierlijke mest vermengd met turf. Hiervoor werd het potstalsysteem toegepast. Turf (gestoken in de moerassige Peel) vormde het strooisel van de stal. Gedurende zo’n zes maanden werd de stal niet uitgemest, maar werd als het nodig was turf bijgestrooid. Het mengsel van mest en veen was een goede meststof en werd over de akker uitgespreid. De dikte van de (enk)eerdlaag, zoals de bruine aarde heet, in de oude akkers kan sterk verschillen.

48

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1

De ontwikkeling dient bij te dragen aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat er sprake is van een goede samenhang tussen de bebouwing en het landschap. In dit landschapstype is het behoud van kleinschaligheid leidend.

Respecteer de kleinschaligheid Voor dit landschapstype is de kleinschaligheid leidend, met in het bijzonder de specifieke kwaliteiten van de oude akkers. De kleinschaligheid van het gebied is onder grote druk komen te staan. Dit is in het landschap terug te zien aan de nieuwe bebouwing die steeds beeldbepalender lijkt te worden (schaalvergroting en nieuwvestiging). Daarbij verdwijnen steeds meer landschapselementen.

Aanpak 1. Bekijk allereerst de beelddragers van dit gebied en sta stil bij het oplossen van aandachtspunten, die passen bij het planidee. 2. Selecteer of het gaat om landschappelijke randvoorwaarde of dat het vooral gaat om de erfinrichting. 3. Versterk de beelddragende functies in je planuitwerking. 4. Bekijk de uitstraling, de kenmerken van het gebied die van toepassing zijn en pas de ontwerpprincipes toe. 5. Verwerk deze in een planvoorstel.

49

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.4

De balans tussen bebouwing en landschap is scheef komen te liggen. De bebouwing voegt zich steeds moeilijker in het landschap vanwege een grotere maat en schaal en een tekort aan beplanting. Vele landschapselementen zijn

Nadruk op de cultuurhistorie en recreatief medegebruik Zichtbaarheid en beleving van de cultuurhistorie speelt een voorname rol in het oud agrarisch cultuurlandschap. De rijke geschiedenis van dit landschap met buurtschappen, waardevolle bebouwing, oude akkers en waardevolle landschapselementen zijn beeldbepalend. Dit heeft ook een grote aantrekkingskracht op bewoners en bezoekers van het gebied. De cultuurhistorie en recreatieve aantrekkelijkheid zijn aantrekkelijke beelddragende functies in het oud agrarisch cultuurlandschap. De nadruk voor ontwikkelingen in dit gebied ligt dan ook op ontwikkelingen die de cultuurhistorie niet schaadt en de aantrekkingskracht voor recreatief medegebruik van het landschap vergroot. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt een

extra inspanning gevraagd om niet alleen beschermend om te gaan met de cultuurhistorie, maar ook door een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de landschapsverbetering (vergroten van de landschappelijke structuur en recreatieve aantrekkingskracht). H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

Drie belangrijke vragen bij ontwikkeling 1. Past de ontwikkeling bij de karakteristieken van de omgeving, oftewel het landschap? 2. Draagt de ontwikkeling bij aan het behouden of versterken van de samenhang tussen uw planvoornemen en het landschap, oftewel is er sprake van een goede (erf )inrichting? 3. Past de uitstraling van de bebouwing bij de gewenste beeldkwaliteit van het buitengebied?

geïsoleerd geraakt en vormen een magere afspiegeling van de aaneengesloten structuur waar ooit sprake van was. Door ruimte te bieden aan ontwikkelingen ontstaat de mogelijkheid om het kleinschalig karakter te herstellen dan wel te versterken. De aandacht gaat hierbij uit naar het verbinden van geïsoleerd geraakte landschapselementen, het begeleiden van waardevolle open ruimten (zoals de oude akkers) en het herstellen/ versterken van zichtlijnen. Daarnaast dient de waardevolle historische bebouwing, zoals de langgevelboerderijen, gerespecteerd te worden en ruimte te krijgen.

H.2

Het initiatief passend maken in het oud agrarisch cultuurlandschap

H.5 H.4

Beelddragers oud agrarisch cultuurlandschap

Beelddragende functies

•

• •

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

• • • • • • • • • • • • •

• • •

Agrarisch werklandschap; Wonen solitair of in buurtschappen en linten; Beeklopen met beekdal; Natuur; Dagrecreatie en verblijfsrecreatie.

H.1

H.2

• •

Kleinschalig landschap en groene uitstraling rondom de dorpen; Open, vaak hoger gelegen, (bolle) akkers; Mozaïekvormige, onregelmatige verkaveling Variërende verkaveling van de percelen, van grillig tot rechthoekig; Oude akkers; Langgevelboerderijen met de zijgevel op korte afstand van de weg; Doorsnijding akkers door de beeklopen. Boomgaarden en moestuinen zijn karakteristiek; Verspreide ligging erven. Kleinschalige beplantingselementen zoals beplante akkerranden, houtwallen, Lanen (eik/berk) en bosrestanten; Slingerende bochtige wegenstructuur, veelal met laanbeplanting; Besloten smalle verharde wegen door buurtschappen met laanbeplantingen en bosjes. Hoogteverschillen zichtbaar door ‘golvende’ akkers; Oude nederzettingen (dorpen en buurtschappen); Historische kasseienverharding in buurtschappen; Lintvormige bebouwingspatronen; Cultuurhistorische waarden van belang.

50

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1

• • •

•

•

Verdwenen landschapselementen terugbrengen; Herstellen of tegengaan van het verdwijnen van het microreliëf zoals bolle akkers; Vrijkomende agrarische bebouwing met soms veel functieloze bijgebouwen slopen of een passende nieuwe bestemming (met deels sloop geven); Spanningsveld verkeersveiligheid tussen groot (landbouw)transport en langzaam verkeer (recreatie) verminderen; Overgang tussen agrarisch cultuurlandschap en jonge heideontginning is nu minder goed herkenbaar door verdwijnen kleinschalige beplantingselementen, kleinschaligheid terugbrengen; Verdroging (mais)akkers in zomers aanpakken in samenwerking met het waterschap.

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

•

H.2

Aandachtspunten

H.4

Schematische weergave agrarisch cultuurlandschap uit analyseboek omgevingsvisie

51

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes landschap Uitstraling van het landschap •

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

• •

• •

•

H.2

•

H.1

Het oud agrarisch cultuurlandschap ontleent zijn kleinschalige karakter aan de kleinschalige beplantingselementen en het fijnmazig netwerk van zandpaden. Deze zandpaden dienen als verbinding tussen dorp en landschap en maken onderdeel uit van het grotere recreatieve netwerk. Het gebied blijft voornamelijk intact als agrarisch gebied, waarbij zicht op de open akkers en de blokvormige verkaveling van belang zijn. Wegen zijn veelal voorzien van laanbeplanting, bestaande uit eik en/of berk. Buiten de dorpen en buurtschappen heeft de laanbeplanting een losser karakter gekregen en is meer pleksgewijs aanwezig, mogelijk door ruilverkavelingen, schaalvergroting of wegverbreding.

