[20.22786] - Ontwerpbestemmingsplan “Stedelijk gebied, Hondsbos 21 Reusel”, toelichting en regels
Tekst van het document
Bestemmingsplan
STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL ontwerp 15 december 2020
Bestemmingsplan
STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL
documentstatus
ontwerp
documentversie
1
IMRO-code
NL.IMRO.1667.BPRhond1027-
IMRO-publicatieversie
ON01
datum
15 december 2020
projectnummer
24720010
auteur
Rick van Hest
contact
073 623 1313 bureauverkuylen.nl
INHOUDSOPGAVE Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
7
1.1
Aanleiding en doel
7
1.2
Ligging en kadastrale begrenzing
8
1.3
Vigerend bestemmingsplan
10
Gebiedsanalyse
13
2.1
Bebouwing en functies
14
2.2
Ontsluiting
14
2.3
Groen en water
14
Plan
15
3.1
Bebouwing en functies
16
3.2
Verkeer en parkeren
16
3.3
Groen en water
17
3.4
Beeldkwaliteit
18
3.5
Duurzame en gezonde leefomgeving
18
Beleid
21
4.1
Nationaal niveau
21
4.2
Provinciaal niveau
22
4.3
Regionaal niveau
30
4.4
Gemeentelijk niveau
32
Uitvoeringsaspecten
35
5.1
Milieu
35
5.2
Waarden
49
5.3
Waterparagraaf
55
Haalbaarheid
59
6.1
Kostenverhaal
59
6.2
Gemeentelijke grondexploitatie
59
6.3
Maatschappelijk
59
Juridische aspecten
61
7.1
Algemeen
61
7.2
Planregels
61
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
3
Bijlagen toelichting
67
Bijlage 1
Berekening Kwaliteitsverbetering van het landschap
67
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
67
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
67
Bijlage 4
Besluit vormvrije MER
67
Bijlage 5
Archeologisch onderzoek
67
Bijlage 6
Stikstofdepositie-onderzoek
67
Bijlage 7
Quickscan flora en fauna
67
Regels
69
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
71
Artikel 1
Begrippen
71
Artikel 2
Wijze van meten
81
Bestemmingsregels
83
Artikel 3
Bos
83
Artikel 4
Wonen
85
Artikel 5
Waarde - Archeologie 4.1
90
Artikel 6
Waarde - Cultuurhistorie
94
Algemene regels
97
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel
97
Artikel 8
Algemene bouwregels
97
Artikel 9
Algemene gebruiksregels
97
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
97
Artikel 11
Overige regels
99
Overgangs- en slotregels
101
Artikel 12
Overgangsrecht
101
Artikel 13
Slotregel
102
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Bijlagen regels Bijlage 1
4
103 Lijst rechtstreeks toegestane aan huis verbonden beroepen 103
TOELICHTING
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
5
6
HOOFDSTUK 1 INLEIDING Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Stedelijk gebied, Hondsbos 21 Reusel" van de gemeente Reusel-De Mierden.
1.1
Aanleiding en doel
Op de locatie Hondsbos 21 – perceel F694 (gedeeltelijk) is thans een paardenpension met één bestaande bedrijfswoning (beeldbepalend) en een aantal bedrijfsgebouwen in een groene setting aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens om de activiteiten van het paardenpension te beëindigen en om op het perceel twee levensloopbestendige woningen te realiseren. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op basis van het vigerende bestemmingsplan "Stedelijk gebied 2018". De gemeente Reusel-De Mierden heeft echter aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van een herziening van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de ruimtelijke onderbouwing en regels voor de realisatie van twee levensloopbestendige woningen ter plaatse van het plangebied.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
7
1.2
Ligging en kadastrale begrenzing
Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
8
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Reusel-De Mierden, sectie F, nummer 694 (gedeeltelijk). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 9.700 m². De grond is in particulier eigendom.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
9
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Stedelijk gebied 2018", vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 2 oktober 2019. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
10
Ter plaatse van het deelgebied gelden de enkelbestemmingen 'Bedrijf' en 'Bos'. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor: Bedrijf - bedrijven die zijn genoemd in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' onder de categorieën 1 en 2 met uitzondering van geluidszoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen; - productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedingsen genotmiddelen; - de opslag en uitstalling ten behoeve van de onder 1. genoemde bedrijvigheid; - infrastructurele voorzieningen. Bos
- bos en bebossing; - behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden; - paden en wegen; - groenvoorzieningen;
Ter plaatse van deze locatie gelden tevens de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 4.1' en 'Waarde - Cultuurhistorie'. Deze dubbelbestemmingen verplichten het uitvoeren van archeologische en cultuurhistorische onderzoeken voorafgaand van bepaalde bodemingrepen. Ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf' geldt de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - paardenpension', op deze gronden is tevens een paardenpension toegestaan; de bouwvlakaanduiding 'bouwvlak', waarbinnen het hoofdgebouw gerealiseerd moet worden; en de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot-. bouwhoogte en maximum bebouwingspercentage', aan deze maxima dient voldaan te worden. Tevens geldt binnen het bouwvlak de functieaanduiding 'karakteristiek', waarvoor geldt dat het gebouw of bouwwerk gehandhaafd moet worden gezien de betekenis voor het stedenbouwkundige beeld ter plaatse; en de functieaanduiding 'bedrijfswoning', waarbinnen één bedrijfswoning is toegestaan. Conclusie De ontwikkeling valt over diverse bestemmingen waar geen nieuwe woningbouwontwikkeling is toegestaan. Het initiatief voor de locatie Hondsbos 21 past daarmee niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Er zal een herziening plaats moeten vinden.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
11
12
HOOFDSTUK 2 GEBIEDSANALYSE Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Onderstaande afbeelding en de foto's geven de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.
