[21.03919] - Bijlage 3.3 bij de toelichting - Wilhelminalaan 71a-75 - versie 1.1 3 maart 2021
Tekst van het document
24
7. Uitwerking Na het veldwerk en na de technische uitwerking wordt (indien geëist door de bevoegde overheid) door de projectleider – zo nodig na specialistisch advies – een evaluatierapport opgesteld volgens specificatie OS12. • In het evaluatierapport worden de bevindingen van het veldwerk samengevat en wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse van sporen, monsters en vondsten (waaronder laboratoriumonderzoek), en voor de conservering van objecten en voor de opzet van het eindrapport, waaronder de keus van de te tekenen, te fotograferen en af te beelden objecten. Voorgesteld wordt welke vondsten en monsters niet bewaard (gedeponeerd) hoeven te worden. Geëvalueerd wordt in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden en of voor de uitwerking gewijzigde of aanvullende onderzoeksvragen gesteld moeten worden. Geëvalueerd wordt of aanvullende of gewijzigde eisen gesteld moeten worden aan de hieronder genoemde eisen van uitwerking en conservering. • In het evaluatierapport worden tevens de eventuele, extra kosten genotuleerd ten behoeve van de (specialistische) uitwerking van de tijdens het veldwerk genomen monsters en vondsten. • Het evaluatierapport wordt vervolgens voorgelegd aan de bevoegde overheid, de depothouder (zie hoofdstuk 9.1 en 9.2), en de opdrachtgever. De bevoegde overheid toetst dit evaluatierapport en stelt dit vervolgens vast.
Dit evaluatierapport fungeert daarna als aanvulling van dit Programma van Eisen. • Na vaststelling van het evaluatierapport geeft de opdrachtgever opdracht tot uitwerking, rapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatierapport, rekening houdende met de vastgestelde termijn voor oplevering van het conceptrapport. • Pas na goedkeuring van het evaluatierapport door beide partijen kan er gestart worden met de uitwerking. 7.1.
Structuren, grondsporen, en vondstspreidingen
Structuren, grondsporen en vondstspreidingen worden uitgewerkt tot op het niveau dat benodigd is voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Structuren en grondsporen worden in de basisrapportage zoveel mogelijk beschreven vanuit hun ruimtelijke, stratigrafische en chronologische context en onderlinge samenhang. 7.2.
Analyse aardwetenschappelijke gegevens
Aardwetenschappelijke gegevens worden lithologisch en lithogenetisch uitgewerkt op basis van de NEN 5104 en de ASB. Naast de geologisch/bodemkundige informatie dient ook archeologische informatie (o.a. (post-)depositionele processen) te worden betrokken bij de analyse van de profielen. 7.3.
Anorganische artefacten
Algemeen: • Vondsten worden uitgewerkt tot op het niveau, dat de onderzoeksvragen uit dit PvE kunnen worden beantwoord. Tijdelijke opslag: • Conform protocol 4004 – OS11: Lichten, verpakken, tijdelijk opslaan en conserveren van vondsten en monsters. • De tijdelijke opslag van vondsten is zodanig dat deze geen invloed heeft op de informatiewaarde en fysieke toestand van de vondsten. • Vondsten dienen goed beheerd te worden en alleen toegankelijk te zijn voor bij het onderzoek directbetrokkenen.
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
25
•
Tevens geldt het advies van de betreffende KNA Specialist (protocol 4006 Specialistisch onderzoek).
Per materiaalcategorie: • Algemeen: Vondsten zonder aankoeksel, residuen, verf of andere kwetsbare kenmerken en/of elementen worden gewassen, gesplitst naar materiaalcategorie, gewogen en geteld. • Aardewerk: Aardewerk wordt gedetermineerd naar fragment/fragmentatiegraad, periode, versiering, verschraling, vorm, afwerking, type en baksel. Daarnaast wordt de wanddikte en het gewicht geregistreerd. • Bewerkt vuursteen: Van bewerkt vuursteen worden aantallen per type geregistreerd (t.b.v. typochronologische tabel). • Natuursteen: Natuursteen wordt gedetermineerd naar soort/herkomstgebied, bewerkt/gebruikt en type. • Metaal: Metaal wordt gedetermineerd naar metaalsoort, type en periode. • Glas: Glas wordt gedetermineerd naar type en periode. 7.4.
