[21.10000] - jaarstukken 2020
Tekst van het document
Datum 6 juli 2021 Bezoekadres Gemeente Reusel-De Mierden Kerkplein 3 5541 KB Reusel Postadres Postbus 11 5540 AA Reusel Inlichtingen Telefoon 0497-650650 Email: gemeente@reuseldemierden.nl
Corsa nr. 21.10000
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ................................................................................................................................................ 1 Aanbiedingsbrief ............................................................................................................................................. 2 1.Inleiding ........................................................................................................................................................ 4 2.Paragrafen ................................................................................................................................................... 5 2.1.
Bedrijfsvoering ................................................................................................................................... 5
2.2.
Lokale heffingen ................................................................................................................................ 7
2.3.
Weerstandsvermogen en risicobeheersing ..................................................................................... 10
2.4.
Financiering ..................................................................................................................................... 18
2.5.
Verbonden partijen .......................................................................................................................... 21
2.6.
Onderhoud kapitaalgoederen .......................................................................................................... 29
2.7.
Grondbeleid ..................................................................................................................................... 31
2.8.
COVID-19 ........................................................................................................................................ 36
Programma 0: Bestuur en ondersteuning ..................................................................................................... 41 Programma 1: Veiligheid ............................................................................................................................... 50 Programma 2: Verkeer en vervoer ................................................................................................................ 53 Programma 3: Economie .............................................................................................................................. 57 Programma 4: Onderwijs .............................................................................................................................. 63 Programma 5: Sport, cultuur en recreatie ..................................................................................................... 66 Programma 6: Sociaal domein ...................................................................................................................... 71 Programma 7: Volksgezondheid en milieu ................................................................................................... 79 Programma 8: VHROSV (Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing) ......................
87 4.Overige jaarverslagen ................................................................................................................................ 93 4.1.Verslag commissie bezwaarschriften ..................................................................................................... 93 4.2.Verslag klachten ................................................................................................................................... 102 5.Balans met toelichting .............................................................................................................................. 106 5.1.
Balans ............................................................................................................................................ 106
5.2.
Niet uit de balans blijkende verplichtingen ..................................................................................... 117
6.
Overzicht van baten en lasten ........................................................................................................... 119
7. Verantwoording Wet normering topinkomens (WNT) ............................................................................. 122 8. Schatkistbankieren .................................................................................................................................. 124 9. SiSa-bijlage ............................................................................................................................................. 125
1
Aanbiedingsbrief Aan de raad,
De jaarstukken over het boekjaar 2020 liggen voor u en daarmee legt het college inhoudelijk en financieel verantwoording af over dat jaar, wat met recht een bijzonder jaar genoemd mag worden. Want 2020 zal de geschiedenisboeken ingaan als het “jaar van de corona-pandemie” en op het moment dat we dit schrijven, is die pandemie nog steeds niet ten einde, al doemen de eerste kleinere en grotere lichtpuntjes inmiddels wel op. In vrijwel alle programma’s komen effecten van de corona-crisis voor, maar voor de duidelijkheid en voor het inzicht hebben we in deze jaarrekening ook een extra paragraaf opgenomen over de Covid-19 crisis. De jaarstukken bestaan feitelijk uit de jaarrekening (de financiële verantwoording) en het jaarverslag (de inhoudelijke verantwoording). De verantwoording vindt formeel plaats op programmaniveau, maar u treft de financiële verantwoording ook op productniveau aan. Op deze wijze hebt u meer inzicht in de cijfers. Deze jaarstukken vormen het slotstuk van de Planning & Control cyclus, welke meestal start met een Perspectiefnota, die verder wordt vertaald in een begroting en meerjarenraming. Vervolgens wordt tussentijds verantwoording afgelegd en gelegenheid tot bijstelling geboden via twee Beraps (bestuursrapportages), één naar de peildatum 31 maart en één naar de peildatum 30 september. Deze jaarrekening sluit met een voordelig saldo van € 2,2 miljoen.
Dat is een mooi resultaat, maar het moet wel in het juiste perspectief gezien worden. Dat betekent dat we moeten beseffen dat de voordelen allemaal incidenteel zijn. Dat betekent dat we het goed gedaan hebben in die zin dat we in structurele zin binnen de ramingen zijn gebleven. Maar het betekent ook dat we geen mogelijkheden zien om begrotingsruimte te winnen door ramingen structureel aan te passen op basis van de jaarrekeningcijfers. Van het resultaat is circa € 0,85 miljoen afkomstig uit grondexploitaties, terwijl een bedrag van € 1,1 miljoen in het resultaat zit, maar waarvan wordt voorgesteld om dat over te hevelen naar 2021. Zo is met enkele grote incidentele bedragen het voordelige saldo al voor een groot deel nader verklaard. Ondanks de coronacrisis zien we bij de grondexploitaties een voortzetting van de ontwikkeling die we al enkele jaren zien, namelijk dat de economische situatie zodanig is dat er een goede vraag naar zowel woningbouwgrond als bedrijventerreinen is. Natuurlijk zijn er ook tegenvallers in de voorliggende stukken. Daarbij valt vooral het sociaal domein op. Het blijft lastig om op dit domein, waarin de kosten voor een belangrijk deel gestuurd worden door de vraag naar voorzieningen en zorgproducten, echt grip te krijgen op de kosten. Het werkt daarbij in het nadeel dat regelingen die het Rijk bedenkt, voor ons nadelig uitpakken.
Het ingevoerde abonnementstarief voor de Wmo is daarvan een voorbeeld, want dat heeft ook in 2020 geleid tot een verder toenemende vraag naar Wmo-voorzieningen, waardoor zowel de programmakosten (de kosten van de voorzieningen zelf) stijgen maar ook de bedrijfsvoeringskosten (de kosten die de organisatie moet maken om de toegenomen aanvragen te verwerken, beoordelen, uitbetalen etc.). Maar ook de vraagkant in de jeugdhulp blijkt in de praktijk moeilijk te beïnvloeden, waardoor de kosten blijven stijgen. Om de begroting te kunnen realiseren moeten er vaak keuzes worden gemaakt vanwege de beschikbaarheid van personeel. Vanwege ziektes en vacatures is er vaak minder personeel beschikbaar dan nodig is om al het werk binnen de geplande periode te verzetten. Ook in 2020 heeft zich dat vertaald in inhuurkosten, waar tegenover voor een belangrijk deel lagere loonkosten staan. Daardoor zijn veel ontwikkelingen voortvarend opgepakt dan wel doorgezet, maar zijn enkele zaken ook blijven liggen. Voor die zaken wordt als onderdeel van de bestemming van het jaarrekeningresultaat gevraagd om budgetten over te hevelen naar 2020, zodat de achterliggende werkzaamheden toch door kunnen gaan, zij het met enige vertraging. We begonnen deze aanbiedingsbrief met de stelling dat 2020 een bijzonder jaar was. Dat bijzondere is ook gebleken in de manier waarop de maatschappij zich flexibel heeft getoond.
Bedrijven, instellingen en vooral mensen hebben in een mum van tijd wegen en methodes gevonden om te kunnen werken, leren, samenleven enz.. Natuurlijk zaten daar beperkingen aan, die voor sommigen best heftig waren, maar bovenaan staat dat de samenleving een megaprestatie heeft geleverd om met gezamenlijke inspanningen en creativiteit heel veel zaken op de best mogelijke manier doorgang te laten vinden. Daar mogen burgers, bedrijven, instellingen en overheden best trots op zijn. 2
Burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden, R.P.B.M. Brekelmans, A. van de Ven, secretaris. burgemeester.
3
1.