DIRECTE OMGEVING
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
13
2.1
Bebouwing en functies
Reusel is de grootste kern binnen de gemeente Reusel-De Mierden. Vergeleken met de andere dorpen is er in Reusel weinig bewaard gebleven van de historische kern. Wel zijn er nog diverse oude wegen met karakteristieke bebouwing aanwezig. De woongebieden van Reusel kenmerken zich door de voortuinen, het vele openbaar groen en de variatie in rechte en kronkelende straten met parkeervakken en speelplekken. De woningen hebben een ingetogen architectuur en zijn in zichzelf gekeerd met de voorzijde naar de straten en pleinen. Vrijstaande woningen onderscheiden zich door een diversiteit in architectuur en de groene tuinen. Onderhavig plangebied betreft een locatie aan de Hondsbos, ter plaatse van het nummer 21 en omgeving. Het deelgebied ligt ten noordwesten van de kern Reusel, waarbij het direct ten zuiden van de N269 ligt. De bestaande bebouwing van Hondsbos 21 is op enige afstand van de openbare weg gelegen in een groene setting. De huidige bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning, die is aangewezen als beeldbepalend pand, en een aantal bedrijfsgebouwen. De gebouwen worden nu ingezet voor de exploitatie van een paardenpension op deze locatie.
2.2
Ontsluiting
De beoogde woningbouwlocatie wordt ontsloten door de Hondsbos. Deze weg vormt geen rechtlijnige ontsluitingsstructuur, maar bestaat uit enkele ‘takken’. De locatie is bereikbaar via een secundair deel van de weg Hondsbos, dat is gelegen tussen het doorgaande deel van de Hondsbos en de Mierdseweg. Hondsbos 21 is het enige adres dat via dit deel infrastructuur ontsloten wordt. Gezien deze inrichting is sprake van lage verkeersintensiteiten ter hoogte van Hondsbos 21.
2.3
Groen en water
Onderhavig plangebied is gesitueerd in een groenrijke setting, bestaande uit diverse bomen en struiken. Binnen het plangebied is geen sprake van oppervlaktewater.
14
HOOFDSTUK 3 PLAN In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. Onderstaande afbeelding geeft een indicatie van het plan weer.
VOORLOPIG SCHETSONTWERP
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
15
3.1
Bebouwing en functies
De initiatiefnemer is voornemens om op de onbebouwde gronden, behorende tot het perceel Hondsbos 21 te Reusel, twee nieuwe woningen te realiseren. De gronden waarop de ontwikkelingen zijn voorzien liggen aan de noordwestzijde van de kern Reusel. Aan de ontwikkeling van deze woningen heeft de gemeente de volgende voorwaarden verbonden:
Sloop van de overtollige bebouwing;
Beëindiging van de activiteiten van het paardenpension en wijziging van de bestemming 'Bedrijf' met functieaanduiding 'paardenpension' naar de bestemming 'Wonen', en;
Situering van de woningen langs weerszijden van de bestaande opritten.
In de nieuwe situatie worden de twee woningen aan de inritten gesitueerd. De woningen worden gerealiseerd als woningen met 1 laag en een kap zodat deze passen binnen de bosachtige sfeer van de locatie.
3.2
Verkeer en parkeren
3.2.1
Verkeersgeneratie
De realisatie van woningen heeft invloed op de verkeersgeneratie. De digitale publicatie ''ASVV 2012'' (CROW) bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. De gemeente Reusel-De Mierden wordt aangeduid als weinig stedelijk gebied, waarin de locatie van het deelgebied binnen de gemeente Reusel-De Mierden tot de rest van de bebouwde kom behoort. Bestaande situatie Binnen het deelgebied bestaat in de bestaande situatie het aantal verkeersbewegingen uit twee onderdelen: de bedrijfswoning (koop, vrijstaand) en het paardenpension (manege / paardenfokkerij). In de tabel hieronder is de berekening van de verkeersgeneratie per etmaal uiteengezet. Onderdeel
Verkeersgeneratie
Aantal
Totaal
Bedrijfswoning
7,8 - 8,6 per woning
1 woning
7,8 - 8,6
6 boxen
18
Paardenpension 3,0 per box Totaal
16
25,8 - 26,6
Nieuwe situatie Binnen het deelgebied bestaat in de nieuwe situatie het aantal verkeersbewegingen uit één onderdeel: de drie woningen (koop, vrijstaand). In de tabel hieronder is de berekening van de verkeersgeneratie per etmaal uiteengezet. Onderdeel
Verkeersgeneratie
Aantal
Totaal
Koop, vrijstaand
7,8 - 8,6 per woning
3 woningen
23,4 - 25,8
Totaal
23,4 - 25,8
Op basis van bovenstaande tabel kan worden gesteld dat de nieuwe woningen, in een worst-case scenario, zorgen voor 26 verkeersbewegingen per etmaal en is er sprake van een vergelijkbare verkeersaantrekkende werking van motorvoertuigbewegingen. Dit betekent dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de omgeving.
3.2.2
Ontsluiting
De Hondsbos 21 heeft 2 in-/ uitritten, die aantakken op de openbare weg. Aan de ‘buitenzijde’ van elk van deze takken wordt één woning gerealiseerd. De bestaande infrastructuur voldoet ruimschoots om de woningen te ontsluiten.
