CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[20.18578] - ontwerp bp Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde_Toelichting

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan "Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde"12.849 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is (Bron: Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen - d.d. 17 oktober 2017).

40

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Gekeken naar de aard- en omvang van de omliggende bedrijven en activiteiten zijn er geen belemmeringen. De afstanden tot geitenhouderijen zijn dermate groot (>2 km) volksgezondheid uit te sluiten zijn.

5.2

dat de risico's voor

Vormvrije m.e.r. beoordeling

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.- beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.

Het planvoornemen geldt niet als een m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit. In bovenstaande paragraven is de ontwikkeling getoetst aan milieuplanologische randvoorwaarden. Het milieubelang is in voldoende mate afgewogen, hieruit volgt dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten.

5.3

Waterhuishouding

5.3.1 Beleid en regelgeving Waterschap de Dommel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Het beleid van het waterschap is gericht op het zo lang mogelijk vasthouden van gebiedseigen water, gecombineerd met het zoveel mogelijk scheiden van schoon en verontreinigd water. Het beleid van het waterschap is opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol Water’. Het waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap binnen de planperiode. Omdat de wateropgaven feitelijk niet veranderd zijn, zijn de thema’s in het waterbeheerplan hetzelfde als de thema’s in het waterbeheerplan 2010-2015. De vijf waterthema’s zijn: Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheersgebied, onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen. Voldoende water: voor zowel de natuur als de landbouw is het van belang dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarom reguleert het waterschap het gronden oppervlaktewater. Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren. Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen. Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

In het bebouwd gebied streeft het waterschap naar een klimaatbestendige en waterrobuuste omgeving. Door klimaat- en wateropgaven op te pakken, kan de stedelijke kwaliteit worden verbeterd en kunnen toekomstige

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

41

maatschappelijke kosten worden vermeden. Bij nieuwe ontwikkelingen is het uitvoeren van een watertoets verplicht. Het Waterschap heeft de Handreiking Watertoets 2015 opgesteld, waarin is aangegeven welke onderdelen deel kunnen uitmaken van de waterparagraaf. Voor de verwerking van hemelwater hanteert het waterschap een voorkeursvolgorde: hergebruik – vasthouden/infiltreren - bergen en afvoeren - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar de riolering.

De regels voor de waterhuishuishouding zijn opgenomen in de Keur 2015. Samen met de legger vormt de Keur het juridisch instrumentarium van het Waterschap. In de Keur zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot compensatiemaatregelen in het geval van een toename van het verhard oppervlak. Daarnaast zijn in de Keur gebods- en verbodsregelingen opgenomen die betrekking hebben op handelingen in en rond watergangen en waterkeringen die zijn opgenomen in de legger.

Regels voor toename van verhard oppervlak In het geval van een toename van het verhard oppervlak moet worden voldaan aan de regels die het waterschap hieraan stelt. Op grond van artikel 3.6 van de Keur van het waterschap is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppeling van bestaand verhard oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.

In de ‘Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015’ is in artikel 15 een vrijstelling van dit verbod opgenomen: er is geen vergunning nodig als de toename van het verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 bedraagt, als minder dan 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld of als de toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 en 10.000 m2 bedraagt en compenserende maatregelen zijn getroffen in de vorm van een bergings-/infiltratievoorziening. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een vergunning benodigd en geldt de ‘Beleidsregel afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’ (artikel 13 van de ‘Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Keur waterschap De Dommel 2015’). 5.3.2 Beleid gemeente Reusel- De Mierden Het beleid van de gemeente Reusel-De Mierden is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021 (VGRP), zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 20 december 2016. Het VGRP is een beleidsmatig planinstrument van de gemeente en betreft de wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het VGRP sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. In het Keur worden bergingseisen voor hemelwater gesteld bij een toename van verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2.

Voor ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak van minder dan 2.000 m2 gelden de bergingseisen uit het VGRP. In het VGRP zijn de volgende opgaven en aandachtspunten voor de komende planperiode opgesomd:

Stedelijk afvalwater beschermen volksgezondheid; voorkomen milieuoverlast; borgen verkeersveiligheid; voorkomen nadelige gevolgen van langdurige lozingsbeperking; het nastreven van de voorkeursvolgorde van afvalwaterverwerking.