Inleiding
Leeswijzer Hoofdstuk 2 bevat de paragrafen, zoals die op basis van het Bbv voorgeschreven zijn. Deze paragrafen geven op een aantal belangrijke thema’s een soort van dwarsdoorsnede. In deze jaarrekening is daar een extra paragraaf aan toegevoegd met betrekking tot Covid-19. De verspreid over de programma’s opgenomen informatie is in deze paragraaf samengevoegd zodat een integraal beeld over dit onderwerp gegeven wordt. In hoofdstuk 3 wordt per programma de beleidsmatige programmaverantwoording gegeven (feitelijk het jaarverslag) met daarbij ook per programma de financiële analyse (de jaarrekening). Op deze wijze worden inhoud en financiën met elkaar verbonden en wordt per programma aangegeven wat we gedaan hebben met de voornemens, zoals die in de programmabegroting 2018 staan, en wat dat gekost heeft. In de financiële staatjes is getracht op een zo beknopt mogelijke wijze inzicht te bieden in de over- en onderschrijdingen. Tekstueel is daarbij nog een korte omschrijving gegeven ter verklaring van de verschillen. Elk programma bevat ook de wettelijk voorgeschreven beleidsindicatoren, welke zijn vermeld op basis van de meest actueel beschikbare informatie. De gegevens voor deze indicatoren moeten geput worden uit beschikbare openbare bronnen (zoals de website waarstaatjegemeente.nl).
Die bronnen bieden in lang niet alle gevallen de informatie uit 2020, hetgeen jammer is omdat daardoor de waarde van de indicatoren sterk afneemt. Hoofdstuk 4 bevat enkele specifieke jaarverslagen als onderdeel van zoveel mogelijk integrale verantwoording in de jaarstukken. In hoofdstukken 5 en 6 vormen met name financiële gegevens de hoofdmoot, want daarin treft u in hoofdstuk 5 de balans met toelichting aan en in hoofdstuk 6 het overzicht van baten en lasten, waaruit het rekeningresultaat voortvloeit. Bij de bepaling van het resultaat wordt onderscheid gemaakt in de zuivere exploitatie en de vermogensmutaties op grond van onttrekkingen uit of toevoegingen aan reserves. Natuurlijk is ook een verschillenanalyse op hoofdlijnen opgenomen. In de hoofdstukken 7 t/m 9 zijn verplichte verantwoordingen opgenomen in het kader van de Wet Normering Topinkomens (WNT), de Wet schatkistbankieren en de Sisa (Single information single audit). Tot slot is het van belang te vermelden dat in de jaarrekening wordt gewerkt met afrondingen op meervouden van € 1.000. Daardoor kunnen er afwijkingen optreden in tellingen en vergelijkingen. Verschillen tot zo’n € 3.000 worden veelal door dit soort afrondingen veroorzaakt.
4
2.
Paragrafen
2.1. Bedrijfsvoering 2.1.1. Inleiding Bedrijfsvoering heeft een belangrijke rol in de realisatie van de beleidsdoelen van de gemeente. Het ondersteunt de primaire processen, dienstverlening aan burgers en beleids- en bestuurlijke processen. Wij streven naar een bedrijfsvoering die zodanig is ingericht, dat de uitvoering van de programmabegroting door de ambtelijke organisatie op een zo efficiënt mogelijke wijze vorm krijgt. In deze paragraaf geven we inzicht in wat er in 2020 is gebeurd op het gebied van bedrijfsvoering. Belangrijke thema’s vanuit de raad en het college met betrekking tot de bedrijfsvoering zijn: Versterken van de bestuurskracht door meer samen te werken; Doorontwikkelen van Samen Doen bij inwoners, bestuur en organisatie; Dienstverlening nog beter afstemmen op de klantvragen; Verbeteren van de zichtbaarheid van de gemeente door proactieve communicatie via de meest gelezen kanalen; Digitale ondersteuning uitbreiden zowel binnen de organisatie als voor de inwoner; P&C producten beter afstemmen op de behoeften van de raad. 2.1.2. Versterken van de bestuurskracht Als kleine gemeente is de zeggenschap in de regio en richting provincie en Rijk beperkt.
Daarom is het voor Reusel-De Mierden belangrijk om de samenwerking met anderen op te zoeken om haar doelen te bereiken en onze inwoners beter te vertegenwoordigen in de regio, richting de provincie en het Rijk. Daarnaast werken we zoveel mogelijk samen op gebieden waar dit de kwaliteit van de dienstverlening aan onze inwoners ten goede komt. Dit is gebaseerd op drie pijlers: kwaliteit, efficiency en het voorkomen van kwetsbaarheid. In 2020 zijn beslissingen genomen in het kader van het opnieuw verbinden van de GRSK waarbij de insteek van de gemeente Reusel-De Mierden is om te komen tot een nog betere samenwerking binnen de Kempen die passend is bij de bovengenoemde pijlers. 2.1.3. Doorontwikkelen van Samen Doen De afgelopen jaren hebben we al veel zaken bereikt in het kader van Samen Doen. Er zijn al heel veel mooie voorbeelden waarbij inwoners en gemeente de handen ineen slaan en mooie doelen realiseren. In 2020 was Samen Doen voor onze organisatie een uitdaging. Waar we normaal veel fysieke activiteiten in grote groepen organiseerden of persoonlijk bij mensen op bezoek gingen, maakten de Coronamaatregelen dit afgelopen jaar vrijwel niet mogelijk. Het was voor onze medewerkers echt zoeken naar goede digitale, telefonische of schriftelijke mogelijkheden om toch op een goede manier invulling te blijven geven aan Samen Doen.
Hiermee hebben we uiteindelijk onze ‘gereedschapskist’ met zaken die we in kunnen zetten in het kader van Samen Doen verrijkt, waardoor we in de toekomst nog meer mogelijkheden hebben om verschillende manieren in te zetten. 2.1.4. Dienstverlening In 2020 hebben we via diverse interne kanalen de visie op dienstverlening verder bij onze organisatie onder de aandacht gebracht. Daarnaast hebben we de visie ook concreet in kunnen zetten bij de nieuwe telefonieoplossing en een nieuw meldingensysteem openbare ruimte waarbij persoonlijk contact een van de uitgangspunten is. 2.1.5. Verbeteren van de zichtbaarheid Vanuit het onderzoek naar communicatie is gebleken dat het belangrijk is om de diverse doelgroepen via eigen kanalen te blijven bereiken. Ondanks dat het een analoog middel is, is bijvoorbeeld D’n Uitkijk nog steeds één van de belangrijkste communicatiemiddelen van onze gemeente. Daarnaast wordt ook het besef binnen de organisatie steeds groter over hoe belangrijk communicatie is en gaan we het meer en meer als vast onderdeel van het werk zien. In 2020 is digitale, schriftelijke en telefonische communicatie door de Coronamaatregelen nog belangrijker geworden om in goed contact te blijven met onze inwoners en iedereen op een goede manier te informeren. 2.1.6. Digitalisering In 2020 hebben we de documentenstroom zoveel als mogelijk gedigitaliseerd.
Zo is er een handboek vervanging vastgesteld waardoor het papieren archief niet langer leidend is. De gewenste digitale 5
handtekening waardoor er een totale digitale documentenstroom mogelijk is, vergt nog verder onderzoek. De coronamaatregelen hebben er voor gezorgd dat we versneld digitaal zijn gaan vergaderen via MS-teams. Na invoering hiervan konden bijna alle interne en externe vergaderingen digitaal doorgang vinden. Daarnaast is er een nieuwe telefonieoplossing uitgerold waardoor tijd- en plaatsonafhankelijk werken makkelijker is geworden. Ook is er in 2020 een nieuwe, toegankelijke website gebouwd met daaraan gekoppeld een nieuw meldingensysteem. Op deze manier proberen we nog beter te voorzien in de dienstverlening aan onze inwoners. 2.1.7. Beleids-/ planningscyclus In 2019 zijn we met de auditcommissie de verschillende P&C producten gaan bekijken om zo te bezien hoe we deze beter kunnen laten aansluiten bij de behoeften van de raad. In 2020 hebben we de P&C producten hierop aangepast. Hierbij proberen we jaarlijks te bekijken welke verbeteringen we hierin mogelijk nog kunnen doorvoeren. Deze jaarrekening is echter nog, als laatste product, gestoeld op de oude leest. 2.1.8. Informatiebeveiliging Informatiebeveiliging betreft het totale pakket aan maatregelen om de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de gemeentelijke informatiesystemen te waarborgen.
