CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[21.03914] - Bijlage 2.1 Bestemmingsplan toelichting met renvooi versie 3 maart 2021

Gemeenteraad 20 april 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Stedelijk Gebied: Wilhelminalaan 71a-75, Reusel15.603 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is tevens niet doeltreffend in onderhavige situatie. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet erg doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document “Ontheffingenbeleid hogere waarde procedure Wet Geluidhinder” d.d. 23 september 2015 van de gemeente Reusel-De Mierden. Conform dit beleidsstuk kan er pas een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofdcriteria uit de Wet geluidhinder en

UrbiTom

27

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

aan de in het beleidsstuk genoemde voorwaarde dat bij iedere ontheffing de woningen zullen beschikken over ten minste een geluidluwe gevel en dat bij de indeling rekening wordt gehouden met de geluidbelaste zijde (tenminste een geluidgevoelige ruimte aan de geluidluwe gevel). Uit de rekenresultaten blijkt dat de grondgebonden woningen niet geluidbelast zijn. Het appartementengebouw beschikt over een geluidluwe achtergevel. Wanneer er bij de indeling van de plattegronden rekening gehouden wordt dat ieder appartement ten minste een verblijfsruimte heeft welke is gelegen aan de achtergevel, wordt daarmee voldaan aan de voorwaarde zoals genoemd in het geluidbeleid van de gemeente. Voor de appartementen aan de voorzijde (zuidgevel) is dit echter niet het geval. Daarom zullen de loggia’s ter plaatse van de zuidgevel afgesloten worden door middel van balkonbeglazing van het merk M-View (zie bijlage 4 bij deze toelichting). Nadere berekeningen zijn uitgevoerd om aan te tonen of hiermee de geluidbelasting op de achterliggende gevels teruggebracht wordt tot 48 dB, waardoor deze gevels als geluidluw aangemerkt kunnen worden. Deze berekeningen zijn opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting.

Conform opgave van Metaglas mag aangenomen worden dat de openingen tussen de glazen panelen voldoende zijn om te waarborgen dat er buitenlucht condities gelden in de loggia bij toepassing van M-View balkon beglazing zonder transparante afdichtingsprofielen. In bijlage 4 bij de toelichting zijn ook de plattegronden van de appartementen met de positie van de balkonbeglazing opgenomen.

In onderstaande tabel zijn de voorzieningen en resultaten weergegeven.

Hieronder is de codeverklaring opgenomen van de in tabel 1 gebruikte materialen/constructies: G6:

steenachtige spouwmuur, massa minimaal 365 kg/m2;

DH2:

pannendak voorzien van geïsoleerde dakplaten, massa 8 – 15 kg/m2;

M-view 12 mm

M-view balkon- en verandabeglazing, glasdikte 12 mm zonder transparant afdichtingsprofiel op de tussennaden

UrbiTom

28

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

Uit de rekenresultaten blijkt dat bij het toepassen van M-view balkonbeglazing van 12 mm op de posities, zoals weergegeven in bijlage 4 bij deze toelichting, de geluidgevelbelasting op de gevels gelegen aan de inpandige balkons lager is dan 48 dB. Hierbij dient de nagalmtijd in de loggia’s maximaal de in tabel 1 weergegeven waarde te bedragen. Om deze nagalmtijd te realiseren dienen de plafonds van de loggia’s voorzien te worden van een plafond met een absorptiecoëfficiënt zoals weergegeven in bovenstaande tabel 2. Hiermee zijn de aan de loggia gelegen gevels geluidluw en wordt daarmee aan de voorwaarde uit het geluidbeleid van de gemeente Reusel – De Mierden voldaan. Uiteraard zullen de geluidniveaus, welke na realisering op de balkons ontstaan, afhankelijk zijn van de noodzakelijk goede uitvoering. Conclusie Voor het project zal onderbouwd worden verzocht om een beschikking hogere waarde conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de appartementen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Tevens blijkt uit de rekenresultaten dat de appartementen, bij een juiste plattegrondindeling, kunnen beschikken over een geluidluwe gevel dan wel buitenruimte. Aan deze geluidluwe gevel dient een verblijfsruimte te zijn gelegen.

