CConstaterende datReusel-De Mierden
Koppel je AI →
Document · PDF

[20.18578] - ontwerp bp Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde_Toelichting

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Reusel-De MierdenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan "Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde"12.849 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan - Toelichting -

Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde Gemeente Reusel-De Mierden

BESTEMMINGSPLAN - Toelichting -

Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde Gemeente Reusel-De Mierden

IDN-nummer:

NL.IMRO.1667.BPLMlind3014-ON01

Status:

concept

Datum:

16-09-2020

Locatie Nijmegen St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen

Locatie Vught Parklaan 21 5261 LR Vught

024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4

5 5 6 7

Aanleiding Ligging plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

9

2.1 2.2

Ruimtelijke structuur Functionele structuur

9 11

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

13

3.1 3.2 3.3 3.4

13 14 15 16

Stedenbouwkundig plan & randvoorwaarden Bouwplan Groen Verkeer & parkeren

Hoofdstuk 4 Beleid & regelgeving

19

4.1 4.2 4.3 4.4

19 22 25 27

Nationaal beleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 5 Milieu- & omgevingsaspecten

31

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Milieu Vormvrije m.e.r. beoordeling Waterhuishouding Flora & fauna Cultureel erfgoed Leidingen

31 41 41 44 46 49

Hoofdstuk 6 Juridische opzet

51

6.1 6.2 6.3

51 51 51

Inleiding De verbeelding De regels

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

53

7.1 7.2

53 53

Inleiding Economische en financiële uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 8 Overleg & inspraak

55

8.1

55

Overleg

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

3

8.2

Inspraak

55

Toelichting

4

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens om aan de Kloosterstraat/ Hoogemanstraat te Lage Mierde het aldaar gelegen voormalig zorgcentrum 'de Lindenhof' te herstructureren. Deze herstructurering betreft de sloop van een gedeelte van de bestaande bebouwing en de realisatie van een nieuw woongebouw met 40 zorgappartementen en 15 starters- en/of seniorenwoningen. Delen van de bestaande bebouwing worden gehandhaafd. Dit betreft ondermeer de op het plangebied gevestigde kapel. Het woonzorggebouw in het blauwe kader in figuur 1 blijft eveneens behouden en valt buiten het plangebied. Daarnaast beoogt de herstructurering de ontwikkeling van een grondgebonden twee-onder-een kap woning op een thans onbebouwd deel van het plangebied.

Figuur 1

Luchtfoto van het plangebied; het blauwe gedeelte blijft buiten het planvoornemen.

Deze herstructurering is binnen de momenteel vigerende bestemming 'maatschappelijk' binnen het geldende bestemmingsplan 'Kom Lage Mierde' niet mogelijk. Binnen deze maatschappelijke bestemming kunnen namelijk geen woonobjecten worden opgericht en bovendien zal de situering van de beoogde herstructurering afwijken van het bestaande bouwvlak.

Om de ontwikkeling planologisch - juridisch mogelijk te maken is derhalve een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. In dit kader heeft initiatiefnemer de gemeente Reusel - De Mierden verzocht om principemedewerking. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 4 december 2018 aangegeven principemedewerking te willen verlenen aan het planvoornemen.

1.2

Ligging plangebied

De kern Lage Mierde is de meest noordelijke gelegen kern binnen de gemeente Reusel-De Mierden. De planlocatie ligt centraal in de kern en bestaat uit de percelen kadastraal bekend als gemeente Hooge en Lage Mierde, sectie H, nummers 2254, 1707 en 2253. De planlocatie heeft een oppervlakte van 5.890 m².

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

5

Het plangebied betreft een markante plek in Lage Mierde door de bekendheid als zorgcentrum 'De Lindenhof' en door de karakteristieke voorzieningen, ondermeer de op het plangebied gesitueerde kapel.

1.3

Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan "Kom Lage Mierde" dat door de raad van de gemeente Reusel-De Mierden is vastgesteld op 7 mei 2013.

Figuur 2 Uitsnede bestemmingsplankaart met in rood kader plangebied; het blauwe kader blijft buiten het planvoornemen.

Ter plaatse van het plangebied geldt de bestemming 'Maatschappelijk'. De gronden zijn hier bestemd voor culturele en maatschappelijke voorzieningen met daaraan ondergeschikt ondersteunende horeca, infrastructurele voorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. In het noorden van het plangebied is eveneens een functieaanduiding gelegen: 'monumentale boom'. Deze boom geniet derhalve planologische bescherming.

Ten aanzien van het plangebied is voorts de gebiedsaanduiding 'wro zone - wijzigingsgebied' van toepassing. Deze wijzigingsbevoegdheid staat toe om onder voorwaarden de bestemming binnen deze zone te wijzigingen naar 'wonen'.

Het planvoornemen, het herstructureren van de locatie waarbij 40 zorgappartementen, 15 starters-/seniorenwoningen en één twee-onder-een kap woning worden gerealiseerd, is op basis van de

6

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

vigerende bestemming niet mogelijk. Om het planvoornemen planologisch- juridisch mogelijk te maken is een bestemmingsplan wijziging derhalve noodzakelijk.

1.4

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. De toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie in het plangebied beschreven; In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het voorgenomen plan; In hoofdstuk 4 wordt het ruimtelijke beleidskader dat van toepassing is op het bestemmingsplan beschreven; in hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod; in hoofdstuk 6 volgt de beschrijving van het juridische deel van het plan; in hoofdstuk 7 komt de economische uitvoerbaarheid aan bod; in hoofdstuk 8 tenslotte worden de resultaten uit overleg en inspraak besproken en behandeld.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

7

8

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande situatie

Ruimtelijke structuur

2.1.1 Bebouwing Het plangebied is gelegen in de kern van Lage Mierde en momenteel in gebruik als zorgcomplex. Oorspronkelijk was op de locatie een klooster gevestigd: het St. Franciscus Xaveriusklooster. Dit klooster is in 1982 gesloopt en vervangen door het huidige zorgcomplex Lindenhof. De kapel is wel bewaard gebleven. Eind jaren '90 is er nog een aanbouw gerealiseerd aan het zorgcomplex. De laatste jaren heeft het plangebied te maken gehad met (gedeeltelijke) leegstand.