Vanaf 1 januari 2020 is de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) van kracht, het uniforme normenkader informatiebeveiliging voor de gehele Nederlandse overheid. De gemeente heeft, in samenwerking met de andere Kempengemeenten, de GRSK en Kempenplus, een nieuw beveiligingsbeleid op basis van de BIO vastgesteld. Ook is in gezamenlijkheid een ISMS (Information Security Management Systeem) aangeschaft, een tool die inzicht in de opzet, werking en bestaan van informatiebeveiliging en privacy ondersteunt. Het ISMS is operationeel en dient in 2021 verder gevuld te worden. Daarnaast zijn, op basis van het activiteitenplan, verschillende acties opgepakt om de organisatorische beveiliging en het bewustzijn voor informatiebeveiliging en privacy te vergroten. De gemeente verantwoordt zich ook in 2020 over informatiebeveiliging via het verantwoordingsstelsel ENSIA (Eenduidige Normatiek Single Information Audit). De gemeente heeft het afgelopen jaar een aanbesteding uitgevoerd voor de verplichte audit op de onderdelen DigiD en Suwinet. Naast informatiebeveiliging is ook privacy een belangrijk onderdeel van de verschillende processen binnen de gemeente. De gemeente heeft, net als de andere Kempengemeenten en de GRSK, een tool in gebruik genomen die het uitvoeren van de Data Protection Impact Assessments (DPIA’s) op privacygevoelige processen uniformeert.
Deze tool is ontwikkeld door de Informatie BeveiligingsDienst (IBD) en maakt het niet alleen mogelijk om DPIA’s makkelijk onderling met andere gemeenten te delen, maar biedt ook de mogelijkheid aan de Functionaris Gegevensbescherming (FG) om de DPIA’s te controleren en eventueel van feedback te voorzien. Dit maakt het uitvoeren van de DPIA’s efficiënter. 2.1.9. Personeel & Organisatie In 2020 is vanuit de strategische personeelsplanning ‘Werkenik’ het talentenprogramma verder uitgevoerd. Door de Coronamaatregelen was het ook hierin zoeken naar de juiste digitale vorm. We hebben in 2020 meegedaan aan Vensters voor Bedrijfsvoering, een benchmarkonderzoek dat meer inzicht geeft in hoe de bedrijfsvoering van onze gemeente zich verhoudt ten opzichte van andere gemeenten. Om hieruit nog concrete zaken op te kunnen pakken, gaan we eerst in overleg met andere Kempengemeenten die ook meegedaan hebben aan Vensters voor Bedrijfsvoering. Hieronder volgt een overzicht van de begrote en werkelijke kosten aan inhuur en salarissen in 2020. Omschrijving
Raming 2020
Salariskosten Inhuur
€ 5.214.000 € 819.000
Werkelijk 2020 € 4.977.000 1.188.000
Totaal
€ 6.033.000
€ 6.165.000
Verschil € 237.000 € -369.000 € -132.000
Op salariskosten is een voordelig verschil te zien. Dat heeft te maken met het feit dat een aantal vacatures open heeft gestaan c.q. nog steeds open staat. De praktijk wijst uit dat sommige vacatures lastig in te vullen zijn. Mede daardoor is er sprake van een overschrijding van de inhuurkosten, omdat dit soms nodig is om het werk dat geen uitstel kan lijden, toch doorgang te kunnen laten vinden. Daarnaast hebben we in 2020 een aantal langdurig zieken gehad waarvoor we hebben moeten inhuren.
6
2.2. Lokale heffingen 2.2.1. Algemeen De lokale heffingen zijn een integraal onderdeel van het gemeentelijk beleid. De uitvoering van het gemeentelijk beleid raakt daarmee elke burger, bedrijf of instelling direct in de portemonnee. Zij wensen terecht- waar voor hun geld. Lokale belastingen en heffingen staan dan ook sterk in de belangstelling. Het doel van deze paragraaf is om integraal informatie te geven over alles wat met lokale heffingen te maken heeft. 2.2.2. Ontwikkelingen Wet Waardering onroerende zaken (WOZ) De WOZ-waarde wordt vastgesteld naar het waardepeil per 1 januari van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar. In 2020 werd de waarde dus vastgesteld naar het peil van 1 januari 2019. Vanaf 2017 zitten de waarden weer in een stijgende lijn. Sinds de aansluiting op de LV-WOZ (Landelijke Voorziening WOZ) zijn de WOZ-waarden nu openbaar voor de burgers. In 2018 zijn we gestart met het project omrekening naar gebruiksoppervlakte in plaats van m³ inhoud. Dit vergt tot 2022 een grote inspanning van zowel de WOZ als de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen). In 2020 zijn de rij- en hoekwoningen geconverteerd en deze worden in 2021 op gebruiksoppervlakte gewaardeerd. Riolering In december 2016 heeft de gemeenteraad het VGRP (Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021) vastgesteld.
In het VGRP zijn beleid en bijbehorende middelen opgenomen, waarmee we deze taak uitvoeren. In het VGRP is vanuit de benodigde middelen ook een voorspelling opgenomen ten aanzien van het tarief voor de rioolheffing, rekening houdend met een zoveel mogelijk gelijkmatig verloop c.q. aanpassing van de tarieven en egalisatie van meer- of minderopbrengsten via de egalisatievoorziening. In 2020 is het tarief verlaagd van € 2,13 per m³ naar € 1,82 per m³. De tarieven voor riolering worden jaarlijks doorgerekend. De opbrengst van de rioolheffing is in 2020 iets lager dan was geraamd. Dit komt doordat het gemiddelde waterverbruik iets lager was (124 m³ per huishouden werkelijk versus 131 m³ geraamd). Per saldo is € 11.500,- onttrokken aan de voorziening riolering. Afvalstoffenheffing Ook het jaar 2020 laat een tekort zien op de afvalstoffenheffing. Een combinatie van hogere kosten (voor onder meer verwerking en dienstverlening) en lagere vergoedingen voor een aantal afvalstromen (PMD e.d.) zorgen voor dit beeld. Het tekort over 2020 bedraagt € 179.918,-. Leges De kostendekkendheid van de legestarieven wordt jaarlijks gevolgd. Tevens wordt er nadrukkelijker gekeken of alles wat doorberekend kan worden ook daadwerkelijk via de leges wordt verhaald. Het is niet toegestaan dat de gemeente winst maakt op groepen van samenhangende legesopbrengsten.
In de kosten, die ten grondslag liggen aan de legestarieven wordt rekening gehouden met de te betalen BTW én met de overheadkosten. In 2020 is met behulp van een stagiaire een onderzoek gestart inzake de kostendekkendheid van leges. Dat onderzoek heeft inmiddels tot een eindrapport geleid, waarin vooral een methodiek is ontwikkeld om de kosten en opbrengsten eenduidig in beeld te brengen en te monitoren. In de loop van 2021 zal die methodiek op de legesberekeningen worden toegepast ten behoeve van de ramingen in de begroting 2022. 2.2.3. Beleid en tariefstelling De algemene uitkering uit het Gemeentefonds is de belangrijkste inkomstenbron van de gemeente. Daarnaast zijn de gemeentelijke belastingen en heffingen de belangrijkste, door de gemeente te beïnvloeden, inkomstenbronnen. Bij de riool- en afvalstoffenheffing en de leges is 100% kostendekking het uitgangspunt. De tarieven zijn dus bepaald door de raming van de kosten. De overige tarieven stijgen in beginsel met de inflatiecorrectie, waarmee ook in de algemene uitkering wordt gerekend. Door incidentele oorzaken kunnen de werkelijke lasten en baten afwijken, waardoor ook de kostendekking anders uitvalt. 2.2.4. Toeristenbelasting en woonforensenbelasting De toeristenbelasting is in 2020 verhoogd van € 1,55 naar € 1,57 per persoon per nacht.
Voor de forensenbelasting hanteren we hetzelfde stijgingspercentage als bij de toeristenbelasting. Het tarief is vastgesteld op een percentage van de WOZ-waarde.
7
2.2.5.