Organische artefacten
Algemeen: • Vondsten worden uitgewerkt tot op het niveau, dat de onderzoeksvragen uit dit PvE kunnen worden beantwoord. Tijdelijke opslag: • Conform protocol 4004 – OS11: Lichten, verpakken, tijdelijk opslaan en conserveren van vondsten en monsters. • De tijdelijke opslag van vondsten is zodanig dat deze geen invloed heeft op de informatiewaarde en fysieke toestand van vondsten. • Vondsten dienen goed beheerd te worden en alleen toegankelijk te zijn voor bij het onderzoek directbetrokkenen. • Tevens geldt het advies van de betreffende KNA Specialist (protocol 4006 Specialistisch onderzoek). Per materiaalcategorie: • Houten voorwerpen: Houten voorwerpen worden gedetermineerd in termen van houtsoort, bewerkingskenmerken, type, conserveringstoestand en, indien mogelijk, datering. • Leer: Leer wordt gedetermineerd naar leersoort (welk dier), bewerkingssporen, gebruikte technieken en gebruik. • Bot en gewei: Bot en gewei wordt gedetermineerd in termen van bewerkingskenmerken, type, periode en conserveringstoestand. 7.5.
Archeozoölogische en -botanische resten
Algemeen: • Vondsten worden uitgewerkt tot op het niveau, dat de onderzoeksvragen uit dit PvE kunnen worden beantwoord. Tijdelijke opslag: • Conform protocol 4004 – OS11: Lichten, verpakken, tijdelijk opslaan en conserveren van vondsten en monsters. • De tijdelijke opslag van vondsten is zodanig dat deze geen invloed heeft op de informatiewaarde en fysieke toestand van vondsten.
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
26
• •
Vondsten dienen goed beheerd te worden en alleen toegankelijk te zijn voor bij het onderzoek directbetrokkenen. Tevens geldt het advies van de betreffende KNA Specialist (protocol 4006 Specialistisch onderzoek).
Per materiaalcategorie: • Botanische resten: De uitwerking van botanische resten beperkt zich tot een kwalitatieve analyse van pollen en macroresten. • Archeozoölogische resten: Archeozoölogische resten worden uitgewerkt tot op het niveau van aantallen per botelement per diersoort, fragmentatiegraad en conserveringsgraad (schatting). • Menselijke (crematie)resten: Menselijke (crematie)resten worden uitgewerkt tot op het niveau van aantallen per botelement, fragmentatiegraad en conserveringsgraad (schatting), inclusief fysisch antropologisch onderzoek. 7.6.
Beeldrapportage
Het standaardrapport is conform de KNA (versie 4.1) en bevat de volgende elementen: • Allesporenkaart waarop de sporen en geïnterpreteerde structuren op staan aangegeven, voorzien van het landelijke coördinatengrid, en op een moderne topografische ondergrond, incl. legenda. De sporen en structuren worden met verschillende periodekleuren op deze allesporenkaart aangegeven. • Representatieve sporen en profielen worden in opgemaakte vorm in het rapport afgebeeld. • Een referentieprofiel wordt altijd afgebeeld in het rapport. • Naast de geologisch/bodemkundige informatie wordt ook de archeologische informatie betrokken bij de analyse van de profielen. • Vlaktekeningen, profieltekeningen, relevante coupetekeningen, inclusief legenda. • Een selectie van relevante foto’s van vlakken, sporen, coupes en profielen. • Een representatief aantal objecten wordt afgebeeld en eventueel getekend in het rapport. Dit is in overleg tussen opdrachtnemer, opdrachtgever en bevoegde overheid. • Actie- en sfeerfoto’s van het onderzoek in relatie met de omgeving.
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
27
8. (De)selectie en conservering 8.1.