Ontwerpprincipes •

•

Altijd beplanting toevoegen aan het landschap ter versterking of herstel van het aaneengesloten netwerk van landschapselementen. Het in stand houden van de grillige verkaveling en zo mogelijk, deze zichtbaarder maken door beplanting toe te voegen op de perceelgrenzen. Onbebouwd en onbeplant laten van oude akkers, vanwege de waarde van de openheid en de beleefbaarheid van de glooiingen, en het (micro) reliëf in het landschap.

52

•

Aandacht voor behoud en bescherming van cultuurhistorische structuren, zoals zandpaden en houtopstanden. Wegen die door dit gebied lopen worden aangeplant met laanbeplanting, bestaand uit eik, gemengd met berk.

Extra kwaliteitsverbetering

Het toevoegen van extra kwaliteitsverbetering (extra inspanning) wordt op prijs gesteld en maakt het plan sterker. Denk aan: • Kansen benutten voor bijdrage aan natuurontwikkeling, zoals akkerrandbeheer (kruidenrijke rand), bloemrijk grasland en poelen. • Sloop van in verval geraakte bedrijfsbebouwing, ontstenen van het landschap. • Opknappen van waardevolle (historische) bebouwing, eventueel d.m.v. splitsing in wooneenheden. Bij splitsing dient een extra meerwaarde gecreëerd te worden voor het pand, maar ook voor de relatie tot de omgeving waarin het ligt en hiermee wordt bewerkstelligd dat de historische stedenbouwkundige- en landschapsstructuur wordt behouden, versterkt of hersteld. • Herstel van historische beplantings-, wegenen padenstructuren.

Toelichting Uw initiatief dient altijd een bijdrage te leveren aan het versterken dan wel herstellen van de kleinschalige en groene uitstraling, door het toevoegen van (aaneengesloten) landschapselementen. De beeldkwaliteit van de ontwikkeling is bepalend voor de mate van kwaliteitsverbetering. Hoe meer ‘verstening’, hoe meer ‘landschap’ gevraagd wordt.

Landschapselementen

struweel

bomenrijen (elzensingels)

houtsingels

boscomplexjes

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1

Uitstraling van het erf • • •

• • •

•

Het hoofdgebouw ligt vooraan de weg. Er dient altijd sprake te blijven van een goede ordening op het erf. Dit betekent een representatieve voorzijde van het erf met de woonfuncties, met daarachter gelegen de kavel met andere functies (bedrijvigheid, recreatief of wonen). Hoe groter de bebouwing, des te meer aaneengesloten forse landschapselementen er nodig zijn om de balans tussen het erf en het landschap te behouden.

Hoofdgebouw vooraan de weg, bijgebouw erachter

Ontwerpprincipes • •

•

H.4

Erf past in de kleinschalige landelijke omeving door middel van toepassing gebiedseigen erfbeplanting. De ontwikkelingsrichting mag nooit ten koste gaan van aaneengesloten landschapselementen, zoals houtwallen- en singels op perceelgrenzen. Het erf bestaat uit een ensemble van hoofdgebouw en bijgebouw en is omringd door erfbeplanting.

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

•

Er dient altijd sprake te zijn van een groene uitstraling van het gehele erf. Het erf mag gezien worden, maar ligt nooit ‘kaal’ in het landschap. Er is sprake van erfbeplanting op alle erfgrenzen die grenzen aan het landschap. Erven zijn deels verhard maar kennen ook vooral groene onderdelen zoals een moestuin, weide of een geriefhoutbosje. Het erf heeft een groen voorterrein, altijd met opgaande beplanting. Bijvoorbeeld een boomgaard, siertuin en/of haag. Ruimte behouden of creëren rondom beken en steilranden Ruimte behouden of creëren rondom monumentale panden en karakteristieke bebouwing. Historische bebouwing, zoals de langgevelboerderijen, zijn karakteristiek voor het buitengebied en dienen zichtbaar te zijn.

• •

H.2

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes landschap

Erf omringd door erfbeplanting

53

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven Erfbeplanting •

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

• •

Ontwerpprincipes • • • • •

•

H.2

•

H.1

Maak veel gebruik van gebiedseigen beplanting: (zomer)eik, berk, (haag)beuk, lijsterbes, braam, hazelaar, lijsterbes. Houtwallen en hagen op perceelscheidingen Voortuinen hebben een groene uitstraling.

•

Randen van erven zijn voorzien van inheemse hagen Overige beplanting op het erf is grotendeels gebiedseigen en inheems. Het voorerf is groen en representatief ingericht; (gras, solitaire bomen, haag), geen opslagfuncties. Parkeren met een bosje of inheemse haag inpassen. Gebruik van gebiedseigen beplanting. Bij kleinschalige bebouwing, kleiner dan 50 x 20 meter, minimaal de aanplant van bomengroepen, bomenrijen en/of fruit-/ notengaarden. De landschappelijke inpassingsstrook bij kleinschalige bebouwing heeft een minimale breedte van 5-10 meter langs de erfgrens. Bij grootschalige bebouwing, met een oppervlakte van 1000m2, meer aaneengesloten landschapselementen gebruiken, zoals houtwallen/-singels en/of boscomplexjes. De landschappelijke inpassingsstrook bij

54

•

grootschalige bebouwing heeft een minimale breedte van 8-10 meter langs de erfgrens. Ruimte rondom (historische) bebouwing kan ingevuld worden met een notengaard, fruitgaard of moestuin.

Landschapselementen

houtwal

bomenrijen

boscomplexjes

bomengroepen/vrijstaande bomen

Fruitgaard (evt. omzoomd met haag)

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

notengaard

H.1

Bebouwing op het erf •

• •

• •

Ontwerpprincipes

Het erf bestaat uit woonbebouwing en een apart deel voor opstallen zoals schuren, deze vormen samen met het landschap en de erfbeplanting een eigen ensemble dat terughoudend is t.o.v. zijn omgeving en bescheiden oogt in het landschap. Hoofdgebouwen dienen parallel aan de weg te staan. Achterop het erf is ruimte voor bebouwing met grotere volumes en een andere oriëntatie. Van oudsher is er sprake van een gezamenlijke ontsluiting voor het voorerf en de bedrijfskavel. Als uitgangspunt wordt een gezamenlijke ontsluiting gehanteerd, tenzij dit het functioneren van de bedrijfsvoering op het erf aantoonbaar belemmert. Bij een gescheiden ontsluiting is een sterke landschappelijke inpassing van het gehele erf een vereiste. Verharding is zo min mogelijk zichtbaar in het landschap.

•

• •

De situering van de bebouwing kan variëren. Wel dient er sprake te blijven van samenhang tussen de bebouwing. Dit kan op diverse manieren tot uiting komen: een compact erf met korte onderlinge afstanden tussen de bebouwing, vormgeving van de bebouwing en het materiaal en kleurgebruik. Behoud van een compacte erfindeling. Er dient altijd sprake te blijven van een goede ordening op het erf. Dit betekent een representatieve voorzijde van het erf met de woonfuncties, met daarachter gelegen de bedrijfskavel met bedrijfsmatige functies.