De belangrijkste tarieven
OZB OZB woningen eigenaar OZB niet-woning eigenaar OZB niet-woning gebruiker Afvalstoffenheffing Vastrecht 140 liter GFT 240 liter GFT 30 liter gemeentelijke tariefzak Rioolheffing Toeristenbelasting Woonforensenbelasting
2020
2019
Heffingsmaatstaf
0,1158% 0,2325% 0,1407%
0,1121% 0,2282% 0,1434%
% van de WOZ-waarde % van de WOZ-waarde % van de WOZ-waarde
€ 112,80 € 2,15 € 3,70 € 3,05 € 1,82 € 1,57 0,715%
€ 107,40 € 2,10 € 3,60 € 3,00 € 2,13 € 1,55 0,715%
per jaar per lediging per lediging per zak per m³ per persoon per nacht % van de WOZ-waarde
2.2.6. Belastingdruk Lokale lastendruk 2020 per huishouden In de begroting of in het raadsvoorstel inzake de belastingtarieven wordt op basis van aannames een berekening gemaakt van de gemiddelde lokale lastendruk per huishouden. In de jaarrekening kan dat nu afgezet worden tegen voornamelijk werkelijke aantallen. In het raadsvoorstel RA19.056 (d.d. 17-12-2019) met betrekking tot de belastingtarieven 2020 is gerekend met de volgende gegevens: OZB: gemiddelde woningwaarde € 309.000, tarief eigenaren 0,1106%; Afval: 6,2 GFT-ledigingen à € 2,15 + 3 restafvalzakken à € 3,05 + vastrecht € 112,80; Riool: 131 m³ waterverbruik à € 1,82. De werkelijke gegevens over 2020 zijn: OZB: gemiddelde woningwaarde € 309.000, tarief eigenaren 0,1158%; Afval: 7 GFT ledigingen à € 2,15+ 2,8 restafvalzakken à € 3,05 + vastrecht € 112,80; Riool: 124 m³ waterverbruik à € 1,82 Dat alles geeft het volgende beeld van de gemiddelde belastingdruk per huishouden: Gemiddelde belastingdruk per huishouden
Bedragen in €
Onroerende zaakbelastingen eigenarengedeelte Afvalstoffenheffing Rioolheffing Totaal per huishouden
Raming 2020 357,82 135,21 238,42 731,45
Werkelijk 2020 357,82 136,39 225,68 719,89
De belastingdruk is dus lager dan was geraamd. Dit komt vooral door een lager gemiddeld waterverbruik, waardoor de gemiddelde rioolheffing lager uitvalt. 2.2.7. Kwijtschelding Als de belastingplichtige en eventuele partner samen een netto besteedbaar inkomen hebben op bijstandsniveau en er weinig vermogen is, komt deze mogelijk in aanmerking voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Voor de bepaling van inkomen en vermogen is wettelijk bepaald wat meegenomen moet worden. Of men daadwerkelijk in aanmerking komt voor (gedeeltelijke) kwijtschelding hangt dus af van de persoonlijke situatie. Het netto besteedbaar inkomen mag niet meer bedragen dan de kosten van bestaan. De volgende beleidskeuzes zijn gemaakt voor het beoordelen van kwijtscheldingsverzoeken: Alleen kwijtschelding te verlenen voor onroerende zaakbelasting, afvalstoffenheffing en rioolheffing aan niet-ondernemers. De kwijtschelding voor de kosten van het ledigen van GFT-containers is gemaximeerd op 5 ledigingen per jaar; De kosten van bestaan voor AOW-gerechtigden zijn gesteld op 100% van de netto AOW-bedragen; De kosten van bestaan van niet-AOW-gerechtigden zijn gesteld op het maximum, te weten: 100% van de bijstandsnorm;
8
De netto kosten kinderopvang worden meegenomen als uitgaven voor de bepaling van het nettobesteedbaar inkomen.
In 2020 is voor € 22.400 aan kwijtschelding verleend, wat iets hoger is dan 2019 (€ 20.300). 2.2.8. Inkomsten uit belastingen en heffingen De inkomsten uit gemeentelijke belastingen en heffingen in 2020 zijn weergegeven in onderstaande tabel. Als vergelijkingscijfer staat ook de opbrengst in 2019 vermeld. Verschillen tussen ramingen en werkelijke opbrengsten zijn in de programma’s toegelicht. Belastingsoort
Bedragen in €
Rekening 2019
Onroerende zaakbelastingen
Begroting 2020
Rekening 2020
2.585.000
2.845.000
2.837.000
Toeristenbelasting
42.000
222.000
104.000
Woonforensenbelasting
25.000
26.000
35.000
Leges omgevingsvergunningen
986.000
400.000
450.000
Leges bestemmingsplannen Overige leges (burgerzaken, rijbewijzen, reisdocumenten, bijzondere wetten enz.) Afvalstoffenheffing
24.000
57.000
22.000
212.000
153.000
170.000
663.000
793.000
710.000
Rioolheffing
1.509.000
1.283.000
1.257.000
Marktgelden
37.000
34.000
32.000
Totaal 6.083.000 5.813.000 5.617.000 Voor de Toeristenbelasting is sprake van een lagere opbrengst over 2020 (van € 80.000), vermoedelijk als gevolg van corona. Daar staat een bijdrage van het Rijk tegenover via de algemene uitkering ad € 54.000. Verder is sprake van oninbare vorderingen welke zijn afgeboekt. De opbrengst van de Woonforensenbelasting over 2019 is hoger uitgevallen dan was geraamd. Eenzelfde meeropbrengst wordt ook voor 2020 ingeschat (de aanslagen 2020 worden pas in 2021 opgelegd). Hierdoor is de opbrengst € 9.000 hoger dan geraamd. De leges bestemmingsplannen zijn lager omdat er minder principeverzoeken en verzoeken tot bestemmingsplanwijziging zijn gedaan. Overigens kunnen kosten van bestemmingsplanwijzigingen ook verhaald worden via anterieure overeenkomsten, waardoor de opbrengst in een andere periode valt.
9
2.3. Weerstandsvermogen en risicobeheersing 2.3.1. Algemeen Het weerstandsvermogen is de verhouding tussen de weerstandscapaciteit (de middelen waarover de gemeente beschikt / kan beschikken om niet begrote kosten te dekken) en het totaal aan gekwantificeerde risico’s, waarvoor geen voorzieningen zijn getroffen, verzekeringen zijn afgesloten of waar ook anderszins geen beheersmaatregelen tegenover staan. Voor de raad is het weerstandsvermogen van belang omdat er nooit een situatie zal zijn, waarin geen risico’s meer bestaan. De raad moet vanuit de kaderstellende en controlerende taak inzicht hebben in de ruimte die er is om eventuele tegenvallers op te kunnen vangen. Als die ruimte onvoldoende groot is, moeten aanvullende maatregelen genomen worden. 2.3.2. Beleid Bij raadsbesluit van 7 juli 2020 is de nota ‘Reserves, voorzieningen & afschrijvingsbeleid’ herzien. Hierin zijn onder andere regels opgenomen over hoe om te gaan met reserves en voorzieningen en op welke wijze afschrijving plaatsvindt op activa. In het kader van deze paragraaf is van belang dat in het beleid is bepaald dat de algemene reserve bestaat uit 2 delen: Een niet besteedbaar deel wat nodig is ter dekking van de gekwantificeerde risico’s, vermenigvuldigd met de vastgestelde ratio (1,8); Een vrij besteedbaar deel. Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de volgende onderdelen: a.
Algemene reserve b. Post onvoorzien c. Onbenutte belastingcapaciteit d. Begrotingsruimte Ad a. Algemene reserve De stand van de algemene reserve per 31-12-2020 is (inclusief het saldo van deze jaarrekening en rekening houdend met de voorgestelde overhevelingen): - Niet besteedbaar ter afdekking van risico’s (incl. ratio) € 3.739.500 - Vrij besteedbaar € 6.627.472 Voor de bepaling van het niet besteedbare deel van de algemene reserve zijn de regels toegepast uit het in juli 2020 vastgestelde beleid op dit gebied. Daarom zijn de gekwantificeerde risico’s ad € 2.077.500 vermenigvuldigd met een factor 1,8, hetgeen tot een bedrag leidt van € 3.739.500. De bestemmingsreserves laten we buiten de berekening van de weerstandscapaciteit. Bestemmingsreserves moeten meer gezien worden als verplichtingen (er staat een bestedingsdoel tegenover). Daarom nemen we die uit voorzichtigheidsoverwegingen niet mee in de berekening. De raad is overigens te allen tijde bevoegd om de bestemming van reserves aan te passen. Ad b. Post onvoorzien Jaarlijks wordt in de begroting een post onvoorzien opgenomen ter grootte van € 50.000, bedoeld voor bijzondere, niet voorziene kosten. Ad c.
