CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[21.09882] - OBP Buitengebied De Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde compleet

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Buitengebied, De Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde20.281 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

Colofon

Opdrachtgever J.F.M. van Gisbergen De Gagel 16 5095 AH Hooge Mierde ZLTO Advies Ing. R.J.M.B. (Raymond) Derks Adviseur omgeving 06-14852454 15 maart 2021 Projectnummer 2018000453 NL.IMRO.1667.BPBgagel0081.ON01 Kantoor ’s-Hertogenbosch Onderwijsboulevard 225 5223 DE ’s-HERTOGENBOSCH Postbus 100 5201 AC ’s-HERTOGENBOSCH

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

2

INHOUDSOPGAVE

TOELICHTING 1. 1.1 1.2

Inleiding ................................................................................................................ 5 Aanleiding ............................................................................................................... 5 Ligging en begrenzing plangebied............................................................................... 5

2. 2.1 2.2 2.3 2.4

Planbeschrijving .................................................................................................... 7 Gebiedsprofiel.......................................................................................................... 7 De planlocatie .......................................................................................................... 7 Beoogde situatie ...................................................................................................... 9 Landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering .................................... 11

3. Planologisch beleidskader .................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid ............................................................................................................. 13 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................... 13 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ........................................................ 13

3.1.3

Ladder duurzame verstedelijking ......................................................................... 14

3.2 Provinciaal beleid .................................................................................................... 14 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant ........................................................................... 14 3.2.2

Interim Omgevingsverordening ruimte ................................................................. 15

3.3 Gemeentelijk beleid ................................................................................................. 19 3.3.1 Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden....................................................... 19 3.3.2

Bestemmingsplan .............................................................................................. 23

4. Ruimtelijke aspecten............................................................................................ 26 4.1 Flora en Fauna ........................................................................................................ 26 4.1.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................... 26 4.1.2

Soortenbescherming .......................................................................................... 27

4.2 Cultuurhistorie en archeologie................................................................................... 28 4.3 Mobiliteit en parkeren .............................................................................................. 30 4.4 Technische infrastructuur ......................................................................................... 31 4.5 Bodem ................................................................................................................... 31 4.6 Verkeers- en industrielawaai ..................................................................................... 32 4.7 Luchtkwaliteit ......................................................................................................... 33 4.8 Geur ...................................................................................................................... 35 4.9 Externe veiligheid.................................................................................................... 36 4.9.1 Plaatsgebonden risico ........................................................................................ 37 4.9.2

Groepsrisico...................................................................................................... 37

4.10 Gezondheid ............................................................................................................ 38 4.11 Bedrijven en milieuzonering ..................................................................................... 39 4.12 Milieu-effect rapportage en vormvrije mer-beoordeling ................................................ 40 4.13 Water .................................................................................................................... 41 4.13.1 Rijksbeleid .................................................................................................... 41 4.13.2

Provinciaal Milieu- en waterplan 2016-2021 ...................................................... 42

4.13.3

Waterschap De Dommel ................................................................................. 42

4.13.4

Gemeentelijk beleid........................................................................................ 42

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

3

4.13.5

Waterhuishoudkundige situatie planlocatie ........................................................ 43

4.13.6

Uitgangspunten Watertoets ............................................................................. 44

4.13.7

Watertoets .................................................................................................... 45

5. 5.1 5.2 5.3 5.4

Economische en Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................. 49 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................... 49 Procedures ............................................................................................................. 49 Vooroverleg ............................................................................................................ 49 Ter visie legging...................................................................................................... 50

6. 6.1 6.2 6.3

Juridische toelichting ........................................................................................... 51 Aanleiding .............................................................................................................. 51 Regels ................................................................................................................... 51 Verbeelding ............................................................................................................ 51

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

4

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie De Gagel 16 in Hooge Mierde de hier gevestigde varkenshouderij, opnieuw in te delen. Een deel van de bestaande emissiearme stallen wordt daartoe gesloopt en herbouwd volgens de nieuwste milieu- en welzijnseisen. Dit gebeurt in samenhang met de beëindiging van de intensieve veehouderij aan de Aanrijten 2 in Hooge Mierde. Deze ontwikkeling is nodig om de bedrijfsvoering op de locatie De Gagel 16 te verduurzamen en een meer efficiënte indeling van het bedrijfsperceel te realiseren. Om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken is het noodzakelijk dat de gemeente Reusel-De Mierden medewerking verleent om onderhavige plannen middels een herziening van het bestemmingsplan in te passen. Dit omdat de bestaande hoeveelheid bebouwing voor intensieve veehouderij op de locatie De Gagel 16 toeneemt. Dit staat het bestemmingsplan niet toe. Tegelijkertijd wordt daarom de aangrenzende locatie Aanrijten 2 (ook in eigendom bij initiatiefnemer) de bebouwing voor intensieve veehouderij ontmanteld en de varkensstal aldaar gesloopt. Deze samenhang dient planologisch geborgd te worden, en kan enkel door herziening van het bestemmingsplan. In deze bestemmingsplan toelichting wordt een afweging gemaakt waarbij alle ruimtelijk relevante aspecten met betrekking tot het initiatief inzichtelijk gemaakt worden.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

De planlocaties zijn naast elkaar gelegen in het buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden, op circa 1 kilometer afstand van Hooge Mierde en op circa 1,5 kilometer afstand van Reusel. De omgeving bestaat voornamelijk uit agrarisch cultuurlandschap. Het plangebied omvat de percelen, kadastraal bekend gemeente Hooge Mierde, sectie G, nummers 307, 518, 616 en 1239, 1281 en 1282. In bijgaande figuur is de ligging van het plangebied weergegeven.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

5

Figuur 1-1:

Situering plangebied De Gagel 16 en Aanrijten 2

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

6

2.