5.5

Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:

UrbiTom

29

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

-

Gemeente Reusel-De Mierden

een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Er is blijkens deze regeling eveneens geen onderzoek nodig voor ‘kantorenlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 100.000 m² b.v.o. omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 200.000 m² b.v.o. omvat’. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 4 grondgebonden woningen en 10 appartementen. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’.

Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

UrbiTom

30

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

5.6.1

Doel Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

5.6.2

Wettelijk kader Ten aanzien van bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; geldende versie in werking getreden op 13 februari 2009) van toepassing. De regelgeving rond de risico’s van het transport van gevaarlijke stoffen volgt per 1 april 2015 uit de gewijzigde Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) (Stb. 2013, nr. 307). De Wet vervoer gevaarlijke stoffen vervangt de nota en de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs). In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor twee verschillende typen risico’s: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het Basisnet is de maximale omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. In de Regeling basisnet is opgenomen waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden.

Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op minder dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, dient een berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van de) hoogte van het groepsrisico. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Dit is echter in deze situatie niet relevant. Plaatsgebonden Risico (PR): Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar op overlijden van een onbeschermd individu op een bepaalde locatie naar aanleiding van een incident met gevaarlijke stoffen. Voor het PR zijn getalsnormen vastgesteld. Voor nieuwe situaties is de maximale toelaatbare overlijdenskans van een persoon 10 -6 /jaar (1 op een miljoen). Dit betekent dat bij nieuwe situaties de grenswaarde wordt overschreden als woningen of andere kwetsbare objecten zich tussen de 10 - 6 risicocontour en de inrichting of transportroute bevinden. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans per jaar dat tenminste een aantal mensen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is niet ruimtelijk weer te

UrbiTom

31

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

geven met contouren maar wordt uitgedrukt in een grafiek waarin het aantal slachtoffers wordt uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen: de fN- curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Verantwoordingsplicht Het groepsrisico kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde. In de eerdergenoemde wetgeving is de verantwoordingsplicht opgenomen. De verantwoording van het groepsrisico houdt in dat, naast de rekenkundige hoogte van het GR, tevens rekening dient te worden gehouden met een aantal kwalitatieve aspecten. Hiertoe behoren met name de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. Indien van toepassing kan hiermee ook rekening worden gehouden met de kans op gewonden en andere effecten van een eventuele ramp. Bij de verantwoording dient de Veiligheidsregio om advies gevraagd te worden. 5.6.3

Gemeentelijk beleid De gemeente Reusel-De Mierden heeft op 2 maart 2007 een Beleidsvisie Externe Veiligheid vastgesteld waarin zij aangeeft welke risico’s de raad acceptabel vindt en op welke manier zij deze risico’s wil beheersen. De gemeente heeft de volgende aandachtspunten: 1. Het voorkomen van nieuwe risicoknelpunten. Nieuwe planologische ontwikkelingen waarbij de risico’s tot een onacceptabel risiconiveau leiden worden voorkomen. 2. Het beheersen van bestaande geaccepteerde risicoknelpunten. Bestaande risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten, toetsen aan landelijke normering, vastleggen in daartoe beschikbare instrumenten en daarop handhaven. 3. Het opheffen van niet-acceptabele risicoknelpunten. Risicovolle activiteiten worden verminderd dan wel beëindigd in situaties waarbij de risico’s de landelijke normen overschrijden, of sprake is van een onacceptabel risiconiveau zoals bepaald door middel van het groepsrisico. 4. Het ontwikkelen van beleid en activiteiten ter beperking van risicohinder op langere termijn. Zorgvuldig omgaan met externe veiligheid bij planontwikkeling teneinde maximale mogelijkheden voor maatschappelijk gebruik van terreinen te bieden. Met de ontwikkeling wordt geen nieuw risicoknelpunt gerealiseerd. Tevens is geen sprake van een bestaand knelpunt. Derhalve is de ontwikkeling passend binnen de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid.

5.6.4

Risicobronnen Nabij het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de N284 en N 269. De N284 grenst aan het plangebied.