Figuur 3

Zijaanzicht zorgcomplex 'De Lindenhof' vanaf de Hoosemansstraat

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

9

Figuur 4 Vooraanzicht 'De Lindenhof' vanaf de Kloosterstraat met rechtsvoor de historische kapel

Figuur 5 Zijaanzicht 'de Lindenhof' vanaf de Kloosterstraat met aan linkerkant de historische kapel

De omgeving van het plangebied wordt voornamelijk gekenmerkt door woonobjecten. Daarnaast zijn er enkele maatschappelijke, culturele en kleinschalige detailhandelsfuncties in de directe nabijheid gelegen. 2.1.2 Groen De kern van Lage Mierde wordt gekenmerkt door relatief veel groen. Veel percelen hebben lange, diepe tuinen. Het aanwezige groen binnen het plangebied bestaat voornamelijk uit grasvelden (ondermeer ter hoogte van de voormalige moestuin van het klooster) en diverse al dan niet monumentale bomen.

10

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

2.1.3 Verkeer In de huidige situatie wordt het plangebied ontsloten door de Kloosterstraat en de Hoosemansstraat. Momenteel zijn er in deze straten diverse parkeerhavens voorzien, die ondermeer ten behoeve van het plangebied worden benut. Op het plangebied zelf is momenteel slechts beperkt mogelijkheid tot parkeren.

2.2

Functionele structuur

Het plangebied wordt momenteel gekenmerkt door de aanwezigheid van de zorgfunctie. Dit is planologisch geregeld door toekenning van een maatschappelijke functie aan het plangebied. Op dit moment is het zorgcomplex grotendeels leegstaand. Er is derhalve behoefte aan een herstructurering om deze functie binnen het plangebied en daarmee ook de kern van Lage Mierde te revitaliseren.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

11

12

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Hoofdstuk 3 3.1

Planbeschrijving

Stedenbouwkundig plan & randvoorwaarden

Het planvoornemen omvat de sloop van een gedeelte van het bestaande zorgcomplex en de oprichting van een nieuw woongebouw waarin 40 zorgappartementen en 15 starters-/ seniorenwoningen worden gerealiseerd. Daarnaast wordt op een onbebouwd deel van het plangebied een twee-onder-een kapwoning gerealiseerd. De bestaande historische kapel en een later aangebouwd deel van het zorgcentrum zal wel worden behouden. Onderstaande figuur geeft de positionering van deze verschillende onderdelen weer:

Figuur 6

Verschillende onderdelen plangebied met beoogd voornemen

In de nieuwe situatie leidt dit tot de volgende invulling van het plangebied zoals opgenomen op de verbeelding

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

13

Figuur 7

3.2

Beoogde indeling plangebied

Bouwplan

In het planvoornemen is ingezet op het voegen van de nieuwe bebouwing in de bestaande omgeving en daarbij raakvlakken te creëren met de geschiedenis van de plek. De kapel krijgt in dat kader onder andere een belangrijke rol in het planconcept. Eveneens wordt er in de typologie subtiel gerefereerd aan de typologie van het voormalige klooster. Daarbij is het niet de bedoeling dat het oorspronkelijke klooster terugkomt, of dat er letterlijk aspecten van dat voormalige klooster worden gebruikt. Er is daarom gekozen voor een robuuste buitenwand die georiënteerd is op de omgeving, en een vriendelijk, groen binnenhof. Op deze manier wordt enerzijds de Kloosterstraat en Hoosemansstraat begeleidt door bebouwing en komt anderzijds de bestaande kapel los te staan van de omliggende nieuwbouw. De kapel wordt daardoor ook explicieter ervaren.

Ten aanzien van het bouwplan is een Beeldkwaliteitsplan (BKP) opgesteld voor het planvoornemen. Dit BKP is bijgevoegd in Bijlage 1 . Het beeldkwaliteitsplan zal gelijktijdig worden vastgesteld met het bestemmingsplan. Het programma dat in het beeldkwaliteitsplan is opgenomen is inmiddels aangepast tot het onderstaande programma, echter zal de bebouwing in lijn met de uitgangspunten van het BKP worden gerealiseerd.

De entree zit in het binnenhof en is bereikbaar via de openingen tussen de gebouwdelen. Het binnenhof zelf is een rustige, groene kloostertuin, omgeven door bebouwing. Het gebouw reageert qua massa en uitstraling op omgeving. Maar omdat het gebouw een bijzondere functie en een speciale positie in het dorp heeft, is een afwijkende massa ten opzichte van de directe woonomgeving, zonder grootschalig te worden, passend. Het

14

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

gebouw wordt maximaal drie lagen met een kap, waarbij er ook woningen in de kap zullen worden toegevoegd.

Figuur 8

Aanzichten en bouwhoogten wooncomplex.

Zoals reeds aangegeven bestaat het programma uit 40 appartementen (en gemeenschappelijke ruimtes) bedoeld voor zorg, onderverdeeld in in elk geval 20 appartementen voor Icare (bedoeld voor dementerende mensen) en in elk geval 20 appartementen voor Amarant (bedoeld voor mensen met een verstandelijke handicap). De vijftien starterswoningen komen op de tweede verdieping in bouwblok A en B. Deze krijgen een aparte entree aan de oostzijde.