Selectie materiaal voor uitwerking
Indien er een evaluatie- en selectierapport wordt opgesteld (zie vorig hoofdstuk), dan bevat dit rapport een compleet overzicht van de gedane vondsten (per vondstcategorie), en een overzicht en karakterisering van aangetroffen sporen en structuren, vondsten en monsters, alsmede een selectievoorstel tot uitwerking en rapportage op basis van het PvE (een bijbehorende kostenraming wordt enkel aan de opdrachtgever kenbaar gemaakt, en maakt geen onderdeel uit van het document dat aan bevoegde overheid en depothouder wordt voorgelegd). In dit voorstel wordt opgenomen welke vondsten en monsters belangrijk zijn ter beantwoording van de onderzoeksvragen, hoeveel objecttekeningen en foto’s daarbij nodig zijn en welke uitgewerkte monsters en laboratoriumdateringen. Op basis van het evaluatie- en selectierapport vindt een evaluatie plaats tussen de opdrachtgever, de bevoegde overheid en de archeologisch uitvoerder. Wanneer het evaluatie- en selectierapport is vastgesteld door de bevoegde overheid kan de verdere uitwerking in gang worden gezet. In overleg met de bevoegde overheid en naar gelang de resultaten van het veldwerk kan de evaluatiefase worden ingekort, bijvoorbeeld mondeling of middels een kort verslag (per e-mail), bijvoorbeeld als het onderzoek geen of zeer weinig archeologische resten heeft opgeleverd (dit is alleen van toepassing bij een proefsleuvenonderzoek).
Indien het noodzakelijk is om vondsten te conserveren dan wel te deselecteren wordt altijd een selectierapport opgesteld. 8.2.
Selectie materiaal voor deponering, verwijdering en conservering
Deselectie van het uit het veld meegenomen materiaal en/of een voorstel tot conserveren wordt in het evaluatie- en selectierapport verantwoord met een deselectie-advies en/of conserveringsadvies. Dit advies wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de eigenaar van de vondsten (de depothouder; zie paragraaf 9.1), zodat deze een gefundeerde beslissing kan nemen. Voor deselectie wordt per vondst - waarvan geadviseerd wordt het te mogen deselecteren - minimaal inzicht gegeven in: vondstnummer; soort context waar het object gevonden is (spoor); datering; conserveringstoestand; aard van het object (determinatie); bijzonderheden (inscripties, bewerkingssporen, etc.) en reden/motivering voor deselectie. Binnen de Noordwest Europese archeologie komen metaalvondsten van ijzer zeer vaak als ‘ondetermineerbaar' aan het daglicht. Bij sterk verroestte vondsten, waarbij de oorspronkelijke vorm niet te herleiden is, is het noodzakelijk dat deze eerst worden geröntgend en door een materiaalspecialist worden bekeken, voorafgaand aan het op te stellen deselectie-advies (zie ook KNA 4.1, protocol 4001 PvE PS06, Tabel 2). De vondsten en monsters worden overgedragen aan het desbetreffende depot (zie hoofdstuk 9).
Uiteindelijk zal de depothouder op basis van het voorstel van de archeologisch uitvoerder bepalen welk materiaal uiteindelijk kan worden gedeselecteerd – binnen redelijke grenzen en indien nodig in overleg met de opdrachtgever c.q. directievoerder en de bevoegde overheid.
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
28
9. Deponering 9.1.
Eisen betreffende depot
Het vondstmateriaal en de opgravingsdocumentatie worden binnen twee jaar na afronding van het veldwerk, conform protocol depotbeheer (KNA 4.1, protocol 4010) en eventuele aanvullende eisen (zie bijlage 13), aan het hieronder genoemde depot aangeleverd. Voor de overdracht van de vondsten wordt tijdig een afspraak gemaakt met de depotbeheerder. Adres: PDB Noord-Brabant Waterstraat 16 5211 JD ‘s-Hertogenbosch Het Programma van Eisen dient te worden toegestuurd naar: Mevr. L. Sasabone Tel: 073-6812812 E-mail: archeologie@brabant.nl Afspraken omtrent overleg in het veld, selectie en deponering worden gemaakt met: Dhr. R. Louer Tel: 06-18303225 E-mail: rlouer@brabant.nl 9.2.