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

•

H.2

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven

Compacte erfindeling

H.4

Principeschets erfinrichting agrarisch cultuurlandschap (woning vooraan de weg, bedrijfsgebouwen erachter)

Representatieve voorzijde van een erf

55

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven Vormgeving bedrijfsbebouwing/ stallen/ schuren • • • • •

•

•

Het gebouw heeft een eenvoudige, rechthoekige opzet. Het dakvlak is beeldbepalend. Er is, zoveel mogelijk, een dakgevelverhouding van 2:1 Bij afwijking van de dakgevelverhouding wordt er een grotere inspanning gevraagd ten aanzien van de kwaliteitsverbetering. Bebouwing heeft een maximale goothoogte van 5 meter en een maximale bouwhoogte van 12 meter. Een extra kwaliteitsverbetering kan geleverd worden door een bredere landschappelijke inpassing en/of de vormgeving van het gebouw . Geleding in het dakvlak is niet wenselijk, tenzij er sprake is van het toevoegen van een extra architectonische kwaliteit (zoals het benadrukken van zicht in de stal) Bij een asymmetrische vormgeving van het gebouw dient de hoge goothoogte op het erf georiënteerd te zijn en de lage goothoogte op het landschap.

Bebouwing met eenvoudige, rechthoekige opzet

Dak-gevelverhouding 2:1

H.2

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

•

Materiaal- en kleurgebruik bedrijfs-bebouwing/ stallen/schuren • Voor de gevels worden natuurlijke materialen gebruikt (baksteen/hout) in een donker kleurgebruik. • Bij gebruik van metalen platen aan de gevels, deze een gedekte tint geven (bijvoorbeeld donkergroen). • Geen gebruik van witte en grijze bakstenen. • Voor daken wordt de kleur antraciet toegepast, of een vergelijkbare donkere tint. • Windveren en daklijsten worden in een gedekte tint uitgevoerd passend bij het dakvlak. Geen gebruik van witte windveren en daklijsten. • Luchtwassers worden bij voorkeur geïntegreerd in het ontwerp voor het bedijfsgebouw, zodat er sprake is van één geheel (extra inpassing voor de kwaliteitsverbetering). • Bedrijfsmatige elementen (silo’s, luchtwassers, e.d. clusteren, geen verspreiding over de bedrijfskavel). • Luchtwassers, die niet geïntegreerd kunnen worden, hebben een gedekte kleur passend bij het kleurgebruik van het bedrijfsgebouw.

H.1

Stallen/schuren met daken in de kleur antraciet

56

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1

Vormgeving bijgebouwen • •

• • • •

• • •

en

Traditionele bebouwing met passend materiaal en kleurgebruik

Moderne interpretatie van traditionele boerderij

H.4

Hoofdgebouw staat, in de meeste gevallen, parallel aan de weg. Bebouwing staat altijd op voldoende afstand van de ontsluitingsweg zodat er een groen en representatief voorerf gecreëerd kan worden. Er is sprake van een eenvoudige opzet met een enkelvoudige bouwmassa. Hoofdgebouwen hebben altijd een kap. Het hoofdgebouw heeft een maximale goothoogte van 4 meter en maximale bouwhoogte van 10 meter. Geschakelde bouwmassa’s zijn niet toegestaan. Bebouwing sluit aan bij streekeigen architectuur. Bebouwing in de (nabije) omgeving kan dienen als inspiratie. De architectuur is altijd landelijk, traditioneel of eigentijds vormgegeven. De vormgeving en uitstraling van het gebouw is bij voorkeur gebaseerd op de historische bouwkunst in het buitengebied (zoals de bouwstijl van lang- en kortgevelboerderijen). Er is ruimte voor een eigentijdse interpretatie. (Bedrijfs)woningen en bijgebouwen sluiten aan. Het dakvlak is beeldbepalend. Toevoegingen, zoals erkers, dakkapellen, aan- en uitbouwen, zijn altijd ondergeschikt aan de hoofdmassa.

Materiaal- en kleurgebruik • Natuurlijke materialen, zoals hout en/of bakstenen voor de gevels. • Gedekte tinten voor gevels en daken. • Voor daken wordt bij gebruik van dakpannen de kleur rood of antraciet toegepast, of een vergelijkbare donkere tint. • Traditionele vormen van dakbedekking, zoals daken van riet, zijn toegestaan. • Een beeldbepalend gebruik van witte gevels is alleen toegestaan indien er sprake is van een hoge architectonische kwaliteit (vanwege de afwijkende kleurstelling ten opzichte van de omgeving).

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

•

(bedrijfs)woningen

H.2

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven

Erker/dakkapel ondergeschikt aan de hoofdmassa

57

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.4

H.5

Duurzaamheid Zonnepanelen/-collectoren voldoen (bij voorkeur) aan de volgende randvoorwaarden: • Het behoud van de kwaliteiten van het (beeldbepalende) gebouw staat voorop. • Een zonnepaneel/collector is een ondergeschikte toevoeging aan een hoofdgebouw, een aan- of uitbouw, of een bijgebouw. • Zonnepanelen/collectoren worden niet op het voorgeveldakvlak van een gebouw geplaatst. • Zonnepanelen/collectoren dienen op ten minste 0,5-1 meter van de dakrand te liggen. • Zonnepanelen/collectoren dienen de dakhelling van het dak aan te houden. Op een plat dak mag gekozen worden voor een optimale helling. • Zonnepanelen/collectoren worden in of direct op het dakvlak geplaatst. • Bij toepassing van meerdere zonnepanelen/ collectoren worden deze op een horizontale lijn gerangschikt.

Zonnepanelen liggen op afstand van de dakrand

Zonnepanelen volgen de dakhelling

H.2

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven

H.1

Horizontaal gerangschikte zonnepanelen

58

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1

Kleinschalige bebouwing Bij kleinschalige bebouwing, met een oppervlakte van 1000m2, kan een bomengroep, boomgaard of (transparante) bomenrij voldoende zijn voor een goede samenhang tussen het erf en het landschap. Hier dient een landschappelijke inpassingsstrook van 10 meter breed langs de erfgrens gerealiseerd te worden, tenzij met overtuigende argumenten aangetoond kan worden dat dit niet haalbaar is. In dat geval dient een strook van minimaal 5 meter gerealiseerd te worden.

Ontwikkelingsrichting van het erf Het reliëf en de beplantingsstructuren in het oud agrarisch cultuurlandschap hebben gezorgd voor grote verscheidenheid in de inrichting van erven. De ontwikkelingsrichting en situering van de bebouwing op het erf is dan ook variabel, maar dient wel te passen binnen aanwezige landschapsstructuren. De kleinschalige en groene uitstraling is in dit landschapstype bepalender dan de richting van het erf. Wel dient er altijd sprake te zijn van een zichtbaar representatief voorerf (woonzone). De meer losse opzet van het erf, in vergelijking met de opbouw van de erven in het jonge ontginningenlandschap vormt een fraai contrast en draagt bij aan het onderscheid tussen de verschillende landschapstypen.