3.2.3
Parkeren
Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is noodzakelijk voor goed functioneren van het initiatief en voorkomt overlast voor de omgeving. De gemeente Reusel-De Mierden heeft hiertoe geen eigen beleid. Hiervoor wordt binnen dit plangebied wederom de kencijfers van de ''ASVV 2012'' (CROW) aangehouden. In de tabel hieronder is de berekening voor het totaal aantal parkeerplaatsen uiteengezet. Onderdeel
Parkeerkencijfers
Aantal
Totaal
Koop, vrijstaand
1,9 - 2,7 per woning
3 woningen
5,7 - 8,1
Totaal
5,7 - 8,1
Het initiatief moet ten minste voorzien in 9 parkeerplaatsen. Bij de herontwikkeling van dit deelgebied is sprake van parkeren op eigen terrein. Hiervoor is voldoende ruimte.
3.3
Groen en water
Binnen de woningbouwontwikkeling wordt ingezet op behoudt van de groene omgeving. De groene structuren die reeds aanwezig zijn blijven binnen het plan behouden.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
17
3.4
Beeldkwaliteit
De kwaliteit van een stedenbouwkundige ruimte wordt bepaald door de samenhang van de inrichting van de openbare ruimte en de inrichting van de aangrenzende particuliere percelen. Een kwalitatief goede gemeenschappelijke ruimte is ook winst voor het individu. Een mooi huis in een fraaie straat heeft meerwaarde. Omdat de woningen in het bos worden gerealiseerd is er geen directe aansluiting bij de omgeving. De nieuwe woningen op het perceel dienen wel in een vergelijkbare stijl te worden gebouwd.
3.5
Duurzame en gezonde leefomgeving
Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.
3.5.1
Energietransitie
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO 2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Onderhavig plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:
de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd;
er wordt gebruikt gemaakt van aardwarmte, warmte-koude opslag, lucht warmte-koude opslag, of andere vormen van duurzame energie;
18
de woningen worden volgens het 0-op-de-meter- / BENG-principe gebouwd.
3.5.2
Klimaatbestendigheid
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Onderhavig plan voorziet hier op de volgende wijze in:
waterberging op eigen terrein;
zo min mogelijk verharding / halfverharding;
aantrekkelijk verblijfsklimaat voor de gebruikers, gebiedseigen planten en dieren.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
19
20
HOOFDSTUK 4 BELEID In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
nationaal niveau;
provinciaal niveau;
gemeentelijk niveau.
4.1
Nationaal niveau
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving. De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR. De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Er hoeft daarom ook geen toetsing aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening plaats te vinden.
4.1.2
Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking
Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van twee woningen. Projecten die minder dan twaalf woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
21
Conclusie Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
4.2
Provinciaal niveau
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
Omgevingsvisie Noord-Brabant;
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Het plan wordt aan deze nota's getoetst.
4.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen. De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie; 2. werken aan een klimaatproof Brabant; 3. werken aan een slimme netwerkstad; 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie. Analyse Onderhavig plan betreft de bouw van twee levensloopbestendige woningen. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.
22
ad 1.
De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woningen. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening.
ad 2.
Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Het ontwerp van de woningen en de inrichting van de woonpercelen kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt.
ad 3.
Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Binnen de kern Reusel is sprake van een vraag naar diversiteit in woningaanbod. De concrete vraag naar woningen binnen de kern Reusel kan hiermee worden ingevuld.
ad 4.
Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door een zorgvuldige inpassing van de woningen wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat.
Conclusie Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
4.2.2
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking zal treden.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
23
De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):
afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies;
afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken;
afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
4.2.2.1 De toedeling van functies Onderhavig plan betreft de bouw van twee levensloopbestendige woningen binnen de aanduiding 'Verstedelijking afweegbaar'. In het kader van deze ontwikkeling dient in beginsel aan artikel 3.78 van de Interim Omgevingsverordening getoetst te worden. Hieronder is dit artikel overgenomen en wordt hieraan getoetst. ''Artikel 3.78 - kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Verstedelijking afweegbaar kan voorzien in de nieuwvestiging van één of meer woningen als uit een ontwikkelingsvisie blijkt dat: a. de woningen worden opgericht binnen een bebouwingsconcentratie; Onderhavig planvoornemen is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie van de Hondsbos en aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied van Reusel. De ontwikkelingsrichting van de betreffende bebouwingsconcentratie is het beperkt houden van toegevoegde bebouwing. De bebouwingsconcentratie zal in noordelijke richting (Hondsbos) langzaam worden 'afgebouwd'. Dit houdt in dat de bebouwingsdichtheid steeds 'iets dunner' wordt en het gebied in noordelijke richting dus steeds 'groener' wordt.
Ondanks het feit dat het belangrijk is dat het betreffende gebied haar groene karakter behoudt en de bebouwing dus beperkt dient te blijven, draagt het realiseren van de twee beoogde woningen bij aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit van deze bebouwingsconcentratie. De westelijke kant van de straat Hondsbos kenmerkt zich door de aanwezigheid van 'achterkanten' van de kavels van de woningen die aan de Mierdseweg gelegen zijn. De oostelijke kant kent weinig bebouwing. De bebouwing op het betreffende perceel ligt relatief ver van de weg en wordt ontsloten door een relatief lange oprit.