Te leveren product
Het rapport wordt uitgegeven door de opdrachtnemer. Evaluatierapport: Indien er een evaluatierapport wordt opgesteld (zie hoofdstuk 7), dan wordt deze na het einde van het veldwerk aangeleverd aan de opdrachtgever, ter goedkeuring voorgelegd aan het depot, en getoetst door de bevoegde overheid. Op basis van dit evaluatierapport (conform Protocol 4004 – Opgraven, OS12 Evaluatierapport) worden keuzes gemaakt t.a.v. de rapportage en de uit te werken sporen, vondsten en monsters. Een aanvullende kostenraming kan onderdeel uitmaken van het evaluatierapport. Na goedkeuring van het evaluatierapport wordt aangevangen met het opstellen van het conceptrapport. Indien er geen sprake is van het opstellen van een evaluatierapport, dan kan direct opgestart worden met het opstellen van het conceptrapport. Concept- en definitief rapport: De conceptrapportage wordt, na goedkeuring van het evaluatierapport (indien van toepassing), ter beoordeling voorgelegd aan de bevoegde overheid. De bevoegde overheid toetst het rapport, waarna een hernieuwde versie wordt vervaardigd. Deze versie wordt door de bevoegde overheid gecontroleerd op verwerking van het commentaar uit de beoordeling. Wanneer het commentaar naar behoren is verwerkt wordt het rapport definitief gemaakt. Indien commentaar niet verwerkt is zonder onderbouwing, wordt het rapport opnieuw aangepast.
Het rapport wordt uiterlijk binnen de wettelijke termijnen opgeleverd.
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
29
Eindproduct: • Eindproduct is een rapport volgens de KNA 4.1 Protocol 4003 – Inventariserend veldonderzoek, VS05 – Opstellen standaardrapport IVO-P. • Digitale rapporten worden geleverd aan de bevoegde overheid, het RCE, het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten, het e-depot (DANS-EASY), (de adviseur van) de bevoegde overheid, de Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland (AWN23), de heemkundekring van Reusel en de redactie van de Archeologische Kroniek van Noord-Brabant p.a. Archeologische Sectie van het Noordbrabants Genootschap (http://www.noordbrabantsgenootschap.com/kroniek.html). • De digitale documentatie wordt binnen 2 jaar na afronding van het veldwerk overgedragen aan Archis. • Bij het eindproduct hoort een bewijs (af te geven door de ontvangende instantie) van overdracht van vondsten en documentatie. Deze wordt tijdig verkregen van het desbetreffende depot (voor het contactadres, zie paragraaf 9.1).
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
30
10. Randvoorwaarden en aanvullende eisen 10.1. Personele randvoorwaarden Het onderzoek dient verricht te worden door een uitvoerder die in het bezit is van een geldig certificaat ‘BRL SIKB 4000 Archeologie protocol 4003 IVO, proefsleuven’. Het archeologisch onderzoek dient onder leiding te staan van een senior KNA Archeoloog met aantoonbare werkervaring en actuele kennis van de problematiek van de nederzettingsgeschiedenis van Zuidoost-Brabant. Deze dient fulltime in het veld ook aanwezig te zijn. Het veldteam wordt gecompleteerd door ten minste een veldmedewerker of veldtechnicus. De archeologisch uitvoerder is zo georganiseerd dat flexibel op wijzigingen of uitloop van werkzaamheden gereageerd kan worden, en dat ondersteunend of vervangend personeel of specialisten, ter plaatse kunnen zijn. De inzet van extra mensen gebeurt enkel na overleg met de opdrachtgever. 10.2. Overlegmomenten •
• • • •
De archeologisch aannemer neemt - in geval er sprake is van significante afwijkingen van de bevindingen in het veld ten opzichte van de uitgangspunten in dit PvE - contact op met (de archeologisch adviseur van) de bevoegde overheid en de eigenaar van de vondsten (depothouder; alleen indien die wijzigingen ook invloed hebben op de aard/hoeveelheid etc. van het vondstmateriaal). De bevoegde overheid en de depothouder (/eigenaar van de vondsten) nemen een gemotiveerd besluit over de te nemen vervolgstappen. De opdrachtgever houdt de uitvoerder schriftelijk op de hoogte van de beslissing van de bevoegde overheid. Eventuele overige overlegmomenten kunnen worden aangevraagd door de bevoegde overheid, dan wel op voorhand worden vastgelegd overlegd door de opdrachtgever. Communicatie naar buiten over de archeologische resten vindt alleen plaats na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. De start van het onderzoek dient minimaal een week van tevoren gemeld te worden bij de gemeente en de ODZOB.