42

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Hemelwater zoveel mogelijk beperken van wateroverlast; inspelen op klimaatverandering door benutting openbare ruimte; verbeteringsmaatregelen basisrioleringsplan; bij nieuwe initiatieven maximale ontkoppeling van hemelwater; opstellen hemelwaterstructuurplan. Grondwater inzicht verkrijgen in de grondwaterstanden door plaatsen van peilbuizen; loketfunctie; samen met partners zoeken naar oplossingen. Oppervlaktewater uitvoeren onderhoudsplicht; mede invulling geven aan de KRW-doelen, via samenwerkingsverband. Bedrijfsvoering en financiën doelmatige invulling watertaken; kostendekkende rioolheffing; toereikende personele capaciteit gemeentelijke watertaken; samenwerken in de afvalwaterketen; actualiseren en actueel houden gegevensbeheer en monitoringsprogramma. Huishoudelijk afvalwater kan geloosd worden via een vuilwater/gemengd riool naar het rwzi. Voor de verwerking van hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

1. 2. 3. 4.

(her)gebruik van regenwater; bergen en vertraagd afvoeren naar openbare ruimte; afvoeren naar oppervlaktewater (eventueel via een hemelwaterriool); afvoeren naar een gemengd riool (nooit naar een vuilwaterriool).

Kwalitatief: 1. 2. 3.

schoonhouden (voorkomen); scheiden; zuiveren.

Binnen het grondgebied van Reusel- De Mierden liggen voorts een aantal A-waterlopen. Er zijn echter geen van deze waterlopen gelegen binnen het plangebied.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

43

5.3.3 Water in bestemmingsplan Door het planvoornemen zal het verhard oppervlak niet toenemen. In de bestaande situatie is het verhard oppervlak ca. 3.000 m2 in de nieuwe situatie zal dat ca. 2.400 m2 zijn. Het plangebied is reeds verhard op de gedeelten waar het planvoornemen is voorzien. Het nieuwe gebouw zal worden voorzien van een gescheiden stelsel waarbij het hemelwater zal worden afgekoppeld. Het hemelwater kan op natuurlijke wijze infiltreren in het groen binnen het plangebied.

De vuilwaterafvoer van het plangebied zal aangesloten worden op het openbaar riool grenzend aan het plangebied. Hiervoor zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de huidige situatie. Deze capaciteit is afdoende voor het aantal te verwachten mensen op de locatie. Op dit moment is een excact aantal bewoners nog niet vast te stellen. De technische koppeling op het riool zal in het kader van de bouwvergunning inzichtelijk worden gemaakt en aansluiten bij de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Uitganspunt is dat er geen regenwater meer op het riool zal worden geloosd. Het regenwater vanaf de bestrating zal 'gewoon' via de berm/tuin infiltreren in de bodem.

5.4

Flora & fauna

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Hiervoor zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op respectievelijk gebiedsbescherming en soortenbescherming. In dit kader is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Laneco (d.d. 05-05-2019, rapportnummer 06.19.06) en bijgevoegd als Bijlage 3.

Hierin wordt ten aanzien van flora en fauna het volgende geconcludeerd:

Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt op 200 meter van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). In de provincie Noord-Brabant dient ook getoetst te worden of er (externe) effecten optreden op stikstofgevoelige habitats binnen het NNB. Aangezien het aantal verkeersbewegingen zal toenemen kunnen effecten op het naastgelegen NNB gebied niet zonder Aerius-berekening worden uitgesloten. De berekening en toetsing maken geen onderdeel uit van deze quick scan, maar dienen apart te worden uitgevoerd. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er in het kader van het NBP geen consequenties te verwachten.

Wet natuurbescherming - onderdeel houtopstanden Het plangebied aan de Kloosterweg te Lage Mierde ligt binnen de bebouwde kom boswet. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is dan ook niet van toepassing.