Planbeschrijving

2.1

Gebiedsprofiel

De planlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Reusel-De Mierden. De gemeente is te karakteriseren als een groene Brabantse plattelandsgemeente in de Kempen, tegen de Belgische grens. Het is een rustige woongemeente met een afwisselend landschap, bestaande uit landbouwgronden, beekdalen en bossen. Het grondgebied van de gemeente heeft een uitgesproken landelijk karakter, waarin, naast de landbouw, de natuur- en bosgebieden domineren, die aantrekkelijke recreatieve mogelijkheden bieden. De landbouwgronden zijn veelal ontstaan als bos- en heideontginningen, in het beekdallandschap gevormd door de Reusel. De van oorsprong arme zandgronden werden agrarisch in gebruik genomen, dat mogelijk werd gemaakt door bemesting door de veehouderijen die zich hier gevestigd hebben. De belangrijkste ontsluiting van de gemeente zijn de provinciale wegen N269 (richting Tilburg, waar aangesloten wordt op de A58) en de N284 (richting Eersel, waar aangesloten wordt op de A67).

Figuur 2-1:

2.2

topografische kaart [TOP10 PDOKviewer]

De planlocatie

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

7

Initiatiefnemer exploiteert aan De Gagel 16 een varkenshouderij (zeugen en vleesvarkens in een gesloten bedrijfsvoering). Op de locatie zijn naast een bedrijfswoning, diverse varkensstallen aanwezig en bijbehorende voorzieningen (mestopslag, luchtwassers, voersilo’s, berging). In totaal is er ruim 17.537 m2 aan gebouwen voor intensieve veehouderij aanwezig. Het bedrijf wordt ontsloten op De Gagel en via de Hooge Mierdseweg in oostelijke richting wordt aangesloten op de N269. Op deze locatie is een moderne varkenshouderij gevestigd die grotendeels voldoet aan de duurzaamheidseisen (emissie arm, luchtwassers, welzijn). Deze locatie is in de loop der jaren gegroeid tot de huidige omvang. De oudste stallen, vooraan op het perceel, dienen gemoderniseerd te worden om te voldoen aan hedendaagse milieu-eisen. Ook de indeling van het erf is niet optimaal door de situering van een loods waardoor er krappe manoeuvreerruimte is voor vrachtverkeer. De locatie Aanrijten 2 ligt direct ten oosten van De Gagel 16. Dit bedrijf is eveneens eigendom van initiatiefnemer. Op deze locatie is een gemengd bedrijf bestemd met akkerbouw, rundvee en vleesvarkens. Op deze locatie is 537 m2 aan bebouwing voor intensieve veehouderij toegestaan. De omgevingsvergunning onderdeel milieu is voor de varkens en rundveehouderij ingetrokken.

De Gagel 16

Aanrijten 2

Figuur 2-2:

Luchtfoto met bestaande bebouwing, en te slopen bebouwing (geel omkaderd)

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

8

2.3

Beoogde situatie

Het voorliggende plan ziet op de sloop van de oudste stallen op De Gagel 16, die herbouwd en gemoderniseerd worden om te kunnen voldoen aan hedendaagse milieu-eisen. Op deze locatie wordt circa 4.000 m2 aan gebouwen gesloopt. Deze worden vervangen door circa 4.500 m2 nieuwe moderne, emissiearme stallen voor intensieve veehouderij. Met de nieuwe situering van deze stallen wordt er ook een meer efficiënte indeling van het perceel gerealiseerd, waardoor er een betere logistieke afhandeling van verkeer mogelijk is.

Figuur 2-3: beoogde situatie De Gagel 16

Tegelijkertijd wordt op de locatie Aanrijten 2 eveneens bebouwing gesloopt. Hier wordt totaal circa 1.000 m2 bebouwing gesloopt, inclusief 537 m2 gebouwen voor intensieve veehouderij. Na sloop wordt de bestaande rundveestal herbouwd tot akkerbouwloods, inclusief strostal voor circa 40 schapen.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

9

Figuur 2-4: beoogde situatie Aanrijten 2

In het vigerende bestemmingsplan is de toegestane oppervlakte aan bebouwing voor intensieve veehouderij vastgelegd. In bijlage 2 bij de regels is bepaald dat op de locatie De Gagel 16 niet meer dan 17.537 m2 aan gebouwen voor intensieve veehouderij mogelijk mag zijn. Voor de locatie Aanrijten 2 is dat 537 m2. Het plan ziet op de uitbreiding van de oppervlakte op de locatie De Gagel 16. Door de toegestane oppervlakte van de locatie Aanrijten 2 naar deze locatie te verplaatsen naar De Gagel 16, blijft de hoeveelheid bebouwing voor intensieve veehouderij gelijk (18.074 m2). Hiervoor dient het bestemmingsplan aangepast te worden, aangezien deze per locatie vastgelegd is. Per saldo is er dan geen toename van de oppervlakte aan bebouwing voor intensieve veehouderij. Om deze ontwikkeling planologisch mogelijk te maken dient het bestemmingsplan op dit onderdeel herzien te worden.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

10

2.4

Landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering

In artikel 3.5 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant heeft de provincie de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit opgenomen, waaronder kwaliteitsverbetering voor het landschap (artikel 3.9). Dit principe omvat kort samengevat dat een ruimtelijke ontwikkeling in het Landelijk Gebied mogelijk als die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. De uitwerking van dit principe heeft in regionaal verband plaatsgevonden tussen gemeenten in de regio De Kempen, en dat is vastgelegd in het afsprakenkader ‘Landschapsinvesteringsregeling De Kempen’ uit 2012. Basis voor de uitwerking is de onderverdeling van ruimtelijke ontwikkelingen in drie categorieën. Dit kan schematisch weergegeven worden in bijgaande tabel.