3.3

Groen

Het plangebied bestaat momenteel uit een groene, open structuur. Met het planvoornemen blijft er oog voor groen en wordt daar specifiek op ingezet. De accenten liggen daarbij op het behouden van het vriendelijke karakter van het gebied. Daarbij wordt ingezet op de het behoud van de karakteristieke en monumentale bomen. Deze krijgen in het ontwerp een prominente plek. Daar waar het monumentale bomen betreft krijgen deze ook planologische borging en bescherming. Voor het overige deel wordt er veel gewerkt met gazons en lage hagen om percelen in te richten, danwel te scheiden.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

15

3.4

Verkeer & parkeren

Het planvoornemen voorziet in de volgende woonobjecten met bijbehorende parkeernorm op basis van de CROW normering:

Object Twee-onder-een kap woning 40 zorgappartementen 15 starterswoningen (appartementen) Totaal

Parkeernorm 1,7 0,6 per wooneenheid; 24 1,3 per appartement; 19,5 46 parkeerplekken

De benodigde parkeerplekken voor de vrijstaande twee-onder-een kap woning zullen op het eigen terrein van die woning worden gerealiseerd. Dat betekent dat er nog 44 parkeerplekken dienen te worden voorzien op gedeelte van de nieuwe locatie aan de Lindenhof. Het planvoornemen voorziet in 31 parkeerplekken op eigen terrein. Dit betreffen de haakse vakken aan de noordzijde van het gebouw, haakse vakken aan de oostzijde en in de vorm van langsparkeren aan de zuidzijde. Het planvoornemen is derhalve niet zelfvoorzienend in parkeervoorzieningen, met een tekort van 13 parkeerplaatsen op basis van vastgestelde CROW parkeernormering.Ten zuiden van het plangebied ligt aan het Dorpsplein een parkeerplaats met ruim voldoende parkeergelegenheid om gemotiveerd af te kunnen wijken van de geldende parkeernorm voor het planvoornemen.

Dit kan als volgt worden onderbouwd. De behoefte in de huidige situatie bedraagt 37 kamers maal 0,6 parkeerplaatsen per woning: 23 parkeerplekken. Hiervan kunnen in de huidige situatie 10 parkeerplekken binnen het plangebied worden voorzien. Voor de overige 13 parkeerplekken wordt uitgeweken naar parkeerplekken in openbaar terrein. Deze parkeerplekken zijn ook in de toekomstige situatie beschikbaar om in de parkeerbehoefte buiten het plangebied (eveneens 13 plekken) te voorzien.

16

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Ligging van de parkeerplaats ten opzichte van het plangebied (Bron: Google Earth)

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

17

18

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Hoofdstuk 4 4.1

Beleid & regelgeving

Nationaal beleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is door de minister van Infrastructuur en Milieu het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Het hoofdthema van de SVIR is: “Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig”. De structuurvisie geeft een visie voor Nederland tot het jaar 2040. Er zijn in de structuurvisie drie hoofddoelen opgenomen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028). Deze doelen zijn: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, is een nieuwe aanpak in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid geformuleerd. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’) en werkt aan eenvoudigere regelgeving. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Voor een goed werkende woningmarkt blijft het Rijk de Rijksdoelstellingen voor heel Nederland benoemen. Deze doelstellingen zijn: de zorg voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. De programmering van verstedelijking wordt overgelaten aan provincies en (samenwerkende) gemeenten. Gemeenten zorgen voor de (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering, binnen de provinciale kaders, en uitvoering van de woningbouwprogramma's.

De beoogde herontwikkeling heeft geen betrekking op de geformuleerde nationale belangen. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de 'oude' ontwerp AMvB Ruimte die in 2009 al aan inspraak is

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

19

onderworpen, en deels uit nieuwe onderwerpen. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het betreft de volgende nationale belangen uit de SVIR: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote Rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Ecologische hoofdstructuur; 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De opname van het nationale belang 9) 'Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen' in het Barro is uitgesteld in afwachting van de behandeling van de Structuurvisie Buisleidingen.

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. 4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze Ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De Ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Kern van de Ladder is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien. In juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt nu als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Ladder-onderbouwing is verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Voordat getoetst wordt of een voorziene ontwikkeling 'nieuw' is, dient te worden getoetst of deze ontwikkeling kan worden aangemerkt als een 'stedelijke' ontwikkeling. De definitie van 'stedelijke ontwikkeling' is: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro).

In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens

20

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In de literatuur wordt er bij voorziene ontwikkelingen met betrekking tot woningbouw zelfs gesproken over een daadwerkelijke ondergrens.

Volgens vaste jurisprudentie zijn elf woningen (welke op één dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd (ABRvS 18-11-2015, ECLI:NL: RVS:2015:3542, r.o. 8.2.). Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus twaalf (ABRvS 22-07-2015, ECLI:NL: RVS:2015:2329,r.o. 6.3).

In onderhavig planvoornemen wordt bestaande (grotendeels) bebouwing gesloopt en wordt nieuwbouw gerealiseerd waarbij 40 zorggerelateerde woningen worden gebouwd, 15 starters- / seniorenwoningen en 1 2-onder-1 kapwoning. In de bestaande situatie waren er op de locatie reeds 37 zorgwoningen gesitueerd. Het planvoornemen voorziet daarmee in een toename van 3 zorggerelateerde woningen en 17 reguliere woningen. De zorgwoningen die in het planvoornemen worden gerealiseerd betreffen geen woningen die in de contingentering opgenomen dienen te worden. Ten aanzien van de woningbouwcontigentering voorziet het planvoornemen daarmee slechts in een toename van 17 reguliere woningen.

Het planvoornemen valt hierdoor onder de definitie van 'stedelijke ontwikkeling' (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro). Zodoende moet de behoefte van deze ontwikkeling nader worden onderbouwd. Voor de gemeente Reusel- De Mierden bestaat er een te verwachten woningbehoefte voor de periode 2018-2028 van ongeveer 550 woningen (ongeveer 55 woningen per jaar). Als doelstellingen gelden daarbij ondermeer het vergroten van het aanbod voor starters en senioren en het aanbieden van kleinere wooneenheden. Zie hiervoor ook paragraaf ... en ... met betrekking tot het regionaal een gemeentelijk woonbeleid. Daarnaast wordt er de voorkeur gegeven aan inbreiding boven uitbreiding. Met het planvoornemen worden 40 zorgwoningen gerealiseerd en 17 reguliere woningen. Van deze reguliere woningen betreffen 15 wooneenheden appartementen voor ondermeer starters. De zorgwoningen en deze starterswoningen worden gerealiseerd op de plek waar momenteel een leegstaand zorgebouw is gesitueerd. Middels de realisatie van het nieuwe woongebouw wordt er a) invulling gegeven aan de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave voor de gemeente Reusel (zorgwoningen voor senioren en woningen voor starters), b) leegstand voorkomen en c) binnen het bestaand stedelijk gebied voorzien in de stedelijke ontwikkeling.