24
Door de ontwikkeling van de 2 betreffende woningen wordt een duurzaam behoud van het groene karakter (in de vorm van bos en/of opgaand groen) aan de oostzijde van Hondsbos beter gewaarborgd. Dit gebeurt door twee aan de realisatie verbonden ontwikkelingen. Op de eerste plaats zullen aan de ontwikkeling voorwaarden worden gekoppeld die de kwaliteit van het bos ten goede zullen komen. Als bindende voorwaarde zal aan de initiatiefnemers worden meegegeven dat er gekoppeld aan de realisatie van de woningen rondom de woningen aanplant van bomen in het bestaande bos plaats vindt. De plicht tot aanplant zal bestaan uit inheemse loofbomen en inheemse struiken. Hierdoor zal het bos zowel een dichter als een gevarieerder karakter krijgen. Ook de biodiversiteit zal hierdoor toenemen. Daarmee zal het draagvlak tot behoud van het bos door de beoogde ontwikkeling toenemen. Ondanks het feit dat de realisatie van werkelijke voorkanten aan de Hondsbos gezien de ruimtelijke structuur van het gebied niet gewenst is, draagt de toevoeging van de woningen in het bos en de daarbij horende verhoging van menselijke aanwezigheid tot een verhoogd draagvlak voor duurzaam behoud van een gevarieerd en hoogwaardig perceel in de bebouwingsconcentratie. Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavig plangebied gelegen is binnen een bebouwingsconcentratie. b.
er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling; Ter plaatse van het plangebied worden twee extra woningen gerealiseerd. Dit valt niet onder een stedelijke ontwikkeling. Er gesproken van een stedelijke ontwikkeling vanaf meer dan elf woningen. De ligging van de woningen zorgt niet voor een nieuw ontsluiting van het buitengebied waarmee verdere verstedelijking wordt geïnitieerd. c.
de nieuwvestiging: 1. bijdraagt aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit van de bebouwingsconcentratie; Onderhavig planvoornemen zorgt voor de instandhouding van de omgevingskwaliteit op de Hondsbos 21, door de realisatie van een tweetal woningen kan het bestaande bedrijf worden beëindigd. Hiermee kunnen bestaande (in vervallen staat verkerende) bijgebouwen worden gesloopt en wordt een ruimtelijke en milieuplanologische verbetering van de locatie mogelijk gemaakt.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
25
Hierna is onderbouwd waarom de bouw van de twee nieuwe woningen en de sloop van de schuur achter de bestaande woning bijdraagt aan het behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit. De cultuurhistorische waarde van het ensemble beperkt zich in beginsel tot de straat Hondsbos zelf. Deze is aangewezen als 'Historische geografie – Lijn van redelijk hoge waarde'. Deze waarde heeft met name betrekking op de positie van de straat in het stedelijk weefsel. Deze uit zich in ligging, richting, profiel et cetera. Het bos heeft 'an sich' geen cultuurhistorische waarde. De gemeente is echter wel van mening dat het bos de waarde van de straat als lijn ondersteunt en versterkt. Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan is dan ook in hoge mate rekening gehouden met de waarde van het (rest)bos. Hierbij is de nadruk gelegd op de landschappelijke (ruimtelijke) waarde van het bos. De woningen zijn dan ook zodanig gepositioneerd, dat het bos vanaf de straat gezien niet of nauwelijks wordt aangetast. De stroken bos die aan de weg grenzen, zijn zodanig breed dat deze daadwerkelijk als 'bos' worden ervaren. Men zal de aanwezigheid van de woningen vanaf de straat dan ook slechts in beperkte mate ervaren. Het meest noordwestelijk gelegen bedrijfsgebouw wordt gesloopt. Dit pand heeft geen cultuurhistorische waarde.
Zoals hierboven reeds gemeld, geldt de waarde sec genomen alleen voor de straat zelf. De gemeente is echter van mening dat het bebouwingsensemble wel degelijke beeldbepalend is en daarmee expliciete waarde heeft. Om die reden is het ensemble ook met respect behandeld en blijft het overgrote deel hiervan behouden. Naast behoud vindt de gemeente Reusel de Mierden het echter ook belangrijk dat overtollige bebouwing gesloopt wordt. In het algemeen is dit ook een eis die gekoppeld is aan het toestaan van de ontwikkelingen van nieuwe woningen. Het meest noordwestelijke gebouw maakt ons inziens geen onderdeel uit van het waardevolle, ruimtelijke ensemble. Dit gebouw wordt namelijk bijna geheel aan het zicht onttrokken door het zuidelijk hiervan gelegen bijgebouw. De ruimtelijke waarde van dit gebouw is dus beperkt. Om die reden zijn wij van mening dat de waarde van het slopen van het overtollige volume zwaarder weegt dan het behoud van dit gebouw. Door de sloop van het gebouw en de toevoeging van de twee woningen wordt de kwaliteit van de bebouwingsconcentratie versterkt.
26
2. gepaard gaat met een fysieke tegenprestatie die in evenredige verhouding staat tot de ontwikkeling van de woningen; Onderhavig planvoornemen zorgt voor een fysieke tegenprestatie door middel van de beëindiging van een bedrijf direct in de nabijheid van andere woningen, sloop van een aantal bijgebouwen, het oprichten van een nieuw erf en het inrichten van de woonpercelen met voldoende waterberging (zie ook onderbouwing onder lid 2). 3. is bezien of een ruimte voor ruimte ontwikkeling deel kan uitmaken van de kwaliteitsverbetering. Onderhavig planvoornemen omvat een ruimte voor ruimte ontwikkeling, de bedrijfsbeëindiging en sloop van een overtollig gebouw vindt plaats binnen het plangebied. Lid 2 Er is sprake van een evenredige verhouding als de fysieke tegenprestatie vergelijkbaar is met de regeling ruimte voor ruimte, bedoeld in artikel 3.80. Bij ruimtelijke ontwikkelingen eist de Interim Omgevingsverordening (IOV) in bepaalde gevallen een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Hierna is een beschrijving opgenomen van de wijze van kwaliteitsverbetering van het landschap. Aan de orde komen:
de benodigde investering;
de feitelijke tegenprestatie;
de zekerstelling van kwaliteitsverbetering.