Figuur 2-5: Categorieën kwaliteitsverbetering

Op basis van dit afsprakenkader kan de ontwikkeling aangemerkt worden als een categorie 2 ontwikkeling, waarvoor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist is in de vorm van een goede landschappelijke inpassing. Het betreft een ontwikkeling die plaatsvindt binnen bestaande en/of binnen de vigerende planologische regeling passende bebouwing. Kwaliteitsverbetering vindt verder plaats door de sloop van de stallen op de Aanrijten 2. Verder wordt het bedrijf aan de achterzijde (zuidzijde) landschappelijk ingepast met een groensingel van struweel beplanting.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

11

Figuur 2-6: beplantingsplan [WdBruijn]

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

12

3.

Planologisch beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: 

Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport).

Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt.

Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden.

De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De regels welke doorvloeien vanuit het Rijk zijn door vertaald in de provinciale verordening en het bestemmingsplan van de gemeente. Belangrijk aandachtspunt hierbij zijn de effecten op de NNN.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt de juridische doorvertaling van het rijksbeleid en is een verdere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Belangrijke punten hierin zijn o.a. het zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare (natuur)gebieden en bescherming van het land tegen klimaatverandering, overstroming en wateroverlast, de uitoefening van defensietaken, toekomstige uitbreidingen van de hoofdinfrastructuur. Provincies dienen deze regels door te vertalen in hun beleid en verordeningen en vervolgens dienen deze regels ook een plek te krijgen in de verschillende bestemmingsplannen, aanpassingsplannen etc. Regels ten aanzien van de ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

13

Het nieuwe bestemmingsplan schaadt geen nationaal belang. Vandaar dat de regels zoals gesteld in het Barro, niet van toepassing zijn. Bij de wijziging van de agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming komen geen nationale belangen in het geding. Onderhavige ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de regels van het Barro.

3.1.3

Ladder duurzame verstedelijking

De Ladder duurzame verstedelijking is een processchema dat alle mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven voor stedelijke functies, via beleidskaders begeleidt naar een optimale locatiekeuze. De ladder duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De motiveringseis om te voldoen aan de ladder duurzame verstedelijking is vervolgens vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar gebouwd mag worden. Het systeem van de ladder zorgt voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming waar wel en waar niet mag worden gebouwd. De ladder is een toetsingsinstrument voor ontwikkelaars en de overheid wat gevolgd moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. De ladder duurzame verstedelijk is erop gericht om ontwikkelingen die een ruimtelijke impact hebben zoveel mogelijk binnen het bestaand stedelijk gebied op te vangen. Hierdoor wordt verstening van het buitengebied tegengegaan. Uitgangspunt is dat steden en dorpen niet onnodig ‘uitdijen’ terwijl er in de kernen nog ruimte is voor ontwikkelingen. Wanneer er in de kernen ontwikkellocaties zijn moeten deze eerst opgevuld worden alvorens men uitbreidt in het buitengebied. Ook wanneer het gaat om herstructureringsprojecten moet hier voorrang aangegeven worden.

Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan nieuwe bebouwing die een stedelijk karakter heeft zoals woningbouw, realisatie winkelruimte, kantoorpanden, bedrijventerreinen of overige stedelijke functies (maatschappelijk, religie, cultuur, leisure, recreatie -> dit op basis van uitspraken van de RvS). De ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op substantiële veranderingen en bouwplannen, die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden. Het doel is om overbodige bouwplannen (kantoren, woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren. De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bouwpercelen en leidt niet tot uitbreiding van deze bouwpercelen. Het betreft een ruimtelijk ontwikkeling op een daartoe geschikte locatie. Dit soort agrarische bedrijven behoren in het buitengebied. De functie komt niet voor in het rijtje (wonen, kantine, winkels, bedrijventerrein etc.) wat getoetst moet worden aan de ladder duurzame verstedelijking. Derhalve hoeft er geen ladder toets doorlopen te worden.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Door de komst van de Omgevingswet moeten gemeenten, provincies en rijk ieder een eigen Omgevingsvisie vaststellen. Veel verschillende regels en visies bepalen nu de kwaliteit van de

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

14

Brabantse fysieke leefomgeving. Deze regels en visies zijn vastgelegd in verschillende plannen. Dat maakt het lastig om een goede afweging te maken over wat goed is voor die fysieke leefomgeving. Eén visie die al die losse regels en visies vervangt, maakt de afweging gemakkelijker, en geeft meer duidelijkheid over mogelijkheden en voor maatwerk. De Provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld met als doel antwoord te geven op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar de provincie in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen van 2050 te halen. De visie benoemt daarbij een vijftal hoofdopgaven: 

De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Dit heeft gevolgen voor hoe we onze leefomgeving vormgeven.

Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en Brabanders stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor hoe het netwerk van steden en dorpen functioneert en verder vorm krijgt.

Concurrerende, duurzame economie: we willen top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij we de omslag naar een verregaande circulaire economie maken en digitalisering steeds belangrijker wordt.

De Omgevingsvisie krijgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en omgevingsprogramma’s. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. Onderhavig plan betreft een voortzetting van het huidige agrarische gebruik, binnen het bestaande bouwperceel. Het plan draagt bij aan het behoud van een breed georiënteerde plattelandseconomie.