Grootschalige bebouwing Bij grootschalige bebouwing, > 50 x 20 meter, of groter dan 1000m² is vooral meer aaneengesloten beplanting nodig om deze niet beeldbepalend te laten zijn. Voor de inpassing van deze gebouwen zijn robuuste landschapselementen gewenst. Het toevoegen

Specifieke randvoorwaarden de oude akkers De oude akkers vormen een karakteristiek onderdeel van het cultuurhistorische verleden van het buitengebied. De openheid en glooiingen vormen een uitzonderlijke kwaliteit binnen de kleinschalige en groene uitstraling van het kampenlandschap.

59

H.5

Bij het initiatief dient minimaal sprake te zijn van de aanwezigheid van erfbeplanting op alle erfgrenzen die aan het omringende landschap gelegen zijn. Dit kunnen losse landschapselementen op een deel van de erfgrens zijn (zoals bomengroepen*), maar ook aaneengesloten landschapselementen over de gehele lengte (zoals houtwallen of -singels). Bij een grillige vorm (vanwege de verkaveling) betekent dit dat rondom het gehele erf beplanting aanwezig is.

van houtwallen/-singels en/ of boscomplexjes zorgt voor een betere samenhang tussen het erf en het landschap (geringere beeldkwaliteit van het gebouw). Een landschappelijke inpassingsstrook van 8-10 meter breed langs de erfgrenzen is voldoende voor de ontwikkeling van deze landschapselementen.

H.4

De bedrijfsbebouwing mag gezien worden, maar ligt nooit ‘kaal’ in het landschap (‘kaal’ betekent zonder de steun van beplanting). Hoe groter de bebouwing is, des te meer aaneengesloten landschapselementen gevraagd worden om de balans tussen het erf en het landschap te behouden. Uitsluitend bedrijfsbebouwing die een aantoonbare hoge architectonische kwaliteit hebben en een meerwaarde bieden voor de recreatie (zoals zichtstallen), mogen zich beeldbepalender ‘presenteren’.

Maat en schaal van de erfbeplanting Het type landschapselementen is afhankelijk van de mate waarin nieuwe ontwikkelingen beeldbepalender dreigt te worden. Het oud agrarisch cultuurlandschap kenmerkt zich door hoog opgaande beplanting. Uitsluitend het gebruik van struweel is niet voldoende voor een goede landschappelijke inpassing. Zodoende dient er altijd sprake te zijn van hoog opgaande landschapselementen. Het type erfbeplanting kan afgestemd worden op de maat en schaal van de bebouwing.

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

Uitstraling op de omgeving Er dient altijd sprake te zijn van een groene uitstraling van het gehele erf in het oud agrarisch cultuurlandschap. Dit betekent een ondergeschikte positie (niet beeld-bepalend) van bedrijfsgebouwen ten opzichte van landschapselementen.

H.2

Toelichting op de erfinrichting

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5

Specifieke randvoorwaarden het erf en het landschap Vanwege hun waarde gelden dan ook specifieke randvoorwaarden voor de samenhang tussen het erf en het landschap, als aanvulling op of afwijking van de randvoorwaarden van het oud agrarisch cultuurlandschap:

In het buitengebied vindt men een grote diversiteit aan (agrarische) bedrijfsbebouwing. Elk gebouw heeft zijn eigen maatvoering, vorm, materialisering, kleurgebruik en mate van detaillering. Ondanks de verschillen in deze elementen bestaat er toch een stereotype bedrijfsbebouwing voor het buitengebied.

In het geval van een ontwikkeling op een erf grenzend aan een oude akker, is een ontwikkelingsrichting in de diepte ongewenst. Vanuit landschappelijk oogpunt is het cultuurhistorische belang van openheid en beleving van de glooiende oude akker zeer waardevol. Een ontwikkelingsrichting over de breedte, parallel aan de weg is hierbij gewenst. Aangezien aaneengesloten beplanting (zoals houtwallen en singels) niet aanwezig zijn op de oude akkers, dient het erf bij te dragen aan het herstellen van de besloten groene rand rondom de oude akker (esrandbeplanting). Dit betekent dat het erf onderdeel uitmaakt van de groene rand. Door middel van het toevoegen van robuuste landschapselementen bij het inpassen van het erf, zoals boscomplexjes en/of houtwallen, wordt een bijdrage geleverd aan de besloten groene uitstraling van de rand. Vormgeving: De goede standaard

Bedrijfsgebouwen die een goede balans vinden in de samenhang met het landschap en daardoor een aangename uitstraling hebben, bestaan uit een beeldbepalend dakvlak en een lage goothoogte. Een dak-gevelverhouding van ongeveer 2:1 functioneert als een goede standaard. Voorbeeld Een bedrijfsgebouw met een nokhoogte van 11 meter en een goothoogte van 3,5 meter voldoet aan de verhouding van 2:1 (7m dakvlak/3,5m gevel).

voorbeeld: Goede standaardverhouding tussen dak en gevel van 2:1

voorbeeld: Ongewenste verhouding tussen dak en gevel (meer gevel dan dakvlak)

l voorbeeld: Goede standaardverhouding tussen dak en gevel van 2:1, door dakverlenging (overstek)

H.1

H.2

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

H.4

Toelichting op vormgeving van agrarische bedrijfsgebouwen

60

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2

Landschappelijke inpassing Per deelgebied dient te worden gekeken of de aanwezige landschapselementen voldoende kwaliteit bieden. Bij bebouwing, die afwijkt van de goede standaard (verhouding 2:1), wordt een extra landschappelijke inpassing geëist of er dient sprake te zijn van een hoogwaardige architectuur.

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

Afwijken van de goede standaard Vanwege schaalvergroting en de daarbij behorende grotere maatvoering van bedrijfsgebouwen dreigt de aangename uitstraling van bedrijfsgebouwen met een beeldbepalend dakvlak en een lage goothoogte verloren te gaan. Vanwege functionele eisen zijn goothoogten hoger. Dit verandert de verhouding tussen de gevel en het dakvlak. Het dakvlak wordt minder beeldbepalend doordat de gevel dominanter wordt. Nieuwe stalvormen kunnen tevens de betekenis van het dakvlak sterk verminderen (zoals zaagtandstallen) en geven daardoor een onrustig beeld in het landschap. In deze gevallen is het gewenst om aandacht te besteden aan: de vormgeving van de bedrijfsbebouwing, of: te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van het erf.

Voorbeeld In een kleinschalig landschap met hoog opgaand groen zijn meer landschapselementen aanwezig om de visuele uitstaling van het gebouw te verminderen, dan het geval is in een open landschap.

Zorgvuldige vormgeving Door aandacht te besteden aan de vormgeving van bedrijfsgebouwen met een hoge goothoogte (vanwege functionele eisen), kan men door een aandachtige vormgeving het dakvlak alsnog een beeldbepalende uitstraling geven. Voorbeeld Door middel van een dakverlenging over de gevel of als dakoverstek past het bedrijfsgebouw alsnog visueel in het landschap.

H.4

61

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4 H.1

H.2

H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap

Inspiratiepagina Oud agrarisch cultuurlandschap

62

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2 H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap H.4

63

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4 H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap H.2 H.1

64

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2 H.3: Gebiedspaspoorten - Oud agrarisch cultuurlandschap H.4

65

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

3.3

BEEKDALLANDSCHAP

66

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2

Gebiedsbeschrijving Legenda

Beekdalen Beekdal landschap Het beekdallandschap van Reusel-De Mierden bestaat uit twee waardevolle beekdalen. Het beekdal van de Reusel en het beekdal van de Raamsloop. Deze beken en instromende ‘lopen’ maken deel uit van een groter netwerk van beken in Brabant en vorm een onderdeel van de waardevolle Natura 2000 gebieden.