Onbenutte belastingcapaciteit De omvang van de belastingcapaciteit is de ruimte tussen de feitelijk te verwachten opbrengst en de opbrengst die de gemeente zou moeten realiseren wanneer zij een beroep doet op artikel 12 van de Financiële verhoudingswet (de zogenaamde artikel 12-norm). Volgens die norm moeten de afvalstoffenheffing en het rioolrecht kostendekkend zijn. Dat uitgangspunt hanteren wij ook. Dan blijft de onbenutte capaciteit van de onroerende zaakbelasting over. Voor 2021 geldt daarvoor een factor van 0,1809% van de totale WOZ-waarde, hetgeen resulteert in een onbenutte belastingcapaciteit voor ReuselDe Mierden van afgerond € 0,99 miljoen. Ad d. Begrotingsruimte Niet van toepassing bij de jaarrekening. Het jaarrekeningsaldo is meegerekend bij de algemene reserve.
10
Stille reserves Stille reserves zijn activa die te laag of tegen nul zijn gewaardeerd, maar die in principe direct verkoopbaar zijn. Van de omvang van de stille reserves is de volgende indicatie te geven: Object Oppervl. Landbouwgrond, geliberaliseerde pacht 28,8 ha Landbouwgrond, vaste pacht 109 ha Bossen, visvijver, landschapelementen 950 ha Gemeentehuis/bibliotheek Gemeentewerf Sportzaal Den Houtert Lage Mierde Sporthuis Reusel Brede School Plus Lage Mierde (Opstap+Ster) Basisschool De Akkerwinde Hooge Mierde Basisschool St. Clemens Hulsel Basisschool De Torelaar Reusel Basisschool De Leilinde Reusel Basisschool De Klimop Reusel CC De Kei Reusel Brandweerkazerne Reusel Sportpark Den Hoek Reusel Sportpark De Leeuwerik Hooge Mierde Sportpark D'n Daalacker Lage Mierde Sportpark 't Kantje Hulsel Gildeterrein Broekkant Lage Mierde Woning Sportpark 1 Reusel Kinderdagverblijf Dooleg Reusel Gronden Kleine Hoeven voormalige fase 2
Boekwaarde Aanduiding boekwaarde Waarde Basis waardeberekening Verschil €0 €2.304.000 288.000 m² x € 8,00 €2.304.000 €0 €4.360.000 1.090.000 m² x € 8,00 x 0,5 €4.360.000 €0 €8.075.000 9.500.000 m² x 0,85 €8.075.000 €2.098.455 Boekwaarde 31-12-2019 €3.249.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €1.150.545 €0 Boekwaarde 31-12-2019 €456.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €456.000 €0 Boekwaarde 31-12-2019 €707.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €707.000 €2.177.986 Boekwaarde 31-12-2019 €2.420.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €242.014 €2.408.158 Boekwaarde 31-12-2019 €2.990.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €581.842 €532.884 Boekwaarde 31-12-2019 €1.370.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €837.116 €5.018 Boekwaarde 31-12-2019 €587.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €581.982 €311.014 Boekwaarde 31-12-2019 €1.250.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €938.986 €1.609.114 Boekwaarde 31-12-2019 €3.090.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €1.480.886 €1.211.283 Boekwaarde 31-12-2019 €1.460.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €248.717 €59.611 Boekwaarde 31-12-2019 €789.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €729.389 €159.705 Boekwaarde 31-12-2019 €342.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €182.295 €583.615 Boekwaarde 31-12-2019 €2.900.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €2.316.385 €212.850 Boekwaarde 31-12-2019 €723.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €510.150 €33.235 Boekwaarde 31-12-2019 €774.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €740.765 €59.606 Boekwaarde 31-12-2019 €668.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €608.394 €0 Boekwaarde 31-12-2019 €156.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €156.000 €0
Boekwaarde 31-12-2019 €281.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €281.000 €131.268 Boekwaarde 31-12-2019 €398.000 WOZ-waarde 1-1-2019 €266.732 €850.000 Boekwaarde 31-12-2019 €850.000 taxatie 2017 €0 €12.443.802 €40.199.000 €27.755.198
De stille reserves hebben dus een omvang van € 27,8 miljoen. Het is op basis van het Besluit begroting en verantwoording (Bbv) niet toegestaan om een waarde aan stille reserves toe te kennen en die waarde vervolgens mee te rekenen in de reservepositie. De reservepositie kan vanuit de stille reserves dus alleen toenemen door deze stille reserves om te zetten in geld (te gelde maken middels verkoop). In de begroting 2022 zal een geactualiseerd overzicht van de stille reserves worden opgenomen. 2.3.3. Risico’s De samenloop van risico’s is een ander aspect van het vermogen van de gemeente om financiële tegenvallers op te vangen (=weerstandsvermogen). Inventariseren van risico’s, een inschatting maken van de kans op deze risico’s en het beheersen en managen van risico’s is hierbij van wezenlijk belang. Hierna wordt een overzicht gegeven van de risico’s in het licht van het weerstandsvermogen. De weerstandscapaciteit kan dan afgezet worden tegen de samenloop van de geïnventariseerde risico’s, zodat ‘beoordeeld’ kan worden of het weerstandsvermogen afdoende is. De vertaling van deze risico’s in bedragen is gebaseerd op inschattingen. Indien er sprake is van nauwkeurige berekeningen van concrete verplichtingen is vorming van voorzieningen nodig. De gemeente Reusel-De Mierden raamt altijd zo reëel mogelijk.
Het blijven echter ramingen, zodat er altijd een risico is, dat de werkelijkheid anders is dan de ramingen. Wij achten dat risico niet dusdanig dat daarmee in de sfeer van weerstandsvermogen rekening moeten worden gehouden. Reëel ramen betekent echter ook dat er geen ‘lucht’ in de ramingen zit ‘voor het geval dat’. Als bepaalde risico’s, zoals bijvoorbeeld inbraakschade, verzekerd zijn, dan ramen wij geen kosten voor die schade, óók niet voor een eventueel (beperkt) eigen risico. Mochten zich dan onverhoopt toch schades voordoen, dan kunnen ramingen dus tekort schieten. Daarover wordt dan gerapporteerd via bestuursrapportages. Hetzelfde geldt voor bijzondere omstandigheden. Zo kunnen extreme weersomstandigheden tot extra kosten leiden (extra gladheidbestrijding, stormschades enz.). Gelet op de ervaringen ter zake achten wij het niet nodig om op dit gebied in het kader van het weerstandsvermogen met bijzondere risico’s rekening te houden. Grondexploitatie / Bestemmingsplannen Op grond van artikel 6.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening bestaat de mogelijkheid dat onevenredige schade als gevolg van bestemmingswijziging moet worden vergoed. Hiervoor zijn geen specifieke middelen gereserveerd. In principe worden eventuele claims op de ontwikkelaars van een plan afgewenteld. Indien de gemeente de planschade moet vergoeden, wordt deze opgevangen binnen de grondexploitatie.