3.2.2

Interim Omgevingsverordening ruimte

Naast één Omgevingsvisie moet de provincie ook één Omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de Omgevingsvisie staat beschreven wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Als er regels nodig zijn dan worden die opgenomen in de Omgevingsverordening. Een verordening is een wet die regels bevat waaraan anderen zich moeten houden. Daarom wordt de verordening vastgesteld door Provinciale Staten. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen (zoals de provinciale Milieuverordening, de Verordening natuurbescherming en de Verordening ruimte). De omgevingsverordening bevat straks alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Dat betekent dat er regels in komen die vrijwel alle beleidsvelden van de provincie raken. Behalve regels bevat de omgevingsverordening ook omgevingswaarden. Dat zijn normen die voor de kwaliteit van de fysieke omgeving gelden.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

15

De Brabantse Omgevingsvisie, programma’s en Omgevingsverordening horen bij elkaar. De verordening helpt bij het realiseren van de opgaven en doelen die in de visie en programma’s zijn opgenomen. Daarom stelt de provincie eerst de omgevingsvisie op. Daarna volgen een uitwerking van beleid en maatregelen in de programma’s en de Omgevingsverordening. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de definitieve Brabantse Omgevingsverordening vastgesteld. Daarin worden zowel aanpassingen vanwege de Omgevingswet meegenomen, als ook beleidswijzigingen gebaseerd op programma’s. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve Omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld. Vooruitlopend hierop is er een Interim Omgevingsverordening vastgesteld op 25 oktober 2019, en later enkele malen gewijzigd. Deze Interim Omgevingsverordening is grotendeels een beleid neutrale omzetting van (onder meer) de Verordening ruimte Noord-Brabant en de overige provinciale verordeningen. De Omgevingsverordening kent een aantal rechtstreeks werkende regels (zoals ten aanzien van de bescherming van grondwater, bodem, natuur, milieu, water). En er zijn instructieregels voor gemeenten, waaraan zij zich moeten houden bij het opstellen van nieuwe plannen of het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Bij deze instructieregels geldt een aantal basisprincipes die gehanteerd worden:

    

Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; Zorgvuldig ruimtegebruik; Toepassing van de lagenbenadering; Meerwaardecreatie; Kwaliteitsverbetering landschap.

Bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen dient uitgegaan te worden van deze basisprincipes. De regels zijn vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De planlocatie is gesitueerd binnen het Gemengd Landelijk Gebied. In het Gemengd Landelijk Gebied bestaan mogelijkheden voor agrarische ontwikkelingen en andere aan het buitengebied gerelateerde functies. Specifiek voor veehouderijen gelden de volgende regels. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels en instructieregels. Rechtstreeks werkende regels In artikel 2.73 is een verbod opgenomen toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf bij een veehouderij in Landelijk Gebied. Dit verbod geldt totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf. Een aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging van een bestaand gebouw naar dierenverblijf kan alleen verleend worden als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.

maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

b.

de maatregelen onder a. in ieder geval voldoen aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regels als bedoeld in artikel 5.11 Nadere regels zorgvuldige veehouderij;

c.

de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving, inpasbaar is in de omgeving;

d.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

16

een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; e.

is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

f.

een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief;

g.

binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden.

In artikel 2.74 is bepaald dat voor een hokdierhouderij gevestigd binnen het Stalderingsgebied, een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden. Het verbod geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf bewijs is overlegd dat: a.

binnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b.

de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: 1.

ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

2.

ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c.

voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.

Toetsing staldering: Uitgangspunt is dat op de locatie De Gagel 16 een uitbreiding van de hokdierhouderij plaats vindt en dat daarvoor een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Daar hoort een stalderingsbewijs bij. Deze uitbreiding bedraagt 537 m². Hiervoor moet er binnen hetzelfde stalderingsgebied 644 m² (120%) gesloopt worden. Op de naastgelegen locatie Aanrijten 2 van dezelfde eigenaar wordt 537 m2 aan stalruimte hokdierhouderij gesaneerd. De initiatiefnemer wil namelijk een deel van zijn varkensstallen op de locaties slopen en herbouwen om te voldoen aan de nieuwe regels rondom emissiearme stallen en welzijn. Aanvullend moet er formeel nog 107 m² ergens anders aangekocht worden. Dit zal gebeuren via aankoop bij het provinciale stalderingsloket. Hiermee wordt voldaan aan artikel 2.74 van de verordening. De bewijsstukken worden aan de omgevingsvergunning bouwen toegevoegd. Instructieregels In artikel 3.50 van de verordening is opgenomen dat een bestemmingplan van toepassing op een veehouderij in Landelijk gebied bepaalt dat: a.

een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als: 1.

maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

2.

de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

17

3.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

4.

is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

5.

een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

b.

binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden;

c.

bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a.

Figuur 3-1:

Uitsnede Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant: Basiskaart landelijk gebied

Toetsing uitbreiding oppervlakte dierenverblijf: Het voorliggende bestemmingsplan wordt opgesteld om vergunningverlening mogelijk te maken voor de bouw en modernisering van dierenverblijf op de locatie De Gagel 16. Vanwege de samenhang met de naastgelegen locatie Aanrijten 2 van dezelfde eigenaar, kan hiervoor niet direct vergunning verleend worden. Dit omdat op de locatie Aanrijten 2 de mogelijkheid intensieve