De te realiseren bouwmassa zal daarnaast niet noemenswaardig toenemen ten opzichte van de huidige bouwmassa op het plangebied. Er kan met de transformatie daardoor eveneens gesproken worden van een optimalisatie van het ruimtegebruik omdat er binnen het huidige bebouwde gebied beter wordt ingespeeld op de toekomstige vraag. 4.1.3.1 Conclusie Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

21

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' Vooruitlopend en anticiperend op de inwerkingtreding van de nationale Omgevingswet in 2021 hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk.

De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie.

De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal de komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's en een provinciale omgevingsverordening.

Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van een (deels) leegstaand verzorgingshuis. Er wordt met het planvoornemen daarmee leegstand voorkomen. Er is daarmee sprake van efficïent ruimtegebruik. Daarnaast maakt door middel van de herontwikkeling oude bebouwing plaats voor nieuwe, goed geïsoleerde, gasloze bebouwing. 4.2.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening De Structuurvisie ruimtelijke ordening geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Brabant weer tot en met 2025. Het beleid is gestoeld op een evenwicht van het milieu (planet), de mens (people) en de markt (profit) in ruimtelijke kwaliteit. Hierbij is het van groot belang om bestaande kwaliteiten te benutten en als uitgangspunt te nemen bij ontwikkelingen.

Noord-Brabant heeft de ambitie om een goede mix van wonen, werken en voorzieningen te creëren. De leefbaarheid in woonmilieus moet van voldoende kwaliteit zijn. Dynamische stadscentra, vitale plattelandskernen, eigen identiteit en regionale afstemming zijn enkele uitgangspunten.

In de structuurvisie beschrijft de provincie ook vier ruimtelijke structuren: de groen-blauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Iedere structuur wordt verder onderverdeeld in verschillende structuurvisiegebieden, waarvoor telkens het beleid en de ambities uiteengezet worden.

Het plangebied is gelegen in de stedelijke structuur en dan meer in het bijzonder binnen de aanduiding 'kernen in het landelijk gebied'.

22

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Figuur 9

Uitsnede Provinciale structuurvisie, plangebied bij rode marker

Kernen in landelijk gebied In de kernen in het landelijk gebied met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen, werken en voorzieningen.

Het stedelijk gebied 'aan de randen' van de provincie, krijgt te maken met een afnemende groei van de woningbehoefte en op termijn zelfs (een beperkte mate van) krimp. Deze afnemende woningbehoefte biedt kansen voor verbetering van de kwaliteit, door gerichte ingrepen als verdunning en vergroening. Het is daarbij wel belangrijk om concurrentie tussen gemeenten en regio's, overproductie en leegstand te voorkomen. Het belang van regionale afspraken neemt daardoor toe.

In overleg met de gemeenten worden de regionale verbanden voor wonen en werken bepaald. Bij het zoeken naar ruimte voor nieuwe verstedelijking is zorgvuldig ruimtegebruik voorwaarde.

In het onderhavig planvoornemen wordt een bestaande locatie herontwikkeld. Hierbij wordt een grotendeels leegstaand zorgcomplex herontwikkeld naar een woongebouw waar zowel zorg gerelateerde woningen komen, alsook 15 starters-/ seniorenwoningen. Hiermee wordt er leegstand en verpaupering voorkomen.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

23

4.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) vastgesteld.

De IOV betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De IOV is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.

De IOV is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. De beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er in het geheel geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt.

Figuur 10

Uitsnede Verordening Ruimte met plangebied bij rode marker

Het plangebied is gelegen in het bestaand stedelijk gebied, landelijke kern.

Kernen in het landelijke gebied In en rondom deze kernen staat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal. Voor deze kernen geldt in het algemeen dat er nieuwe woningen alleen mogelijk zijn als dat nodig is voor de natuurlijke bevolkingsgroei. Dat wil zeggen dat nieuwkomers in de kernen en vertrekkende huidige inwoners

24

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

niet meetellen ( migratiesaldo-nul ). Ook kunnen kernen plaats bieden aan kleinschalige en middelgrote bedrijvigheid. Bedrijven die doorgroeien tot een groot bedrijf behoren in beginsel thuis in een stedelijk concentratiegebied.

Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling; uiteraard binnen de grenzen van wetgeving en de regionale woningbouwafspraken. Wel is in artikel 3.1 een aantal bepalingen opgenomen over zorgvuldig ruimtegebruik en de verantwoording die de provincie daarover vraagt aan gemeenten.

Voor het optimaal benutten van het bestaand stedelijk gebied ligt het accent op inbreiden en herstructureren . Hierbij wordt aandacht gevraagd voor:

compacte bouwwijzen; en intensivering van ruimtegebruik, bijvoorbeeld door functies als wonen, werken en zorg te combineren. De provincie realiseert zich dat zorgvuldig ruimtegebruik moet aansluiten op het karakter en de kwaliteiten van het desbetreffende gebied. Bovendien ligt er een opgave om in de stedelijke concentratiegebieden en vooral in de grote steden te bezien welke belangrijke knooppunten zich lenen voor intensief en multifunctioneel ruimtegebruik. Dat speelt een rol bij het maken van de regionale afspraken over programma`s en locaties voor wonen, werken en voorzieningen.

Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van een bestaande locatie. Daarbij wordt een mix van zorggerelateerde - en reguliere woningen gerealiseerd waarbij het zwaartepunt ligt op de zorgwoningen (voor mensen met een beperking en dementerenden). Daarmee wordt leegstand in de kern voorkomen, wordt ingezet op herstructurering en worden functies gecombineerd. Het planvoornemen is daarmee in lijn met de doelen voor kernen in het landelijk gebied.

4.3

Regionaal beleid

4.3.1 Woonvisie regio Eindhoven Op 28 juni 2012 heeft de Regioraad de Regionale Woonvisie 2012-2020 vastgesteld. In deze visie wordt gefocust op drie punten:

1. 2. 3.

oog voor lage-lonen-arbeidsmigranten en kenniswerkers; naar een nieuw evenwicht van sterke steden en een vitaal landelijk gebied; duurzaam vernieuwen en transformeren van de bestaande woningvoorraad.