Wet natuurbescherming - onderdeel soortenbescherming Voor een aantal mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomende nationaal beschermde soorten zoals egel, haas, konijn, vos, spitsmuizen en muizen geldt een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.

44

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Een aantal van de mogelijk voorkomende soorten zijn niet-vrijgestelde nationale of Europees beschermde soorten (Habitat- en vogelrichtlijn), waarvoor bij aantasting van rust- en voortplantingsplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten zijn verblijfplaatsen van gierzwaluw, huismus en gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis) niet uit te sluiten. Door het uitvoeren van werkzaamheden worden mogelijk nestplaatsen of rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten aangetast. Pas na een vervolgonderzoek kan uitsluitsel gegeven worden over de eventuele noodzaak voor een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming.

Van de overige in de omgeving voorkomende (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde planten- en/of diersoorten worden geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied verwacht in het plangebied. Zoals eerder vermeld, kunnen nesten van vogels worden verstoord als in het broedseizoen wordt gestart met werkzaamheden.

Soortenbescherming Nader onderzoek Aantasting van rust- en voortplantingsplaatsen van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten en daarmee een overtreding van artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming, kan niet zonder nader veldonderzoek worden uitgesloten voor: Gierzwaluw, nestplaatsen (Vogelrichtlijn). Onderzoek conform het onderzoeksprotocol van het Netwerk Groene Bureaus bestaat uit drie onderzoeksrondes in de periode 15 mei tot en met 15 juli. Huismus, nestplaatsen (Vogelrichtlijn). Onderzoek conform het onderzoeksprotocol van het Netwerk Groene Bureaus bestaat uit twee onderzoeksrondes in de periode van 1 april tot 20 juni. Vleermuizen (Wet natuurbescherming en bijlage IV Habitatrichtlijn), gebouwbewonende soorten. Onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2017 van het Netwerk Groene Bureaus bestaat uit verschillende onderzoeksrondes in de periode half mei tot half juli en in de periode begin augustus tot eind september. Deze onderzoeken dienen plaats te vinden om een volledig beeld te krijgen van de functie van de gebouwen voor vleermuizen. Voor zover bekend worden bomen in het plangebied behouden en zijn negatieve effecten op boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Indien er wel bomen worden gekapt is een nadere inspectie door een ecoloog op aanwezigheid van voor vleermuizen geschikte holtes noodzakelijk.

Overige consequenties Twee algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming zijn altijd van toepassing: De start van werkzaamheden dient buiten het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) plaats te vinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Alleen op basis van gericht onderzoek (naar broedende vogels), mag van deze voorwaarde worden afgeweken. Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: (1) werkzaamheden, zoals graaf- en sloopwerkzaamheden en het verwijderen van begroeiing, te starten buiten het voortplantingsseizoen (april - augustus) en het winter(slaap)seizoen (november - februari); (2) het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

45

Wet natuurbescherming - onderdeel gebiedsbescherming Het plangebied ligt op 600 meter afstand van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kempenland-West. Voor de meeste effectfactoren van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling kunnen gezien de afstand en de tussenliggende elementen externe effecten op het Natura 2000-gebied worden uitgesloten. Echter zal de stikstofemissie stijgen in de realisatie en gebruiksfase. Effecten op het naastgelegen NNB gebied kunnen zonder Aerius-berekening dan ook niet worden uitgesloten.

Er is derhalve een beoordeling stikstof opgesteld (zie Bijlage 5). In deze beoordeling is geconcludeerd dat het planvoornemen middels intern salderen geen negatieve effecten met betrekking tot stikstof voor de omliggende Natura 2000 gebieden heeft.

5.5

Cultureel erfgoed

5.5.1 Archeologie Met de inwerkingtreding van de 'Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz)' per 1 september 2007 is de implementatie van het 'Verdrag van Malta' (1992) een feit. Inmiddels is een en ander doorvertaald in de Erfgoedwet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheersmaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Om het bodemarchief beter te beschermen is het sindsdien verplicht om de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden te beoordelen.