Daarnaast vormt de grondexploitatie zelf, als gemeentelijke activiteit, een voortdurend risico (economische ontwikkelingen, kredietbeleid van banken, stagnerende markten, veranderende wetgeving, fluctuerende 11
rentes en dergelijke). Het feit dat deze activiteit in principe in vier kernen en op een kleinschalige wijze wordt uitgevoerd, versterkt dit risico. De markt is voor zowel woningbouwgrond als bedrijfsgrond op dit moment gunstig, hetgeen zich uit in een toegenomen vraag. De aanhoudende coronacrisis zorgt wel voor iets meer onzekerheid, maar we zien dat nog niet terug in de vraag. De grondexploitaties worden jaarlijks opnieuw berekend, waarbij ook een inventarisatie plaatsvindt van risico’s dan wel te optimistische inschattingen. Op basis van de meest recente berekeningen zijn voorzieningen gevormd voor de gecalculeerde nadelige saldi. In rapportages, zoals die voor alle grondexploitaties zijn opgesteld, is een risicoanalyse en risicoberekening opgenomen. Het gaat dan om risico’s als extra hoge kostenstijgingen, grondprijsverlaging, rentestijgingen e.d.. Voor zover risico’s binnen de (positieve) resultaten van de grondexploitatie kunnen worden opgevangen, is geen aanvullend weerstandsvermogen nodig. Bij de plannen voor De Leeuwerik, Kleine Hoeven en Hart van Reusel is dat niet het geval. De risico’s voor die plannen zijn berekend op: De Leeuwerik Hart van Reusel Kleine Hoeven Totaal
€ 61.000 € 143.000 € 817.000 € 1.021.000
Doordat jaarlijks een actualisatie van de grondexploitatieprojecten plaatsvindt, inclusief een analyse van risico’s en kansen, zijn risico’s goed in beeld en kan tijdig gestuurd worden op risicobeperking. Intergemeentelijke samenwerking Onze gemeente neemt deel in een aantal verbonden partijen. Voor deze paragraaf zijn de belangrijkste: GGD Brabant-Zuidoost GRSK (Samenwerking Kempengemeenten) MRE (Metropoolregio Eindhoven) VRBZO (Veiligheidsregio Brabant Zuidoost) KempenPlus ODZOB (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant) KBP (Kempisch Bedrijven Park) Stichting Bizob (Bureau inkoop en aanbestedingen zuidoost Brabant) BeneGo (Belgisch Nederlands Grensoverleg) Zorg- en Veiligheidshuis Brabant Zuidoost In de paragraaf verbonden partijen treft u meer gegevens aan over de gemeenschappelijke regelingen. Samenwerking binnen gemeenschappelijke regelingen geeft een risico in de vorm van beheersbaarheid van de eigen organisatie. Door deelname in de verschillende bestuurslagen van gemeenschappelijke regelingen heeft onze gemeente invloed op die organen, maar de gemeente moet zich aansluiten bij besluiten die in gezamenlijkheid genomen worden. Minderheidsstandpunten kunnen, hoe belangrijk deze voor individuele gemeenten ook mogen zijn, in het grote geheel te licht bevonden worden. Samenwerken is daarmee altijd een stukje inleveren van invloed.
Overigens leert de ervaring dat de ‘winst’ van het samen optrekken vooral zit in de toename van professionaliteit en kwaliteit die wordt bereikt en in het borgen van de continuïteit op vitale bedrijfsprocessen. In een aantal gevallen is er sprake van verplichte intergemeentelijke samenwerking. Zo zijn de Veiligheidsregio’s en Omgevingsdiensten bij wet opgelegde samenwerkingsvormen. Net als bij gemeenten worden ook door besturen van Gemeenschappelijke Regelingen besluiten genomen inzake wijzigingen in ambitieniveaus op basis van allerlei ontwikkelingen. Daardoor bestaat het risico, dat gemeentelijke bijdragen aan Gemeenschappelijke Regelingen (GR) sterker dan trendmatig gaan stijgen. Voor zover die ontwikkelingen meelopen in het begrotingsproces van de betreffende GR zijn deze tijdig in beeld. In die gevallen moeten de financiële gevolgen worden opgenomen in de gemeentebegroting. Er is dan dus geen sprake meer van risico. Daarnaast houden sommige verbonden partijen zelf een vorm van weerstandsvermogen aan. De vier grootste Gemeenschappelijke Regelingen (GGD, VRBZO, MRE en ODZOB) hebben samen afspraken gemaakt over het aan te houden weerstandsvermogen. Een verbonden partij als de GRSK houdt echter zelf helemaal geen weerstandsvermogen aan.
En de ene verbonden partij legt in haar stukken een relatie tussen (gekwantificeerde) risico’s en de ander doet dat niet of slechts in beperkte mate. Dit is van belang voor de inschatting van de gemeentelijke risico’s. Immers als een verbonden partij haar risico’s zelf op kan vangen, is er geen risico voor de gemeente. Heeft een verbonden partij slechts deels of geen weerstandsvermogen, dan ontstaat er een risico voor de gemeente naar rato van haar deelname in die partij (bijvoorbeeld naar rato van inwonertal).
12
Het risicobedrag waarmee de gemeente rekening moeten houden, is dus afhankelijk van de mate waarin verbonden partijen zelf weerstandsvermogen aanhouden. Dat is per partij verschillend. Om toch een inschatting te doen van risico’s voor de gemeente, gaan we uit van de jaarbijdrage van onze gemeente aan de diverse verbonden partijen. De meest recente gegevens (begrotingen 2021), afgerond op € 1.000 wat dat betreft zijn:
GGD Brabant-zuidoost GRSK (Samenwerking Kempengemeenten) MRE (Metropoolregio Eindhoven) VRBZO (Veiligheidsregio Brabant Zuidoost) KempenPlus ODZOB (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant) KBP (Kempisch Bedrijven Park) Stichting Bizob (Bureau inkoop en aanbestedingen zuidoost Brabant BeNeGo (Belgisch Nederlands Grensoverleg) Zorg- en Veiligheidshuis Brabant Zuidoost TOTAAL
€ 467.000 € 3.248.000 € 183.000 € 821.000 € 3.356.000 € 205.000 €0 € 81.000 € 1.000 € 3.000 € 8.365.000
We schatten het algemene risico in op kostenoverschrijdingen tot 10% met een kans op voordoen van 25%, hetgeen het risico bepaalt op 25% x 10% x € 8.365.000 = € 209.000,- (afgerond). Er is sprake van een aantal ontwikkelingen, die aanvullende risico’s met zich meebrengen. Dit betreft de Omgevingswet, die per 1-7-2022 zal ingaan en die veel voorbereiding zal vragen vanuit diverse instanties. Van de verbonden partijen geldt dit met name voor ODZOB, GRSK en GGD. Specifiek voor de GRSK geldt dat de heroriëntatie op de Kempensamenwerking van betekenis kan zijn in het kader van risico’s. Een aantal uitgavenposten binnen de GRSK is incidenteel geraamd vanwege de onzekerheid over de toekomstige samenwerking. Wij achten het zinvol om vanwege deze extra risico’s rekening te houden met extra weerstandsvermogen ad € 300.000,-. KempenPlus is in 2020 geconfronteerd met een fraudezaak, welke zich uitstrekt over een reeks van jaren (vooral over de periode van de WVK-groep als voorloper van KempenPlus). Dat heeft veel inspanningen en energie gevergd, waardoor de vaststelling van de jaarrekening 2019 van KempenPlus vertraging heeft opgelopen en waardoor de samenstelling en vaststelling van de jaarrekening 2020 van KempenPlus nog moet plaatsvinden.
Uit de op 29 maart 2021 door het bestuur vastgestelde jaarstukken 2019 van KempenPlus blijkt dat de verhouding tussen het weerstandsvermogen en de risico’s, met name door de fraude, gedaald is tot onder de 1, namelijk 0,72. Conform het financieel kader is de norm voor het weerstandsvermogen minimaal 100% en maximaal 140% van de risico’s. Hierdoor ontstaat er formeel een bijstortingsplicht. Gezien het feit dat de jaarstukken 2020 binnen afzienbare tijd worden opgesteld heeft het bestuur besloten om bij de afwikkeling van de jaarstukken 2020 te bepalen hoe hiermee omgegaan wordt. Daarnaast kan er nog geen inschatting gemaakt worden van de bedragen die kunnen worden verhaald inzake de fraude. Deze kunnen nog een positief effect hebben op de bijstortingsplicht. Tegelijkertijd zijn er in 2020 en 2021 aanzienlijke kosten gemaakt voor het onderzoek naar de fraude en de afwikkeling van de jaarstukken 2019. De totale bijstortingsplicht op basis van uitsluitend de jaarstukken 2019 bedraagt (afgerond) € 1.294.00,- om op de norm van 1 te komen. De bijstorting per gemeente kan op diverse manieren bepaald worden. Daarover moet te zijner tijd nog besluitvorming plaatsvinden. Op basis van de verdeelsleutel (inwonertallen) die is gebruikt bij de inbreng van het vermogen bij de oprichting van KempenPlus, zou het aandeel van Reusel-De Mierden in de bijstortingsplicht € 239.000,- bedragen.