UrbiTom

32

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

De N269 en N284 maken geen deel uit van de Regeling Basisnet. Van deze wegen zijn geen jaarintensiteiten gevaarlijke stoffen bekend. Verondersteld mag worden dat de routes met name gebruikt worden ten behoeve van bevoorrading van omliggende (risicovolle) inrichtingen en dat de routes geen PR 10-6 contour hebben. De omliggende inrichtingen slaan met name brandbare vloeistoffen (benzine, diesel) en brandbare gassen op (propaan, LPG). Dit betekent dat deze stoffen ook vervoerd zullen worden over de N269 en N284. Het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen bedraagt maximaal 45 meter. Het invloedsgebied van brandbare gassen bedraagt 355 meter. Het plangebied is op respectievelijk circa 10 meter en 700 meter van de N284 en N269 gelegen. Dit betekent dat het vervoer van brandbare vloeistoffen en brandbare gassen relevant is voor het plangebied, voor zover deze over de Wilhelminalaan worden vervoerd. Verondersteld wordt dat het om 2 tot 4 vrachtwagens per week (104 tot 208 vrachtwagens per jaar) gaat. Het plangebied is gelegen binnen 200 meter van de Wilhelminalaan. Op grond van het Besluit externe veiligheid Transportroutes is een berekening van het groepsrisico (QRA) benodigd, indien sprake is van een groepsrisico dat hoger ligt dan 0,1 x de oriëntatiewaarde of indien de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

In de Handleiding Risicoanalyse Transportroutes (HART) zijn vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld die een indicatie geven wanneer de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of aanwezigheidsdichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van 0.1 x de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico te kunnen leiden.

UrbiTom

33

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

Zoals vorenstaande tabel uit de HART laat zien, dient, bij een bebouwingsafstand van 10 meter tot de as van de weg, tweezijdige bebouwing en een intensiteit van 104 tot 208 transporten brandbare gassen (GF3) per jaar, sprake te zijn van een dichtheid van tussen de 100 en 200 personen per hectare, wil de waarde van het groepsrisico hoger zijn dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Een dichtheid van meer dan 100 personen per hectare zal in de omgeving van het plangebied met zekerheid niet gehaald worden. In de directe omgeving komt met name laagbouw voor in de vorm van woningen en voorzieningen. Voor een gemiddelde rustige woonwijk wordt een dichtheid van 25 personen per hectare aangehouden. (bron: Handreiking groepsrisico). Derhalve is duidelijk dat de waarde van het groepsrisico in dit geval lager dan 0,1 x de oriëntatiewaarde is. Op basis van artikel 7 van het Bevt kan volstaan worden met een beschrijving van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 5.6.5

Verantwoording groepsrisico Het maatgevende scenario is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tankwagen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Een warme BLEVE ontstaat door een incident een brand waarbij een tankwagen met bijvoorbeeld LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt de druk in de tankwagen toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. De hittestraling is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand, de maximale druk en temperatuur worden niet bereikt. Het effect is daarom beperkter dan bij een warme BLEVE, maar er is geen vluchttijd, omdat de explosie direct plaatsvindt. Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident.

De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. Maatregelen aan de bron liggen niet binnen het bereik van het ruimtelijk plan. Zelfredzaamheid Het plangebied is gelegen binnen 150 meter van de Wilhelminalaan. Personen binnen dit gebied zijn (ook in gebouwen) onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Voor personen binnen de 150 meter is vluchten dus de gewenste optie. Ontsluitingswegen die leiden in noordelijke richting zijn geschikte vluchtroutes ten aanzien van een incident. De Vlassert in noordelijke richting vormt een geschikte vluchtroute.

5.6.6

Conclusie In de omgeving van het plangebied is één relevante risicobron aanwezig: het transport van gevaarlijke stoffen over de Wilhelminalaan (N284). Deze risicobron heeft geen PR 10-6 contour. Het transport van brandbare gassen is dusdanig incidenteel dat de waarde van het groepsrisico lager is dan 0,1 x OW. Een berekening van het groepsrisico is derhalve niet

UrbiTom

34

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

benodigd. Omdat het invloedsgebied het plangebied overlapt, is wel ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hiervoor zal de Veiligheidsregio om advies worden gevraagd. Het plan is in lijn met de gemeentelijke beleidsvisie.