Benodigde investering Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in drie categorieën ingedeeld. Voorliggend initiatief is een zogenaamde categorie 3-ontwikkeling. De provincie eist bij een categorie 3-ontwikkeling dat sprake is van: 1. een goede landschappelijke inpassing van het perceel (basisinspanning); 2. een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap (extra inspanning). De basisinspanning plus de extra inspanning moeten samen ten minste 20% van de waardevermeerdering van de grond bedragen.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
27
Voorliggend initiatief betreft een bestemmingswijziging van de bedrijfswoning naar een burgerwoning en de toevoeging van 2 woningen vergelijkbaar met een Ruimte-voorRuimte woning. De benodigde investering in het landschap daarvoor bedraagt € 263.300,00. Feitelijke tegenprestatie Door de omzetting van de beboste gronden in bestemming 'Bedrijf' naar de bestemming 'Bos' ontstaat er een juridische borging dat de groene zone tegen de kern behouden blijft. Daarom is deze bestemmingswijziging onderdeel van de berekening van de waarde in de nieuwe situatie. De waardevermindering van de gronden door omzetting van bedrijf (onbebouwd) naar bos betreft € 288.900,00. Daarnaast wordt ook een bestaande schuur gesloopt die ook voor een kwaliteitsverbetering van de omgeving zorgt (investering ven € 7.125,00). De totale investering bedraagt daarmee € 296.025,00. In de 'Berekening Kwaliteitsverbetering landschap' (bijlage 1) is berekend dat de geplande investering € 296.025,00. Deze investering is groter dan de benodigde investering (€ 263.000,00). Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.7 van de Interim Omgevingsverordening. Zekerstelling kwaliteitsverbetering De Interim Omgevingsverordening eist dat bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit is aangetoond dat de kwaliteitsverbetering van het landschap financieel, juridisch en feitelijk is geborgd.
In de planregels is een voorwaardelijk verplichting (artikel 4.3.4) opgenomen waarmee de sloop van de benoemde bebouwing is geborgd. Daarnaast is de bestemming 'Bos' opgenomen op de betreffende gronden. Hiermee wordt voldaan aan de criteria van de Interim Omgevingsverordening.
4.2.2.2 De bescherming van gebiedskenmerken Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken:
stalderingsgebied;
beperkingen veehouderij.
Beperkingen veehouderij en Stalderingsgebied De artikelen 3.51 en 3.52 IOV stellen regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderijen. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.
28
4.2.2.3 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Uit artikel 3.5 van de Interim Omgevingsverordening komt naar voren dat aan een drietal aspecten getoetst moet worden om een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving te waarborgen. Dit zijn de volgende aspecten: 1. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.6); 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7); 3. meerwaardecreatie (artikel 3.8). Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat het plan een functieverandering van een bestaand bouwperceel betreft. Verouderde gebouwen worden verwijderd. Er wordt nieuwe bebouwing toegevoegd met een kleinere oppervlakte. Er is daarmee sprake van een compact bouwperceel. Er heeft een zorgvuldige situering van gebouwen plaatsgevonden binnen het bestaande bouwperceel, waarbij rekening is gehouden met en uitgegaan van de bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke en natuurlijke waarden. Daarnaast worden nieuwe landschapselementen toegevoegd, gebaseerd op de lagenbenadering. De meerwaarde wordt gecreëerd door:
het wegnemen van leegstaande, verouderde bebouwing;
het realiseren van kwalitatief hoogstaande bijgebouwen met in het landschap/gebied passende uitstraling en daardoor een ensemble vormend met de bestaande woning.
Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond; zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag; zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.
de bovenste laag; zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
29
Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Onderhavig planvoornemen zorgt niet voor een wijziging in de eerste twee lagen. Desalniettemin treedt er wel een verandering op in de derde laag. Doordat de woningen worden toegevoegd zorgt dit voor een verandering in de omvang van de bebouwing. Deze omvangsvergroting draagt bij aan de continuïteit van als woon- en verblijfslocatie, doordat leegstand van percelen wordt tegengegaan. Hiermee wordt voldaan aan dit aspect. Meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Onderhavig planvoornemen zorgt voor diverse sociaaleconomische meerwaardecreaties. Allereerst wordt de directe omgeving gevrijwaard van leegstand van gronden en deprivatie, wat kan leiden tot verloedering van dit deel van Reusel.
Daarnaast leidt de ingebruikname van de woningen tot uitgaven binnen de directe omgeving, wat de economische positie van Reusel ten goede komt. Ten slotte zorgt de ingebruikname van de nieuwe woonlocatie voor de instandhouding van het infrastructurele netwerk, wat een positieve invloed heeft op de herkenbaarheid van Reusel.