Dit zou aangeduid kunnen worden als de minimumvariant. Maar denkbaar is ook dat verdeling plaatsvindt op basis van de WVK-norm (elke gemeente 25%) omdat de oorzaak vooral in de EVK-periode ligt. Dan zou het aandeel Reusel-De Mierden uitkomen op € 323.500,-. Dit zou de maximumvariant kunnen heten. Let wel, het gaat dan alléén om de bijstortingsplicht op basis van de jaarstukken 2019. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de stille reserves in de BV’s waarvan KempenPlus de eigenaar is. Het voorlopige geconsolideerde vermogen van de BV’s bedraagt naar verwachting € 888.000. Als die stille reserves worden ingezet dan moet ook daarvan nog bepaald worden op basis van welke verdeelsleutel het aandeel per gemeente bepaald wordt. Voor nu gaan wij uit van de maximumvariant van € 323.500,- ten behoeve van deze risicoparagraaf. Het totale risico in relatie tot verbonden partijen komt daarmee op € 209.000 + € 300.000 + € 232.500 = € 741.500,-. 13
Informatiebeveiliging De gemeente verwerkt en beheert voor de uitvoering van haar taken informatie en persoonsgegevens. Informatie moet beschikbaar, integer en vertrouwelijk zijn. Daarnaast mogen informatie en persoonsgegevens alleen voor bevoegden inzichtelijk zijn. Door het nemen van passende beveiligingsmaatregelen verlagen we het risico op beveiligingsincidenten en beperken we mogelijke negatieve impact van dergelijke incidenten op privacy en de gemeentelijke informatievoorziening, in de vorm van het risico op imago- en financiële schade. De hoogte van mogelijke, niet verzekerde, financiële schade is op voorhand uitermate moeilijk in te schatten en kan, afhankelijk van het optredende risico en het tijdsverloop, zeer divers zijn. Daarom richten wij ons vooral op preventieve acties en hangen wij aan dit risico op dit moment geen weerstandsvermogen. Het afgelopen jaar zijn, op basis van het activiteitenplan informatiebeveiliging 2019-2021, verschillende maatregelen uitgevoerd om de technische en organisatorische beveiliging te ondersteunen. Omdat menselijk handelen van de medewerkers een van de grootste risico’s blijft, zijn naast technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen verschillende acties opgepakt om ook het bewustzijn voor informatiebeveiliging en privacybescherming te vergroten.
Hierbij is tevens aandacht is geweest voor thuiswerken en het gebruik van mobiele apparatuur buiten het gemeentehuis. Duurzame Digitale Opslagvoorziening (DDO) archief De gemeente is krachtens de gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Eindhoven (MRE) aangesloten bij de gemeenschappelijke archiefdienst, het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven (RHCe). De Duurzame Digitale Opslagvoorziening (DDO) van het RHCe is inmiddels volledig operationeel. Digitale archiefbescheiden kunnen in het DDO worden opgenomen. De kosten voor opname van archiefbescheiden in het DDO vallen onder de begroting van het RHCe. Daarbij moet benoemd worden dat de kosten voor de in het DDO opgenomen archiefbescheiden op termijn, wanneer de totale omvang van het DDO substantieel toeneemt, doorberekend worden aan de afzonderlijke gemeenten, zoals dat nu ook gedaan wordt voor het aantal strekkende meters analoog archief. Afhankelijk van de toename van digitale archiefbescheiden in het DDO is het nog onduidelijk wanneer het RHCe deze doorbelasting invoert en wat de financiële consequenties, afhankelijk van de omvang van de opgenomen digitale archiefbescheiden, daarvan zijn voor de gemeente. De gemeente dient tevens rekening te houden met extra kosten voor de eigen informatiesystemen, om opname van informatie vanuit de gemeentelijke informatiesystemen in het DDO op termijn mogelijk te maken.
Gegarandeerde geldleningen De gemeente staat garant voor de betaling van rente en aflossing over een aantal door derden aangegane geldleningen. Daarbij is een onderscheid te maken tussen garantstellingen aan woningcorporaties op basis van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en overige garantstellingen. Voor geldleningen onder het regime van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw geldt dat bij problemen eerst het WSW aangesproken wordt en pas als deze niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen, staan Rijk en gemeenten ieder voor 50% garant. Het totaalbedrag waarvoor onze gemeente onder het regime van het WSW een afgeleide garantstelling heeft afgegeven bedroeg per 31 december 2020 € 27 miljoen. De totale WOZ-waarde van de onroerende zaken waarop de garantie betrekking heeft, bedraagt bijna € 119 miljoen. Wij hebben geen signalen, die zouden kunnen duiden op een concreet risico dat wij binnen afzienbare termijn aangesproken worden op onze waarborgverplichtingen. In het kader van het WSW is de verhouding tussen afgegeven garanties in relatie tot de waarde van het daar tegenover staande woningbezit nog dermate gunstig, dat de risico’s in de praktijk erg klein zijn. Er is geen sprake meer van overige garantstellingen. De gemeente is terughoudend in het afgeven van garanties. Claims Attero i.v.m.
aanbod brandbaar huishoudelijk afval Voor de periode 1-2-1997 t/m 1-2-2017 hebben de 6 Brabantse gewesten (vertegenwoordigd door de Vereniging van Contractanten (VvC)), namens de Brabantse gemeenten, een overeenkomst gesloten met Afvalsturing Brabant (nu: Attero) voor de verwerking van huishoudelijk restafval. Daarbij is o.a. afgesproken dat de Brabantse gemeenten jaarlijks tenminste 510 kiloton (de volumeplicht) restafval ter verwerking (verbranding) aan moeten leveren. Omdat het afvalbeleid steeds meer gericht is op het terugdringen van de hoeveelheid restafval, werd in 2011 voor het eerst niet meer aan die volumeplicht voldaan. Dat is voor Attero reden geweest om aan de Brabantse gewesten een naheffing op te leggen wegens het niet nakomen van de volumeverplichting over de periode 2011 t/m 2014. In een arbitraal eindvonnis heeft het Nederlands
14
Arbitrage Instituut (NAI) Attero m.b.t. die naheffing in het ongelijk gesteld. Deze kwestie was hiermee afgedaan. Voor de jaren 2015, 2016 en januari 2017 (einde contractperiode) heeft Attero een nieuwe naheffing opgelegd voor het niet nakomen van de volumeplicht. Tot veler verrassing heeft het NAI in een eindvonnis nu Attero in het gelijk gesteld. Het NAI heeft geoordeeld dat, in tegenstelling tot de jaren 2011-2014, de Brabantse gewesten en gemeenten verplicht zijn een naheffing te betalen voor de minderlevering. Naar aanleiding hiervan is de VvC een procedure gestart bij het Gerechtshof om het vonnis te vernietigen. De uitspraak van deze vernietigingsprocedure wordt in 2021 verwacht. Mochten de gewesten uiteindelijk aan het kortste eind trekken, dan zullen waarschijnlijk ook de gemeenten binnen de gewesten een (deel van die) naheffing moeten betalen. Het risico is sterk afhankelijk van de uitkomst van de juridische procedures en verschilt zeer van gemeente tot gemeente. Bovendien moet na afloop van de lopende procedure nog bepaald worden op grond van welke verdeelsleutel de kosten over de gemeenten verdeeld moeten worden (op basis van aantal inwoners, op basis van het verschil in geraamde/geleverde tonnages of een combinatie daarvan). Vooralsnog schatten wij ons risico op basis van globale berekeningen in op een bandbreedte tussen € 104.000,- en € 211.000,-.