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

18

veehouderij tegelijkertijd moet komen te vervallen en de borging van de inzet van de oppervlakte stallen hiervan in het kader van de stalderingsregeling. Het bestemmingsplan regelt immers per bouwvlak de gebruiksvloeroppervlakte en ondanks dat de bedrijven tegen elkaar liggen en dezelfde eigenaar hebben en het ingevolgde de Wet milieubeheer als één inrichting beschouwd kan worden, is hier een planologische afscheiding. In dit geval is verder geen sprake van uitbreiding oppervlakte dierenverblijf. Deze situatie is daarmee niet aan de orde doordat de totaal toegestane oppervlakte gelijk blijft. Dit vanwege het verplaatsen van de oppervlakte dierenverblijf van de locatie Aanrijten 2 naar de naastgelegen locatie De Gagel 16. Er vindt met onderhavig initiatief geen toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij plaats. Beide naast elkaar gelegen bedrijven worden ruimtelijk samengevoegd voor het voldoen aan de nieuwe Brabantse milieu- en landelijke welzijnseisen. Voor de locatie Aanrijten 2 geldt dat hier, na het vervallen van de intensieve veehouderijtak, een grondgebonden agrarisch bedrijf resteert in de vorm van een akkerbouwbedrijf met een strostal voor 40 schapen. Deze schapen zijn reeds vergund en het aantal wordt niet uitgebreid. Dergelijke grondgebonden bedrijven zijn toegestaan in het landelijk gebied op grond van artikel 3.54 van de verordening.

De beoogde ontwikkeling van het plangebied is inpasbaar binnen de regels van de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant. Voor de nieuwe stallen aan De Gagel 16 wordt voldaan aan de stalderingseisen door inzet van de sloop van Aanrijten 2 en aankoop van 107 m2 stalderingsmeters. Het grondgebonden agrarisch bedrijf Aanrijten 2 past binnen de regels van artikel 3.54 van de verordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden

De gemeenteraad van Reusel-De Mierden heeft bij besluit van 22 mei 2018 de Omgevingsvisie voor haar grondgebied vastgesteld. Deze Omgevingsvisie borduurt voort op de in 2013 vastgestelde toekomstvisie. Gezamenlijk, grenzeloos en groen is en blijft het uitgangspunt. De omgevingsvisie geeft verder richting aan de ingezette koers, in ruimtelijke zin en schetst het panorama voor de toekomst.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

19

Figuur 3-2:

Omgevingsvisie Reusel-De Mierden, visiekaart

De planlocatie ligt op de overgang kleinschalig agrarisch cultuurlandschap (primaat landschap) naar het gebied met primaat landbouw.

Voor de toekomst van de intensieve veehouderij in de gemeente is een apart hoofdstuk opgenomen in de Omgevingsvisie (zie hierna). Voor onderhavige ontwikkeling heeft dit de volgende consequenties. De locatie De Gagel 16 kan op grond van de gehanteerde criteria aangemerkt worden als een ‘voortzettingslocatie’. De locatie voldoet namelijk aan vijf van de zes criteria: 

De locatie is niet gelegen in een beekdal, maar in het oud agrarisch cultuurlandschap;

Gelegen op meer dan 250 meter van kernen of buurtschappen;

Voldoet aan de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxinen en geur, omdat in de beoogde situatie deze emissies van fijnstof en endotoxine omlaag gaan en de geurbelasting naar de omgeving zal afnemen;

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

20

via de Hooge Mierdseweg wordt rechtstreeks aangesloten op de provinciale weg N269 en N284, om op deze hoofdwegenstructuur hoeft men niet door kernen/buurtschappen te gaan;

de omgeving is in het verleden niet aangewezen als extensiveringsgebied.

Het enige criterium waaraan niet voldaan wordt is de nabijheid van burgerwoningen op meer dan 250 meter. Naast de locatie bevinden zich namelijk twee burgerwoningen. Toch wordt de ontwikkeling aanvaardbaar geacht, omdat de huidige bebouwing wordt vervangen en niet dichter bij deze woningen komt. De emissie van fijnstof en endotoxine halveert door het toepassen van betere staltechnieken en de afstand tussen de dichtstbij gelegen woning en het eerste emissiepunt wordt drie maal zo groot. Voor geur gaat de emissie ook omlaag en is de immissie op de dichtstbij gelegen woning straks nog maar 2/3e van de huidige belasting. Een voortzettingslocatie wordt geschikt geacht om de vergunde activiteiten op het gebied van intensieve dierhouderij voort te zetten, maar zonder extra mogelijkheden. De bestaande planologische mogelijkheid om de intensieve dierhouderij voort te zetten en te ontwikkelen, wordt daarbij als vertrekpunt genomen. In dit geval betekent dat met het voorliggende plan een modernisering van de bedrijfsvoering kan plaatsvinden, om te kunnen voldoen aan milieu-eisen. Hiermee wordt de milieubelasting naar de omgeving niet vergroot. De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel van De Gagel 16. Deze komt niet dichter bij de bestaande burgerwoningen. Per saldo vindt er geen toename van de oppervlakte van bebouwing voor intensieve veehouderij plaats.

Met het vervallen van de bebouwing voor intensieve veehouderij op de locatie Aanrijten 2, het vervallen van de milieu-effecten van deze locatie naar de omgeving doordat er geen intensieve veehouderij meer plaats vindt, is er sprake van een ontwikkeling die leidt tot verbetering van de milieusituatie.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

21

Tekst Omgevingsvisie

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

22

3.3.2

Bestemmingsplan

De locatie is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” (vastgesteld door de gemeenteraad op 22 september 2009), en “Buitengebied 2009, Herziening fase 1a” (onherroepelijk op 21 januari 2015). De planlocatie De Gagel 16 is gelegen binnen de enkelbestemming ‘Bedrijf-Agrarisch’ met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Over het plangebied ligt ook de gebiedsaanduiding ‘verwevingsgebied’. Het bouwvlak van de locatie is circa 3 hectare groot. De planlocatie Aanrijten 2 is eveneens gelegen binnen de enkelbestemming ‘Bedrijf-Agrarisch’ met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Over het plangebied ligt ook de gebiedsaanduiding ‘verwevingsgebied’. Het bouwvlak van deze locatie is circa één hectare groot. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat intensieve veehouderijbebouwing uitsluitend is toegestaan tot maximaal de bestaande oppervlakte, als opgenomen in bijlage 3 bij de regels: 'Bestaande intensieve veehouderijbebouwing', waarbij herbouw ter plaatse van de bestaande intensieve veehouderijbebouwing tot deze omvang is toegestaan.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