4.2.2.4 Conclusie Het planvoornemen past binnen het beleid van de Interim Omgevingsverordening.
4.3
Regionaal niveau
4.3.1
Kempische Visie op Wonen 2019-2023
Op 12, 21 en 28 maart 2019 hebben de gemeenteraden van Bladel, Bergeijk, Eersel en Reusel-De Mierden de Kempische visie op wonen 2019-2023 vastgesteld. In deze visie worden vijf speerpunten genoemd voor de regionale woningmarkt:
30
1. Versnellen van de bouwproductie, op een zorgvuldige manier 2. Behoud voor betaalbaar wonen 3. Zorg voor elkaar faciliteren 4. Klaar voor de toekomst 5. Werken en wonen Gelet op de huidige druk op de woningmarkt is er behoefte aan nieuwe woningen. In de basis streven we er naar om nieuwe woningen primair binnen bestaand stedelijk gebied te ontwikkelen. Middels dit bestemmingsplan wordt hieraan tegemoetgekomen. Een ander speerpunt is behoud voor betaalbaar wonen. De economie in onze regio groeit hard, maar deze groei kent ook nadelen. Het aanbod aan goedkope koopwoningen neemt door de stijgende huizenprijzen snel af. Ondanks deze groei is er veel vraag naar betaalbare koopwoningen voor starters en sociale huurwoningen. Middels dit bestemmingsplan wordt tegemoetgekomen aan de vraag naar een diversiteit van woningen. Middels dit bestemmingsplan wordt flexibiliteit geboden voor de realisatie van twee woningen. Conclusie Het plan past binnen de Kempische visie op wonen 2019-2023.
4.3.2
Regionaal woningbouwprogramma
Het huidige Regionaal woningbouwprogramma is door voormalig SRE gemeenten vastgesteld op 17 december 2009 en daarna elk jaar geactualiseerd. De Verordening Ruimte geeft aan dat jaarlijks afspraken gemaakt dienen te worden in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) over het woningbouwprogramma voor de eerste tienjaarsperiode. Bij deze kwantitatieve afspraken (programma) hoort een aantal uitgangspunten op basis waarvan de afspraken worden geactualiseerd. Eén van de uitgangspunten is dat de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose het uitgangspunt vormt. De meest actuele prognose is uit 2017, waarbij voor Reusel-De Mierden wordt uitgegaan van een toename van de woningvoorraad met 730 woningen in de periode 2017 t/m 2029. De extra woningen die middels dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt passen binnen het woningbouwprogramma en geven invulling aan een deel van de behoefte van 730 woningen, in het segment kleinere (betaalbare) woningen.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
31
Conclusie Het plan voldoet aan het 'Regionaal woningbouwprogramma'.
4.4
Gemeentelijk niveau
4.4.1
Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden
Door de gemeente Reusel-De Mierden is op 22 mei 2018 de Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden vastgesteld. De omgevingsvisie is opgesteld vooruitlopend op de aankomende Omgevingswet. In deze visie is niet zozeer een gewenst eindbeeld, maar is gekozen om de strategie om er te komen vast te leggen. Aan elk(e) (type) gebied waar in deze omgevingsvisie aandacht aan is besteed, is een strategie gekoppeld. Reusel Voor de kern Reusel is het Centrumplan 'Nieuw hart voor Reusel' vastgesteld. Het centrumplan is gebaseerd op een thematische keuze van boodschappenplein aan de Markt en evenementenplein aan het Kerkplein. Door de afwaardering van de Wilhelminalaan is het mogelijk om de 'nieuwe Markt' over de Wilhelminalaan te leggen waardoor de zuidzijde van de Wilhelminalaan wordt verbonden met de noordzijde. Met voldoende aantrekkingskracht aan de zuidzijde ontstaat een dynamisch plein met winkels en branches die zich kunnen versterken en verder tot ontwikkeling kunnen komen. Het Kerkplein wordt een verblijfsgebied met passende maatschappelijke-, culturele- en commerciële functies. De nieuwe groene inrichting moet bijdragen aan een plezierige omgeving waar het mogelijk is om met regelmaat evenementen of activiteiten te organiseren.
De perifere detailhandel aan de Schoolstraat en de food- en fashion square aan de Brinck en de Kerkstraat worden via goede en veilige oversteekplaatsen en de herinrichting van het openbaar gebied met elkaar verbonden. De bestaande clustering van grootschalige horecavoorzieningen voor de jeugd aan de Wilhelminalaan kan gehandhaafd blijven. Op grotere afstand van het centrumgebied zijn geclusterd nog enkele locaties voor voorzieningen met een wijkfunctie (school, sport, zorg, gezondheid) gebundeld in bredeschoolconcepten of zorgconcepten. De clusteringsopgave voor de voorzieningen heeft al grotendeels plaatsgevonden. Het sportpark functioneert goed maar ontbeert een verkeersveilige langzaam verkeersroute met de dorpskern.
32
Op diverse plaatsen ontstaan in de kern Reusel mogelijkheden voor transformatie en inbreiding. Het gaat daarbij onder meer om vrijkomende bedrijfskavels langs de linten, aan de randen van het bedrijventerrein De Lange Voren alsmede om cultuurhistorisch waardevolle gebouwen die voorzien kunnen worden van een nieuwe functie. De woningbouwopgave voor de kern Reusel kan opgevangen worden op deze inbreidingslocaties en in de nog in ontwikkeling zijnde woonwijk Molen Akkers.