10.3. Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie Een Senior KNA Archeoloog van het uitvoerende archeologische bedrijf houdt toezicht op de werkzaamheden en is hierbij eindverantwoordelijk. Hij/zij is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderzoek, de te doorlopen processtappen en het nakomen van de verplichtingen in dit PvE. Indien vondsten/sporen aangetroffen worden waarvan de aard, omvang en/of complexiteit afwijken van de uitgangspunten van onderhavig PvE, wordt door de archeologisch uitvoerder contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid (bij afwijkend vondstmateriaal wordt dan dus tevens contact opgenomen met de depothouder). Voor de beslismomenten m.b.t. meer- en/of minderwerk kan de archeologisch aannemer verwijzen naar de offerte van desbetreffend project. Voor overleg en evaluatie zie hoofdstukken 8 en 11. 10.4. Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen Dit PvE betreft de eisen die vanwege het archeologisch belang aan het onderzoek worden gesteld. Dit laat onverlet dat wettelijke en andere regelgeving aangaande het uitvoeren van de werkzaamheden moeten worden gevolgd (o.a. Arbowet en veiligheidsvoorschriften). Deze zaken moeten ruim
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
31
voorafgaand aan het onderzoek, onderling tussen de archeologische uitvoerder en de opdrachtgever c.q. directievoerder worden geregeld (bijv. in een draaiboek).
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
32
11. Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE 11.1. Wijzigingen tijdens het veldwerk Mocht er sprake zijn van belangrijke wijzigingen ten opzichte van dit PvE, of omstandigheden zijn waardoor er een andere strategie of werkwijze noodzakelijk of wenselijk is, dan meldt de uitvoerder dit terstond bij de opdrachtgever en de bevoegde overheid. De bevoegde overheid zal dan een besluit nemen over de te volgen vervolgstappen. De initiatiefnemer is verantwoordelijk om de uitvoerder schriftelijk op de hoogte te stellen van de genomen beslissing van de bevoegde overheid. Indien dit een uitbreiding van het onderzoek betekent, of het treffen van technische maatregelen en voorzieningen, dan besteedt de opdrachtgever dit onderzoeksonderdeel aan. 11.2. Belangrijke wijzigingen Onderstaande belangrijke wijzigingen worden te allen tijde aantoonbaar voorgelegd aan alle betrokken partijen: • (Kwalitatieve) Afwijkingen van de archeologische verwachting (of het complextype); • Wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode; • Wijzigingen fysieke en/of technische omstandigheden; • Vastleggen overleg- en evaluatiemomenten; • Onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld m.b.t. omvang vindplaats, complextype, aantallen vlakken et cetera). • Significante (kwantitatieve) afwijkingen van verwachte vondsten en monsters (hoeveelheid, soorten materialen, soorten voorwerpen, type conservering).
• Wijzigingen die (de)selectie en/of conservering van vondsten en monsters beïnvloeden. • Mogelijke overige wijzigingen: N.v.t. 11.3. Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk Zie hoofdstuk 8.1 en hoofdstuk 11.4 van dit PvE. 11.4. Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering Beslissingen over belangrijke selecties, wijzigingen van en aanvullingen op dit PvE zullen worden genomen door de bevoegde overheid en de depothouder (/eigenaar van de vondsten). Dit zal gebeuren op aanbeveling van de projectleider en na kennisname van het standpunt van de opdrachtgever. Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van het PvE, is overleg nodig tussen de bevoegde overheid, opdrachtgever en depothouder (/eigenaar) op aangeven van de uitvoerder. Er vindt een overleg plaats tussen de depothouder, de opdrachtgever en de bevoegde overheid. De depothouder maakt zijn wensen t.a.v. selectie-deselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de bevoegde overheid en opdrachtgever. Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide eventuele extra kosten aan bod. De uitvoerder van het onderzoek wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid. Zo nodig informeert de depothouder (/eigenaar) tevens de depotbeheerder.
In principe worden wijzigingen van het PvE overeengekomen tussen opdrachtgever en bevoegde overheid en vastgelegd in een document; dit kan ook in overleg met de uitvoerder, maar elke wijziging van het PvE blijft een zaak tussen de opdrachtgever en de overheid. De uitvoerder voert de wijziging vervolgens uit namens de opdrachtgever. Vast contactpersoon depothouder voor de provincie Noord Brabant: Martin Meffert, archeologie@brabant.nl / mmeffert@brabant.nl.