Overige bebouwing De mechanisatie van de landbouw stelde echter bepaalde eisen aan de landbouwgronden. Met name de waterhuishouding van het gebied Perceelgrenzen moest beheersbaar zijn. Dit werd gerealiseerd door het uitvoeren van ruilverkavelingen en door normalisatie van de waterlopen. Door de Waterlichamen schaalvergroting, egalisatie en ontwatering zijn hierbij toegepaste de beekdalen arm geworden aan levensgemeenschappen. De beken zelf zijnWaterlopen toen veranderd in uniforme waterlopen.

Rouwenbogtloop en de Raamsloop De Rouwenbogtloop en de Raamsloop vloeien ten zuiden van Hulsel samen tot de Stroom (of Stroom onder Hoge en Lage Mierde). In landgoed de Utrecht komen de Reusel en de Stroom samen. Het Spruitenstroompje vormt met zijn stroomgebied van circa 3.600 ha een belangrijke zijbeek van de Reusel. Het landschap tussen de twee dorpen Reusel en Hulsel is sterk beïnvloed door water. In dit landschap lopen de Raamsloop en de Rouwenbogtloop. Het karakteristieke beemdenlandschap, dat deze beken flankeerde, bestond uit lange smalle percelen weide- en hooiland, omzoomd met heggen of houtwallen. Deze percelen lagen altijd met de smalle kant aan het water. Dit landschap is grotendeels verdwenen en slechts aan de Rouwenbogtloop nog terug te vinden. Het Rouwenbogtloopje ontspringt ten zuiden van Reusel en loopt langs de Rouwenbogt, een buitenweg die naar Hulsel leidt. Kleine slootjes vanaf ‘De Hoef’ en industrieterrein de kleine hoeven in Reusel voeden de loop, die even verderop uitmondt in de Raamsloop.

H.4

Reusel Infrastructuur (wit) Het stroomgebied van de Reusel beslaat 11.200ha. De Reusel heeft een lengte van circa 32,5 km. De bovenlopen (Belevensche loop, Rouwenbogtloop, Raamsloop) ontspringen in het grensgebied ten westen, zuiden en oosten van het dorp Reusel, ten dele in bossen en ten dele in agrarische gebieden. De Reusel stroomt via Reusel en Lage Mierde door Landgoed De Utrecht en vervolgens langs Baarschot en

Belevensche loop en de Zilverbeek De Belevensche loop en de Reusel vloeien ten noorden van Reusel samen. Ten westen van Lage Mierde komt de Zilverbeek bij de Reusel.

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

De oorspronkelijk meanderende beken hadden een karakteristieke afwisseling in stroomsnelheid, in het optreden van erosie- en sedimentatieverschijnselen en in het voorkomen van pools en riffles. Daarnaast traden gradiënten in de beekdalen op tussen hoge en lage gebieden, droge en natte gebieden en voedselarme en voedselrijke Gemeente grens gebieden. Door de grote abiotische variatie was er rond 1900 een grote verscheidenheid aan levensgemeenschappen in de beekdalen Kernen aanwezig.

Diessen onder het Wilhelminakanaal door naar Moergestel waarna zij net ten zuiden van Oisterwijk overgaat in de Achterste Stroom. Beken die in de Reusel uitmonden zijn o.a. de Belevensche Loop en de Raamsloop.

© 2009 OpenStreetMap

67

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4

12

H.1

H.2

O m g ev i n g s v i s i e

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

G e m e e n t e R e u s e l - D e M i e rd e n

De Reusel in het bosgebied van landgoed de Utrecht, foto Jozef van der Heijden

68

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2

Wat houdt het Beekdallandschap in?

Transformatie van natuurlijke rijkdom naar gekanaliseerd watersysteem Van oorsprong zijn de beeklopen meanderend, met natuurlijke oevers en aangrenzende natte hooi- en graslanden met bosjes en houtsingels, Nu zijn de beeklopen echter grotendeels gekanaliseerd. De beekdalgronden zijn zo geoptimaliseerd voor de landbouw (diepere ontwatering, verdwijnen houtsingels) en in sommige gevallen bebouwd, waardoor ze in het landschap vaak niet meer als beekdal herkend worden.

Het karakter van de beken bestaat hier deels uit een strakke gekanaliseerde smalle beek, meer herkenbaar als sloot. Soms wat dieper ingesneden liggend tussen de beemden en wat meanderend, stromend tussen akkers en graslanden door.

Ook worden de oevers van de Belevensche loop opnieuw ingericht zodat deze voor fauna een goede verbinding vormt tussen de NNP Beleven, het herstelde beekdal van de Reusel en de landgoederen De Utrecht en Wellenseind (EVZ). De ruimtelijke kwaliteit krijgt door deze herstelprojecten een opwaardering omdat naast natuurontwikkeling en versterking van de ecologische verbindingen ook gewerkt wordt aan landschap. Daarnaast willen de samenwerkingspartners de agrarische structuur verbeteren, kansen voor toerisme/recreatie ontwikkelen en de cultuurhistorie in het gebied behouden en beleefbaar maken.

Benedenstrooms: Ter hoogte van Lage Mierde en landgoed Wellenseind gaan de beken meer meanderen en verandert het open landschap in een meer half open en later in een besloten boslandschap. Hier wordt het stroombed breder en ontstaat er een natuurlijke bosomgeving.

69

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.4

De beekherstelprojecten hebben hier ook betrekking op en geven invulling aan herstel van de Reusel tussen Belevensche loop en Wellenseind. Deze wordt zodanig ingericht dat voldaan wordt aan de doelstellingen KRW, N2000/PAS, Natte Natuurparel en de realisatie van ca. 200 ha NNB.

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

Twee stromende beken Het beekdallandschap bestaat uit de twee lager gelegen en nattere zones rondom de Reusel en de Raamsloop, die als groen-blauwe dooradering de verschillende landschappen aan elkaar koppelen en waarop andere beeklopen in uitkomen. Het beekdallandschap als systeem bestaat idealiter uit een open landschap met wat bosjes en aflopende natte hooi- en extensief beheerde graslanden, waarbinnen een meanderende beek stroomt met flauw aflopende natuurlijke oevers en singels met els en wilg als beekbegeleidende beplanting.

Twee gezichten Bovenstrooms: De beide beken hebben hun oorsprong rondom Reusel. Vandaaruit lopen de beide beken als smalle watergangen, gekanaliseerde beken, door het agrarisch akkerland in noordelijke richting. Soms nauwelijks waarneembaar door de mais die door kan lopen tot aan de insteek van de beek. De natuurwaarde is in dit deel nog laag, het beekdal is als akker- en grasland in gebruik.