GEMEENTELIJKE OMGEVINGSVISIE
Dit bestemmingsplan versterkt de woningbouwbehoefte in Reusel. Met dit bestemmingsplan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan sluit zodoende aan bij de strategie van het behouden van de bestaande kracht en past binnen de ambities van de Omgevingsvisie. Conclusie Het toevoegen van woningen bevordert de levendigheid in de dorpen. Het plan voldoet aan de 'Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden'.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
33
4.4.2
Toekomstvisie 'Gezamenlijk, Grenzeloos en Groen'
In september 2013 heeft de gemeenteraad van Reusel-De Mierden ingestemd met de toekomstvisie 'Gezamenlijk, Grenzeloos en Groen' waarin ambities voor de toekomst van Reusel-De Mierden beschreven zijn. Dit document is tot stand gekomen tijdens een interactief proces met en tussen inwoners, verenigingen, ondernemers, maatschappelijk middenveld en de gemeente. De visie beschrijft de door inwoners en maatschappelijke organisaties gewenste ontwikkelingsrichting van de gemeente Reusel-De Mierden in 2030. In het visietraject kwam 'verbinden' als centrale opgave naar voren voor de gemeente. Dit betreft zowel een verbinding tussen nieuwe en oude waarden, verbinding binnen dorpsgemeenschappen en verbinding met de omgeving. In 2030 vormt de gemeente Reusel-De Mierden het 'Groene Hart' van de EU-regio de Kempen. Het wonen in aantrekkelijke, overzichtelijke dorpsgemeenschappen is de kracht van de gemeente. De gemeente biedt plaats aan mensen die landelijk willen wonen. De gemeente stuurt op het aantrekken en behouden van jonge inwoners, zodat een evenwichtige bevolkingsopbouw gewaarborgd blijft. De visie 'Gezamenlijk, Grenzeloos en Groen' is vervolgens vertaald in twaalf ambities voor de lange termijn, waar per ambitie concrete uitvoeringsopties zijn ontwikkeld.
Zo moet voor een evenwichtige samenleving en behoud van de kleine kernen een gevarieerd woningaanbod worden gerealiseerd voor verschillende leeftijdscategorieën. Leegstand moet worden voorkomen en er moet een reële afstemming op de woningbehoefte plaats vinden. Daarnaast moet voor de gewenste versterking van het landelijk karakter van de gemeente het dorpskarakter van de afzonderlijke dorpen in stand worden gehouden. Hiertoe moet bestaande lintbebouwing in stand worden gehouden en veelal te worden vastgehouden aan traditionele architectuur. Dit bestemmingsplan gaat uit van het mogelijk maken van een flexibel bestemmingsplan voor de bouw van twee levensloopbestendige woningen. Hiermee wordt beoogd tegemoet te komen aan de huidige woningbehoefte. Het bestemmingsplan sluit daarnaast aan bij ambities die door de gemeente gesteld zijn, zoals het 'streven naar een evenwichtige samenleving' via het subdoel 'gevarieerd woningaanbod'. Conclusie Het plan voldoet aan de Toekomstvisie 'Gezamenlijk, Grenzeloos en Groen'.
34
HOOFDSTUK 5 UITVOERINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde: 1. milieu; 2. waarden; 3. waterhuishouding.
5.1
Milieu
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.
5.1.1
Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
5.1.1.2 Analyse Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Econsultancy uit Swalmen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek Hondsbos 21 te Reusel" (27 augustus 2019, 10433.001.D1). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 2. Econsultancy concludeert dat gelet op de aard en mate van verontreiniging, er géén reden voor een nader onderzoek bestaat en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
5.1.1.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
35
5.1.2
Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
5.1.2.2 Analyse Invloed plan op de omgeving Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving. Invloed omliggende inrichtingen op plan Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied. bedrijf
categorie
richtafstand werkelijke afstand
Mierdseweg 47: bedrijf t/m cat. 2
2
30 m
190 m
Mierdseweg 69: horeca (cat. B en C.)
1
10 m
120 m
Mierdseweg 79: bedrijf t/m cat. 3.1
3.1
50 m
225 m
Er liggen geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.
5.1.2.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
36
5.1.3
Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit. Hoewel het plan geen nieuwe kwetsbare objecten bevat en het aantal personen dat binnen het plangebied verblijft niet toeneemt, is het noodzakelijk nader in te gaan op het aspect externe veiligheid.
5.1.3.2 Beoordelingskader Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening. De gemeente Reusel-De Mierden heeft in de 'Beleidsvisie Externe Veiligheid' beschreven hoe de gemeente omgaat met externe veiligheidsvraagstukken binnen haar gemeente. Dit document dient als aanvulling op de landelijke regelgeving. Kernbegrippen In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal:
Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde.
Grenswaarde: Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
37
valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Bron
Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico
Inrichtingen (Bevi)
Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Transportroutes (Bevt) Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
38
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
5.1.3.3 Analyse De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten ten opzichte van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart.
UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
39
Inrichtingen Er liggen geen Bevi-inrichtingen op korte afstand van het plangebied. Buisleidingen Er liggen geen buisleiding die onder het Bevb vallen op korte afstand van het plangebied. Transportroutes Er liggen geen transportroutes die onder het Bevt vallen op korte afstand van het plangebied.
5.1.3.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.4
Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. In deze wet zijn normen opgenomen die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een milieuvergunning aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van agrarische bedrijven een nieuw geurgevoelig object wordt gesitueerd of uitgebreid, dient aan de wet te worden getoetst (de zogenoemde 'omgekeerde werking').
5.1.4.2 Omgekeerde werking Voorgrondbelasting De normen, die voortvloeien uit wetgeving op het gebied van geurhinder van veehouderijen, dienen in de eerste plaats voor de vaststelling van de vraag of voor een veehouderij een milieuvergunning kon worden verleend. Deze eisen ten aanzien van de maximale geurbelasting of minimaal aan te houden afstanden zijn ook van belang bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde geurgevoelige bestemming kan worden gerealiseerd nabij een veehouderij. Deze zogenaamde 'omgekeerde werking' heeft dus betrekking op ruimtelijke ordeningsbesluiten, zoals bestemmingsplannen en vrijstellingen.