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
33
Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • • • • • • • •
Nederlandse Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA), versie 2.0. http://noaa.rce.rnatoolset.net/Viewer/#/search. Atlas.odzob.nl/erfgoed Bagviewer.geodan.nl Beeldbank.cultureelerfgoed.nl Heemkundereusel.nl Kaartbank.brabant.nl/viewer/app/bodematlas Pdok.nl Ruimtelijkeplannen.nl
Literatuur • •
• • • • • • • • • •
• • • •
Berendsen, H.J.A., 2005. De vorming van het land. Assen (Fysische geografie van Nederland). Vierde, geheel herziene druk. Berkvens, R.,/K.A.H.W. Leenders/J. Bosman/M.D. Wagemans/E. Wijnen/V. Mes /M. van Moolenbroek/E. Drenth/H. v.d. Laarschot/J. Schotten, 2011. Een regionale erfgoedkaart voor de Kempen- en A2 gemeenten: Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot, Reusel-De Mierden, Waalre, Valkenswaard, Cranendonck en Heeze-Leende. SRE Milieudienst Rapport. Bink, M, 2007. Reusel, Beukenlaan. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, BAAC-rapport A07.0126. Borsboom, A.J./J.W.H.P., Verhagen 2009. KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P), versie 1.02, Gouda (CCvD). Carmiggelt, A./P.J.W.M. Schulten, 2002. Veldhandleiding Archeologie, Archeologie Leidraad 1, Zoetermeer (College voor de Archeologische Kwaliteit). Doesburg, van, J. et al., 2007. Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. NAR 34, RACM, Amersfoort. Kooistra, L.I./O., Brinkkemper, 2016. KNA Leidraad Archeobotanie, versie definitief 1.01, Gouda (CCvD). Krekelbergh, N., 2006. Reusel – De Mierden (NB), De Molenakkers. Archeologisch vooronderzoek. BILAN-rapport 2006/4. Lauwerier, R.C.G.M., 2011. KNA Leidraad Archeozoölogie, versie definitief 1.01, Gouda (CCvD). Nales, T., 2016. Reusel, Molenstraat 8.
Gemeente Reusel-De Mierden (NB), een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, Transect-rapport 878. Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten. Pels-Ouweneel, A., 2018. Reusel, Molenstraat 8. Gemeente Reusel-De Mierden (NB). Aanvullend Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) met doorstart naar Opgraving (DO), Transect-evaluatierapport. Schokker, J., 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment (Roer Graben, south-eastern Netherlands), Utrecht (Thesis, Nederlandse Geografische Studies 314) SIKB, 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Spek, Th., 2004. Het Drentse Esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie. Dissertatie Wageningen Universiteit, Utrecht. Steensel, H. van, 2019. Programma van Eisen voor de Bestemmingsplanherziening met bijbehorende deelonderzoeken t.b.v. de herontwikkeling van de percelen Wilhelminalaan 71a-75 te Reusel, van Steensel Consultants.
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
34
• • •
Weerden, J., van der, 2007. Reusel, Den Boegent. Definitief Archeologisch Onderzoek, BAACrapport A-07.0325. Wit, de, M., 2013. Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan Wilhelminalaan 87 a-b te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden (NB), MUG-publicatie 2013-68. Zijverden, van, W./J. de Moor, 2014. Het Groot Profielenboek. Fysische geografie voor Archeologen, Leiden.
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75 / Datum: 22-8-2019
35
Bijlage 1.
Topografische kaartuitsnede met de locatie van het plangebied
Bron: Pdok.nl
36
Bijlage 2.
Luchtfoto van het plangebied
Bron: Pdok.nl; met zwarte belijning zijn de perceelsgrenzen weergegeven, met de grijze belijning de panden.
37
Bijlage 3.
Toekomstige situatie
Bron: Opdrachtgever. Wit en grijs = toekomstige bebouwing, bruin = weg, bruin/groen = parkeerplaatsen, donkergroen = gras, lichtgroen = boom.
38
Bijlage 4.
Gemeentelijk beleid
39
40
Bijlage 5.
Geomorfologie
41
Bijlage 6.
Bodem
42
Bijlage 7.