5.7

Flora en fauna Voor de ruimtelijke onderbouwing van het initiatief waarvoor onderhavig bestemmingsplan is opgesteld en in het kader van de Wet Natuurbescherming, is het noodzakelijk een ecologische effectbeoordeling op te stellen om inzichtelijk te krijgen of er met de ingreep effecten optreden ten aanzien van beschermde natuurwaarden. Hiertoe is Tritium Advies in juli 2019 een quickscanonderzoek verricht naar de mogelijke ecologische waarden in en rond het plangebied. De rapportage hierover is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.

5.7.1

Beschermde natuurgebieden Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand gelegen dat er van een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied geen sprake is. Tevens betreft het een relatief kleinschalige ingreep binnen de bebouwde kom (sloop van twee woonhuizen en de nieuwbouw van een appartementencomplex en vier grondgebonden woningen inclusief de aanleg van een groenzone).

5.7.2

Onderzoeksresultaten en effecten op aanwezige plant‐ en diersoorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het onderzoeksgebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen.

UrbiTom

35

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels, waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie.

Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Van de bebouwing is alleen de woning van de Wilhelminalaan 75 deels (westelijke zijgevel) geschikt als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor gebouw bewonende vleermuizen. Hier dient aanvullend onderzoek voor uitgevoerd te worden in de vorm van minimaal vijf veldbezoeken, waarvan drie in de periode 15 mei-15 juli en twee in de periode 15 augustus1 oktober. Deze onderzoeken worden uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017 van Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Er zijn geen andere vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van tuinen van omliggende woningen.

Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de

UrbiTom

36

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. 5.7.3

Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

Conclusie In onderstaande vijf punten wordt de eindconclusie weergegeven: de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk. Dit onderzoek loopt. Resultaten worden eind juli 2020 verwacht. om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; nader onderzoek naar andere soorten is niet noodzakelijk; voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.

UrbiTom

37

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

5.8

Gemeente Reusel-De Mierden

Stikstofdepositie Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is op circa 2,9 kilometer afstand gelegen. Gezien deze afstand en de aard van de ingreep valt een significant negatief effect niet te verwachten. Om deze verwachting te verifiëren, is door Tritium Advies met de AERIUS Calculator 2019 een berekening gemaakt van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Deze berekening is opgenomen in de bijlage bij deze toelichting. Conclusie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2019 blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde. Bovendien moet worden opgemerkt dat in de berekening géén rekening is gehouden met (interne) saldering en er desondanks geen toename van stikstof is berekend. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen.

5.9

Hinderlijke bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De indicatieve afstanden uit de bedrijvenlijst zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Voor woningen in een ‘gemengd gebied’ mag deze afstand worden gecorrigeerd en kan de indicatieve afstand met één trede worden verlaagd. Een correctie is alleen mogelijk voor de aspecten geluid, geur en stof. Voor het aspect gevaar is verlaging van de indicatieve afstand niet mogelijk. De afstand tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van de woning tot de grens van de inrichting/de bestemmingsgrens.

UrbiTom

38

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

Het gebied kent een matige tot sterke functiemenging tussen met name wonen, kantoren, horeca, detailhandel en maatschappelijke voorzieningen. Dit blijkt ook uit het vigerende bestemmingsplan, waarvan hieronder een uitsnede is opgenomen. Omdat er sprake is van een verhoogde milieubelasting ten opzichte van een rustige woonwijk is een verkleining van de richtafstanden met één afstandsstap aanvaardbaar.

Uitsnede bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied 2018’ met begrenzing plangebied (Bron: Ruimtelijke Plannen)

Zoals op de verbeelding van het geldende bestemmingsplan valt te zien, ligt in de nabijheid van het plangebied een detailhandelsbestemming en een horecabestemming. In de regels van het geldende bestemmingsplan ‘Stedelijk Gebied 2018’ zijn voor “Detailhandel” functies denkbaar die vallen in milieucategorie 2. Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 10 meter tot het omgevingstype gemengd gebied. De minimale afstand van de bestemmingsgrens van de detailhandelsbestemming en de woningbouwmogelijkheden in het plangebied bedraagt ca. 20 m, dus ruim meer dan de richtafstand. In het geldende bestemmingsplan worden binnen de dichtstbijzijnde horecabestemmingen tevens bedrijven toegelaten die alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse verstrekken en het muziek ten gehore brengen en/of gelegenheid geven tot dansbeoefening (zoals een discotheek). Dergelijke horecafuncties behoren op basis van de VNG-brochure tot maximaal milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter tot het omgevingstype gemengd gebied. De feitelijke minimale afstand tussen de grens van de bestemming ‘Horeca’ en de woningbouwmogelijkheden binnen het plangebied bedraagt ruim 11,5 m. Ook hier is de daadwerkelijke afstand derhalve groter dan de richtafstand.