23

Aangezien er op de locatie De Gagel 16 toename is van de intensieve veehouderijbebouwing, is dit in strijd met het bestemmingsplan. Dit wordt ondervangen door de bebouwing van Aanrijten 2 te verplaatsen naar De Gagel 16. Hiermee blijft de totale oppervlakte intensieve veehouderijbebouwing ongewijzigd, 18.074 m2. Om dit planologisch te borgen dient daartoe deze wijziging in een herziening van het bestemmingsplan vastgelegd te worden. In figuur 3-3 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

24

Figuur 3-3:

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied 2009”

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

25

4.

Ruimtelijke aspecten

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan alle relevante planologische en milieuaspecten.

4.1

Flora en Fauna

De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving (Wet natuurbescherming). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking.

4.1.1

Gebiedsbescherming

Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden) van belang. In Nederland is dat Natura2000 gebied nummer 81 ‘Kempenland-West’ (Landgoed De Utrecht met de vennen De Flaes en het Goor), en De Reusel maakt daar deel van uit en ligt op circa één kilometer ten noordoosten van de planlocatie. Ten noorden op ruim 4 kilometer afstand ligt Landgoed De Utrecht. Ten zuiden van het plangebied is het in België gelegen Natura2000 gebied nabij Turnhout gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 4 kilometer. In paragraaf 2.7.1 van de Interim Omgevingsverordening zijn regels opgenomen gericht op de bescherming van Natura 2000 gebieden. Deze regels zien op huisvestingseisen ten aanzien van de stalsystemen, gericht op vermindering van emissies die nadelige effecten hebben op de te beschermen natuurwaarden in Natura 2000 gebieden. Dit gaat met name om de emissie van stikstof. Er is sprake van een behoorlijke afstand tussen de locatie en het Natura2000 gebied en de stikstofdepositie zal afnemen, waardoor er geen sprake is van directe of indirecte negatieve effecten in de zin van areaalverlies, verontreiniging of verstoring.

Op bedrijfsniveau neemt de ammoniakemissie aan De Gagel 16 af ten opzichte van de Wnb vergunning van 15 december 2014 met het beoogde initiatief en daarmee ook de bijbehorende depositie. Het bedrijf gaat met de herbouw namelijk investeren in de betere stalsystemen van minimaal 85% reductie zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, waar het bedrijf in 2022 aan moet voldoen. Uit een berekening blijkt dat de afname in emissie geen significante verschillen oplevert boven de 0,00 mol/ha/jr.

Figuur 4-1:

AERIUS Calculator

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

26

Figuur 4-2:

Ligging Natura2000-gebieden in Nederland en België

Het plan leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden.

4.1.2

Soortenbescherming

De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. Op basis van deze wet geldt een ontheffingsregime. Het voorliggende plan ziet op herinrichting en bebouwing van het bestaande bouwperceel dat intensief agrarisch gebruikt wordt. Het plangebied heeft geen biotoop voor beschermde planten of dieren. De varkensstallen zijn gesloten en goed geïsoleerde gebouwen, en daardoor ongeschikt als verblijf- of broedplaats. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen significant negatief effect zal hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied of directe omgeving.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

27

Tevens geldt de algemene zorgplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. In het kader van de algemene zorgplicht is het aan te bevelen om de benodigde werkzaamheden buiten het algemene broedseizoen te laten plaatsvinden. Dit is ruwweg de periode van april tot half juli. Indien dit niet mogelijk is dient het terrein voorafgaande aan de activiteiten behorende bij de ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden op het voorkomen van broedende vogels. Als geen broedgevallen op het terrein of in de opgaande structuren direct rondom het plangebied aanwezig zijn, kan het plan in haar huidige vorm doorgang vinden. Het plan heeft geen significante effecten op mogelijk aanwezig soorten.

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

Vanwege artikel 3.6.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt. Het doel is bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de Wamz wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden Op provinciaal niveau moet rekening worden gehouden met de Verordening Ruimte Noord-Brabant. Hierin valt de locatie niet binnen een cultuurhistorisch of archeologisch waardevol landschap.

Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie en directe omgeving geen cultuurhistorische waarden bezit. Dit heeft vooral te maken met de ontstaansgeschiedenis van de omgeving, het betreft een ontginningslandschap waarbij de oorspronkelijke structuren zoals verkaveling, wegen en bebouwing grotendeels veranderd zijn. De bebouwing zelf heeft evenmin cultuurhistorische betekenis, het gaat om reguliere veestallen. In dit geval wordt er door de sloop van de varkensstallen geen waarden aangetast. Cultuurhistorische waarden worden daarmee niet geschaad.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

28

Figuur 4-3:

Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant

De gemeenteraad van Reusel-De Mierden heeft op 18 oktober 2011 de Erfgoedverordening 2011 vastgesteld. De Erfgoedverordening is gebaseerd op het erfgoedplan, dat is opgesteld door de gezamenlijke Kempengemeenten en A2- gemeenten. Het erfgoedplan bevat een uitgebreide inventarisatie van de archeologische en cultuurhistorische (verwachtings)waarden binnen het grondgebied van de betrokken gemeenten. Op de archeologische verwachtingenkaart is de planlocatie en directe omgeving aangemerkt als een gebied met een lage verwachting (categorie 6), en deels zonder verwachting (categorie 7).