In de Regionale Woonvisie wordt aangegeven dat er binnen de woningmarkt in Zuidoost- Brabant te weinig woningen zijn, het aanbod niet goed aansluit op de vraag (te weinig woningen in de sociale sector in de dorpen) en er zijn te weinig kavels beschikbaar voor mensen die zelf willen bouwen.

In de Regionale Woonvisie is een zevental ambities voor het wonen in Zuidoost Brabant geformuleerd:

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

25

Meer keuzevrijheid en zeggenschap voor de burger, met meer inzicht in (de kansen)op de woningmarkt. Meer evenwicht in de koop-huur-verhouding, tussen steden en dorpen. Meer capaciteit en kwaliteit in Wonen, Welzijn en Zorg Meer samenwerking tussen alle woningmarktpartijen. Meer aandacht voor doelgroepen en betaalbaarheid van woningen. Meer zorg voor kwaliteit van woning en woonomgeving. Monitoren van wat er gebeurt op de woningmarkt. De Regionale Woonvisie streeft er naar zoveel mogelijk te kunnen voldoen aan de woonwensen van de burgers. Samen met de regionale marktpartijen worden de ambities zoveel mogelijk concreet uitgewerkt. De Regionale Woonvisie is het kwalitatieve kader voor het afstemmen van ontwikkelingen op de woningmarkt en voor het uitwerken van de woningbouwprogramma’s. Voor de landelijke regio Groot Kempen betekent dit concreet dat gestreefd wordt naar een goede huisvesting van de eigen bevolking. Hiervoor is zowel (zorgvuldig ingepaste) inbreiding als uitbreiding noodzakelijk.

Het planvoornemen sluit aan bij de doelstellingen zoals geformuleerd in de woonvisie regio Eindhoven, doordat er wordt ingezet op een herontwikkeling van een bestaande woningbouwlocatie. Hierdoor wordt leegstand voorkomen, wordt er voorzien in de behoefte aan zorg- en starterswoningen en worden er functies gecombineerd op een bestaande locatie. 4.3.2 Regionaalwoningbouwprogramma Het huidige Regionaal woningbouwprogramma is door voormalig SRE gemeenten vastgesteld op 17 december 2009 en daarna elk jaar geactualiseerd. De Verordening Ruimte geeft aan dat jaarlijks afspraken gemaakt dienen te worden in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) over het woningbouwprogramma voor de eerste tienjaarsperiode. Bij deze kwantitatieve afspraken (programma) hoort een aantal uitgangspunten op basis waarvan de afspraken worden geactualiseerd.

Eén van de uitgangspunten is dat de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose het uitgangspunt vormt. De meest actuele prognose is uit 2017, waarbij voor Reusel-De Mierden wordt uitgegaan van een toename van de woningvoorraad met 730 woningen in de periode 2017 t/m 2029. Hierbij wordt het ondermeer belangrijker om welzijn en wonen te combineren door de toenemende vergrijzing.

Het planvoornemen voorziet op een bestaande locatie in een combinatie van deze functies welzijn/ zorg en wonen. Daarbij wordt specifiek ingespeeld op doelgroepen waarvoor behoefte bestaat; ouderen/ dementerenden en starters. Door een bestaande locatie te herontwikkelen wordt bovendien leegstand en verpaupering voorkomen. Daarmee is het planvoornemen in lijn met het regionaal woningbouwprogramma. 4.3.3 Kempische visie op wonen 2019-2023 De kempische visie op wonen is op 30 april 2019 vastgesteld. Daarin zijn vijf speerpunten voor de regionale woningmarkt opgenomen:

1. 2.

26

De bouwproductie versnellen op een zorgvuldige manier; Behoud van betaalbaar wonen;

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

3. 4. 5.

Zorg voor elkaar te faciliteren; Klaar voor de toekomst; Wonen en werken

Voor het versnellen van de bouwproductie wordt de voorkeur gegeven aan herbestemmingslocaties binnen bestaand stedelijk gebied. Nadruk ligt daarbij ook, door de sterke economische ontwikkeling van de regio Eindhoven, op betaalbare woningen gezien de prijsstijging die daarmee gepaard gaat. Specifiek dient er te worden ingezet op de duurzame woningen en onderlinge uitwisseling en facilitatie.

Voor de gemeente Reusel de Mierden wordt voor de periode 2018-2028 een behoefte van ca. 550 woningen verwacht.

Het planvoornemen is in lijn met de regionale woonvisie. Met het planvoornemen wordt immers ingezet op herontwikkeling van een deels leegstaande locatie. Er wordt daarbij efficiënt met ruimte omgegaan en daarnaast een bijdrage geleverd aan de lediging van het woningbehoefte van de gemeente door specifiek voor senioren, starters en zorggerelateerde doelgroepen te bouwen. Eveneens gebeurd dit op een duurzame, gasloze wijze.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Omgevingsvisie Reusel - De Mierden

Op 22 mei 2018 is de 'Omgevingsvisie gemeente Reusel-De Mierden' door de raad vastgesteld. Deze omgevingsvisie is de opvolger van de StructuurvisiePlus. In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingsvisie.