In het geldende bestemmingsplan/de bestaande situatie is een bestemming wonen (ter plaatse van Wilhelminalaan 71a) direct tegen de horecabestemming gesitueerd. In de nieuwe situatie komt de woonbestemming op enige afstand van de horeca te liggen. Hierdoor treedt een verbetering van de potentiële hindersituatie op.

UrbiTom

39

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

De nieuwe woonbebouwing blijft op eenzelfde afstand tot de uitrit van het parkeerterrein van de Action liggen als in de bestaande situatie. Hierin treedt geen verandering op. Conclusie De woningbouwmogelijkheden binnen het plangebied liggen op grotere afstand tot potentieel hinderlijke bestemmingen (detailhandel en horeca) dan de richtafstand, zoals deze wordt aangegeven in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (uitgave 2009). Er treedt derhalve geen negatieve verandering op door de herontwikkeling en bestaande bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering beperkt door het initiatief. De afstanden van de nieuw te bouwen woningen tot hinderlijke bedrijvigheid zijn groter dan de richtafstanden, zoals aangegeven in de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (uitgave 2009). Geurhinder Middels de omgekeerde werking worden geurgevoelige objecten beoordeeld op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit betekent dat het bevoegd gezag beoordeelt in hoeverre het geurgevoelige object niet blootgesteld wordt aan overmatige hinder. De plangebied is gelegen te midden van het dorp Reusel. De achtergrondconcentratie bedraagt tussen de 3 en 6 OU/m3. Dit komt overeen met een goed woon- en leefklimaat. De invloed van veehouderijen op het plangebied is niet significant. Er is geen sprake van voorgrondbelasting vanwege agrarische bedrijvigheid in dit centrale deel van Reusel.

Conclusie Het woon- en leefklimaat ten aanzien van geurhinder in Reusel is goed, er is geen sprake van geurhinder vanwege veehouderijen voor het plangebied.

5.10

Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling binnen het plangebied. Wel dienen kabels te worden verlegd, zoals de kabels ten behoeve van het nieuwe POP-station. Voor aanvang van werkzaamheden zal een KLIC-melding worden verricht, om vast te stellen welke kabels in het gebied aanwezig zijn. Binnen het plangebied is verder geen sprake van straalpaden en invloeden van zendmasten.

5.11

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.‐beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed.

UrbiTom

40

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (Hof van Justitie EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.

Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- plichtig besluit, indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C-lijst of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een ontwikkelingslocatie voor woningbouw. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat.

Onderhavig plan betreft de toevoeging van 14 nieuwe woningen. De ontwikkeling ligt derhalve ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Geconcludeerd kan worden dat het plan niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er dus geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.

UrbiTom

41

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000gebieden. Dit is aangetoond met een berekening van de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening Noord Brabant 2010. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

UrbiTom

42

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Gemeente Reusel-De Mierden

Het bestemmingsplan maakt de bouw van 4 grondgebonden woningen en 10 appartementen mogelijk. De Wet ruimtelijke ordening (Wro, artikel 6.12) verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan ook een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. In voorliggend geval wordt het kostenverhaal vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer, zodat een exploitatieplan niet noodzakelijk is.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Inspraak Bij dit plan is er voor gekozen het voorontwerpbestemmingsplan onderwerp te maken van een inspraakronde. Daarvoor is het voorontwerp ter inzage gelegd met ingang van 3 februari 2020 gedurende 6 weken. Tijdens deze inspraakperiode zijn er twee reacties ingekomen. Daarvoor wordt verwezen naar de inspraaknota, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Het ontwerpbestemmingsplan is op de resultaten van de inspraak aangepast: de groenstrook tussen de Wilhelminalaan en de Vlassert wordt, op verzoek van bewoners van de Vlassert, niet voorzien van een openbaar toegankelijk pad Zienswijzen Op grond van het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening hebben burgemeester en wethouders op 7 augustus 2020 een bekendmaking gepubliceerd in de Staatscourant, het Gemeenteblad (www.officielebekendmakingen.nl), D´n Uitkijk en op de gemeentelijke website (www.reuseldemierden.nl). Het ontwerpbestemmingsplan lag van 10 augustus 2020 tot en met 21 september 2020 ter inzage met voor iedereen de mogelijkheid om zienswijzen kenbaar te maken. Tijdens deze periode was het ontwerpbestemmingsplan ook raadpleegbaar op de landelijke website: www.ruimtelijkeplannen.nl en op de gemeentelijke website: www.reuseldemierden.nl. Tijdens de periode van ter-inzagelegging is 1 zienswijze ingediend.