H.4

H.5

De ontwikkeling dient bij te dragen aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat er sprake is van een goede samenhang tussen de bebouwing en het landschap. Vanwege het natte karakter van dit gebied is één van de belangrijkste kenmerken de afwezigheid van bebouwing. Erven en bebouwing horen niet in het beekdal thuis. Wel kan op de overgang naar een ander landschapstype een erf voorkomen. Het creëren van nieuwe erven in het beekdallandschap is niet gewenst.

H.2

Drie belangrijke vragen bij ontwikkeling 1. Draagt de ontwikkeling bij aan het versterken van het natte en groene karakter van het beekdallandschap? 2. Vindt de ontwikkeling (in geval van bebouwing) plaats binnen een bestaand erf? 3. Past de uitstraling van de bebouwing bij de gewenste beeldkwaliteit van het buitengebied? Herstel van het bekensysteem Uit de omgevingsvisie: “De beekdalen krijgen de ruimte om hun natuurlijk karakter terug te vinden en worden weer herkenbaar in het landschap. Voor het Reuseldal is uitvoering gestart, mede gericht op natuurontwikkeling, waterberging en een goede aansluiting op de natte natuurparels en het landgoed de Utrecht. Er wordt ingezet op extensieve landbouw en de perceelsranden worden waar mogelijk weer aangezet met elzensingels. Recreatieve routes

H.1

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

Het initiatief passend maken in het beekdallandschap

70

voor fietsers en wandelaars markeren de randen van het beekdal en sluiten aan op het recreatieve routenetwerk. Deze leiden tot in de dorpen, zodat ook de dorpen weer meer aansluiten bij het landschap”. Herstel van natuurwaarden Beekherstelprojecten zijn inmiddels in volle gang. Het project ‘Natte Natuurparel (NNP) De Utrecht en Reusel-De Mierden’ heeft betrekking op het beekherstel van de Reusel, Raamsloop en het versterken van de natuurwaarden in de Natte Natuurparel De Utrecht (met uitzondering van de Hoogeindse Beek). Dit project maakt de unieke natuur weer vitaler.

Aanpak 1. Bekijk allereerst de beelddragers van dit gebied en sta stil bij het oplossen van aandachtspunten die passen bij het planidee. 2. Selecteer of het gaat om landschappelijke randvoorwaarde of dat het vooral gaat om de erfinrichting. 3. Versterk de beelddragende functies in je planuitwerking. 4. Bekijk de uitstraling, de kenmerken van het gebied die van toepassing zijn en pas de ontwerpprincipes toe. 5. Verwerk deze in een planvoorstel.

Belang van het bekensysteem Vanuit water en klimaatadaptatie levert het vergroten van de wisselwerking tussen de functies waterberging, waterkwaliteit en natuur (ecologische verbinding) in combinatie met een betere beleving vanuit recreatief oogpunt een grote meerwaarde op voor het beekdallandschap, haar natuur en de beleving van de verbeterde ruimtelijke kwaliteit. Het beken systeem maakt onderdeel uit van een groter Brabants bekensysteem en zorgt voor een robuust en waardevol natuurlijk watersysteem.

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1

• •

•

Natte zones rondom de meanderende beken met bosjes; Meanderende beken met natuurlijke vegetatie langs oevers in open landschap bovenstrooms en door boslandschap stromend benedenstrooms; Aangrenzende natte hooi- en graslanden met bosjes en houtsingels;

• • • • •

H.2

Beelddragers beekdallandschap Smalle percelen, gescheiden door elzenhagen; Kleinschalig karakter van het beekdal; Behouden van zichtlijnen van de openbare weg op de beek; Beekbegeleidende beplantingen zoals elzen en wilgen; Kruidenrijke graslanden.

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen Beekdallandschap met smalle verkaveling en kavelgrensbeplantingen rondom 1900

71

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische kempische eigenheid als kwaliteit”

H.4

Schematische weergave beekdallandschap uit analyseboek omgevingsvisie

H.5 H.4

Beelddragende functies

Aandachtspunten

• •

• • • •

Waterbergende functie vergroten om verdroging tegen te gaan; Verdwenen landschapselementen terugbrengen; Hermeandering van beeklopen; Natuurwaarden vergroten.

H.1

H.2

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

•

Beeklopen & beekdal; Natuur: oevervegetatie, hooi- en graslanden, bosjes, houtsingels en kruidenrijke graslanden Afwezigheid van bebouwing

72

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1

Uitstraling van het landschap • • •

Vaak loopt er aan weerszijden van het beekdal een weg, die beschouwd kan worden als beekdalrand. Wegen rond de beekdalen zijn veelal voorzien van laanbeplanting bestaande uit eiken. De beeklopen zijn veelal gekanaliseerd. De beekdalgronden zijn zo geoptimaliseerd voor de landbouw (diepere ontwatering, verdwijnen houtsingels) en in sommige gevallen bebouwd, waardoor ze in het landschap vaak niet meer als beekdal herkend worden. Hierdoor verdwijnt een specifiek kenmerk en identiteit van het beekdal. Conclusie: Huidig beeld is niet representatief voor een goed functionerend beekdal

•

• • • •

Binnen het beekdallandschap wordt ingezet op herontwikkeling van de twee beekdalen, zodat deze weer zichtbaar en herkenbaar zijn in het landschap. Hermeandering beken, vernatting beemden, omvorming grondgebruik van maisakker naar kruidenrijke graslanden. Versterken van het kleinschalige karakter van het beekdal, door middel van het toevoegen van (kleinschalige) landschapselementen. Wegen worden landschappelijk aangezet met laanbeplanting (eik). De beek zelf wordt aangezet met beekbegeleidende beplanting op en langs het beekdal. Dit gebeurt met groepsgewijze aanplant van els, es, en eik, versterking van biodiversiteit en klimaatadaptief

•

•

•

•

•

De beekdalen zijn in principe onbebouwd. Alleen als bijzonder accent en in combinatie met beekdalontwikkeling (hermeandering, versterken beplanting, extensiveren landgebruik, verbeteren recreatieve gebruiksmogelijkheden etc.) is nieuwe bebouwing in het beekdal mogelijk. Tussen bebouwing en de beken dient er voldoende ruimte te zijn. Het dient voorkomen te worden dat bebouwing kort op het talud gesitueerd wordt. De ruimte rondom de beek of waterloop kan gebruikt worden voor natuurontwikkeling i.c.m. recreatiemogelijkheden, of het creëren van een landschappelijke overgang van het erf richting het landschap middels erf- of perceelsbeplanting. Daar waar de beekdalen grenzen aan dorpsranden zoekt het dorp weer contact met het beekdallandschap en geeft de beek ruimte. Waar mogelijk oriënteert de (nieuwe) bebouwing zich op het landschap, in andere gevallen krijgen de achterzijden van het dorp een landschappelijke inpassing en worden de beemden vanuit het dorp weer toegankelijk gemaakt voor wandelaars. Akkers in beekdal extensiever beheren, geen mais tot aan de insteek van de beek.