Begin juli 2009 hebben de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden, Bladel, Eersel, Bergeijk, Heeze-Leende, Cranendonck, Waalre en Valkenswaard aan de SRE Milieudienst opdracht gegeven om een Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg en een gemeentelijke Erfgoedkaart op te stellen, waarin zowel de archeologische waarden en verwachtingen als de cultuurhistorische waarden zijn opgenomen. Doel van de Erfgoedkaart is om het erfgoed een betere bescherming te kunnen geven via het bestemmingsplan en/of verordening, zoals in de Monumentenwet staat omschreven.

46

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Figuur 11

Uitsnede Erfgoedkaart met in rood plangebied

Op basis van bovenstaande kaart kan het volgende worden opgemaakt:

Bruin: Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodem ingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodem ingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij esdek en agrarisch bestemde gronden.

Beige: Categorie 6: Gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingsplanwijzigingen en projectbesluiten van projectgebieden die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij agrarisch bestemde gronden. Ook zal bij m.e.r. plicht nader onderzoek worden verlangd.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

47

In het licht van het voorgaande is er een archeologisch onderzoek verricht op de planlocatie door Bureau voor Archeologie d.d. 05-09-2019, Bijlage 4. Hierin is het volgende geconcludeerd:

"Waaruit bestaan de voorgenomen bodem ingrepen? De geplande bodem ingrepen zullen bestaan uit de sloop van het zuidelijke deel van het bejaardentehuis Lindenhof, uitgezonderd de kapel en de bouw van een appartementencomplex in dit deel van het plangebied. In het noordwesten van het plangebied zullen één of twee woonkavels voor vrijstaande woningen gerealiseerd worden. De nieuwe bebouwing zal gefundeerd worden ‘op staal’ en de graafwerkzaamheden ter plaatse van de nieuwe bebouwing zullen tot ongeveer 80 cm -mv reiken.

Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde? Het plangebied ligt, samen met de dorpskern van Lage Mierde, op een dekzandrug. De ondergrond van het plangebied bestaat uit een pakket dekzand op fluvio-periglaciale afzettingen. In het plangebied is geen (podzol)bodem aangetroffen. De oorspronkelijke bovengrond zal eruit gezien hebben zoals bij boring 1; een humeus akkerdek van 50 tot 70 cm dik op de C-horizont van het dekzand.

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De oorspronkelijke bodemopbouw en bovengrond lijkt door de bouw van het bejaardentehuis (of andere recente graafwerkzaamheden) verstoord te zijn geraakt. In de bovengrond is nu een pakket omgewerkte en/of opgebrachte grond aanwezig, dat tot een variërende diepte van 100 tot 270 cm -mv reikt. De bovengrond is hier verstoord tot in het pakket met fluvio-periglaciale afzettingen.

Zijn er potentiële archeologische niveaus, en zo ja, wat is de aard, diepteligging en verbreiding hiervan? Rondom het bejaardentehuis is de bovengrond dermate verstoord geraakt dat geen archeologische waarden verwacht worden. In het noordwesten van het plangebied, in het gebied rondom boring 1, kunnen nog archeologische waarden aanwezig zijn in de vorm van een archeologisch sporenniveau.

Indien aanwezig: a) Worden deze potentiële archeologische niveaus bedreigd door de beoogde ingreep In het noordelijke deel van het grasveld in het noordwesten van het plangebied kunnen nog archeologische waarden aanwezig zijn. Indien in deze zone graafwerkzaamheden plaatsvinden tot onder het akkerdek waarvan de basis op 70 cm -mv ligt, worden mogelijk archeologische waarden verstoord.

b) En zo ja, welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met de potentiële archeologische waarden in deze niveaus? Als dit noordwestelijke deel van het plangebied onbebouwd blijft, of als het bouwpijl van het perceel circa 70 cm wordt opgehoogd, zodat het archeologische niveau niet wordt vergraven, worden eventuele archeologische waarden voldoende beschermd.

48

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Als bescherming van het archeologische niveau niet mogelijk is, wordt aanbevolen voor de bouw een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd te worden. Voor dit onderzoek is een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. In de overige delen van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht en is geen vervolgonderzoek noodzakelijk."