Deze is beantwoord in de Nota van zienswijzen, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven om wijzigingen in het bestemmingsplan aan te brengen. Vaststelling p.m.

UrbiTom

43

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

UrbiTom

44

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

7

De bestemmingen

7.1

Het juridische plan

Gemeente Reusel-De Mierden

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen ten behoeve van een 4 grondgebonden woningen en 10 appartementen aan de Wilhelminalaan te Reusel. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, waarbij voor plannen van de gemeente Reusel-De Mierden de regels voor wat betreft systematiek en inhoud zoveel mogelijk identiek zijn. Voor de planregels zijn het beleid van de gemeente Reusel-De Mierden en de daarop gebaseerde voorstellen voor de regels uitgangspunt geweest. Verder is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijk standaard voor bestemmingsplan: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot uitsluitend een beschrijving in hoofdlijnen. Het onderhavige bestemmingsplan betreft een gedetailleerd bestemd plan.

Er wordt enerzijds maximale flexibiliteit nagestreefd om zo goed mogelijk te kunnen voldoen aan de huisvestingsvraag voor arbeidsmigranten, terwijl anderzijds de rechtszekerheid van de burger zo goed mogelijk wordt gewaarborgd. De planopzet is gericht op nieuwbouw van woningen aan de Wilhelminalaan en naderhand op beheer en instandhouding van de ontstane situatie. Een en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de, binnen het onderhavige bestemmingsplan gehanteerde, bestemmingen.

7.2

Beschrijving van de bestemmingen In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. paden; c. in- en uitritten voor aangrenzende woondoeleinden; d. straatmeubilair; e. speelvoorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. kunstwerken; h. extensief recreatief gebruik; i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

UrbiTom

45

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

Er zijn beperkte mogelijkheden voor openbare nutsgebouwtjes: maximum oppervlakte 20 m2, maximum bouwhoogte 4 m en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde (max. hoogte 4 m). Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, straten en paden; b. voet- en rijwielpaden; c. straatmeubilair; d. groenvoorzieningen; e. parkeervoorzieningen; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. nutsvoorzieningen. Er mag uitsluitend ten behoeve van de bestemming gebouwd worden. De bouwmogelijkheden zijn beperkt en onder voorwaarde dat dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur. Er zijn beperkte mogelijkheden voor openbare nutsgebouwtjes: maximum oppervlakte 20 m2, maximum bouwhoogte 4 m. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten met de volgende maximale bouwhoogten: bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de verkeersgeleiding en wegverlichting: max. 8 m; beeldende kunstwerken: max. 5 m; overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: max. 4 m. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan huis verbonden beroepen en bedrijven; c. infrastructurele voorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. tuinen, erven en terreinen Binnen deze bestemming mogen maximaal 14 wooneenheden worden gerealiseerd.

Er is uitsluitend gesloten (aaneengebouwde) en gestapelde bebouwing toegestaan. Hoofdbebouwing mag uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven. Aan huis verbonden beroepen en bedrijven zijn toegestaan onder de voorwaarden, zoals genoemd in de regels.

UrbiTom

46

Bestemmingsplan Stedelijk gebied, Wilhelminalaan 71a-75, Reusel

Gemeente Reusel-De Mierden

Waarde – Archeologie 2 De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.

UrbiTom

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=92305bfc-7b03-40f2-a9c0-68712dad1158