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

•

Ontwerpprincipes

H.2

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes landschap

H.4

Streefbeeld beekdallandschap

73

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4 H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven Erven en bebouwing horen niet in het beekdal thuis. Wel kan op de overgang naar een ander landschapstype een erf voorkomen. Kijk daarom ook bij de ontwerpprincipes voor het andere landschapstype waarin de voorgenomen ontwikkeling ligt. Voor deze situaties zijn onderstaande principes uitgewerkt als toevoeging op de ontwerpprincipes zoals opgenomen in de andere landschappelijke deelgebieden. Deze ontwerpprincipes zijn daarmee een extra, omdat de ontwikkeling op de overgang naar het beekdallandschap is gelegen.

Uitstraling van het erf •

Ontwerpprincipes •

• • •

H.1

H.2

•

Principeschets erfinrichting beekdallandschap

74

Het erf heeft een kleinschalige, groene uitstraling waarbij de schaal en korrelgrootte passen binnen het beekdallandschap. Grootschalige uitbreidingen zijn hier niet passend.

Erf past aan de rand van het natuurlijke beekdal door middel van toepassing gebiedseigen erfbeplanting van bosjes, eik en es. Het erf bestaat uit een ensemble van hoofdgebouw en bijgebouw en is omringd door erfbeplanting. Het hoofdgebouw ligt vooraan de weg. Er dient altijd sprake te blijven van een goede ordening op het erf. Dit betekent een representatieve voorzijde van het erf met de woonfuncties, met daarachter of naast gelegen de bedrijfskavel met bedrijfsmatige functies. Uitbreiding richting de beek is niet gewenst. Wel kan een bijgebouw evenwijdig aan de ontsluitingsweg worden geplaatst, mits er voldoende zicht richting het beekdal blijft bestaan.

toepassing gebiedseigen beplanting aan de rand van het beekdal (houtwal)

Hoofdgebouw aan de voorzijde, voorzien van erfbeplanting

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven Erfbeplanting • • • •

• • •

Representatief voorerf

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

•

Erven zijn voorzien van inheemse hagen op de erfgrens. Overige beplanting op het erf is grotendeels gebiedseigen en inheems. Houtsingels op perceel scheidingen. Landschappelijke inpassing achterzijden bestaande bebouwing (bijv. d.m.v. houtsingels). Het voorerf is groen en representatief ingericht; (gras, solitaire bomen, haag), geen opslagfuncties. Houtwallen/hagen op perceelscheidingen. Parkeren met een bosje of inheemse haag inpassen. Erf past in de kleinschalige landelijke omgeving door middel van toepassing gebiedseigen erfbeplanting aan alle zijden van het erf.

Gebiedseigen erfbeplanting aan alle zijden van het erf

Ontwerpprincipes • • • •

Gebruik gebiedseigen beplanting. Houtsingels op perceelsgrenzen. Landschappelijke inpassing achterzijden bestaande bebouwing (bijv. d.m.v. houtsingels). Erf past in de kleinschalige landelijke omgeving door middel van toepassing erfbeplanting aan alle zijden van het erf.

H.4

Houtsingel

75

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4

Ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes erven Bebouwing op het erf •

Bebouwing en erf bevindt zich langs de doorgaande weg, waarbij de woning georiënteerd is op de weg en de bedrijfsgebouwen zo dicht mogelijk gelegen zijn nabij de weg, vaak achter of naast de woning.

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

Ontwerpprincipes •

• •

Bebouwing staat altijd op enige afstand van de ontsluitingsweg zodat er een groen en representatief voorerf gecreëerd kan worden. Hoofdgebouw staat parallel aan de weg. Bebouwing sluit aan bij streekeigen architectuur. Streekeigen bebouwing in de (nabije) omgeving kan dienen als inspiratie.

Moderne woning met natuurlijke materialen

Vormgeving bebouwing • • •

Hoofdgebouwen hebben altijd een kap. Volume van hoofdgebouw en bijgebouwen is passend in dit landschapstype en levert geen verstorend beeld op. Bij woningen bedraagt de goothoogte maximaal 4 meter en de nokhoogte 10 meter. Bij bedrijfsgebouwen bedraagt de goothoogte maximaal 5 meter en de nokhoogte 12 meter.

H.2

•

H.1

Materiaal- en kleurgebruik bebouwing • Gebruik natuurlijke materialen, zoals hout en/of bakstenen voor de gevels of zorg voor een vergelijkbare donkere tint. • Gedekte tinten voor gevels en daken. • Voor daken wordt bij gebruik van dakpannen de kleur rood of antraciet toegepast, of een vergelijkbare donkere tint. • Traditionele vormen van dakbedekking, zoals daken van riet, zijn toegestaan. • Beeldbepalend gebruik van witte gevels is alleen toegestaan indien er sprake is van een hoge architectonische kwaliteit (vanwege de afwijkende kleurstelling ten opzichte van de omgeving).

Bebouwing hoort niet in het beekdal thuis. Omdat bebouwing enkel op de overgang tussen beekdal en een ander landschapstype voorkomt, wordt u voor de verdere ruimtelijke inpassing en ontwerpprincipes, toelichting op de erfinrichting en de toelichting op de vormgeving van (bedrijfs) gebouwen verwezen naar het landschapstype waar het betreffende erf nog meer aan grenst. Woning met kap en houten gevel in gedekte tint

76

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2 H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen H.4

77

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4 H.1

H.2

H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen

Inspiratiepagina Beekdallandschap

78

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2 H.3: Gebiedspaspoorten - Beekdalen H.4

79

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

3.4

JONGE HEIDEONTGINNINGEN

80

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1 H.2

Gebiedsbeschrijving Legenda Jonge ontginning Jonge Heideontginning

H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen

De jonge heideontginningen zijn gebieden die relatief laat veroverd zijn op de woeste gronden van heide en zandverstuivingen. Het is een grootschalig, open en rationeel verkaveld landschap met grote percelen en lange, rechte (deels beplante) wegen. De bossen op de achtergrond vormen een mooi decor van deze relatief open gebieden. De jonge heideontginningen zijn grotendeels in agrarisch gebruik, met een accent op (intensieve) veeteelt. Door schaalvergroting in de landbouw domineren de agrarische bedrijfsgebouwen in het landschap, waarbij een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing veelal ontbreekt: de grote, meestal solitair gelegen agrarische erven liggen vaak ‘kaal’ in het landschap. Het betreft de gebieden waar het Gemeente grens primaat landbouw geldt ten zuiden van Reusel en ten zuiden van Hooge Kernen Mierde. Overige bebouwing Perceelgrenzen Waterlichamen Waterlopen

Infrastructuur (wit)

H.4

© 2009 OpenStreetMap

81

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4 H.1

H.2

O m g ev i n g s v i s i e

H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen

G e m e e n t e R e u s e l - D e M i e rd e n

12

82

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1

De karakteristieken van de jonge ontginningen, openheid en een rechtlijnige verkaveling, passen goed bij de functionele ordening van de grootschalige (agrarische) bedrijvigheid. De maat en schaal van de bebouwing paste bij de weidsheid van dit landschapstype. Echter, door verdere innovaties en het streven naar een rendabel bedrijfsmatige opzet zijn zeer grote bedrijfsgebouwen ontstaan, zowel in de diepte als in een seriematige opzet. Door een gebrek aan landschapselementen en erfbeplanting heeft de bebouwing een te dominante positie ingenomen en is deze sterk beeldbepalend geworden. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn dan ook robuuste maatregelen bij de inpassing van het erf in het landschap noodzakelijk.