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

29

Figuur 4-4:

Archeologische beleidskaart

Het archeologisch en cultuurhistorisch beleid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Bij bodemingrepen over een grotere oppervlakte dan 25.000 m2 en dieper dan 50 cm dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit is hier niet aan de orde en nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

4.3

Mobiliteit en parkeren

De ontsluiting van het plangebied geschiedt via de Gagel. Het bedrijfsverkeer komt en verlaat de locatie via de centrale toegang van het bedrijf. Op het perceel rondom de gebouwen is erfverharding aangebracht voor het afwikkelen van vervoer. Via de Hooge Mierdseweg wordt in oostelijke richting aangesloten op de hoofdwegenstructuur, de provinciale weg N269. Het aantal transportbewegingen ten behoeve van het bedrijf veranderen niet door het plan. Het aantal verkeersbewegingen blijft ongewijzigd, aangezien de bedrijfsactiviteiten niet vergroot worden. Met de herinrichting van het perceel wordt de logistieke manoeuvreerruimte op het terrein verbeterd.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

30

Parkeren vindt plaats binnen de inrichting. Er worden geen personenauto’s en/of vrachtwagens buiten de inrichting, op de openbare weg geparkeerd. Het aantal parkeerplaatsen hoeft niet vergroot te worden voor de voorgenomen plannen omdat de parkeerbehoefte door het initiatief niet toeneemt. Het aspect parkeren vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief. Mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. Het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte wijzigt niet.

4.4

Technische infrastructuur

De locatie is reeds aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen. Hiervoor hoeven geen structurele aanpassingen plaats te vinden. Het aspect technische infrastructuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling op het plangebied.

4.5

Bodem

Het onderwerp bodemkwaliteit betreft een landelijk geregelde verplichting; de Wet Bodembescherming. Deze wet maakt onderzoek naar de bodem bij ruimtelijke ingrepen verplicht. Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten tevens verplicht om in ruimtelijk plan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Op grond van de gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart is het plangebied gelegen in de functieklasse ‘landbouw en natuur’. Het beoogde gebruik sluit hierop aan.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

31

Figuur4-5: Bodemfunctiekaart: landbouw en natuur Vormen van bodemverontreiniging dienen uitgesloten te worden. Op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodem (NRB) kunnen bij de locatie De Gagel 16 onder meer de volgende activiteiten als bodembedreigend worden aangemerkt: 

Opslag van mest en meststoffen;

Opslag loog en zuur en transport door bovengrondse leidingen;

Opslag reinigings- en ontsmettingsmiddelen in emballage;

Opslag minerale oliën.

Door een doelmatige combinatie van maatregelen en voorzieningen wordt een verwaarloosbaar bodemrisico gerealiseerd met betrekking tot de voornoemde activiteiten. Aan de bodembedreigende activiteiten worden voorschriften verbonden in de te verlenen omgevingsvergunning. Voor de locatie Aanrijten 2 wordt na het beëindigen van de veehouderij activiteiten en de sloop van de stallen de eindsituatie bodemkwaliteit in beeld gebracht. Deze voorwaardelijke verplichting is ook in de regels opgenomen. Daarbij zal voldaan worden aan het gemeentelijk bodembeleid. Onderhavig initiatief gaat niet gepaard met de oprichting van een gevoelig object en leidt ook niet tot activiteiten die de bodemkwaliteit mogelijk verslechteren. Een verkennend bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Na de sloop bij Aanrijten 2 zal een bodemonderzoek plaatsvinden.

4.6

Verkeers- en industrielawaai

Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

32

voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Volgens de Wet geluidhinder gelden voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen dan woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg geluidswaarden die niet overschreden mogen worden. In het kader van de geluidsbelasting gelden voor het bedrijf de regels en voorschriften zoals opgenomen in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Door de gewijzigde bedrijfsvoering zal het aantal transportbewegingen en ook de rijroutes niet toenemen. De huidige ventilatoren voor op de stallen worden in de beoogde situatie vervangen door geluidsarme luchtwassers meer achter op het bedrijf. Geluidstechnisch zullen de emissiepunten op inrichtingsniveau verder van omwonenden komen wat een gunstig effect zal hebben op de geluidsbelasting naar de omgeving. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt dit verder in detail uitgewerkt. Bij de locatie Aanrijten 2 vindt planologisch een extensivering van het gebruik plaats met de definitieve sanering van de intensieve veehouderij en de sloop van de varkensstal.

Vanuit het gebruik van de locatie ten behoeve van een akkerbouwbedrijf en het houden van de schapen bestaat nu ook reeds de mogelijkheid deze te vestigen en daarmee zal de geluidsbelasting niet toenemen. Hierom is er geen reden om aan te nemen dat de geluidsbelasting, maximale geluidsniveaus en indirecte hinder in de toekomstige situatie onaanvaardbaar zullen zijn. Verkeers- en industrielawaai vormt op voorhand geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. De geluidsbelasting zal per saldo vanuit planologisch oogpunt afnemen. Bij de vergunningverlening zal dit voor beide locaties getoetst en geborgd worden.

4.7

Luchtkwaliteit

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Er dient met name gekeken te worden naar de emissie van fijn stof (PM10). Op grond van de Wet luchtkwaliteit gelden grenswaarden waaraan voldaan moet worden. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn: 

Jaargemiddelde concentratie: 40 µg/m3;

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

33

Daggemiddelde concentratie: 50 µg/m3;

Aantal toegestane overschrijdingen daggemiddelde: 35 keer.

In onderstaand figuur is een uitsnede weergegeven van de fijnstof kaart afkomstig uit de Atlas voor de leefomgeving op basis van data voor fijn stof PM10 uit 2017.