De omgevingsvisie is opgesteld vooruitlopend op de aankomende Omgevingswet. Deze visie is niet zozeer een gewenst eindbeeld, maar er wordt gekozen om de strategie om er te komen vast te leggen. Aan elk(e) (type) gebied waar in deze omgevingsvisie aandacht aan is besteed, is een strategie gekoppeld. Over Lage Mierde wordt het volgende in deze visie gezegd:

Lage Mierde In de kern Lage Mierde is met de komst van de brede school en het gemeenschapshuis, vlak bij het sportpark, een moderne invulling gegeven van een voorzieningenconcentratie. Deze voorzieningenconcentratie is gericht op de eigen inwoners en wordt intensief gebruikt. Het Dorpsplein is van oudsher het hart van het dorp. De inrichting van het Dorpsplein als parkeerplaats, de leegstand en verpaupering van enkele historische panden (zoals de voormalige sigarenfabriek) en de matige architectonische kwaliteit van het voormalige gemeentehuis zorgen niet voor een aantrekkelijke ambiance. Ook de aangrenzende zorglocatie Lindenhof is niet meer als zodanig in gebruik en staat leeg. In samenspraak met de rond het Dorpsplein gevestigde horeca, commerciële en culturele voorzieningen moet in de omgeving van het Dorpsplein nieuw leven geblazen worden. Punt van aandacht daarbij is de verkeersstructuur, waardoor nu grootschalig transport dwars door het dorp gaat. Er ligt niettemin een kans centraal in het dorp nieuw programma toe te voegen, naast de doorontwikkeling van woonwijk De Hasselt II aan de zuidwestzijde van het dorp. Samen meer dan voldoende ruimte voor het woningbouwprogramma dat voortvloeit uit de demografische ontwikkeling.

De einden zijn de meest gewaardeerde plekken in Lage Mierde. Hier is het zaak de ruimtelijke structuur te

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

27

versterken en de open zichten vanaf de linten naar het achterliggende landschap niet te laten dichtslibben. Het sterke netwerk van recreatieve routes rond de kern kan tegelijkertijd beter benut worden, gekoppeld aan de versterking van de beekdalen van de Reusel en de Raamsloop. Op die manier keert ook Lage Mierde zich weer naar het landschap.

Ook in Lage Mierde ligt de opgave op het bedrijventerrein, in dit geval Koningshoek. Dit bedrijventerrein ligt ingesloten in de woonbebouwing. Er staat een aantal grote bedrijfspanden leeg. Zeker bedrijven met veel vrachtverkeer en/of een hogere milieucategorie worden gestimuleerd te verplaatsen naar beter ontsloten bedrijventerreinen elders in de regio (onder meer Kleine Hoeven, Kempisch Bedrijvenpark). Herontwikkeling naar woningbouw en/of lichtere bedrijvigheid ligt hier voor de hand.

In de omgevingsvisie wordt de planlocatie nadrukkelijk benoemd. Daarbij zijn er zorgen over de leegstand van het zorggebouw op het plangebied. Het planvoornemen voorkomt deze leegstand en combineert zorg- en woonfuncties binnen het plangebied. Daarmee is er een duurzame bestemming voor het plangebied geborgd. Het planvoornemen is daarmee in lijn met de omgevingsvisie. 4.4.2 Woonvisie 2018-2023 Het college van de gemeente Reusel-De Mierden heeft op 19 december 2017 de Woonvisie 2018-2023 vastgesteld.

De woonvisie biedt de gemeente een sturingskader om de komende jaren regie te voeren bij verschillende woningmarktvraagstukken. In de woonvisie zijn vijf opgaven benoemd: 1. 2. 3. 4. 5.

prioriteiten stellen voor nieuwbouw; voldoende betaalbare huur; investeren in de bestaande voorraad; wonen en zorg; passende huisvesting voor arbeidsmigranten.

De afgelopen tien jaar is de bevolking binnen de gemeente met ongeveer 440 inwoners toegenomen. Dit kwam vooral door een geboorteoverschot. Lange tijd was er ook sprake van een positief binnenlands migratiesaldo. Maar de laatste vijf jaar was er sprake van een vertrekoverschot (vooral veroorzaakt door het vertrek van jongeren en -in beperkte matesenioren).

De verwachting is dat het aantal huishoudens binnen de gemeente de komende jaren verder zal toenemen. Het zijn vooral de oudere huishoudens (1+2 persoonshuishoudens van 55 jaar en ouder) die deze groei veroorzaken. Door deze groei zijn meer woningen nodig. De verwachte woningbehoefte voor de periode 2018-2028 ligt op ongeveer 550 woningen (ongeveer 55 woningen per jaar). Het is belangrijk dat er speelruimte in de plancapaciteit zit om medewerking te kunnen verlenen aan kleinschalige initiatieven.

Nieuwe stedelijke ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Dit betekent dat er sprake moet zijn van een aantoonbare behoefte aan het

28

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

geplande aantal woningen. Daarnaast dienen nieuwe ontwikkelingen in eerste instantie op inbreidingslocaties plaats te vinden, voordat gekeken wordt naar uitbreidingslocaties.

Om ervoor te zorgen dat nieuwe initiatieven voor woningbouw aansluiten bij de woningbehoefte én bij de gemeentelijke ruimtelijke opgaven, worden plannen getoetst op basis van een prioriteringsmethodiek criteria. Belangrijk is dat nieuwe woningen op de lange termijn aantrekkelijk blijven voor meerdere doelgroepen. De gemeentelijke ambitie is om het aanbod aan levensloopgeschikte woningen via nieuwbouw uit te breiden. Het is daarom belangrijk om bij elk initiatief goed aan te sluiten bij de kwalitatieve wensen van woningzoekenden.

De geformuleerde opgaven van de gemeente met betrekking tot nieuwbouw betreffen ondermeer:

vergroten woonaanbod voor senioren; betaalbare koopwoningen voor starters; vragen naar kleinere wooneenheden; zorgvuldig omgaan met groene woonomgeving. Met betrekking tot de bestaande voorraad zijn onder meer navolgende opgaven geformuleerd:

benutten van transformatiemogelijkheden; uitbreiden van levensloopgeschikte woningen; verbeteren van de energetische kwaliteit. De geformuleerde gemeentelijke ambities bij nieuwbouw voor komende vijf jaar, betreffen onder meer:

de gemeente geeft invulling aan de verwachte woningbehoefte van 175 woningen in Reusel; de gemeente actualiseerd het prioriteringsinstrument voor woningbouwinitiatieven, op basis van actueel woonwensenonderzoek en beleidsambities uit de Woonvisie. De gemeente inventariseert mogelijke transformatielocaties binnen de kom. Hieraan wordt prioriteit gegeven bij het toetsen van eventuele nieuwe woningbouwinitiatieven. Nieuwbouw dient een bijdrage te leveren aan ons streven om op termijn als gemeente energieneutraal te zijn. In samenwerking met ontwikkelende partijen willen we daarom in de komende woonvisie-periode tot een pilot komen waarbij uitsluitend gasloze woningen gerealiseerd worden. Met ontwikkelaars onderzoeken we per locatie de mogelijkheid om bij nieuwbouw een EPC-norm te hanteren die lager is dan het uitgangspunt in het Bouwbesluit (momenteel EPC = 0,41). Bij nieuwbouw voor levensloopgeschikte woningen zijn de kwaliteitseisen van Woonkeur Plus het uitgangspunt. Het planvoornemen sluit naadloos aan bij deze behoeften en uitgangspunten van de woonvisie. Er worden namelijk appartementen gerealiseerd voor doelgroepen waar er specifiek vraag en behoefte bestaat (ouderen,