Drie belangrijke inpassingsaspecten gelden hierbij: 1. Past de ontwikkeling bij de karakteristieken van de omgeving, oftewel het landschap? 2. Draagt de ontwikkeling bij aan het behouden of versterken van de samenhang tussen erf en landschap, oftewel is er sprake van een goede erfinrichting? 3. Past de uitstraling van de bebouwing bij de gewenste beeldkwaliteit van het buitengebied? Weidsheid en robuust groen is kwaliteit De weidsheid van het open ontginningengebied is onder grote druk komen te staan. Dit is in het landschap terug te zien aan de bebouwing die beeldbepalend is geworden. Dit heeft niet uitsluitend te maken met de maat en schaal van de bebouwing. Veelal weegt de te magere en vaak ontbrekende erfbeplanting niet op tegen de uitstraling van de bebouwing. De bebouwing vraagt hierdoor de aandacht, hetgeen de beleving van het weidse open landschap verzwakt. De balans tussen bebouwing en landschap is scheef komen te liggen. Bij grootschalige bebouwing hoort een stevige landschappelijke inpassing van het erf, zodat het erf geen afbreuk doet aan de beleving van de rust en ruimte in het landschap.

Op deze wijze worden de waarden van openheid, rust en ruimte beter behouden en beleefbaar gemaakt. Naast een landschappelijke meerwaarde hebben de stevige groenstructuren ook een grote meerwaarde voor de ecologie (schaduw, schuilplekken, broedplekken en foerageermogelijkheden). Over het algemeen is er sprake van een tekort aan stevige erfbeplanting en ontbreekt het aan een meer lokale gebiedsstrategie waarbij de erven met hun grote bedrijfsgebouwen onderdeel vormen van een groenstructuur die qua schaal en maat passend is bij de gebruikte schaalgrootte en herkenbaar wordt als patroon door dezelfde wijze van toepassing bij soortgelijke bedrijven in hetzelfde gebied. In de praktijk betekent dit dat grotere kavels met beplantingen buiten het erf en soms het bouwblok onderdeel gaan worden van de inpassing van de erven. Deze grote groenkavels zijn dan beplant met hoog opgaande gemengde loofbomen en struwelen en volgen de langsrichting van de bedrijfsgebouwen.

83

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.4

Door ruimte te bieden aan ontwikkelingen vraagt de gemeente om ruimte te laten voor

het landschap. Bij ontwikkelingen wordt gekeken naar het realiseren van een stevige erfbeplanting die een groene achtergrond biedt aan het erf, waardoor de bebouwing minder beeldbepalend is en het landschap versterkt wordt met stevige groenstructuren. H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen

Uw ontwikkeling dient bij te dragen aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat er sprake is van een goede samenhang tussen de bebouwing en het landschap. Voor dit landschapstype is de weidsheid leidend en zijn de instandhouding van zichtlijnen vanaf de weg het landschap in van belang

H.2

Het initiatief passend maken in hetlandschap van de jonge heideontginnginen

H.5 H.4

Dit kan door voor locaties, waar landschappelijke inpassing onmogelijk is, een extra mogelijkheid voor compensatie te bieden. Het fonds mag echter niet in de plaats komen van een goede landschappelijke inrichting, maar dient als een extra voorwaarde voor ruimtelijke ontwikkeling.

Voorbeeld gewenste erfinrichting • Aaneengesloten stevige erfbeplanting op één erfgrens • Erfbeplanting haaks op de weg • Eenduidige richting van de bedrijfsbebouwing • Onderbreken van lange gevels van bebouwing door strategische plaatsing van bomengroepen of vrijstaande bomen en/of struiken

Voorbeeld gewenste erfinrichting • Brede aaneengesloten stevige erfbeplanting in de vorm van een boscomplexje op één erfgrens • Erfbeplanting haaks op de weg • Eenduidige richting van de bedrijfsbebouwing • Onderbreken van lange gevels van bebouwing door strategische plaatsing van bomengroepen of vrijstaande bomen en/of struiken

H.1

H.2

H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen

Vanuit bedrijfszekerheid wordt er rekening gehouden met een technische vrije ruimte voor voldoende ventilatie en circulatie. Aan de zijde met de heersende windrichting kan het plantvak een onderverdeling krijgen ter versterking van de luchtcirculatie. Daarnaast kan er een bovenregionale bijdrage geleverd worden aan een gebiedsfonds, waarbij naast de landschappelijke inpassingen ook een bijdrage wordt gevraagd voor ondersteuning van dit fonds.

84

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.1

• • •

• • • •

Sterke agrarische structuur met grootschalige bedrijfsbebouwing; Rechtlijnige verkaveling en geordende inrichting van het open landschap; Heldere indeling van erven met een rechthoekige tot blokvormige bouwkavel; Berken/eiken lanen langs de wegen; Grootschalige, rationele verkaveling; Lange linten met veelal grote complexen van intensieve veehouderijbedrijven; Rechte wegenstructuur (deels beplant); Grote, (meestal) solitair gelegen, erven, met grote stallen, silo’s en parkeerplaatsen vooraan op het erf; Relatie met oorspronkelijk boerenerf is door de schaalgrootte niet of minder aanwezig; Decor van bossen op de achtergrond.

H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen

• • •

H.2

Beelddragers jonge ontginningen

Overzicht jonge ontginningen landschap uit analyseboek omgevingsvisie

H.4

85

H.5

“Nota Ruimtelijke Kwaliteit Reusel-De Mierden: Kempische eigenheid als kwaliteit”

H.5 H.4

Beelddragende functies

Aandachtspunten

• •

•

H.3: Gebiedspaspoorten - Jonge heideontginningen

• •

Intensieve landbouw; Bedrijfsbebouwing; domineert landschapsbeeld Bosnatuur op achtergrond; Beplante wegen.

•

• •

Uw initiatief dient altijd een bijdrage te leveren aan het versterken dan wel herstellen van het contrast tussen het open en weidse landschap en een groene uitstraling van het erf. Dit dient te gebeuren door het toevoegen van stevige landschapselementen als tegenhanger voor de grote maat en schaal van de bebouwing. Het ruimtelijk beeld van de ontwikkeling is bepalend voor de mate van kwaliteitsverbetering. Hoe meer ‘verstening’, hoe meer ‘landschap’ gevraagd.

H.1

H.2

•

Vrijkomende agrarische bebouwing met veelal grote oppervlakten bedrijfsgebouwen op het erf; Zeer grootschalige agrarische bedrijfsgebouwen vragen nu om extra maatregelen voor landschappelijke inpassing passend bij de schaalgrootte van het erf en bebouwing. Er is een onbalans ontstaan tussen landschap en grootschalige bedrijfsbebouwing; Traditionele aanpak inpassing met beplantingen werkt niet meer vanwege de schaalgrootte van de bedrijfsgebouwen; Overgang tussen jonge heideontginning en agrarisch cultuurlandschap minder goed herkenbaar doordat het meer kleinschalige agrarisch cultuurland opener is geworden. Het tegen gaan van verdroging en grondwaterdaling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=15b8be5c-fc33-4ccf-b998-0de541504c69