40
Vaste rechtspraak bij dit soort besluiten is:
dat er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de (blijvende) veehouderijen,
dat er sprake moet zijn van aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In de Wgv zijn diercategorieën aangewezen waarvoor de geurcontour berekend moet worden, en diercategorieën waarvoor een vaste afstand geldt. Dit geldt voor het merendeel van de geurgevoelige objecten, maar hierbij bestaan enkele uitzonderingen. Gebaseerd op de bestemmingsregeling uit het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009, herziening fase 1A ’ ligt in de omgeving 1 veehouderij: Lage Mierdsedijk 2. Dit bedrijf is bestemd als ‘Bedrijf – Agrarisch’ met bouwvlak en functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Eind 2017 is voor de locatie een bestemmingsplan in procedure gebracht om de veehouderij-activiteiten te beëindigen. De voormalige bedrijfsgebouwen zullen daarbij een ander gebruik krijgen. De geurinvloed vanuit de veehouderij zal, voor zover aanwezig, verdwijnen met de herbestemming. In de huidige situatie zijn er reeds meerdere burgerwoningen tussen het agrarisch bedrijf Lage Mierdsedijk 2 en de planlocatie Hondsbos 21 gelegen. De nieuw te realiseren woningen zullen dan ook geen (aanvullende) belemmeringen opleggen aan het toekomstperspectief van Lage Mierdsedijk 2. Voor het overige zijn in de omgeving van Hondsbos 21 geen (intensieve) veehouderijen gelegen, waarvan de voorgrondbelasting invloed kan hebben op het plangebied.
Achtergrondbelasting Naast de voorgrondbelasting (van één veehouderij afzonderlijk), dient in het kader van de beoordeling van het woon- en leefklimaat de achtergrondbelasting beschouwd te worden. Deze wordt gevormd door de gecumuleerde geurbelasting van meerdere veehouderijen uit een gebied tezamen. In de Geurverordening van de gemeente Reusel-De Mierden is het plangebied aan de Hondsbos tot de kern van Reusel gerekend. Voor dit gebied geldt een geurnorm (achtergrondbelasting) van maximaal 0,1 ou E/m³. In de RIVM-classificatie is daarmee sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
41
In de plan-MER van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009, herziening fase 1A’ is een berekening uitgevoerd voor de achtergrondbelasting van de huidige situatie en diverse benoemde alternatieven. Per beschreven alternatief is met een specialistisch rekenmodel de totale (cumulatieve) geurbelasting bepaald van alle veehouderijen. Uit de kaart in bijlage B – worst case scenario met maximale groei veehouderijen op grond van planologische mogelijkheden, blijkt dat de geurbelasting in het plangebied 7,5 – 13,3 ouE/m³ zal bedragen. Dit komt overeen met een redelijk goed woon- en leefklimaat. Gezien de ontwikkelingen in de sector, zal in de praktijk nooit sprake zijn van een maximale groei. In de komende jaren zullen nog een aantal bedrijfsbeëindigingen plaatsvinden. Bedrijven die wel ontwikkelen, dienen hierbij te voldoen aan de huidige regelgeving en moderne reductietechnieken toe te passen. Het achtergrondniveau in de omgeving Hondsbos 21 is dan ook zodanig dat sprake is van een redelijk goed woon- en leefklimaat of beter. De locatie Hondsbos 21 is in de plan-MER ook aangemerkt als veehouderij. Dit is het gevolg van de paardenhouderij-activiteiten, die hier jarenlang gevestigd waren. Deze activiteiten zijn inmiddels beëindigd en veroorzaken dan ook geen milieu-invloed meer in het gebied.
Gezien het feit dat in de directe omgeving van het plangebied geen veehouderij meer actief is, is geen sprake van voorgrondbelasting geur, die tot belemmeringen voor het plan kan leiden. Uit de beschikbare kaarten van de achtergrondbelasting blijkt dat zelfs bij het worst case scenario van maximale ontwikkeling van de (intensieve) veehouderij (volledig benutten planologische mogelijkheden door alle bedrijven) sprake is van een redelijk goed woon- en leefklimaat in het plangebied. De ontwikkeling in het plangebied wordt dan ook niet belemmerd door de achtergrondbelasting geur. Daarbij wordt het plangebied op grond van de gemeentelijke Geurverordening beschermd door geurnorm 0,1 ouE/m³, indien veehouderijen zich willen ontwikkelen. In het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van de twee levensloopbestendige woningen aan de Hondsbos 21.
5.1.4.3 Conclusie Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
42
5.1.5
Geluid
5.1.5.1 Inleiding Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
5.1.5.2 Analyse Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten. Verkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de N269 en de Mierdseweg. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft Aelmans uit Voerendaal een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Hondsbos 21 te Reusel" (8 augustus 2019, M198371.001.002/GGO). Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd. Aelmans concludeert dat op geen enkele gevel van de te realiseren woningen de voorkeursgrenswaarde, zijnde 48 dB, wordt overschreden ten gevolge van de gezoneerde wegen. Er is geen aanvraag hogere waarde nodig. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.
5.1.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
BESTEMMINGSPLAN STEDELIJK GEBIED, HONDSBOS 21 REUSEL | ONTWERP
43
5.1.6
Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
5.1.6.2 Analyse Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat twee woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving. In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op.
De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'L N269 - Randweg Oost, 15858913'.