Maaiveldhoogte (AHN)
43
Bijlage 8.
Archeologische waarden en onderzoeken (Archis)
44
Lijst van onderzoeksmeldingen zaakidentiteit
datum
afstand t.o.v. plangebied (m)
toponiem
soort onderzoek
Uitvoerder (/rapport)
complex/advies
Onderzoeken 2123782100 en 2101863100
28-11-2005
450 m N
Molenakkers
Booronderzoek
Bilan (Krekelbergh, 2006)
2272466100 en 2413016100
19-08-2013
200 O
Wilhelminalaan 87a-b
Proefsleuven
MUG (de Wit, 2013)
2150699100
28-03-2007
170 NO
Beukenlaan
Proefsleuven
BAAC (Bink, 2007)
2339778100, 3991935100 en 4011324100
23-08-2016
80 Z
Molenstraat 8
Proefsleuven/ Opgraven
Transect (PelsOuweneel, 2018)
2167944100
10-09-2007
470 Z
De Boegent
Opgraven
BAAC (van Weerden, 2007)
2022248100 en 2038587100
23-01-1996
170 W
Centrum Middeleeuwse Kerk
Verwervingswijze niet te bepalen
Particulier
Op basis van het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft op voornamelijk de steentijden en de Middeleeuwen. Uit het booronderzoek is gebleken dat de bodem nog grotendeels intact is: het esdek was nog grotendeels intact, en in een deel van de boringen was tevens sprake van een begraven podzolprofiel. Er is archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Uit het booronderzoek op de locatie blijkt dat de bodem van boven naar onder bestaat uit een opgebrachte laag, een esdek, een begraven akkerlaag en de B/C-horizont. Bij het booronderzoek is in de begraven akkerlaag vondstmateriaal aangetroffen dat vermoedelijk dateert uit de Late-IJzertijd/Romeinse tijd. De bodemopbouw die bij de aanleg van de werkputten is aangetroffen klopt met de bevindingen van het booronderzoek. Er zijn echter geen behoudenswaardige archeologische resten tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetroffen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn sporen aangetroffen die te relateren zijn aan een akkercomplex uit de Nieuwe tijd en een loopgraaf uit de Tweede Wereldoorlog. Beide vindplaatsen zijn niet als behoudenswaardig bevonden. Uit het proefsleuvenonderzoek bleek dat het archeologisch niveau in de top van het dekzand, onder een middeleeuws akkerpakket (esdek), grotendeels intact is, en zijn tijdens het veldonderzoek behoudenswaardige resten aangetroffen.
Tijdens de opgraving is een nederzettingscomplex (huisplattegrond), met een datering in de periode Midden-/Late-Bronstijd of Vroege-IJzertijd aangetroffen. Ook zijn sporen en vondsten uit de Vroege-Middeleeuwen gevonden. Tijdens het onderzoek is een complete boerderij uit de Late-Bronstijd aangetroffen, alsmede kuilen, structuren en vondsten die op een erf uit die periode te verwachten zijn. In de periode 1995-1997 zijn opgravingen aan de resten van de voormalige middeleeuwse kerk van Reusel gedaan. Bij het onderzoek zijn onder de funderingen van de Romaanse kerk resten van een houten voorganger gevonden. Deze kerk is vermoedelijk tussen de 10e/12e eeuw na Chr. vervangen door een kerk van tufsteen. Ook is tijdens het onderzoek inzicht verkregen in de latere ontwikkeling van het
45
kerkgebouw, maar aangezien deze buiten de scope van onderhavig onderzoek valt, wordt deze niet nader behandeld. Ook zijn begravingen vanaf de 13e eeuw gevonden evenals een waterput waaruit bijzondere voorwerpen zijn gevonden (heemkundereusel.nl; Nales, 2016). Vondstmeldingen - 170 W, 3125266100, zie onderzoeksmeldingen 2022248100 en 2038587100. - 450 ZW, 2914431100 en 270 W 2914415100, Middeleeuwse kloosterterrein in het centrum van Reusel. In het oostelijk deel van het onderzoeksgebied werd een nederzetting uit de VolleMiddeleeuwen aangetroffen. - 370 Z, 2960423100, aan de Kruisstraat 33a is bewoning uit de Romeinse tijd aangetroffen, en aardewerk en een meloenkraal uit dezelfde tijd.