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

29

starters). Daarnaast wordt er een bestaande (leegstaande) locatie herontwikkeld. Hierbij wordt verpaupering voorkomen en ruimte efficiënt gebruikt. Tot slot is er sprake van duurzame en gasloze nieuwbouw.

30

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- & omgevingsaspecten

Milieu

5.1.1 Bodem Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico's opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Met het voorliggend bestemmingsplan wordt het voornemen om op het plangebied de bestaande bebouwing grotendeels te slopen en een nieuw wooncomplex te realiseren. In dit kader is een onderzoek naar de bodemkwaliteit van toepassing.

In het licht van het voorgaande is door Aelmans Eco een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (d.d. 08-08-2019, rapportnummer E198878.006) en bijgevoegd als Bijlage 2. In dit onderzoek is het volgende geconcludeerd:

"Bovengrond De bovengrond tot een maximale diepte van 0,8 m-mv, is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 1, 2 en 3. Uit de analyseresultaten van de grondmengmonsters 2 en 3 blijkt, dat licht verhoogde concentratie lood worden aangetroffen. Voor het overige worden geen overschrijdingen aangetroffen in de grondmengmonsters 1, 2, en 3.

De aangetroffen concentraties lood zijn van dien aard dat deze weliswaar de achtergrondwaarden overschrijden, doch niet de bodemindex of interventiewaarden. Daarnaast overschrijden voornoemde parameters niet de maximale waarden voor de klasse wonen. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de bovengrond van het gehele perceel als klasse AW2000 grond bestempeld worden.

Ondergrond De ondergrond vanaf 0,5 tot 2,0 m-mv is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 4 en 5. Uit de analyseresultaten van deze beide grondmengmonsters blijkt, dat de concentratie lood de achtergrondwaarden overschrijdt in grondmengmonster 5. Voornoemde concentratie overschrijdt echter niet de bodemindex en/of interventiewaarde. Daarnaast overschrijdt voornoemde concentratie niet de maximale waarde voor de klasse wonen. Uit de analyseresultaten van grondmengmonster 4 blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden.

Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond van het gehele terrein, ondanks de licht verhoogde concentratie lood, als klasse AW2000 grond bestempeld worden.

Grondwater

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

31

Uit de analyseresultaten van het grondwater blijkt, dat enkel licht verhoogde concentraties barium en/of naftaleen worden aangetroffen. Voornoemde concentraties zijn dermate marginaal dat deze als te verwaarlozen bestempeld kunnen worden.

Voornoemde verontreinigingen kunnen veelal als gebiedseigen bestempeld worden en vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor de beoogde bouwplannen en het toekomstig gebruik als zijnde woon-/zorgcomplex.

Asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het analytisch onderzoek kan de hypothese "onverdacht" met betrekking tot asbest worden bevestigd.

Toetsing hypothese De hypothese "onverdacht" wordt op basis van de onderzoeksresultaten niet bevestigd voor het gehele perceel. De aangetroffen overschrijdingen zijn echter van dien aard dat deze geen aanleiding geven tot het opstarten/inzetten van een nader onderzoek.

Resumé Resumerend kan gesteld worden dat ondanks de licht verhoogde concentraties in zowel de grond als het grondwater, deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen vormen voor de beoogde bouwplannen en de oprichting van een nieuw woon- en/of zorgcomplex.

Vanwege de diversiteit in bodemlagen dient men er rekening mee te houden dat bij de afvoer van de overtollige grond sprake is van diverse bodemkwaliteiten. Daarnaast is in onderhavig onderzoek geen PFAS meegenomen, het valt niet uit te sluiten dat het bevoegd gezag aangeeft dat de grond alsnog op voornoemde parameter dient te worden onderzocht. Dit bodemonderzoek is steekproefsgewijs uitgevoerd.

Eventuele aanwezige andere dan voornoemde bronnen van verontreiniging kunnen derhalve niet worden uitgesloten."

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er ten aanzien van het aspect bodem geen belemmeringen te verwachten zijn ten aanzien van het planvoornemen. Het gedeelte van het plangebied waarin de twee-onder-een kapwoning is beoogt is nader onderzocht. PM 5.1.2

Geluid

5.1.2.1 Wegverkeerslawaai Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient er, op basis van de Wet geluidhinder, onderzocht te worden of er sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven.

32

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Voor wat betreft geluid afkomstig van verkeer kan het volgende worden opgemerkt. Het plan voorziet in de realisatie van nieuwe (zorg)woningen in de nabijheid van de wegen Kloosterstraat, Hoosemansstraat en Berkenhof. Deze wegen kennen allen een 30 km/uur snelheidsregime. Dergelijke wegen zijn niet zoneplichtig. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai in het kader van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. 5.1.2.2 Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen. Het aspect industrielawaai is derhalve niet aan de orde voor het plangebied.

Het aspect geluid vormt in het licht van het voorgaande geen belemmering voor het planvoornemen. 5.1.3 Lucht Op 15 november 2007 is de wijziging van de 'Wet milieubeheer' in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De grenswaarde voor NO2 en PM10 komt overeen met 40 microgram/m3 (µg/m3) voor zowel PM10 als NO2. Onderstaand zijn op basis van de GCN kaart voor de gemeente Reusel-de Mierden deze waarden inzichtelijk gemaakt.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

33

Figuur 11

34

Kaart NO2 belasting Reusel- De Mierden

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

Figuur 12

Kaart PM10 belasting Reusel- De Mierden

Uit bovenstaande figuren wordt duidelijk dat de gemiddelde waarde voor NO2 en PM10 respectievelijk 14,19 µg /m3 en 18,51 µg /m3 is. Beiden blijven onder de grenswaarde van 40 µg/ m3 .

Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 5.1.4

Externe veiligheid

5.1.4.1 Algemeen Het externe veiligheidsbeleid is gericht op beperking en beheersing van risico's door opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet bij ruimtelijke ontwikkelingen de kans op grote calamiteiten met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied of een toetsingszone van een risicobron.

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Artikel 1 van het Bevi bepaalt hierbij dat kwetsbare objecten woningen, scholen, gezondheidscentra en dagverblijven zijn en dat beperkt kwetsbare objecten gebouwen/ voorzieningen zijn zoals kantoren, winkels en parkeerterreinen. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

35

Daarnaast is voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen respectievelijk de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Dit Bevb is op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb sluit aan bij het toetsingskader dat in het Bevi is opgenomen.

Plaatsgebonden risico (PR) De kans dat één persoon buiten het inrichtingsterrein overlijdt als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (plaatsgebonden risico).

Groepsrisico (GR) De kans dat meerdere personen buiten het inrichtingsterrein overlijden als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (groepsrisico). Voor het groepsrisico wordt een oriëntatiewaarde gegeven en geldt voor nieuwe situaties een verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag.

Om de risico's ter plaatse van het plangebied te achterhalen is er een analyse gemaakt van de externe veiligheidssituatie rondom het plangebied, met behulp van de provinciale risicokaart. Bijgaand is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.

Figuur 9

Uitsnede risicokaart met plangebied in rood kader

Risicovolle inrichtingen: Er zijn in het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ook buiten het plangebied zijn geen

36

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren het plangebied beïnvloeden.

Transport van gevaarlijke stoffen: In of nabij het plangebied zijn geen routes gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water plaatsvindt. De afstand tot de dichtstbijzijnde routes is zodanig groot dat het plangebied hier niet door wordt beïnvloed.

Er zijn geen hoogspanningsleidingen en buisleidingen in en in de directe omgeving om het plangebied aanwezig.

Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.1.5

Milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies en gevoelige functies op een verantwoorde afstand van elkaar gesitueerd worden. Dit dient twee doelen: 1. 2.

het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Bij de planontwikkeling dient derhalve rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven, om de kwaliteit van het leefmilieu te garanderen en te bevorderen.

De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een schakering van woonfuncties, detailhandel en horeca met overige centrumfuncties. Er is daarmee sprake van een gemengd gebied. De richtafstanden ten aanzien van dergelijke gebieden worden met één trap verlaagd.

In de nabijheid van het plangebied is een gemengd bedrijf gelegen. Hier mogen bedrijfsactiviteiten tot maximaal categorie 2 gevestigd worden met een maximale richtafstand van 30 meter ten aanzien van geluid, voor een gemengd gebied dus 10 meter. Het plangebied is buiten deze zonering (22 meter) gelegen. Daarnaast zijn er in de nabijheid diverse horecagelegenheden met een gemengde bestemming gelegen (65 meter). Voor dergelijke functies geldt een maximale richtafstand van 10 meter in het kader van geluid. Het plangebied is buiten tot ruim buiten deze richtafstand gelegen. Deze functies vormen dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Omgekeerd vormt het planvoornemen eveneens geen belemmering voor deze functies.

5.1.6 Geur In de Wet geurhinder en veehouderij zijn afstandsnormen opgenomen die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een milieuvergunning aan een agrarisch bedrijf waarin vee wordt gehouden. Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van agrarische bedrijven een nieuw geurgevoelig object wordt gesitueerd of uitgebreid, dient aan de wet te worden getoetst (de zogenoemde 'omgekeerde werking'). De gemeente is bevoegd om met een verordening af te wijken van de normen uit de wet.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

37

In de directe omgeving van het plangebied liggen geen agrarische dan wel industriële bedrijven die van directe invloed op de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen zijn. Omgekeerd vormt het planvoornemen geen belemmering qua geur.

Figuur 10

Geurkaart gemeente Reusel

Uit de bovenstaande geurkaart blijkt dat het plangebied gelegen in binnen een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect geur.

Gezien het voorgaande vormt het aspect geur geen belemmering voor het planvoornemen.

38

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

5.1.7 Spuitzones Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van spuitzones. Spuitzones vormen derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.

5.1.8

Gezondheid

5.1.8.1 Toetsingskader Handreiking Veehouderij en volksgezondheid 2.0 In opdracht van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) is de Handreiking veehouderij en volksgezondheid, d.d. 3 maart 2016, opgesteld. Deze handreiking is tot stand gekomen met medewerking van diverse bestuurlijke organisaties (Provincie, omgevingsdiensten en gemeentes) en de GGD. Op 30 april 2018 is er een update toegepast in de versie 2.0. Hierbij wordt het volgende stappenplan voorgesteld om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is: 1. 2. 3. 4. 5.

6. 7.

voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand (= afstand waarbinnen naar alle waarschijnlijkheid de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden); Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; de wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden de aanwezigheid van mestbe- en verwerking; ongerustheid bij omwonenden

In onderhavig planvoornemen betreft het geen realisatie of uitbreiding van een veehouderij. Er dient derhalve enkel worden beoordeeld of er voldoende afstand bestaat. Onderstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied weer i.r.t. naburige veehouderijen/ geitenhouderijen.

bestemmingsplan Stedelijk gebied, Lindenhof Lage Mierde

39

Figuur 10

Ligging plangebied in relatie tot veehouderijen

De meest dichtbijzijnde veehouderij ligt op ca. 500 meter van het plangebied. Daarmee ligt het plangebied buiten de invloedsfeer van de veehouderij. Binnen een straal van 2 kilometer zijn eveneens geen geitenhouderijen gelegen.

5.1.8.2 Geitenhouderijen In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderijen Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patíënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderíj. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=ReuselDeMierden&id=5330958a-9e16-4670-8ce8-d7ce39543198