Figuur 4-6: uitsnede fijnstofkaart atlas van de leefomgeving

Te zien op de kaart van de Atlas voor de leefomgeving is dat de luchtkwaliteit op het plangebied van goede kwaliteit is (18-19 µg/m3 ) en voldoet aan de eisen gesteld in de Wet luchtkwaliteit. Onderhavig plan leidt niet tot een afname van de emissie van fijn stof door verkeer of het houden van dieren. De bedrijfsvoering blijft qua transport praktisch ongewijzigd. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. In de nieuwe situatie bedraagt de fijnstofemissie (PM10) op bedrijfsniveau 449 kg per jaar en is er sprake van een afname van 300 kg ten opzichte van de vigerende en feitelijk aanwezige situatie. In het kader van de Wet luchtkwaliteit hoeft daarom niet onderzocht te worden wat het effect van de fijnstofemissie is op de nabijgelegen woningen. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen is een vuistregel van ECN opgenomen waarmee aangetoond kan worden of de beoogde ontwikkeling al dan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht. Bij 449 kg is dit 87 meter. De dichtstbijzijnde woning ligt aan De Gagel 14a op een afstand van 119 meter van het emissiepunt.

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

34

De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. De luchtkwaliteit is goed te noemen op het plangebied en de wijziging van bestemming heeft geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit.

4.8

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De voorgeschreven afstanden moeten bij verlening van een (milieu)omgevingsvergunning voor de veehouderij worden toegepast. De Wgv is van toepassing op alle vergunningplichtige activiteiten. Het activiteitenbesluit (1 januari 2013) is het toetsingskader voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings)vergunningplichtige bedrijven. Geuronderzoek Voor de nieuwe situatie is een geuronderzoek uitgevoerd. De resultaten ervan staan in onderstaande tabel. De geuruitstoot van het varkenshouderijbedrijf aan De Gagel 16 zal per saldo een afname geven ten opzichte van de huidige vergunde situatie en de locatie Aanrijten 2 wordt planologisch voor de varkenshouderij geheel beëindigd. Feitelijk is de vergunning hiervoor al ingetrokken.

In de tabel hieronder zijn de resultaten weergegeven vanuit het merbeoordelingsbesluit wat reeds door de gemeente is genomen over de gewenste ontwikkeling aan De Gagel 16. Volg nummer 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24

GGLID

Xcoordinaat

De Gagel 18 De Gagel 16B De Gagel 11 Hooge Mierdseweg 10 Hooge Mierdseweg 8 Mierdseweg 81 De Gagel 3 De Stad 15 Mierdseweg 77 De Gagel 12 De Gagel 16A De Stad 28

137 920 137 899 138 324 138 500 138 589 138 865 137 603 137 377 138 932 137 784 137 893 137 414

Ycoordinaat Geurbelasting vergund tussen 376 701 26,9 14,5 376 707 31,6 15,7 376 483 4,6 376 261 2,8 376 107 2,2 375 789 1,3 377 041 7,7 5,3 377 345 3,4 2,2 375 733 1,1 0,7 376 785 25,7 16,5 376 718 33,1 15,3 377 296 3,8 2,5

norm 20,7 23,7 5,0 5,0 5,0 5,0 6,5 2,8 0,9 21,1 24,2 3,2

aanvraag 19,4 21,2 3,9 2,0 1,6 0,9 5,7 2,6 0,8 20,5 21,5 2,9

Artikel 3, lid 4 van de Wet geurhinder en veehouderij biedt de mogelijkheid om in een geuroverbelaste situatie zoals onderhavige toch vergunning te verlenen voor een uitbreiding van het aantal dieren, indien er geurbelastingreducerende maatregelen worden getroffen. Deze zogenoemde 50/50-regeling komt hier op neer: op grond van het aantal dieren dat eerder is vergund wordt het effect van de te treffen geurbelastingsreducerende maatregelen bepaald. Maximaal de helft van dit effect mag worden gebruikt voor uitbreiding van het veebestand, de andere helft komt ten goede aan het geurgevoelige object, door vermindering van de geurbelasting. Na toepassing van de 50/50-regeling is de geurbelasting op het maatgevende object nog steeds hoger dan de norm, maar lager dan de eerder vergunde situatie. In onderhavige situatie worden stal 1 en 3 t/m 7 gesloopt en een nieuwe stal terug gebouwd (stal 1 deels en stal 2

Toelichting BP Buitengebied, Gagel 16 en Aanrijten 2 Hooge Mierde

35

en 3). De overige stallen blijven ongemoeid, alleen stal 4 (8 oud) wordt voorzien van een gecombineerde luchtwasser. In de tussenstap worden de biggen in stal 4 voorzien van de combiwasser en de vergunde en te slopen stallen met daarin 182 kraamzeugen, 190 guste en dragende zeugen, 190 opfokzeugen en 280 vleesvarkens in de nieuwe stal met combiwasser, minus de 82 opfokzeugen die minder worden gehouden in de nieuwe situatie. Vaste afstanden Naast de berekende geurbelasting kent de Wet geurhinder en veehouderij ook vaste afstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij (of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij). Tussen een bedrijfswoning van een (voormalige) veehouderij en het emissiepunt van de stal moet dit buiten de bebouwde kom minimaal 50 meter bedragen. De buurwoning ligt in dit geval op 119 meter van het emissiepunt en wordt hiermee aanzienlijk verkleind. Cumulatieve geurhinder In artikel 3.49 en verder van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staat omschreven, dat aangetoond moet worden dat de kans op cumulatieve geurhinder niet meer dan 12% binnen de bebouwde kom en in het buitengebied niet hoger is dan 20% bij uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij berekent dient te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=8aa8a9f0-ef5f-415f-a60f-a43b52efc245