Gemiddeld is dat € 157.500,- en omdat wij ons niets voor kunnen stellen bij redenen die de huidige claim succesvol zouden maken, ramen wij de kans op voordoen in op 25%, zodat voor het weerstandsvermogen rekening wordt gehouden met afgerond € 40.000,-. Sociaal domein Voor de uitvoering van de Jeugdzorg en de Wmo (begeleiding) zijn de uitkeringen van het Rijk op basis van de circulaires van het gemeentefonds een gegeven. Op de ontwikkeling van de kosten van met name Jeugdzorg is de invloed van de gemeenten niet altijd voldoende groot. Hoewel er zowel vanuit het Loket van A tot Z als vanuit het CJG+ een sterke inzet is op preventie van (dure) zorgkosten, is dat niet altijd door de gemeente te beïnvloeden. Vanuit bijv. de huisartsen en rechtbanken is er een zelfstandige verwijsbevoegdheid van jeugdigen naar zorgaanbieders. Hoewel het de voorkeur heeft om alle zorgvragen via het CJG+ te laten verlopen, is dat in de praktijk soms anders, ondanks het feit dat de contacten met huisartsen en andere partijen zo goed mogelijk onderhouden worden (inmiddels voor alle partijen gereguleerd en vereenvoudigd door digitale uitwisseling). Ook de min of meer toevallige noodzaak van een of meer dure zorgtrajecten kan een grote invloed hebben op het kostenpatroon. Er is dan ook sprake van een open-eind systeem, waaraan in de kostensfeer risico’s zijn verbonden.
Wij ramen 50% kans op € 250.000 aan extra kosten. Claims intensieve dierhouderij Rondom de intensieve dierhouderij spelen al geruime tijd tal van ontwikkelingen, welke doorwerken in regelgeving vanuit de landelijke en provinciale overheid, maar ook in gemeentelijk beleid, zoals omgevingsvisie, bestemmingsplannen en dergelijke. Al deze ontwikkelingen kunnen wellicht beperkingen inhouden voor de ontwikkeling van een aantal bedrijven in die sector. Daarbij zullen sommige ondernemers zich benadeeld voelen door de nieuwe regelgeving en proberen dat nadeel gecompenseerd te krijgen door daartoe claims in te dienen. Het is op dit moment geenszins in te schatten wat de slagingskans voor dat soort claims zal zijn en om hoeveel gevallen het zou kunnen gaan. Desalniettemin moeten we rekening houden met de kosten van afhandeling van eventuele claims en bestaat altijd het risico dat claims toegewezen worden. Vooralsnog maken wij een inschatting van 50% kans op € 100.000 aan afhandelingskosten en 10% kans op € 1 miljoen aan claims, derhalve in totaal een risico van € 150.000. Voorzieningen De voorzieningen worden bij de opstelling van de jaarrekening herrekend op basis van de dan bekende, meest recente informatie. Dat zijn echter altijd momentopnamen, zodat er altijd een risico bestaat dat voorzieningen onvoldoende hoog zijn.
De onzekerheid over het al dan niet toereikend zijn van voorzieningen kan toe- of afnemen door tijdsverloop of door de aard van de voorziening. De voorzieningen voor wegen en gebouwen en riolering worden eens in de 4 à 5 jaar geactualiseerd. Voor wegen en riolering is dat recent gebeurd. De actualisering van de onderhoudsvoorziening gebouwen heeft in 2019 plaatsgevonden. Voorzieningen voor wachtgeld- en Appa-verplichtingen worden jaarlijks geactualiseerd voorafgaand aan de samenstelling van de jaarrekening. De voorziening wachtgelden is gebaseerd op inschattingen ten aanzien van met name de duur van de wachtgeldverplichting. Die duur is meestal redelijk nauwkeurig te bepalen, maar kan onzeker worden als zich zaken voordoen als arbeidsongeschiktheid tijdens de wachtgeldperiode. Daardoor kan de wachtgeldverplichting langer doorlopen, terwijl de tijd dan moeilijk in te schatten is. De gemeente Reusel-De Mierden heeft één doorlopende wachtgeldverplichting vanwege arbeidsongeschiktheid. Op basis van nu bekende gegevens is de duur ingeschat.
15
Omdat alle voorzieningen op basis van de meest recente gegevens zijn berekend, achten wij het niet nodig om hiervoor een aanvullend risicokapitaal aan te houden. Covid-19 Voor zover er concrete cijfers zijn die direct te relateren zijn aan de Covid-19 crisis, zijn deze in deze jaarrekening verwerkt. Het is lastig in te schatten in welke mate Covid-19 (financiële) gevolgen kan hebben voor de toekomst. Dat is mede afhankelijk van de duur van de pandemie, van hoe en in welk tempo de wereldwijde economie zich zal weten te herstellen, van de mate waarin bedrijven in een later moment alsnog “omvallen” als gevolg waarvan de werkloosheid zou kunnen stijgen en van de mate waarop Covid-19 later nog door zal werken in de fysieke en geestelijke gezondheid van mensen met mogelijk hogere zorgkosten als gevolg. We weten het allemaal niet. Daarom is daar nu ook geen bedrag aan te koppelen in het kader van het benodigde weerstandsvermogen. 2.3.4. Resumé risicobedragen Samenvatting beschreven risico
Benodigde weerstand
Grondexploitaties Intergemeentelijke samenwerking Sociaal domein Claim Attero Intensieve dierhouderij Totaal
1.021.000 741.500 125.000 40.000 150.000 2.077.500
(Bedragen in €)
Zoals eerder in deze paragraaf is aangegeven is voor dit risico een deel van de algemene reserve afgezonderd. Voor dat afgezonderde deel worden de gekwantificeerde risico’s ad € 2.077.500 vermenigvuldigd met een factor 1,8. Buiten het op deze wijze berekende afgezonderde deel van € 3.739.500 bedraagt het vrij besteedbare deel van de algemene reserve per 31-12-2020 € 6.627.472 (inclusief resultaat 2020 en rekening houdend met € 1,096 miljoen aan voorgestelde overhevelingen). 2.3.5. Kengetallen Op basis van artikel 11 van het Bbv moet de begroting en ook de jaarrekening in de risicoparagraaf een tabel met een aantal kengetallen bevatten. De volgende cijfers kunnen gegeven worden: Kengetal Rekening Rekening Begroting Rekening 2018 2019 2020 2020 Netto schuldquote 60,8% 45,1% 50,9% 37,5% Netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle 59,1% 44,1% 50,9% 37,5% verstrekte leningen Solvabiliteit 33,2% 40,6% 34,1% 42,6% Grondexploitatie 46,4% 35,0% 29,6% 22,9% Structurele exploitatieruimte n.v.t. n.v.t. -2,0% 0% Belastingcapaciteit 98,2% 99,9% 98,4% 97,3% Enige uitleg over de betekenis van deze kengetallen is nodig. De netto schuldquote en de netto schuldquote, gecorrigeerd voor verstrekte leningen, weerspiegelen het niveau van de schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten op de exploitatie.
Omdat onze gemeente nauwelijks gelden heeft uitgeleend, zijn de beide percentages nagenoeg gelijk. In beginsel is een zo laag mogelijke quote het meest gunstig. De solvabiliteit geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Een hoge schuld hoeft bijvoorbeeld geen probleem te zijn als er ook sprake is van veel eigen vermogen. De solvabiliteitsratio drukt het eigen vermogen uit als percentage van het totale vermogen. Hoe hoger deze quote, hoe beter de gemeente er voorstaat. Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond in exploitatie) is ten opzichte van de totale geraamde baten. Aan deze quote is eigenlijk geen kwalificatie goed of slecht te hangen. Wel is een hoge quote een teken van grotere voorraad nog uit te geven grond, waardoor het risico op dat gebied groter is. Een lagere quote voor grondexploitatie betekent dus in het algemeen dat de gemeente minder risico’s loopt op dat gebied. De structurele exploitatieruimte geeft aan hoe groot de structurele exploitatieruimte is. Een positief percentage betekent dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten te dekken (begrotingsoverschot). Uiteraard is hier een hogere quote altijd gunstiger.