Het gedeelte met een hoge archeologische verwachting in het noorden betreft het gedeelte van het plangebied waar de vrijstaande woning is beoogt. Om de archeologische waarden aldaar te beschermen zal dit gedeelte worden opgehoogd.

In het licht van het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het planvoornemen. 5.5.2 Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in Werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1, lid 2). Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Dit is inmiddels ook doorvertaald in de Erfgoedwet. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Het bevoegd gezag is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Binnen het plangebied zijn geen Rijks- dan wel gemeentelijke monumenten aanwezig. De aanwezige kapel wordt in het plangebied geconserveerd en heeft een prominente plek binnen het nieuwe stedenbouwkundig ontwerp. De uiterlijke verschijningsvorm van het plangebied na planontwikkeling is beschreven in een beeldkwaliteitsplan dat is afgestemd met de welstandsnormen van de gemeente Reusel- De Mierden.

Het aspect cultuurhistorische vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6

Leidingen

In het plangebied zijn geen leidingen met een planologisch relevante beschermingszone gelegen, noch overlapt een beschermingszone van een planologisch relevante leiding met het plangebied.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

49

50

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische opzet

Inleiding

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening, bepaalt een viertal zaken de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: de digitale raadpleegbaarheid; de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SBVP 2012); de Woningwet; de Beheersverordening Nederweert, Budschop, Eind en Ospeldijk en Pannenweg-Oost (vastgesteld in 2017). In 2018 is het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied 2018' vastgesteld door de gemeente Reusel - De Mierden. De regeling uit dit bestemmingsplan heeft als basis gediend voor onderhavig bestemmingsplan.

6.2

De verbeelding

Op de verbeelding zijn aangegeven: de grens van het plangebied; de enkelbestemming 'Gemengd'; de enkelbestemming 'Wonen'; de functieaanduidingen 'groen', 'monumentale boom' en 'specifieke vorm van maatschappelijk - kapel'; de bouwaanduidingen 'gestapeld' en 'specifieke bouwaanduiding - open/halfopen' en de maatvoeringsaanduidingen 'maximaal aantal wooneenheden' en 'maximum goot- en bouwhoogte (m)'. Binnen het bestemmingsvlak zijn ter plaatse van het bouwvlak met de aanduiding 'gestapeld' maximaal 50 wooneenheden mogelijk. De bijbehorende bouwhoogte betreft hier maximaal 12 meter. Dit om het planvoornemen goed aan te laten sluiten op de bestaande ruimtelijke- en functionele structuren.

De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels teruggelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan.

6.3

De regels

De regels zijn conform de SVBP 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als volgt opgebouwd: inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

51

52

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Hoofdstuk 7 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Inleiding

Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid.

7.2

Economische en financiële uitvoerbaarheid

De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. 2. 3.

het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is, en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d Wro niet noodzakelijk is.

Met het planvoornemen is sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Dit betekent dat de gemeenteraad verplicht is om een exploitatieplan op te stellen of moet aantonen dat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De kosten voor het planvoornemen komen volledig voor rekening van de intitiatiefnemer. Hierover zijn nadere afspraken gemaakt tussen de partijen, welke zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. De kosten zijn daarmee in voldoende mate gewaarborgd.

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

53

54

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Hoofdstuk 8 8.1

Overleg & inspraak

Overleg

In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg is het plan besproken met volgende partijen: Provincie; Waterschap. Te zijner tijd zullen eventuele opmerkingen uit het vooroverleg hier van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

8.2

Inspraak

Het voorontwerp-bestemmingsplan wordt op grond van de gemeentelijke inspraakverordening gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegd.

Te zijner tijd zullen de ingediende inspraakreacties in overweging worden genomen en van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

Of:

Het ontwerp-bestemmingsplan wordt op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in het kader van de zienswijzen gedurende 6 weken voor een ieder ter visie gelegd.

Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen bij de besluitvorming worden betrokken.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=5330958a-9e16-4670-8ce8-d7ce39543198