46
Bijlage 9.
Historische en topografische kaarten
47
Historische en topografische kaarten van het plangebied (rood-omlijnd); van links naar rechts, van boven naar beneden: 1811-32 (kadastrale minuut Reusel, sectie A, blad 2, beeldbank.cultureelerfgoed.nl), 1870, 1922, 1951, 1955, 1965, 1980, 1990, 1997, 2006 en 2015 (topotijdreis.nl).
48
Bijlage 10.
Puttenplan
Bron: Pdok.nl; inclusief KLIC (de bruine, gele en blauwe belijning).
49
Bijlage 11.
Lijst met te verwachten aantallen1
Onderzoek
Verwachting
IVO-P Reusel, Wilhelminalaan 71a-75
Voornamelijk Bronstijd – Vroege-Middeleeuwen
Omvang
Verwachte aantal m²
Onderzoeksgebied: ca. 1.877 m²
160-180 m²
Vondstcategorie
Verwachte aantallen (N)
Aardewerk
15
Bouwmateriaal
4
Metaal (ferro)
2
Metaal (non-ferro)
1
Slakmateriaal
2
Vuursteen
2
Overig natuursteen
1
Glas
2
Menselijk botmateriaal onverbrand
-
Menselijk botmateriaal verbrand
-
Dierlijk botmateriaal onverbrand
1
Dierlijk botmateriaal verbrand
2
Visresten (handverzameld)
-
Schelpen
-
Hout
2
Houtskool(monsters)
1
Textiel
1
Leer
1
Submoderne materialen
2
Monstername Algemeen biologisch monster (ABM)
1
Algemeen zeefmonster (AZM)
1
Pollen, diatomeeën en andere microfossielen
-
Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek
-
Monsters voor micromorfologisch onderzoek
1
Monsters voor luminescentiedatering (OSL)
1
Monsters voor koolstofdatering (C14)
-
DNA
-
Dendrochronologisch monster
1
1
Aangezien onderhavig onderzoek een proefsleuvenonderzoek betreft (en aantallen nog niet goed ingeschat kunnen en hoeven te worden), is deze tabel niet ingevuld.
50
Bijlage 12.
Te raadplegen specialisten/specialismen
Vondstcategorie
In PvE voorschrijven “Raadplegen bij PvA”
PvE voorschrijven “Raadplegen bij veldwerk”2
PvE voorschrijven “Raadplegen bij uitwerking”3
Nee
Nee
Bouwmateriaal
Nee Nee
Nee
Nee
Metaal (ferro)
Nee
Nee
Nee
Metaal (non-ferro)
Nee
Nee
Nee
Slakmateriaal
Nee
Nee
Nee
Vuursteen
Nee
Nee
Nee
Overig natuursteen
Nee
Nee
Nee
Glas
Nee
Nee
Nee
Menselijk botmateriaal onverbrand
Nee
Ja
Ja
Menselijk botmateriaal verbrand
Nee
Ja
Ja
Dierlijk botmateriaal onverbrand
Nee
Nee
Nee
Dierlijk botmateriaal verbrand
Nee
Nee
Nee
Visresten
Nee
Nee
Nee
Schelpen
Nee
Nee
Nee
Hout
Nee
Nee
Nee
Houtskool(monsters)
Nee
Nee
Nee
Textiel
Nee
Nee (en bloc lichten)
Nee
Leer
Nee
Nee
Nee
Submoderne materialen Monstername
Nee
Nee
Nee
Algemeen biologisch monster (ABM)
Nee
Nee
Nee
Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C)
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
DNA
Nee
Nee
Ja
Dendrochronologisch monster
Nee
Nee
Nee
Aardewerk
2
Afhankelijk van het veldresultaat kan de inzet van specialisten noodzakelijk zijn.
3
Afhankelijk van het veldresultaat kan de inzet van specialisten noodzakelijk zijn.
51
Bijlage 13.
Deponeren, eisen en voorwaarden
Tevens verzoekt het depot om de archeologische onderzoeksgegevens van het archeologisch onderzoek t.z.t. via de pakbon, digitaal aan te leveren https://fd9.formdesk.com/provincienoordbrabant/Aanmelden_Pakbon_Update).
52